Over de instroom en het optimaliseren van de studie-efficiëntie in het hoger onderwijs en overige organisatorische aspecten van het hoger onderwijs #1337
Gemerged Vlaamse Regering voegde 1 artikel samen in decreet-2007-06-08 · 16 juni 2022 Alle checks geslaagd
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks; de aanvaarde amendementen zitten in de volgende tekst van het voorstel. Hieronder de tekst uit de PDF.
Documenten in het dossier:
: Ontwerp van decreet
– Nr. 2 en 3: Amendementen
– Nr. 4: Verslag van de hoorzitting
– Nr. 5: Verslag
13 juli 2022 (2021-2022)
Amendementen
voorgesteld na indiening van het verslag
op het ontwerp van decreet
over de instroom en het optimaliseren
van de studie-efficiëntie in het hoger onderwijs
en overige organisatorische aspecten
van het hoger onderwijs
ingediend op
verzendcode: OND
— 1011 B russel — 02 552 11 11 — www.vlaamsparlement.be
AMENDEMENT Nr. 15
voorgesteld door Kristof Slagmulder, Roosmarijn Beckers,
Jan Laeremans en Chris Janssens
na indiening van het verslag
Artikel 14
In de voorgestelde tekst van artikel II.188/1, §3, vijfde lid, op de vierde
en de vijfde regel de woorden “intra- of extracurriculair” vervangen door het
woord “extracurriculair”.
VERANTWOORDING
Op zich zijn de verplichte niet-bindende starttoetsen met voorziene remediëring een initiatief dat vertrekt vanuit een nobel streven, wat dus in zekere zin een stap in de goede richting is. Ze bieden enerzijds aan de hogeronderwijsinstellingen aldus de kans om de kwaliteit van de instroom beter te monitoren en te bewaken, wat de kwaliteit van de opleiding zelf ten goede kan komen. Anderzijds geven de
starttoetsen aan de student een realistisch beeld van de startcompetenties die hij/zij al dan niet bezit
en dus een inschatting in hoe groot de kans is dat hij/zij de richting met succes kan volmaken. Ook de
remediëring is in die zin er vooral op gericht om eventuele tekorten snel weg te werken. De starttoetsen
bieden dus zeker potentiële voordelen ten opzichte van een compleet vrije toegang zonder proef of ten
opzichte van een vrijwillige ijkingsproef. Maar met deze maatregel is er wel enig gevaar op een zekere
‘verleerplichtisering’ van het hoger onderwijs.
Met het opleggen van de verplichte remediëring door de hogeronderwijsinstellingen aan instromende
studenten in een bepaalde opleiding die niet slaagden voor de starttoets van deze opleiding geeft de
decreetgever een extra taak aan de Vlaamse hogeronderwijsinstellingen. In se zou men hier kunnen
stellen dat het op zich al eigenaardig is dat hogeronderwijsinstellingen zouden moeten opdraaien om
beginnende studenten te gaan remediëren inzake tekorten waar de instellingen eigenlijk niet zelf verantwoordelijk voor zijn, maar wel ofwel de student zelf, ofwel het niveau van diens opleiding in het
secundair onderwijs of enig ander educatief voortraject dat de desbetreffende student heeft gevolgd alvorens de start van diens hogeronderwijscarrière. Daarbij zou het volgens de indieners van voorliggend
amendement des te eigenaardiger zijn dat de remediëring van tekorten inzake startcompetenties bij
dat segment van de startende studenten dat niet slaagde voor de starttoets, tijd en ruimte zou innemen
van (een deel van) van het eigenlijke curriculum van de desbetreffende hogeronderwijsinstelling. Het
eerste jaar van een bacheloropleiding dient om kennis, vaardigheden en competenties verbonden aan
de desbetreffende hogeronderwijsopleiding aan te leren, niet om kennis, vaardigheden en competenties
die op basis van de Vlaamse eindtermen al op het einde van het leerplichtonderwijs dienen gekend te
zijn en beheerst te worden door iedere Vlaamse adolescent als minimumdoelen te gaan aanleren.
In dat opzicht is het volgens de indieners van voorliggend amendement niet opportuun om remedieringstrajecten intra-curriculair te organiseren en dus in te kantelen binnen het gewone curriculum
van de desbetreffende bacheloropleiding. Want eigenlijk geeft men zo dus de facto een of meerdere
vrijstellingen voor vakken binnen het gewone curriculum van de desbetreffende bacheloropleiding aan
studenten met initiële tekorten. Volgens de indieners van voorliggend amendement is de beste piste
hier dat deze studenten met tekorten hun extra remediëring extra-curriculair moeten doen, dus ofwel
nog voor de start van het academiejaar, ofwel tijdens het academiejaar, maar dan bovenop de gebruikelijke omvang van het curriculum van het eerste jaar van de desbetreffende opleiding (wat normaliter
zestig studiepunten bedraagt).
Deze bepaling is volgens de indieners van voorliggend amendement niet ondoenbaar voor de desbetreffende groep studenten aangezien het voorliggende ontwerp van decreet stelt dat de omvang van
de verplichte remediëring het gewicht van (het equivalent van) zes studiepunten niet zou mogen overschrijden vermits het volgens voorliggend ontwerp van decreet hier zou moeten gaan om beperkte en
remedieerbare tekorten die gaan over de concrete startcompetenties om aan een concrete opleiding
te beginnen. Wanneer dit werkelijk ondoenbaar zou zijn om tekorten in te halen buiten het eigenlijke
curriculum, dan betekent het de facto vaak dat de tekorten groter zijn dan wat redelijkerwijs redemedieerbaar is binnen dat gewicht van zes studiepunten.
¢
AMENDEMENT Nr. 16
voorgesteld door Kristof Slagmulder, Roosmarijn Beckers,
Jan Laeremans en Chris Janssens
na indiening van het verslag
Artikel 16
Dit artikel vervangen door wat volgt:
“Art. 16. In artikel II.200 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21
maart 2014 en 1 maart 2019, worden een paragraaf 4, een paragraaf 5 en een
paragraaf 6 toegevoegd, die luiden als volgt:
“§4. Een student die zich voor de eerste keer inschrijft in een bepaalde bacheloropleiding in een bepaalde instelling schrijft zich in voor het modeltraject met een
studieomvang van 54 tot 66 studiepunten per academiejaar.
Deze verplichting geldt niet voor:
1° een student die op grond van zijn dossier een geïndividualiseerd traject als
vermeld in paragraaf 2 verkreeg;
2° een student met een bijzonder statuut. De instelling kan voor de groep van
studenten met dat bijzonder statuut een modeltraject aanbieden met een
afwijkende studieomvang;
3° een student die reeds een bachelor- of masterdiploma heeft behaald of een
diploma dat daarmee gelijkwaardig wordt erkend.
§5. Onverminderd de regels rond het leerkrediet heeft een student aan wie in het
kader van een …