Tot invoering van een vooraf bepaalde minnelijke onderhandelingstermijn in het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 (opschrift gewijzigd door de commissie: ... tot wijziging van de artikelen 2, 10 en 15 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017, wat de invoering van een minnelijke onderhandelingstermijn betreft) #401
Gemerged 




Open Vld, N-VA, cd&v wijzigt geen gevolgde wet · 1 juli 2020 Alle checks geslaagd
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks. Hieronder de tekst uit de PDF.
verzendcode: OPE
14 augustus 2020 (2019-2020)
Advies
van de Raad van State
over het voorstel van decreet
van Marino Keulen, Jos Lantmeeters, Lode Ceyssens,
Philippe Muyters, Martine Fournier en Bert Maertens
tot invoering van een vooraf bepaalde
minnelijke onderhandelingstermijn
in het Vlaams Onteigeningsdecreet
van 24 februari 2017
ingediend op
Documenten in het dossier:
: Voorstel van decreet
— 1011 Brussel — 02 552 11 11 — w w w .vlaamsparlement.be
RAAD VAN STATE
afdeling Wetgeving
advies 67.730/1/V
van 14 augustus 2020
over
een voorstel van decreet ‘tot invoering van een vooraf bepaalde
minnelijke onderhandelingstermijn in het Vlaams
Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017’
‡LW-BEIUMCFDG-GHHDAUQ‡
2/6 advies Raad van State 67.730/1/V
Op 3 juli 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Voorzitter van
het Vlaams Parlement verzocht binnen een termijn van dertig dagen van rechtswege verlengd tot
19 augustus 2020,(*) een advies te verstrekken over een voorstel van decreet ‘tot invoering van
een vooraf bepaalde minnelijke onderhandelingstermijn in het Vlaams Onteigeningsdecreet van
24 februari 2017’.
Het voorstel is door de eerste vakantiekamer onderzocht op 11 augustus 2020. De
kamer was samengesteld uit Jan CLEMENT, staatsraad, voorzitter, Jeroen VAN NIEUWENHOVE en
Pierre BARRA, staatsraden, Jan VELAERS, assessor, en Annemie GOOSSENS, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Arne CARTON, adjunct-auditeur.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 14 augustus 2020.
*
(*) Deze verlenging vloeit voort uit artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, in fine, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973, waarin wordt bepaald dat deze termijn van rechtswege verlengd wordt met
vijftien dagen wanneer hij begint te lopen tussen 15 juli en 31 juli of wanneer hij verstrijkt tussen 15 juli en
15 augustus.
‡LW-BEIUMCFDG-GHHDAUQ‡
67.730/1/V advies Raad van State 3/6
1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek
van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond1, alsmede van de vraag
of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
*
STREKKING VAN HET DECREETSVOORSTEL
2. Het om advies voorgelegde voorstel van decreet beoogt het Vlaams
Onteigeningsdecreet van 24 februari 20172 te wijzigen.
Het voorstel strekt ertoe om het begrip “minnelijke onderhandelingstermijn” te
definiëren (artikel 2 van het voorstel), de onteigenende instantie te verplichten om op straffe van
nietigheid de minnelijke onderhandelingstermijn te vermelden in een voorlopig
onteigeningsbesluit (artikel 3 van het voorstel) en de kennisgeving en de gevolgen van de vooraf
vastgestelde minnelijke onderhandelingstermijn nader te regelen (artikel 4 van het voorstel).
ALGEMENE OPMERKING
3. Blijkens de toelichting willen de indieners met hun voorstel “zo goed mogelijk
tegemoetgekomen aan de [hiernavolgende] intenties die in het Vlaamse regeerakkoord zijn
vermeld”:
“[D]e procedures inzake grondverwerving en onteigening worden verbeterd om er
onder meer voor te zorgen dat er sneller knopen worden doorgehakt. Te vaak komen
broodnodige investeringen in verkeersveiligheid en fietsinfrastructuur immers niet tot
realisatie wegens aanslepende procedures of door te trage grondverwerving. […] Ook
wordt een einddatum inzake onderhandelingen over grondverwervingen bepaald zodat
sneller kan overgegaan worden tot gerechtelijke onteigening.”3
In hun toelichting vervolgen de indieners dat zij “de bedoeling hebben om de
onteigeningsprojecten te faciliteren”, dat “de minnelijke onderhandelingstermijn in hoofdzaak
een signaal-functie heeft” en dat zij beogen “onnodige vertraging” te vermijden.4
4. Op grond van het huidige artikel 15 van het decreet van 24 februari 2017 volstaat
het dat de onteigenende overheid “een aantoonbare poging” onderneemt om via
onderhandelingen het te onteigenen onroerend goed of zakelijk recht minnelijk te verwerven.
Artikel 16 van het decreet van 24 februari 2017 – dat niet door het voorstel wordt gewijzigd –
1 Aangezien het om een voorstel van decreet gaat, wordt onder “rechtsgrond” de overeenstemming met de hogere
rechtsnormen verstaan.
2 Dit is de citeertitel bepaald in artikel 123 van het decreet van 24 februari 2017 ‘betreffende onteigening voor het
algemeen nut’.
3 Parl.St. Vl. Parl. 2019-20, nr. 401/1, 2.
4 Ibidem.
‡LW-BEIUMCFDG-GHHDAUQ‡
4/6 advies Raad van State 67.730/1/V
legt een minimale termijn van vier weken op na het doen van een aanbod tot verwerving.
Krachtens artikel 46, § 4, 1°, van het decreet van 24 februari 2017 – dat evenmin door het
voorstel wordt gewijzigd – vermeldt de dagvaarding bij de vrederechter op straffe van nietigheid
het bedrag van het laatstgenoemde aanbod.
In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat het decreet van 24 februari 2017
is geworden wordt gesteld dat er een onderhandelingsplicht bestaat waarbij “de onteigenende
instantie, op vraag van de burger, de samenstelling van haar aanbod en de onderscheiden posten
waarop haar aanbod betrekking heeft, nader moet kunnen duiden”, zodat uiteindelijk “de rechter
in staat [wordt gesteld] om het aangeboden bod op zijn objectiviteit en redelijkheid te (…)
beoordelen”.5
De memorie van toelichting voegt er het volgende aan toe:
“Hoe de onderhandelingen verder moeten plaatsvinden, dient niet decretaal te
worden geregeld. Een al te formele regeling leidt immers tot een inperking van de
onderhandelingsvrijheid en is niet wenselijk.
De onderhandelingen moeten vanzelfsprekend ernstig worden gevoerd.
De onteigenende instantie of haar gemachtigden moeten minstens met de te
onteigenen persoon rond de tafel hebben gezeten of aantoonbare pogingen daartoe hebben
genomen. Tijdens dit overleg worden de elementen van het schattingsverslag toegelicht.
Het verdere verloop van de onderhandelingen hangt steeds af van de concrete situatie, die
telkens verschillend kan …