§ flandrepo
102 regels · van kracht sinds 7 aug 2025

Artikel 105

§ 1. Elk Centrum voor Volwassenenonderwijs heeft recht op één voltijdse betrekking in het ambt van directeur.

Elk centrumbestuur is verplicht een directeur aan te stellen.

De directeur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan zijn ambt enkel uitoefenen in hoofdambt.

De directeurs van een centrum die op 31 augustus 1999 het ambt van directeur in bijbetrekking uitoefenden, worden ten persoonlijken titel uitgesloten van het bepaalde in het derde lid voor het volume van de opdracht die zij op deze datum uitoefenden.

§ 2. ...

§ 3. Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op een puntenenveloppe voor de oprichting van betrekkingen in de ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel. Voor de berekening van het aantal punten waarop een centrum recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan punten voor het volwassenenonderwijs uitgedrukt in financieringspunten. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het totale aantal gewogen financieringspunten voor:

  1. 1°alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 1;
  2. 2°alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 2.

Voor de volumes, vermeld in punt 1° en 2°, wordt telkens de som van het gemiddeld aantal gewogen financieringspunten dat alle centra voor volwassenenonderwijs bereikt hebben in de referteperiodes n-3 tot en met n-1 berekend voor:

  1. 1°alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 1;
  2. 2°alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 2.

Elk centrum heeft op 1 september n recht op hetzelfde aandeel aan punten als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiodes n-3 tot en met n-1 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 3bis, heeft bereikt in:

  1. 1°het totale aantal financieringspunten voor alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 1, eerste lid, 1° ;
  2. 2°het totale aantal financieringspunten voor alle studiegebieden samen, vermeld in artikel 107, § 1, eerste lid, 2°.

De som van het aantal punten die de Vlaamse Gemeenschap toekent wordt naar beneden afgerond tot een geheel getal.

§ 3bis. Het totale aantal financieringspunten voor de punten per centrum per referteperiode is de som van het aantal gewogen financieringspunten, waarbij 90 % gewogen wordt op centrumkenmerken en opleidingskenmerken en 10 % op cursistenkenmerken en vermeerderd met de kwalificatiebonus.

Voor de 90 %-weging op centrumkenmerken en opleidingskenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (kg) * (bd) * (mb) * (skk) * (lpg) * (cg) * (pi), waarbij :

  1. 1°FP = het ongewogen financieringspunt;
  2. 2°kg = de coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte;
  3. 3°bd = de coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats vastgesteld op 31 december n-1;
  4. 4°mb = de coëfficiënt voor het maatschappelijk belang van het studiegebied;
  5. 5°skk = de coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter;
  6. 6°lpg = de coëfficiënt voor het aantal gemeenten of deelgemeenten waar het centrum minstens 1 lesplaats heeft met ingericht aanbod in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1;
  7. 7°cg = de coëfficiënt voor de centrumgrootte of de grootte van het samenwerkingsverband van een of meer centra;
  8. 8°pi = de coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting.

De coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte is :

  1. 1°1,000 voor de studiegebieden Europese hoofdtalen richtgraad 1 en 2, Europese neventalen richtgraad 1 en 2, Hebreeuws, Oosterse talen, Scandinavische talen en Slavische talen;
  2. 2°1,071 voor de studiegebieden administratie, bedrijfsbeheer, logistiek en verkoop, huishoudelijk koken, huishoudelijke decoratie- en naaitechnieken en huishoudhulp;
  3. 3°1,154 voor de studiegebieden land- en tuinbouw, lichaamsverzorging en Europese talen richtgraad 3 en 4;
  4. 4°1,250 voor de studiegebieden algemene personenzorg, bibliotheek-, archief- en documentatiekunde, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2, Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 en specifieke personenzorg;
  5. 5°1,364 voor de studiegebieden ambachtelijke accessoires, assistentie vrije zorgberoepen, informatie- en communicatietechnologie en toerisme;
  6. 6°1,500 voor de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren en de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, afwerking bouw, bakkerij, chemie, drankenkennis, fotografie, grafische communicatie en media, horeca, printmedia, slagerij en ruwbouw;
  7. 7°1,667 voor de studiegebieden ambachtelijk erfgoed, maritieme diensten, meubelmakerij, mode : maatwerk, mode : realisaties en schrijnwerkerij;
  8. 8°1,875 voor de geletterdheidsmodules Regie over het Eigen Leren, voor de opleiding Ervaringsdeskundige in de Armoede en de Sociale Uitsluiting en voor het studiegebied auto;
  9. 9°2,143 voor de opleidingen Vlaamse Gebarentaal 1 en Vlaamse Gebarentaal 2 en voor de studiegebieden koeling en warmte, ICT-technieken, lassen, mechanica-elektriciteit en textiel;
  10. 10°3,750 voor het studiegebied groot transport.

De coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats is :

  1. 1°1 voor lesplaatsen van een vestigingsplaats met meer dan 300 inwoners per km² en voor lesplaatsen in een penitentiaire inrichting;
  2. 2°1,10 voor lesplaatsen die buiten een penitentiaire inrichting gelegen zijn in een vestigingsplaats met 300 of minder inwoners per km².

De coëfficiënt voor het maatschappelijk belang van de opleidingen is 1,30 voor de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4.

De coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter is 1,05 voor de studiegebieden algemene personenzorg, schrijnwerkerij, groot transport, mechanica-elektriciteit, koeling en warmte en specifieke personenzorg. De Vlaamse Regering kan die studiegebieden aanpassen en ook op lokaal niveau vastleggen.

De coëfficiënten voor het aantal deelgemeenten van gemeenten die op 1 januari 2016 meer dan 100.000 inwoners telden of het aantal gemeenten waar het centrum lesplaatsen heeft, zijn :

  1. 1°1,000 voor één gemeente of deelgemeente;
  2. 2°1,004 voor twee gemeenten of deelgemeenten;
  3. 3°1,009 voor drie gemeenten of deelgemeenten;
  4. 4°1,013 voor vier gemeenten of deelgemeenten;
  5. 5°1,017 voor vijf gemeenten of deelgemeenten;
  6. 6°1,021 voor zes gemeenten of deelgemeenten;
  7. 7°1,026 voor zeven gemeenten of deelgemeenten;
  8. 8°1,030 voor acht gemeenten of deelgemeenten;
  9. 9°1,034 voor negen gemeenten of deelgemeenten;
  10. 10°1,039 voor tien gemeenten of deelgemeenten;
  11. 11°1,043 voor elf gemeenten of deelgemeenten;
  12. 12°1,047 voor twaalf gemeenten of deelgemeenten;
  13. 13°1,051 voor dertien gemeenten of deelgemeenten;
  14. 14°1,056 voor veertien gemeenten of deelgemeenten;
  15. 15°1,060 voor vijftien en meer gemeenten of deelgemeenten.

De Vlaamse Regering kan voor de toepassing van bovenstaande coëfficiënten een minimum aantal lesurencursist per gemeente of deelgemeente bepalen.

De coëfficiënten voor de centrumgrootte of de grootte van het samenwerkingsverband van een of meer centra zijn :

  1. 1°1,000 voor een centrum of een samenwerkingsverband van minder dan 850.000 lesurencursist;
  2. 2°1,100 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 850.000 en 950.000 lesurencursist;
  3. 3°1,110 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 950.001 en 1.050.000 lesurencursist;
  4. 4°1,120 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.050.001 en 1.150.000 lesurencursist;
  5. 5°1,130 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.150.001 en 1.250.000 lesurencursist;
  6. 6°1,140 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.250.001 en 1.350.000 lesurencursist;
  7. 7°1,150 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.350.001 en 1.450.000 lesurencursist;
  8. 8°1,160 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.450.001 en 1.550.000 lesurencursist;
  9. 9°1,170 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.550.001 en 1.650.000 lesurencursist;
  10. 10°1,180 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.650.000 en 1.750.000 lesurencursist;
  11. 11°1,190 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.750.001 en 1.850.000 lesurencursist;
  12. 12°1,200 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.850.001 en 1.950.000 lesurencursist;
  13. 13°1,210 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.950.001 en 2.050.000 lesurencursist;
  14. 14°1,200 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.050.001 en 2.150.000 lesurencursist;
  15. 15°1,191 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.150.001 en 2.250.000 lesurencursist;
  16. 16°1,183 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.250.001 en 2.350.000 lesurencursist;
  17. 17°1,175 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.350.001 en 2.450.000 lesurencursist;
  18. 18°1,168 voor een centrum of een samenwerkingsverband van minstens 2.450.001 lesurencursist.

Het samenwerkingsverband, vermeld in het achtste lid, van twee of meer centra voor volwassenenonderwijs :

  1. 1°maakt afspraken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband, eventueel gespreid over de verschillende centra die het samenwerkingsverband vormen;
  2. 2°maakt afspraken over een objectieve informatieverstrekking, doorverwijzing en begeleiding van cursisten;
  3. 3°maakt afspraken over het personeelsbeleid, meer bepaald over de criteria voor het aanwerven, functioneren en evalueren van personeelsleden.

De coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting is 1,40.

Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij :

  1. 1°FP = ongewogen financieringspunt;
  2. 2°dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4;
  3. 3°as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist.

De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 is 2,50.

De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50.

De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat of diploma.

De Vlaamse Regering bepaalt het aandeel van de puntenenveloppe dat moet worden aangewend voor ambten van het ondersteunend personeel

§ 4. De oprichting van betrekkingen in de ambten, vermeld in § 3, is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt toegekend. Dat aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent.

De Vlaamse Regering legt voor elk ambt de punten-waarde vast volgens de salarisschaal.

§ 5. Het centrumbestuur wendt de punten aan rekening houdende met criteria die worden onderhandeld in het lokaal comité.

Het centrumbestuur moet evenwel de punten in eerste instantie aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in de ambten vermeld in § 3, eerste lid en daarbij ook rekening houdende met het verplichte aandeel punten voor ondersteunend personeel.

Als het centrumbestuur na de voormelde verplichting nog punten over heeft, dan kan het die punten aanwenden :

  1. -voor de oprichting van betrekkingen in de ambten, vermeld in § 3, eerste lid, rekening houdende met de criteria waarover wordt onderhandeld in het lokale comité;
  2. -voor de tijdelijke verhoging van de puntenwaarde van een betrekking in een ambt, vermeld in paragraaf 3, waarvan de titularis een dienstonderbreking heeft, zodat aan de vervanger een hogere salarisschaal kan worden toegekend. Als een titularis van een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel bij een dienstonderbreking niet of gedeeltelijk wordt vervangen, kan het centrumbestuur ook de puntenwaarde van de niet-ingevulde opdracht van de titularis gebruiken om aan een vervanger in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel een hogere salarisschaal toe te kennen.

§ 6. Het centrumbestuur kan na onderhandeling in het lokale comité een aantal punten overdragen aan een ander Centrum voor Volwassenenonderwijs of naar het eerstvolgend schooljaar. De overdracht wordt beperkt tot 2 percent van het aantal toegekende punten. Deze overdracht wordt uiterlijk op 31 mei van het lopende schooljaar vastgelegd.

Die overdracht mag niet leiden tot een nieuwe of aanvullende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking in een ambt, vermeld in § 4.

In de overgedragen punten kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.

Het centrumbestuur moet met het oog op de controle aan de bevoegde administratie een verklaring op erewoord bezorgen, waarin het aangeeft die bepaling in acht te zullen nemen.

De niet-naleving van die bepaling heeft tot gevolg dat de vaste benoeming geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd