Artikel 44decies
§ 1. De minderjarige overtreder kan binnen zestig dagen na de kennisgeving van de definitieve beslissing met een kosteloos verzoekschrift een beroep instellen tegen de administratieve geldboete bij de jeugdrechtbank.
Als het voorstel van beslissing conform artikel 44novies, eerste lid, 5°, van rechtswege in een definitieve beslissing wordt omgezet, gaat de termijn, vermeld in het eerste lid, in op de dag dat het voorstel van beslissing van rechtswege wordt omgezet in een definitieve beslissing.
De jeugdrechtbank blijft bevoegd als de overtreder op het moment van de uitspraak meerderjarig is geworden.
Het beroep, vermeld in het eerste lid, kan ook worden ingesteld door de vader en moeder, voogden of personen die de minderjarige onder hun hoede hebben.
§ 2. De jeugdrechtbank beslist in het kader van een tegensprekelijk debat over de beroepen, vermeld in paragraaf 1. De Lijn kan tussenkomen in het tegensprekelijk debat en wordt als een procespartij beschouwd. De Lijn kan bij algemene volmacht vertegenwoordigd worden.
De jeugdrechtbank oordeelt over de wettigheid en de proportionaliteit van de opgelegde boete.
De jeugdrechtbank kan de beslissing over de administratieve geldboete ofwel bevestigen, ofwel herzien.
De jeugdrechtbank kan, als een beroep tegen de administratieve geldboete aan haar ter behandeling wordt voorgelegd, in de plaats daarvan de sancties opleggen als vermeld in het artikel 29 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade bevelen. In dat geval is artikel 60 van de wet van 8 april 1965 van toepassing.
De beslissing van de jeugdrechtbank is niet vatbaar voor hoger beroep. Als de jeugdrechtbank echter beslist om de administratieve geldboete te vervangen door een van de sancties als vermeld in het artikel 29 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, is haar beslissing wel vatbaar voor hoger beroep. In dat geval zijn de procedures, vermeld in hoofdstuk 4 van de wet van 8 april 1965, van toepassing.
§ 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 en 2, en hoofdstuk 4 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de jeugdrechtbank.