§ flandrepo

Decreet tot wijziging van verschillende decreten van het beleidsdomein Omgeving, in het kader van de implementatie van Europese regelgeving over hernieuwbare energie, kritieke grondstoffen en nettonultechnologie

Vlaamse Regering #604 Staatsblad 27 maart 2026 NUMAC 2026002345
23 artikels gewijzigd
+1 −1 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 2.2.1
2De procedure en de termijnen voor de opmaak van de effectbeoordelingen zijn geregeld in hoofdstuk II Ruimtelijke Uitvoeringsplannen van deze codex. Voor de overige aspecten van de effectbeoordelingen zijn artikel 4.1.4, tweede lid, artikel 4.3.2, 4.4.4 en 4.5.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor de planmilieueffectrapportage van toepassing, en titel IV/1, hoofdstuk 2, van het voormelde decreet voor de ruimtelijke veiligheidsrapportage.2De procedure en de termijnen voor de opmaak van de effectbeoordelingen zijn geregeld in hoofdstuk II Ruimtelijke Uitvoeringsplannen van deze codex. Voor de overige aspecten van de effectbeoordelingen zijn artikel 4.1.4, tweede lid, artikel 4.3.2, 4.4.4 en 4.5.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor de planmilieueffectrapportage van toepassing, en titel IV/1, hoofdstuk 2, van het voormelde decreet voor de ruimtelijke veiligheidsrapportage.
3De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het aanvraagdossier, de procedure en de modaliteiten van het verzoek tot over-nameverplichtingen inzake ruimtelijke uitvoeringsplannen zoals vermeld in artikel 4.1.1. en 4/1.1.1. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.3De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het aanvraagdossier, de procedure en de modaliteiten van het verzoek tot over-nameverplichtingen inzake ruimtelijke uitvoeringsplannen zoals vermeld in artikel 4.1.1. en 4/1.1.1. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
4De effectrapporten bevatten de informatie zoals voorgeschreven in de toepasselijke regelgeving, met dien verstande dat naar de informatie die overeenkomstig de bepalingen van deze codex al in het ruimtelijk uitvoeringsplan is opgenomen, verwezen wordt in de effectrapporten. 4De effectrapporten bevatten de informatie zoals voorgeschreven in de toepasselijke regelgeving, met dien verstande dat naar de informatie die overeenkomstig de bepalingen van deze codex al in het ruimtelijk uitvoeringsplan is opgenomen, verwezen wordt in de effectrapporten. In geval van een voorgenomen aanduiding van een gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie als vermeld in artikel 2.2.5, §2/1, wordt de effectbeoordeling uitgevoerd op een detailleringsniveau dat rekening houdt met de hernieuwbare-energieprojecten waarvoor het gebied wordt aangeduid.
5In functie van het geïntegreerde planningsproces wordt een procesnota opgesteld die het volledige verloop van het planningsproces beschrijft. Het is een informatief en evolutief document dat in de loop van het planningsproces kan worden aangevuld. De procesnota geeft aan hoe het proces zal verlopen en bevat informatie over :5In functie van het geïntegreerde planningsproces wordt een procesnota opgesteld die het volledige verloop van het planningsproces beschrijft. Het is een informatief en evolutief document dat in de loop van het planningsproces kan worden aangevuld. De procesnota geeft aan hoe het proces zal verlopen en bevat informatie over :
61° welke actoren betrokken worden bij het planningsproces, op welke wijze de participatie georganiseerd zal worden en hoe omgegaan wordt met de resultaten van de participatie;61° welke actoren betrokken worden bij het planningsproces, op welke wijze de participatie georganiseerd zal worden en hoe omgegaan wordt met de resultaten van de participatie;
+2 −0 vlaamse-codex-ruimtelijke-ordening/art. 2.2.5
28Een stedenbouwkundige verordening die vastgesteld wordt met het ruimtelijk uitvoeringsplan of een overeenkomst die afgesloten wordt voor of samen met de vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan, kan worden gewijzigd op voorwaarde dat daarbij steeds de doelstelling van de stedenbouwkundige verordening of overeenkomst gerespecteerd blijft. De wijziging van een stedenbouwkundige verordening volgt dezelfde procedure als vermeld in artikel 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3 van deze codex.28Een stedenbouwkundige verordening die vastgesteld wordt met het ruimtelijk uitvoeringsplan of een overeenkomst die afgesloten wordt voor of samen met de vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan, kan worden gewijzigd op voorwaarde dat daarbij steeds de doelstelling van de stedenbouwkundige verordening of overeenkomst gerespecteerd blijft. De wijziging van een stedenbouwkundige verordening volgt dezelfde procedure als vermeld in artikel 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3 van deze codex.
29Alle aangelegenheden die krachtens artikel 2.3.1 geregeld kunnen worden in stedenbouwkundige verordeningen, met uitsluiting van artikel 2.3.1, §1, eerste lid, 11°, kunnen het voorwerp uitmaken van een stedenbouwkundig voorschrift van een ruimtelijk uitvoeringsplan.29Alle aangelegenheden die krachtens artikel 2.3.1 geregeld kunnen worden in stedenbouwkundige verordeningen, met uitsluiting van artikel 2.3.1, §1, eerste lid, 11°, kunnen het voorwerp uitmaken van een stedenbouwkundig voorschrift van een ruimtelijk uitvoeringsplan.
30§2/1. In een ruimtelijk uitvoeringsplan kan een gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie worden aangeduid als vermeld in artikel 15quater van Richtlijn (EU) 2018/2001 van 11 december 2018 van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Als het ruimtelijk uitvoeringsplan een gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie aanduidt, kunnen naast voorschriften van stedenbouwkundige aard ook voorschriften opgenomen worden die niet stedenbouwkundig van aard zijn en die de uitvoering garanderen van maatregelen of voorschriften over de naleving van voorwaarden die resulteren uit het planningsproces, in het bijzonder uit de effectbeoordelingen, vermeld in artikel 2.2.1, §1, van dit decreet.
31In deze paragraaf wordt verstaan onder gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie: een specifieke locatie of gebied, te land, ter zee of op binnenwateren, die de plannende overheid heeft aangewezen als bijzonder geschikt voor de installatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie.
30§ 3. Ruimtelijke uitvoeringsplannen blijven gelden tot ze worden vervangen. Ze kunnen op elk moment geheel of gedeeltelijk worden vervangen.32§ 3. Ruimtelijke uitvoeringsplannen blijven gelden tot ze worden vervangen. Ze kunnen op elk moment geheel of gedeeltelijk worden vervangen.
31De regels voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen zijn ook van toepassing op de vervanging ervan.33De regels voor de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen zijn ook van toepassing op de vervanging ervan.
+15 −0 decreet-2014-04-25/art. 114 nieuw
1In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
21° richtlijn 92/43/EEG: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;
32° richtlijn 2000/60/EG: Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;
43° richtlijn 2001/42/EG: Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s;
54° richtlijn 2009/147/EG: Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand;
65° richtlijn 2011/92/EU: Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten;
76° richtlijn (EU) 2018/2001: Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;
87° verordening (EU) 2024/1252: Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020;
98° verordening (EU) 2024/1735: Verordening (EU) 2024/1735 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van een kader van maatregelen ter versterking van het Europese ecosysteem voor de productie van nettonultechnologie en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1724.
10In afdeling 2 wordt verstaan onder:
111° apparatuur voor zonne-energie: apparatuur die zonne-energie omzet in thermische of elektrische energie, met name apparatuur voor thermische en fotovoltaïsche zonne-energie;
122° energieopslag op één locatie: een energieopslagvoorziening gecombineerd met een installatie voor de productie van hernieuwbare energie die zijn aangesloten op hetzelfde toegangspunt tot het net;
133° gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie: de gebieden aangewezen conform artikel 2.2.5, §2/1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
144° hernieuwbare-energiegemeenschappen: de hernieuwbare energiegemeenschappen, vermeld in artikel 1.1.3, 65°/1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
155° repowering: het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van installaties of exploitatiesystemen en apparatuur, teneinde de capaciteit te vervangen of de efficiëntie of capaciteit van de installatie te verhogen.
+1 −0 decreet-2014-04-25/art. 114/1 nieuw
1Tenzij anders aangegeven in dit hoofdstuk, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk alleen van toepassing op de aanvraag van een omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg.
+1 −0 decreet-2014-04-25/art. 114/2 nieuw
1Als de integratie van hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem een project ter versterking van de netwerkinfrastructuur vereist en dat project onderworpen is aan de vaststelling of het project een milieubeoordeling vereist of aan een milieubeoordeling op grond van artikel 4.3.3 van het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM), blijft die vaststelling of die milieubeoordeling beperkt tot de potentiële effecten van de wijziging of uitbreiding ten opzichte van de oorspronkelijke netwerkinfrastructuur.
+15 −0 decreet-2014-04-25/art. 114/3 nieuw
1§1. De omgevingsvergunningsprocedure, zoals geregeld in dit decreet, heeft betrekking op alle relevante administratieve vergunningen voor de bouw, de repowering en de exploitatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van die welke verschillende hernieuwbare energiebronnen combineren; warmtepompen; energieopslag op één locatie, met inbegrip van elektriciteits- en thermische installaties; en de activa die nodig zijn voor de aansluiting van dergelijke installaties, warmtepompen en opslag op het net, en voor de integratie van hernieuwbare energie in verwarmings- en koelingsnetwerken, met inbegrip van vergunningen voor aansluiting op het net en, waar nodig, effectbeoordelingen.
2De omgevingsvergunningsprocedure, zoals geregeld in dit decreet, omvat alle administratieve stadia vanaf de erkenning van de volledigheid van de omgevingsvergunningsaanvraag tot de kennisgeving van het definitieve besluit over het resultaat van de omgevingsvergunningsprocedure door de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 15/1.
3§2. Uiterlijk dertig dagen na ontvangst van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie en 45 dagen na ontvangst van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie buiten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, bevestigt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 15/1, de volledigheid van de aanvraag voor een omgevingsvergunning of, als de aanvrager niet alle voor de behandeling van de aanvraag vereiste informatie heeft toegezonden, verzoekt zij de aanvrager om zonder uitstel een volledige aanvraag in te dienen. De datum van de bevestiging van de volledigheid van de aanvraag door de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 15/1, geldt als het begin van de omgevingsvergunningsprocedure.
4§3. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 15/1, van dit decreet, is het contactpunt, vermeld in artikel 16 van richtlijn (EU) 2018/2001. Die contactpunten begeleiden de aanvrager op zijn verzoek bij, en vergemakkelijken, de volledige administratieve omgevingsvergunningsaanvraag- en vergunningverleningsprocedure.
5De aanvrager heeft gedurende die volledige procedure slechts met één contactpunt contact. Het contactpunt begeleidt de aanvrager op transparante wijze gedurende de administratieve omgevingsvergunningsaanvraagprocedure, met inbegrip van de milieubescherminggerelateerde stappen, tot het moment waarop de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 15/1, van dit decreet, aan het einde van de omgevingsvergunningverleningsprocedure een beslissing neemt. Het verschaft de aanvrager alle nodige informatie en schakelt, in voorkomend geval, andere bevoegde overheidsinstanties in het kader van de administratieve vergunningsaanvraagprocedure in. Het contactpunt zorgt ervoor dat er op grond van voormelde richtlijn (EU) 2018/2001 vastgestelde termijnen voor de omgevingsvergunningsprocedures worden nageleefd.
6§4. Het Vlaamse Gewest stelt, namens de contactpunten, een procedurehandboek voor ontwikkelaars van installaties voor de productie van hernieuwbare energie beschikbaar en stelt die informatie ook online beschikbaar, waarbij naar behoren aandacht wordt besteed aan kleinschalige hernieuwbare-energieprojecten, projecten van zelfverbruikers van hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen. In de online-informatie wordt het relevante contactpunt voor de aanvraag in kwestie vermeld. Ook het contactpunt stelt dit procedurehandboek beschikbaar voor vermelde ontwikkelaars.
7§5. Aanvragers en het betrokken publiek hebben gemakkelijk toegang tot eenvoudige geschillenbeslechtingsprocedures in verband met de omgevingsvergunningsprocedure en de afgifte van bouw- en exploitatievergunningen voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van, waar van toepassing, alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen. Geschillen worden in voorkomend geval beslecht via de administratieve beroepsmogelijkheid, voorzien in dit decreet, of via de beroepsmogelijkheid bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.
8§6. Administratieve en gerechtelijke beroepsprocedures in het kader van een project voor de ontwikkeling van een installatie voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting van de installatie op het net, en de activa die nodig zijn voor de ontwikkeling van de netwerken voor energie-infrastructuur, die vereist zijn om energie uit hernieuwbare bronnen te integreren in het energiesysteem, met inbegrip van beroepsprocedures welke verband houden met milieuaspecten, worden onderworpen aan de snelste administratieve en gerechtelijke procedure die beschikbaar is.
9§7. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 15/1, van dit decreet, voorziet in toereikende middelen om ervoor te zorgen dat gekwalificeerd personeel, bijscholing en omscholing beschikbaar zijn in overeenstemming met de geplande geïnstalleerde capaciteit voor de opwekking van hernieuwbare energie waarin het op grond van artikel 3 en 14 van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/ EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad ingediende geïntegreerde nationale energie-en klimaatplannen voorziet. Het Vlaamse Gewest staat de provinciale en lokale overheden bij om de vergunningsprocedure te vergemakkelijken.
10§8. Behalve als deze samenvalt met andere administratieve stadia van de omgevingsvergunningsprocedure, omvat de duur van de vergunningsprocedure niet:
111° de tijd voor de bouw of repowering van de installaties voor de productie van
12hernieuwbare energie, de netaansluitingen daarvan en, met het oog op het zorgen voor stabiliteit, betrouwbaarheid en veiligheid van het net, de noodzakelijke netinfrastructuur;
132° de tijd voor de nodige administratieve stadia voor aanzienlijke verbeteringen van het net die vereist zijn om te zorgen voor stabiliteit, betrouwbaarheid en veiligheid van het net;
143° de tijd voor beroepsprocedures in rechte, andere procedures voor een rechterlijke instantie en alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen, waaronder klachtenprocedures en administratieve beroepsprocedures.
15§9. Uit de omgevingsvergunningsprocedures voortvloeiende beslissingen worden in overeenstemming met dit decreet openbaar gemaakt.
+10 −0 decreet-2014-04-25/art. 114/4 nieuw
1§1. De omgevingsvergunningsprocedure voor hernieuwbare-energieprojecten in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie, vermeld in artikel 114/3, duurt niet langer dan twaalf maanden. In naar behoren gerechtvaardigde buitengewone omstandigheden kan de bevoegde overheid deze termijn met maximaal zes maanden verlengen. In dat geval stelt de bevoegde overheid de projectontwikkelaar duidelijk in kennis van de buitengewone omstandigheden die een dergelijke verlenging rechtvaardigen.
2§2. De omgevingsvergunningsprocedure voor de repowering van elektriciteitscentrales die gebruikmaken van hernieuwbare energie, voor nieuwe installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 150 kilowatt, voor energieopslag op één locatie, met inbegrip van elektriciteits- en thermische faciliteiten, en voor de aansluiting ervan op het net als deze zich in gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie bevinden, duurt niet langer dan zes maanden.
3In naar behoren gerechtvaardigde buitengewone omstandigheden, zoals voor dwingende veiligheidsredenen waar het repoweringsproject een belangrijk effect heeft op het net of op de oorspronkelijke capaciteit, grootte of prestatie van de installatie, kan de bevoegde overheid de termijn van zes maanden met maximaal drie maanden verlengen. De bevoegde overheid stelt de projectontwikkelaar duidelijk in kennis van de buitengewone omstandigheden die een dergelijke verlenging rechtvaardigen.
4§3. Onder voorbehoud van paragraaf 4 en 5 zijn, in afwijking van artikel 4.3.3, §1, 2°, van het DABM, en bijlage 2, rubriek 3, a), b), d), h) en i), en rubriek 6, c), alleen of in samenhang met rubriek 13, van het m.e.r.-besluit van 24 oktober 2025, wat betreft hernieuwbare-energieprojecten, nieuwe aanvragen voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van installaties waarin verschillende soorten technologie voor hernieuwbare energie worden gecombineerd en de repowering van elektriciteitscentrales die gebruikmaken van hernieuwbare energie in aangewezen gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie voor die technologie en energieopslag op één locatie, alsook de aansluiting van die centrales en opslag op het net, vrijgesteld van het voorschrift om een specifieke milieubeoordeling uit hoofde van artikel 4.3.3 van het DABM uit te voeren, op voorwaarde dat deze projecten voldoen aan artikel 2.2.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Die afwijking geldt niet voor projecten die vermoedelijk aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die andere lidstaten van de Europese Unie, die verdragspartijen of die gewesten daarom verzoeken, op grond van artikel 4.4.3, §6, of artikel 4.4.7, §4, van het DABM.
5§4. De bevoegde overheid voert een screening uit van de aanvragen, vermeld in paragraaf 3. Een dergelijk screeningsproces heeft tot doel na te gaan of het zeer waarschijnlijk is dat enig dergelijk project voor hernieuwbare energie, gelet op de milieugevoeligheid van het geografische gebied waar het project zal worden uitgevoerd, zal leiden tot aanzienlijke onvoorziene negatieve effecten die niet zijn vastgesteld tijdens de op grond van artikel 4.3.2 van het DABM en, als van toepassing, artikel 36ter, §3 en 4, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of artikel 9, derde lid, en artikel 19, derde lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, uitgevoerde effectbeoordelingen van de plannen, vermeld in artikel 2.2.5, §2/1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor het aanwijzen van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie. Een dergelijk screeningsproces heeft ook tot doel vast te stellen of enig dergelijk project voor hernieuwbare energie binnen de werkingssfeer van artikel 4.4.7, §4, van het DABM valt vanwege de vermoedelijke aanzienlijke milieueffecten ervan in een andere lidstaat of vanwege een verzoek van een lidstaat die vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden.
6Met het oog op een dergelijk screeningsproces verstrekt de projectontwikkelaar informatie over de kenmerken van het project voor hernieuwbare energie, over de mate waarin het voldoet aan de regels en maatregelen die op grond van artikel 2.2.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voor het specifieke gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie zijn vastgesteld, over eventuele aanvullende maatregelen die in het kader van het project zijn vastgesteld en over de wijze waarop deze maatregelen milieueffecten aanpakken. De bevoegde overheid kan de projectontwikkelaar verzoeken aanvullende beschikbare informatie te verstrekken. Het screeningsproces met betrekking tot aanvragen voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie wordt afgerond binnen 45 dagen na de datum van indiening van voldoende informatie die daartoe nodig is. In het geval van aanvragen voor installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 150 kilowatt en van nieuwe aanvragen voor de repowering van elektriciteitscentrales die gebruikmaken van hernieuwbare energie wordt het screeningsproces binnen dertig dagen afgerond.
7§5. Na afloop van het screeningproces worden de aanvragen, vermeld in paragraaf 3 van dit artikel, vanuit milieuoogpunt goedgekeurd zonder dat daarvoor een uitdrukkelijk besluit van de bevoegde overheid vereist is, tenzij de bevoegde autoriteit een administratief besluit vaststelt, naar behoren gemotiveerd en op basis van duidelijke bewijzen, dat een specifiek project, gelet op de milieugevoeligheid van de geografische gebieden waar het project zich bevindt, zeer waarschijnlijk zal leiden tot aanzienlijke onvoorziene negatieve effecten die niet kunnen worden verzacht door de maatregelen die zijn vastgesteld in de plannen tot aanwijzing van gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie of die door de projectontwikkelaar zijn voorgesteld. Een dergelijk besluit wordt openbaargemaakt. Dergelijke projecten voor hernieuwbare energie worden onderworpen aan een milieubeoordeling op grond van artikel 4.3.3 van het DABM en, als van toepassing, aan een beoordeling uit hoofde van artikel 36ter, §3 en 4, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of artikel 9, derde lid, en artikel 19, derde lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de complexe projecten, die wordt uitgevoerd binnen zes maanden na het administratief besluit waarin vermoedelijke aanzienlijke negatieve milieueffecten zijn geconstateerd. In naar behoren gerechtvaardigde buitengewone omstandigheden kan deze termijn van zes maanden met maximaal zes maanden worden verlengd.
8In het geval van gerechtvaardigde omstandigheden, onder meer wanneer dit nodig is om de uitrol van hernieuwbare energie te versnellen om de doelstellingen op het gebied van klimaat en hernieuwbare energie te halen, kan de Vlaamse Regering wind- en fotovoltaïsche zonne-energieprojecten vrijstellen van dergelijke beoordelingen.
9Als de Vlaamse Regering wind- en fotovoltaïsche zonne-energieprojecten vrijstelt van die beoordelingen, neemt de exploitant evenredige mitigerende maatregelen of, als dergelijke mitigerende maatregelen niet beschikbaar zijn, compenserende maatregelen, die, als er geen andere evenredige compenserende maatregelen beschikbaar zijn, de vorm kunnen aannemen van financiële compensatie, om eventuele negatieve effecten aan te pakken. Als die negatieve effecten de bescherming van soorten treffen, betaalt de exploitant voor de duur van de exploitatie van de installatie voor de productie van hernieuwbare energie financiële compensatie voor beschermingsprogramma’s ter waarborging of verbetering van de staat van instandhouding van de betrokken soorten.
10§6. Bij de omgevingsvergunningsprocedure, vermeld in paragraaf 1 en 2, leidt het uitblijven van een antwoord van de betrokken bevoegde overheid binnen de vastgestelde termijn, tot de specifieke administratieve tussenstappen die als goedgekeurd worden beschouwd, tenzij het specifieke hernieuwbare-energieproject aan een milieubeoordeling is onderworpen op grond van paragraaf 5. Deze paragraaf is niet van toepassing op definitieve besluiten over de uitkomst van de vergunningsprocedure, die expliciet moeten zijn. Besluiten worden openbaar gemaakt.
+3 −0 decreet-2014-04-25/art. 114/5 nieuw
1Met behoud van de toepassing van artikel 32 en 46 van dit decreet, duurt de vermelde omgevingsvergunningsprocedure, vermeld in artikel 114/3, §1, van dit decreet, niet langer dan twee jaar voor hernieuwbare-energieprojecten die zich bevinden buiten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie.
2Als een milieubeoordeling vereist is op grond van artikel 4.3.3 van het DABM of een beoordeling op grond van artikel 36ter, §3 en 4, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of artikel 9, derde lid, en artikel 19, derde lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de complexe projecten, wordt deze uitgevoerd in één enkele procedure waarin alle relevante beoordelingen voor een bepaald hernieuwbare-energieproject worden gecombineerd. Als een dergelijke milieubeoordeling vereist is, brengt het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 4.1.1, 19°, van het DABM, rekening houdend met de door de projectontwikkelaar verstrekte informatie, een advies uit over de reikwijdte en de mate van gedetailleerdheid van de informatie die de projectontwikkelaar in het milieueffectrapport moet opnemen, waarvan de reikwijdte later niet wordt uitgebreid. Als in het kader van een specifiek hernieuwbare-energieproject noodzakelijke mitigerende maatregelen zijn vastgesteld, wordt het doden of verstoren van de krachtens artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer beschermde soorten niet als opzettelijk beschouwd.
3Met behoud van de toepassing van artikel 32 en 46, duurt de omgevingsvergunningsprocedure voor de repowering van elektriciteitscentrales die gebruikmaken van hernieuwbare energie, voor nieuwe installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 150 kilowatt en voor energieopslag op één locatie, alsook de aansluiting van die centrales, installaties en opslag op het net, die zijn gelegen buiten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie niet langer dan twaalf maanden, inclusief ten aanzien van effectbeoordelingen als deze vereist zijn.
+3 −0 decreet-2014-04-25/art. 114/6 nieuw
1Met behoud van de toepassing van artikel 32 en 46, duurt, als de repowering van een elektriciteitscentrale die gebruik maakt van hernieuwbare energie niet leidt tot een verhoging van de capaciteit van een elektriciteitscentrale die gebruik maakt van hernieuwbare energie met meer dan 15 procent, en zonder afbreuk te doen aan enige beoordeling van eventuele milieueffecten die zijn vereist op grond van het tweede lid, de omgevingsvergunningsprocedure voor aansluitingen op het transmissienet of het distributienet niet langer dan drie maanden na de aanvraag bij de betrokken entiteit, tenzij er sprake is van gerechtvaardigde veiligheidsoverwegingen of technische incompatibiliteit met de systeemonderdelen.
2Als de repowering van een elektriciteitscentrale die gebruik maakt van hernieuwbare energie onderworpen is aan de screeningprocedure, die is bepaald in artikel 114/4, §4, van dit decreet, aan de vaststelling of het project een milieubeoordeling vereist of aan een milieubeoordeling op grond van artikel 4.3.3 van het DABM, wordt een dergelijke screeningsprocedure, vaststelling of milieubeoordeling beperkt tot de potentiële effecten van een wijziging of uitbreiding ten opzichte van het oorspronkelijke project.
3Als de repowering van zonne-energie-installaties geen extra ruimte inneemt en de voor de oorspronkelijke installatie op zonne-energie vereiste mitigerende milieumaatregelen worden nageleefd, wordt het project vrijgesteld van enig toepasselijke vereiste om, als van toepassing, een screeningproces als bepaald in artikel 114/4, §4, van dit decreet, te ondergaan, te bepalen of voor het project een milieubeoordeling vereist is, of een milieubeoordeling uit te voeren op grond van artikel 4.3.3 van het DABM.
+3 −0 decreet-2014-04-25/art. 114/7 nieuw
1§1. Met behoud van de toepassing van artikel 32 en 46 van dit decreet, duurt de vergunningsprocedure, vermeld in artikel 114/3, §1, van dit decreet, voor de installatie van apparatuur voor zonne-energie en energieopslag op één locatie, met inbegrip van in gebouwen geïntegreerde zonne-energie-installaties, in bestaande of toekomstige kunstmatige constructies, met uitzondering van kunstmatige wateroppervlakken, niet langer dan drie maanden, op voorwaarde dat het primaire doel van dergelijke kunstmatige constructies niet de productie van zonne-energie of energieopslag is. In afwijking van artikel 4.3.3 van het DABM en bijlage 2, rubriek 3, a) en b), alleen of in samenhang met rubriek 13, bij het m.e.r.-besluit van 24 oktober 2025, wordt een dergelijke installatie van apparatuur voor zonne-energie vrijgesteld van het vereiste om, als van toepassing, een specifieke milieubeoordeling uit te voeren op grond van artikel 4.3.3 van het DABM.
2Het eerste lid geldt niet voor projecten in, aan of op beschermd erfgoed.
3§2. De omgevingsvergunningsprocedure voor de installatie van apparatuur voor zonne-energie met een vermogen van 100 kilowatt of minder, ook voor zelfverbruikers van hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen, duurt niet langer dan één maand. Het uitblijven van een beslissing binnen de maand na de datum dat de omgevingsvergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig wordt verklaard of, bij afwezigheid van een beslissing daarover, de dertigste dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten, leidt ertoe dat de vergunning wordt geacht te zijn verleend, op voorwaarde dat de capaciteit van de apparatuur voor zonne-energie de bestaande capaciteit van de aansluiting op het distributienet niet overschrijdt.
+5 −0 decreet-2014-04-25/art. 114/8 nieuw
1Met behoud van de toepassing van artikel 32 en 46, duurt de omgevingsvergunningsprocedure voor de installatie van warmtepompen van minder dan 50 megawatt niet langer dan één maand. In het geval van bodemwarmtepompen, duurt de omgevingsvergunningsprocedure niet langer dan drie maanden.
2Tenzij er gerechtvaardigde veiligheidsoverwegingen zijn, verdere werkzaamheden nodig zijn voor netaansluitingen of sprake is van technische incompatibiliteit van de systeemonderdelen, wordt binnen twee weken na kennisgeving aan de betrokken entiteit een vergunning verleend voor aansluitingen op het transmissienet of het distributienet voor:
31° warmtepompen met een maximaal elektrisch vermogen van 12 kilowatt;
42° warmtepompen met een maximaal elektrisch vermogen van 50 kilowatt die zijn geïnstalleerd door zelfverbruikers van hernieuwbare energie, op voorwaarde dat het elektrisch vermogen van een opwekkingsinstallatie voor hernieuwbare elektriciteit van de zelfverbruiker van hernieuwbare energie minstens 60 procent van het elektrisch vermogen van de warmtepomp bedraagt.
5Alle uit de omgevingsvergunningsprocedures voortvloeiende beslissingen worden in overeenstemming met dit decreet openbaar gemaakt.
+1 −0 decreet-2014-04-25/art. 114/9 nieuw
1De planning, bouw en exploitatie van installaties voor de productie van hernieuwbare energie, de aansluiting van dergelijke installaties op het net, het bijbehorende net zelf en de opslagactiva worden vermoed van hoger belang te zijn en de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid of de veiligheid van de mens te dienen, als rechtmatige belangen in afzonderlijke gevallen worden afgewogen voor de toepassing van artikel 36ter, §5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, en artikel 1.7.2.5.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018.
+3 −0 decreet-2014-04-25/art. 114/10 nieuw
1De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 15/1 van dit decreet, wordt aangewezen als centraal contactpunt, overeenkomstig artikel 9 van verordening (EU) 2024/1252.
2De betrokken centrale contactpunten zorgen ervoor dat, overeenkomstig artikel 9 van verordening (EU) 2024/1252, rekening wordt gehouden met alle gefundeerde studies die voor een bepaald project over kritieke grondstoffen zijn uitgevoerd, en alle vergunningen of toestemmingen die voor dat project zijn verleend, en dat er geen duplicaten van studies, vergunningen of toestemmingen vereist zijn, tenzij dat uit hoofde van het Unierecht of nationaal recht vereist is.
3De betrokken centrale contactpunten zijn verantwoordelijk voor het verstrekken van informatie over de vergunningsprocedure en de bijbehorende administratieve procedures die nodig zijn voor het verkrijgen van de relevante vergunningen, met inbegrip van informatie over geschillenbeslechtingsprocedures en over wanneer een aanvraag overeenkomstig artikel 114/11, §1, als volledig wordt beschouwd, en relevante informatie over de administratieve procedure.
+33 −0 decreet-2014-04-25/art. 114/11 nieuw
1§1. Omgevingsvergunningsaanvragen in het kader van strategische projecten worden overeenkomstig artikel 11 en 12 van verordening (EU) 2024/1252 onderworpen aan de onderstaande termijnen en vereisten.
2Ten laatste 45 dagen na ontvangst van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een strategisch project bevestigt het betrokken centrale contactpunt dat de aanvraag volledig is of, als de projectontwikkelaar niet alle voor de verwerking van de aanvraag benodigde informatie heeft verstuurd, verzoekt het de projectontwikkelaar zonder uitstel een volledige aanvraag in te dienen onder vermelding van de ontbrekende informatie. Als de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een tweede keer onvolledig wordt geacht, verzoekt het betrokken centrale contactpunt niet om informatie op gebieden die niet onder het eerste verzoek om aanvullende informatie vallen en is het alleen gerechtigd om aanvullend bewijsmateriaal te verzoeken om de ontbrekende informatie te vervolledigen.
3De datum van de bevestiging, vermeld in het tweede lid, geldt als het begin van de omgevingsvergunningsprocedure.
4§2. In afwijking van artikel 4.3.6, §2, van het DABM wordt binnen dertig dagen na de datum waarop de ontwikkelaar alle op grond van artikel 4.3.6, §4, van het DABM vereiste informatie heeft ingediend, bepaald of het strategische project moet worden onderworpen aan een milieubeoordeling conform titel IV, hoofdstuk 4, van het DABM.
5Het betrokken centrale contactpunt informeert de projectontwikkelaar wanneer het milieueffectrapport, vermeld in artikel 4.4.5 van het DABM, moet worden opgesteld, rekening houdend met de organisatie van de omgevingsvergunningsprocedure en de noodzaak om voldoende tijd te gunnen om het rapport te beoordelen. De periode tussen de deadline voor de indiening van het milieueffectrapport en de daadwerkelijke indiening van dat rapport wordt niet meegeteld voor de duur van de omgevingsvergunningsprocedure, vermeld in paragraaf 1, tweede en derde lid.
6Als de raadpleging conform artikel 4.1.1, 6°, b), van het DABM ertoe leidt dat het milieueffectrapport moet worden aangevuld met aanvullende informatie, kan het betrokken centrale contactpunt de projectontwikkelaar de gelegenheid bieden aanvullende informatie te verstrekken. In dat geval stelt dat centrale contactpunt de projectontwikkelaar ervan in kennis als de aanvullende informatie moet worden verstrekt, wat niet vroeger dan dertig dagen na de kennisgeving mag zijn. De periode tussen de deadline voor het verstrekken van de aanvullende informatie en de daadwerkelijke indiening van die informatie wordt niet meegeteld voor de duur van de omgevingsvergunningsprocedure, vermeld in paragraaf 1, tweede en derde lid.
7§3. Als overeenkomstig artikel 4.3.3 en hoofdstuk 4, titel IV, van het DABM een milieubeoordeling vereist is voor een strategisch project, verzoekt de projectontwikkelaar uiterlijk dertig dagen na de kennisgeving van de erkenning als strategisch project en vóór de indiening van de aanvraag het betrokken centrale contactpunt om een advies betreffende de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die overeenkomstig artikel 4.4.5 van het DABM in het milieueffectrapport moet worden opgenomen.
8Het betrokken centrale contactpunt zorgt ervoor dat het, het vermelde advies, vermeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk en binnen een termijn van ten hoogste 45 dagen na de datum waarop de projectontwikkelaar zijn verzoek om een advies heeft ingediend, wordt uitgebracht.
9Deze paragraaf is niet van toepassing op omgevingsvergunningsprocedures voor strategische projecten waarvoor de omgevingsvergunningsprocedure is begonnen voordat het project als strategisch project is erkend.
10§4. Als de verplichting om effectbeoordelingen uit te voeren voor een strategisch project tegelijkertijd voortvloeit uit de toepassing van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, en hun respectievelijke uitvoeringsbesluiten of het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer of het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, wordt een gecoördineerde of gezamenlijke procedure toegepast om aan alle vereisten van die wetgevingshandelingen van de Unie te voldoen.
11Bij de gecoördineerde procedure, vermeld in het eerste lid, coördineert het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 4.1.1, 19°, van het DABM, de verschillende afzonderlijke effectbeoordelingen van een bepaald project die op grond van de relevante wetgevingshandelingen van de Unie vereist zijn.
12Bij de gezamenlijke procedure, vermeld in het eerste lid, voorziet het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 4.1.1, 19°, van het DABM, in één effectbeoordeling van een bepaald project die op grond van de relevante wetgevingshandelingen van de Unie vereist is.
13Deze paragraaf is alleen van toepassing op omgevingsvergunningsprocedures voor strategische projecten waarvoor de vergunningsprocedure is begonnen voordat het project als strategisch project is erkend voor zover de in deze paragraaf beschreven stappen nog niet zijn voltooid.
14§5. Ten laatste een maand vanaf de datum van de bevestiging, vermeld in paragraaf 1, stelt het betrokken centrale contactpunt in nauwe samenwerking met de projectontwikkelaar en andere betrokken bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 11, lid 7, van de verordening (EU) 2024/1252 een gedetailleerd schema voor het omgevingsvergunningsverleningsproces op. Dit schema wordt gepubliceerd door de projectontwikkelaar op de website, vermeld in artikel 8, lid 5, van de verordening (EU) 2024/1252. Het betrokken centrale contactpunt actualiseert het tijdschema in het geval dat er significante wijzigingen zijn die van invloed kunnen zijn op het tijdschema van het raambesluit, overeenkomstig artikel 2, punt 19), van de voormelde verordening.
15§6. De gemotiveerde conclusie over de milieubeoordeling van een strategisch project wordt verstrekt binnen negentig dagen na ontvangst van alle conform artikel 4.4.3, 4.4.5 en 4.4.7 van het DABM verzamelde informatie en na afronding van de in artikel 4.4.7 van het DABM bedoelde raadplegingen, vermeld in artikel 4.4.7 van het DABM.
16In uitzonderlijke gevallen waarin dat gezien de aard, complexiteit, locatie of omvang van het voorgestelde project nodig is, kan de termijn, vermeld in het eerste lid, vóór afloop van die termijn en per geval met maximaal twintig dagen verlengd worden. In dat geval stelt het betrokken centrale contactpunt de projectontwikkelaar schriftelijk in kennis van de redenen die ten grondslag liggen aan de verlenging en van de termijn voor de gemotiveerde conclusie.
17Deze paragraaf is alleen van toepassing op omgevingsvergunningsprocedures voor strategische projecten waarvoor de vergunningsprocedure is begonnen voordat het project als strategisch project is erkend voor zover de in deze paragraaf beschreven stappen nog niet zijn voltooid.
18§7. Voor strategische projecten, erkend conform de verordening (EU) 2024/1252, duurt de omgevingsvergunningsprocedure niet langer dan:
191° 27 maanden voor strategische projecten, die betrekking hebben op winning;
202° vijftien maanden voor strategische projecten, die alleen betrekking hebben op verwerking of recycling.
21In afwijking van het eerste lid duurt, voor strategische projecten die onder de omgevingsvergunningsprocedure vielen voordat zij werden erkend als strategisch project en voor uitbreidingen van strategische projecten waarvoor al een omgevingsvergunning is verleend, de omgevingsvergunningsprocedure nadat het project als strategisch project is erkend, niet langer dan:
221° 24 maanden voor strategische projecten, die betrekking hebben op winning;
232° twaalf maanden voor strategische projecten, die alleen betrekking hebben op verwerking of recycling.
24Als op grond van artikel 4.3.3 van het DABM een milieubeoordeling vereist is, worden de stappen van de aanmelding en scoping, vermeld in artikel 4.4.3 van het DABM, niet opgenomen in de in duur van de omgevingsvergunningsprocedure, vermeld in het eerste en tweede lid van deze paragraaf.
25In uitzonderlijke gevallen waarin dat gezien de aard, complexiteit, locatie of omvang van het strategische project nodig is, kan de bevoegde overheid, vóór afloop van die termijnen en per geval:
261° de termijnen, vermeld in het eerste lid, 1°, en het tweede lid, 1°, met maximaal zes maanden verlengen;
272° de termijnen, vermeld in het eerste lid, 2°, en het tweede lid, 2°, met maximaal drie maanden verlengen.
28In geval van een dergelijke verlenging stelt het betrokken centrale contactpunt de projectontwikkelaar schriftelijk in kennis van de redenen die ten grondslag liggen aan de verlenging en van de termijn voor het raambesluit, overeenkomstig artikel 2, punt 19), van de verordening (EU) 2024/1252.
29§8. De termijnen, vermeld in dit artikel, laten verplichtingen die voortvloeien uit het Unie- en internationale recht, en ook administratieve beroepsprocedures en gerechtelijke procedures, onverlet.
30De termijnen, vermeld in dit artikel, laten eventuele kortere termijnen die door dit decreet worden vastgesteld, onverlet.
31§9. Strategische projecten worden geacht bij te dragen tot de voorzieningszekerheid van strategische grondstoffen in de Europese Unie overeenkomstig artikel 10, lid 2, van de verordening (EU) 2024/1252.
32Wat betreft de milieueffecten of -verplichtingen, vermeld in artikel 36ter, §5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, en artikel 1.7.2.5.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, of in wettelijke bepalingen van de Europese Unie betreffende het herstel van land-, kust- en zoetwaterecosystemen, worden strategische projecten in de Unie geacht van algemeen belang te zijn of de volksgezondheid en de openbare veiligheid te dienen, en kunnen zij van hoger openbaar belang worden geacht als aan alle voorwaarden van die wetgevingshandelingen van de Europese Unie is voldaan.
33Strategische projecten in de Europese Unie krijgen, onverminderd verplichtingen uit hoofde van het Unierecht en als het nationale recht in een dergelijke status voorziet, de hoogst mogelijke nationale status en worden in de omgevingsvergunningsprocedure dienovereenkomstig behandeld.
+3 −0 decreet-2014-04-25/art. 114/12 nieuw
1De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 15/1 van dit decreet, wordt aangewezen als centraal contactpunt, overeenkomstig artikel 6 van de verordening (EU) 2024/1735.
2De betrokken centrale contactpunten waarborgen dat alle relevante studies die zijn uitgevoerd, of vergunningen of toestemmingen die zijn verleend, voor een bepaald project in aanmerking worden genomen, en dat er geen duplicaten van studies, vergunningen of toestemmingen zijn vereist, tenzij het Unierecht of het nationale recht anders voorschrijft.
3De betrokken centrale contactpunten zijn verantwoordelijk voor het verstrekken van informatie over het stroomlijnen van het vergunningverleningsproces, met inbegrip van informatie over geschillenbeslechting en over wanneer een aanvraag overeenkomstig artikel 114/11, §1, als volledig wordt beschouwd.
+30 −0 decreet-2014-04-25/art. 114/13 nieuw
1§1. Omgevingsvergunningsaanvragen in het kader van strategische projecten in het kader van projecten voor de productie van nettonultechnologie worden overeenkomstig artikel 9 en 10 van de verordening (EU) 2024/1735 onderworpen aan onderstaande termijnen en vereisten.
2Als voor decarbonisatieprojecten voor energie-intensieve industrieën, ook als zij als strategische projecten worden erkend, verschillende faciliteiten of eenheden op één locatie moeten worden gebouwd, kunnen de projectpromotor en de bevoegde overheid overeenkomen het project in verschillende kleinere projecten op te splitsen met het oog op de naleving van de toepasselijke termijnen, in overeenstemming met artikel 9, lid 3, van de verordening (EU) 2024/1735 en in afwijking van artikel 7, §2, van dit decreet.
3§2. Uiterlijk 45 dagen na ontvangst van de aanvraag voor een omgevingsvergunning bevestigt het betrokken centraal contactpunt dat de aanvraag volledig is, of verzoekt het de projectpromotor, als deze niet alle voor de verwerking van de aanvraag benodigde informatie heeft toegestuurd, zonder uitstel een volledige aanvraag in te dienen, waarbij wordt gespecificeerd welke informatie ontbreekt. Als de ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een tweede maal onvolledig wordt geacht, kan het centraal contactpunt uiterlijk dertig dagen na de tweede indiening een tweede verzoek om informatie indienen. Het centraal contactpunt verzoekt niet om informatie betreffende gebieden die niet onder het eerste verzoek om aanvullende informatie vallen en heeft alleen het recht om aanvullend bewijsmateriaal te verzoeken om de ontbrekende informatie aan te vullen. De datum van de bevestiging van de volledigheid van de aanvraag door het centraal contactpunt dient als startdatum van het omgevingsvergunningverleningsproces voor die aanvraag.
4§3. Als er op grond van artikel 4.3.3 en titel IV, hoofdstuk 4, van het DABM een milieubeoordeling vereist is, worden de aanmelding en de scoping van de milieubeoordeling, vermeld in artikel 4.4.3 van het DABM, niet meegeteld voor de duur, vermeld in paragraaf 1 en 2, van het omgevingsvergunningverleningsproces. Het milieueffectrapport, vermeld in artikel 4.4.5 van het DABM, moet worden ingediend samen met de omgevingsvergunningsaanvraag.
5Het centraal contactpunt stelt de projectpromotor in kennis van de datum waarop het milieueffectrapport moet worden ingediend, rekening houdend met de organisatie van het omgevingsvergunningverleningsproces en de noodzaak om voldoende tijd uit te trekken voor het beoordelen van dat rapport. De periode tussen het uiterste tijdstip waarop de milieubeoordeling moet worden verstrekt en de datum van de indiening van die beoordeling wordt niet meegeteld voor de duur van het omgevingsvergunningverleningsproces, vermeld in paragraaf 8.
6Als de raadpleging over projecten voor de productie van nettonultechnologie op grond van artikel 4.1.1, 6°, b), van het DABM ertoe leidt dat het milieueffectrapport moet worden aangevuld met extra informatie, kan het centraal contactpunt de projectpromotor de gelegenheid bieden aanvullende informatie te verstrekken. In dat geval stelt het centraal contactpunt de projectpromotor in kennis van de datum wanneer de extra informatie moet worden verstrekt, en wel niet minder dan dertig dagen vanaf de datum van de kennisgeving. De periode tussen het uiterste tijdstip waarop de extra informatie moet worden verstrekt en de datum van de daadwerkelijke indiening van die informatie wordt niet meegeteld voor de duur van het omgevingsvergunningverleningsproces, vermeld in paragraaf 8.
7§4. Als er krachtens artikel 4.3.3 van het DABM een milieubeoordeling is vereist, kan de betrokken projectpromotor alvorens de aanvraag in te dienen het centraal contactpunt verzoeken om overeenkomstig artikel 4.4.3 van het DABM een advies over een voorstel van scoping van de informatie, die uit hoofde van artikel 4.4.5 van het DABM in het milieueffectrapport moet worden opgenomen. Het centraal contactpunt zorgt ervoor dat het advies zo spoedig mogelijk en uiterlijk vijfenveertig dagen vanaf de datum waarop de projectpromotor zijn verzoek om advies heeft ingediend, wordt uitgebracht.
8§5. Als de verplichting om een beoordeling van de milieueffecten uit te voeren gelijktijdig voortvloeit uit twee of meer van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, en hun respectievelijke uitvoeringsbesluiten of het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer of het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, wordt er een gecoördineerde of een gezamenlijke procedure toegepast die aan alle vereisten van die wetgevingshandelingen van de Unie voldoet.
9In het kader van de gecoördineerde procedure, vermeld in het eerste lid, coördineert het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 4.1.1, 19°, van het DABM, de verschillende door de relevante wetgevingshandelingen van de Unie vereiste afzonderlijke beoordelingen van de milieueffecten van een bepaald project.
10In het kader van de gezamenlijke procedure, vermeld in de eerste alinea, voorziet het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 4.1.1, 19°, van het DABM, in één enkele beoordeling van de milieueffecten van een bepaald project, zoals door de relevante wetgevingshandelingen van de Unie vereist. De toepassing van de gezamenlijke of de gecoördineerde procedure mag de inhoud van de effectbeoordeling niet beïnvloeden.
11§6. Uiterlijk twee maanden vanaf de datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag voor een omgevingsvergunning stelt het centraal contactpunt, in nauwe samenwerking met andere betrokken bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 9, lid 11, van de verordening (EU) 2024/1735, een gedetailleerd tijdschema voor het omgevingsvergunningverleningsproces op. Dat tijdschema begint op het moment waarop het centraal contactpunt de volledigheid van de aanvraag voor een omgevingsvergunning erkent. Het tijdschema wordt door het centraal contactpunt bekendgemaakt op een gratis toegankelijke website.
12§7. De gemotiveerde conclusie over de milieubeoordeling wordt uitgebracht binnen negentig dagen na ontvangst van alle op grond van artikel 4.4.3, 4.4.5 en 4.4.7 van het DABM vereiste informatie en na afloop van het overleg, vermeld in artikel 4.4.7 van het DABM.
13In uitzonderlijke gevallen waarin dat gezien de aard, complexiteit, locatie of omvang van het voorgestelde project nodig is, kan de termijn, vermeld in het eerste lid, vóór afloop van die termijn en per geval met maximaal twintig dagen verlengd worden. In dat geval stelt het betrokken centrale contactpunt de projectpromotor schriftelijk in kennis van de redenen voor de verlenging en van de uiterste datum voor de gemotiveerde conclusie.
14§8. Het omgevingsvergunningverleningsproces voor projecten voor de productie van nettonultechnologie, vermeld in de verordening (EU) 2024/1735, mag niet langer duren dan een van de volgende termijnen:
151° twaalf maanden voor de opbouw of uitbreiding van projecten voor de productie van nettonultechnologie met een jaarlijkse productiecapaciteit van minder dan 1 gigawatt;
162° achttien maanden voor de opbouw of uitbreiding van projecten voor de productie van nettonultechnologie met een jaarlijkse productiecapaciteit van 1 gigawatt of meer.
17Het omgevingsvergunningverleningsproces voor projecten voor de productie van nettonultechnologie waarbij de jaarlijkse productiecapaciteit niet in gigawatt wordt gemeten, mag niet langer dan achttien maanden duren.
18Het omgevingsvergunningverleningsproces voor strategische nettonulprojecten, erkend conform artikel 14 van de verordening (EU) 2024/1735, mag niet langer duren dan:
191° negen maanden voor de opbouw of uitbreiding van strategische nettonulprojecten met een jaarlijkse productiecapaciteit van minder dan 1 gigawatt;
202° twaalf maanden voor de opbouw of uitbreiding van strategische nettonulprojecten met een jaarlijkse productiecapaciteit van 1 gigwatt of meer;
213° achttien maanden voor alle benodigde vergunningen voor de exploitatie van een opslaglocatie overeenkomstig richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad.
22Voor strategische nettonulprojecten waarbij de jaarlijkse productiecapaciteit niet in gigawatt wordt gemeten, mag het omgevingsvergunningverleningsproces niet langer dan twaalf maanden duren.
23§9. In uitzonderlijke gevallen, als de aard, de complexiteit, de locatie of de omvang van het voorgestelde project voor de productie van nettonultechnologie of strategisch nettonulproject dit vereist, kan de bevoegde overheid de termijnen, vermeld in paragraaf 8, éénmaal met maximaal drie maanden verlengen. Dit moet per geval worden beoordeeld en moet voor het verstrijken van die termijnen worden bepaald.
24Als een bevoegde overheid van oordeel is dat het voorgestelde project voor de productie van nettonultechnologie of strategisch nettonulproject uitzonderlijke risico’s voor de gezondheid en veiligheid van werknemers of van de bevolking in het algemeen met zich meebrengt, en als extra tijd nodig is om te bepalen of er maatregelen om aanwijsbare risico’s aan te pakken voorhanden zijn, kan hij de termijnen, vermeld in paragraaf 8, met zes maanden verlengen. Dit moet binnen zes maanden na de start van het omgevingsvergunningverleningsproces gebeuren.
25Bij het toepassen van een verlenging stelt het centraal contactpunt de projectpromotor schriftelijk in kennis van de redenen voor de verlenging van de termijn en van de datum waarop het raambesluit, vermeld in artikel 3, punt 20), van verordening (EU) 2024/1735, schriftelijk kan worden verwacht.
26§10. De in dit artikel vastgestelde termijnen doen geen afbreuk aan de uit het Unie- en internationale recht voortvloeiende verplichtingen, en evenmin aan administratieve beroepsprocedures en beroepsprocedures bij een rechterlijke instantie.
27De termijnen voor de omgevingsvergunningverleningsprocessen, vermeld in dit artikel, doen geen afbreuk aan eventuele kortere termijnen die door dit decreet worden vastgesteld.
28§11. Strategische nettonulprojecten worden geacht bij te dragen tot de voorzieningszekerheid voor nettonultechnologieën in de Europese Unie en worden geacht in het algemeen belang te zijn, overeenkomstig artikel 15, lid 3, van de verordening (EU) 2024/1735.
29Met betrekking tot de milieueffecten of -verplichtingen, vermeld in artikel 36ter, §5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, en artikel 1.7.2.5.4 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, en in de rechtshandelingen van de Europese Unie inzake natuurherstel, worden strategische nettonulprojecten in de Europese Unie beschouwd als projecten van algemeen belang en kunnen zij als van hoger openbaar belang en in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid worden beschouwd, op voorwaarde dat aan alle voorwaarden van die handelingen is voldaan.
30Voor strategische nettonulprojecten zorgen projectpromotoren en alle betrokken instanties ervoor dat de relevante processen zo snel mogelijk worden afgehandeld in overeenstemming met het Unierecht en het nationale recht.
+0 −0 decreet-2014-04-25/art. 115/0
+5 −1 decreet-1995-04-05/art. 4.3.3
4§2. De volgende projecten vallen niet onder de werkingssfeer van deze titel:4§2. De volgende projecten vallen niet onder de werkingssfeer van deze titel:
51° de loutere hernieuwing van de vergunning, vermeld in artikel 70 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;51° de loutere hernieuwing van de vergunning, vermeld in artikel 70 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
62° de omzetting, vermeld in artikel 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.62° de omzetting, vermeld in artikel 390 van het voormelde decreet;
73° projecten waarvoor specifieke bepalingen gelden in het kader van de Europese regelgeving, vermeld in hoofdstuk 10/1, afdeling 2, van het voormelde decreet. Die afwijking geldt niet voor de volgende projecten:
8a) projecten met mogelijk aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten of als de bevoegde autoriteiten van de staten of gewesten in kwestie daarom verzoeken, op grond van artikel 4.4.3, §6, of artikel 4.4.7, §4, van dit decreet;
9b) projecten waarbij er aanzienlijke onvoorziene negatieve milieueffecten kunnen zijn;
10c) projecten die buiten gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie als vermeld in artikel 2.2.5, §2/1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, liggen.
7§3. Een initiatiefnemer van een voorgenomen project kan in alle gevallen een milieubeoordeling uitvoeren conform hoofdstuk 4.11§3. Een initiatiefnemer van een voorgenomen project kan in alle gevallen een milieubeoordeling uitvoeren conform hoofdstuk 4.
8Als bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering een wijze van integratie is bepaald, wordt de milieubeoordeling, vermeld in het eerste lid, conform die bepalingen uitgevoerd.12Als bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering een wijze van integratie is bepaald, wordt de milieubeoordeling, vermeld in het eerste lid, conform die bepalingen uitgevoerd.
+5 −0 decreet-1997-10-21/art. 36ter
40Wordt deze beslissing genomen in het kader van een vergunningverlening of het verlenen van een toestemming of machtiging, dan deelt de overheid haar beslissing mee aan de aanvrager op dezelfde wijze als de beslissing op de aanvraag voor de vergunning of de toestemming of machtiging wordt meegedeeld.40Wordt deze beslissing genomen in het kader van een vergunningverlening of het verlenen van een toestemming of machtiging, dan deelt de overheid haar beslissing mee aan de aanvrager op dezelfde wijze als de beslissing op de aanvraag voor de vergunning of de toestemming of machtiging wordt meegedeeld.
41§ 7. Voor de speciale beschermingszones kan de Vlaamse regering een specifieke regeling uitwerken voor de cumulatieve toepassing van de procedures voorzien in dit artikel en in de artikelen 13, 15 en 26bis.41§ 7. Voor de speciale beschermingszones kan de Vlaamse regering een specifieke regeling uitwerken voor de cumulatieve toepassing van de procedures voorzien in dit artikel en in de artikelen 13, 15 en 26bis.
42§8. In afwijking van paragraaf 3 en 4 worden de hernieuwbare-energieprojecten, nieuwe aanvragen voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van installaties waarin verschillende soorten technologie voor hernieuwbare energie worden gecombineerd en de repowering van elektriciteitscentrales die gebruikmaken van hernieuwbare energie in aangewezen gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie voor die technologie en energieopslag op één locatie, alsook de aansluiting van die centrales en opslag op het net, niet onderworpen aan een passende beoordeling van hun gevolgen voor speciale beschermingszones, op voorwaarde dat die projecten voor hernieuwbare energie voldoen aan de regels en maatregelen die zijn vastgesteld conform artikel 2.2.5, §2/1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
43In deze paragraaf wordt verstaan onder:
441° energieopslag op één locatie: een energieopslagvoorziening gecombineerd met een installatie voor de productie van hernieuwbare energie die zijn aangesloten op hetzelfde toegangspunt tot het net;
452° gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie: de gebieden aangewezen conform artikel 2.2.5, §2/1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
463° repowering: het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van installaties of exploitatiesystemen en apparatuur, teneinde de capaciteit te vervangen of de efficiëntie of capaciteit van de installatie te verhogen.
+5 −0 decreet-2014-04-25-1024468/art. 9
2Het geïntegreerde effectenonderzoek omvat ten minste het ruimtelijke en het milieugerelateerde effectenonderzoek op strategisch niveau.2Het geïntegreerde effectenonderzoek omvat ten minste het ruimtelijke en het milieugerelateerde effectenonderzoek op strategisch niveau.
3Als het voorkeursbesluit, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, betekenisvolle effecten kan hebben op een speciale beschermingszone, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen ervan. Die passende beoordeling maakt een als dusdanig herkenbaar onderdeel uit van het milieugerelateerde effectenonderzoek.3Als het voorkeursbesluit, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, betekenisvolle effecten kan hebben op een speciale beschermingszone, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen ervan. Die passende beoordeling maakt een als dusdanig herkenbaar onderdeel uit van het milieugerelateerde effectenonderzoek.
4In afwijking van het derde lid worden de hernieuwbare-energieprojecten, nieuwe aanvragen voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van installaties waarin verschillende soorten technologie voor hernieuwbare energie worden gecombineerd en de repowering van elektriciteitscentrales die gebruikmaken van hernieuwbare energie in aangewezen gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie voor die technologie en energieopslag op één locatie, alsook de aansluiting van die centrales en opslag op het net, niet onderworpen aan een passende beoordeling van hun gevolgen voor speciale beschermingszones, op voorwaarde dat die projecten voor hernieuwbare energie voldoen aan de regels en maatregelen die zijn vastgesteld conform artikel 2.2.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
4Op grond van toepasselijke regelgeving van andere beleidssectoren die relevant zijn bij de beoordeling van een complex project, kunnen andere onderzoeken, dan vermeld in het tweede en derde lid, in het onderzoek op strategisch niveau betrokken worden.5Op grond van toepasselijke regelgeving van andere beleidssectoren die relevant zijn bij de beoordeling van een complex project, kunnen andere onderzoeken, dan vermeld in het tweede en derde lid, in het onderzoek op strategisch niveau betrokken worden.
5De resultaten van het milieugerelateerde effectenonderzoek worden vastgelegd in een ontwerp van MER.6De resultaten van het milieugerelateerde effectenonderzoek worden vastgelegd in een ontwerp van MER.
7In dit artikel wordt verstaan onder:
81° energieopslag op één locatie: een energieopslagvoorziening gecombineerd met een installatie voor de productie van hernieuwbare energie die zijn aangesloten op hetzelfde toegangspunt tot het net;
92° gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie: de gebieden aangewezen conform artikel 2.2.5, §2/1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
103° repowering: het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van installaties of exploitatiesystemen en apparatuur, teneinde de capaciteit te vervangen of de efficiëntie of capaciteit van de installatie te verhogen.
+5 −0 decreet-2014-04-25-1024468/art. 19
2Het geïntegreerd effectenonderzoek omvat ten minste het ruimtelijke en het milieugerelateerde effectenonderzoek op uitvoeringsniveau.2Het geïntegreerd effectenonderzoek omvat ten minste het ruimtelijke en het milieugerelateerde effectenonderzoek op uitvoeringsniveau.
3Als het complexe project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten betekenisvolle effecten kan hebben voor een speciale beschermingszone wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen ervan. Die passende beoordeling maakt een als dusdanig herkenbaar onderdeel uit van het milieugerelateerde effectenonderzoek. De resultaten van het milieugerelateerde effectenonderzoek worden vastgelegd in een ontwerp van MER.3Als het complexe project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten betekenisvolle effecten kan hebben voor een speciale beschermingszone wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen ervan. Die passende beoordeling maakt een als dusdanig herkenbaar onderdeel uit van het milieugerelateerde effectenonderzoek. De resultaten van het milieugerelateerde effectenonderzoek worden vastgelegd in een ontwerp van MER.
4In afwijking van het derde lid worden de hernieuwbare-energieprojecten, nieuwe aanvragen voor installaties voor de productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van installaties waarin verschillende soorten technologie voor hernieuwbare energie worden gecombineerd en de repowering van elektriciteitscentrales die gebruikmaken van hernieuwbare energie in aangewezen gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie voor die technologie en energieopslag op één locatie, alsook de aansluiting van die centrales en opslag op het net, niet onderworpen aan een passende beoordeling van hun gevolgen voor speciale beschermingszones, op voorwaarde dat die projecten voor hernieuwbare energie voldoen aan de regels en maatregelen die zijn vastgesteld conform artikel 2.2.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
4Op grond van toepasselijke regelgeving van andere beleidssectoren die relevant zijn bij de beoordeling van een complex project, kunnen andere onderzoeken, dan vermeld in het tweede en derde lid, in het onderzoek op uitvoeringsniveau betrokken worden.5Op grond van toepasselijke regelgeving van andere beleidssectoren die relevant zijn bij de beoordeling van een complex project, kunnen andere onderzoeken, dan vermeld in het tweede en derde lid, in het onderzoek op uitvoeringsniveau betrokken worden.
6In dit artikel wordt verstaan onder:
71° energieopslag op één locatie: een energieopslagvoorziening gecombineerd met een installatie voor de productie van hernieuwbare energie die zijn aangesloten op hetzelfde toegangspunt tot het net;
82° gebieden voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie: de gebieden aangewezen conform artikel 2.2.5, §2/1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
93° repowering: het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van installaties of exploitatiesystemen en apparatuur, teneinde de capaciteit te vervangen of de efficiëntie of capaciteit van de installatie te verhogen.
+0 −0 decreet-2024-05-17-1040051/art. 171 opgeheven
+0 −0 decreet-2024-05-17-1040051/art. 172 opgeheven
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd