§ flandrepo
14 regels · van kracht sinds 1 sep 2026

Artikel 153tricies

§1. Vanaf het schooljaar 20TT – 20TT+1, startende in 2026 - 2027, worden jaarlijks eenheden inductie toegekend aan iedere scholengemeenschap en aan iedere school die geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap voor de personeelsleden en de doelstelling, vermeld in artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. Het aantal eenheden inductie van een scholengemeenschap is de som van de eenheden inductie die, in overeenstemming met paragraaf 3, eerste en tweede lid, aan iedere school van de scholengemeenschap worden toegekend.

In het schooljaar 2026-2027 kunnen de eenheden inductie ook voor een andere doelstelling aangewend worden dan deze, vermeld in artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 20bis, §3, eerste lid, van het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. Ook dan kunnen deze eenheden inductie alleen aangewend worden in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel.

§2. Voor de maatregel, vermeld in paragraaf 1 en in artikel 34/3, §1 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, wordt voor het basis- en secundair onderwijs samen jaarlijks in een bedrag van 48,7 miljoen euro voorzien.

Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt over het gewoon basisonderwijs, het buitengewoon basisonderwijs, het voltijds gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs verdeeld op basis van het aandeel van elk van deze niveaus in het totale aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettair voltijdse equivalenten in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT.

Het totale aantal eenheden inductie voor het gewoon basisonderwijs is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het bedrag dat met toepassing van het tweede lid voor het gewoon basisonderwijs is verkregen, met 7,53.

Het totale aantal eenheden inductie voor het buitengewoon basisonderwijs is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het bedrag dat met toepassing van het tweede lid voor het buitengewoon basisonderwijs is verkregen, met 7,51.

§3. De inductiecoëfficiënt voor het gewoon basisonderwijs wordt verkregen door het totale aantal eenheden inductie, met toepassing van paragraaf 2, derde lid, te delen door het aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijdse equivalenten in het gewoon basisonderwijs in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT. Het aantal eenheden inductie dat voor iedere school voor gewoon basisonderwijs wordt berekend, is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten, in de school in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT- 1 en 20TT- 1 – 20TT, met de inductiecoëfficiënt voor het gewoon basisonderwijs.

De inductiecoëfficiënt voor het buitengewoon basisonderwijs wordt verkregen door het totale aantal eenheden inductie, met toepassing van paragraaf 2, vierde lid, te delen door het totale aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten, in het buitengewoon basisonderwijs in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT. Het aantal eenheden inductie dat voor iedere school voor buitengewoon basisonderwijs wordt berekend, is gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettaire voltijds equivalenten in de school in de maand december van de schooljaren 20TT-3 – 20TT-2, 20TT-2 – 20TT-1 en 20TT- 1 – 20TT, met de inductiecoëfficiënt voor het buitengewoon basisonderwijs.

Het verkregen aantal eenheden inductie, conform het eerste en het tweede lid, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere gehele getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere gehele getal.

§4. Voor de aanwending van de eenheden inductie wordt de volgende formule toegepast: X x aantal aanstellingsdagen / 7 = Y, waarbij

  1. 1°X = de opdracht op weekbasis van het personeelslid dat met eenheden inductie wordt aangesteld, uitgedrukt in 10.000sten, waarbij 10.000 de voltijdse weekop-dracht uitdrukt;
  2. 2°aantal aanstellingsdagen = het aantal dagen waarop het personeelslid met eenheden inductie wordt aangesteld, met inbegrip van een wettelijke feestdag, een weekeinde, de herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie voor zover die periode in het aantal inductiedagen begrepen is;
  3. 3°Y = het aantal eenheden inductie, afgerond naar de hogere eenheid, als het resultaat van de deling na de komma 5 of meer bedraagt.

§5. Het deel van de betrekking dat met deze omkadering wordt opgericht, kan niet vacant worden verklaard. Er kan in geen geval een personeelslid in vast benoemd, geaffecteerd of gemuteerd worden en er kan ook niet in vervangen worden.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd