-
+1 −1 art. 89 1 De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n/n+1 een werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. Vanaf het begrotingsjaar 2020 bedraagt de werkingstoelage per lesuurcursist 1,8741 euro. 1 De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n/n+1 een werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. Vanaf het schooljaar 2023- 2024 bedraagt de werkingstoelage per lesuurcursist 2,2403 euro. 2 De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar n+1. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n/n+1 recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar n+1. 2 De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar n+1. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n/n+1 recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar n+1. 3 Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. 3 Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. -
+2 −2 art. 89 1 De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n-1/neen werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. Vanaf het begrotingsjaar 2020 bedraagt de werkingstoelage per lesuurcursist 1,8741 euro. 1 De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n/n+1 een werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. Vanaf het begrotingsjaar 2020 bedraagt de werkingstoelage per lesuurcursist 1,8741 euro. 2 De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar . De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n-1/nrecht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar . 2 De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar n+1. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n/n+1 recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar n+1. 3 Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. 3 Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. -
+1 −1 art. 89 1 De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n-1/n een werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. De Vlaamse Regering bepaalt de werkingstoelage per lesuurcursist . 1 De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n-1/n een werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. Vanaf het begrotingsjaar 2020 bedraagt de werkingstoelage per lesuurcursist 1,8741 euro. 2 De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n-1/n recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar. 2 De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n-1/n recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar. 3 Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. 3 Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. -
+3 −2 art. 89 - 1 september 2008 Codificatie: Decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs 2007036482
+2 −0 art. 89 nieuw