Artikel 2.1.5.0.1
§ 1. Er wordt een vermindering verleend van :
- 1°25 % van de onroerende voorheffing voor de woning waar de belastingplichtige volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn hoofdverblijfplaats heeft, als het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 745 euro;
- 2°de onroerende voorheffing voor de kinderen die in aanmerking komen voor de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 5, §1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, voor de woning die op 1 januari van het aanslagjaar wordt betrokken door een gezin met ten minste twee kinderen die daar volgens het bevolkingsregister hun woonplaats hebben en die in aanmerking komen voor gezinsbijslag. De vermindering bedraagt per kind 8 euro. Daarbij wordt een gehandicapt kind voor twee gerekend.
Het voormelde bedrag van 8 euro is gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk en wordt jaarlijks aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2022. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van de coëfficiënt wordt het bedrag afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendste al of niet vijf bereikt;
- 3°de onroerende voorheffing per persoon met een handicap, met uitsluiting van de gehandicapte kinderen, vermeld in punt 2°, voor de woning waar de persoon met een handicap volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft. Deze vermindering wordt berekend alsof het een gehandicapt kind betreft.
§1/1. De vermindering, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt in geval van ouders die niet samenleven proportioneel toegekend, afhankelijk van de periode waarin die ouder het kind of de kinderen huisvest, als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld:
- 1°een van beide ouders dient uiterlijk op 31 maart van het aanslagjaar een aanvraag in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie;
- 2°de ouder waarbij het kind of de kinderen volgens het bevolkingsregister niet zijn of hun woonplaats hebben, zorgt voor de huisvesting in een woning die in het Vlaamse Gewest ligt waarin die ouder op 1 januari van het aanslagjaar volgens het bevolkingsregister zijn woonplaats heeft;
- 3°de gedeeltelijke huisvesting wordt op een van de volgende wijzen aangetoond:
- a)op grond van een overeenkomst die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar geregistreerd of door een rechter gehomologeerd is;
- b)op grond van een rechterlijke beslissing die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar is uitgesproken;
- c)op grond van een overeenkomst die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar tot stand is gekomen ten gevolge van een vrijwillige gezinsbemiddeling door een bemiddelaar die erkend is door de commissie, vermeld in artikel 1727 van het Gerechtelijk Wetboek;
- d)op grond van een overeenkomst die de beide ouders uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar hebben ondertekend.
De vermindering, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt proportioneel verdeeld tussen de woning, vermeld in paragraaf 1, 2°, en de woning, vermeld in het eerste lid, 2°.
Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse Administratie geen andersluidende kennisgeving ontvangt en de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 2°, en paragraaf 1/1, zijn vervuld, is de aanvraag die ingediend is voor een aanslag- jaar, geldig voor de volgende aanslagjaren.
Als het bedrag, vermeld in paragraaf 1, 2°, overeenkomstig het eerste lid proportioneel wordt toegekend, worden de proportioneel verdeelde bedragen afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt.
§ 2. Er wordt een vermindering verleend van :
- 1°20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E60;
- 2°20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor andere gebouwde onroerende goederen dan woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E70;
- 3°40 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E40;
- 4°50% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen na 31 december 2012 is ingediend en die op 1 januari van het aanslagjaar ten hoogste een E-peil hebben als vermeld in de volgende tabel:
datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen
E-peil
nieuwbouw
E-peil ingrijpende
energetische renovatie
vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013
E50
/
vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015
E40
/
vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016
E30
/
vanaf 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2019
E30
E90
vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021
E30
/
vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022
E20
/
- 5°100% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is ingediend na 31 december 2012 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben als vermeld in de volgende tabel:
datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen
E-peil
nieuwbouw
E-peil ingrijpende
energetische renovatie
vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014
E30
/
vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015
E30
/
vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016
E20
/
vanaf 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2021
E20
E60
vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022
E10
E60
vanaf 1 januari 2023 tot en met 30 september 2025
/
E60
- 6°50% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vanaf 1 januari 2023 tot en met 30 september 2025 is ingediend en die na herbouw of gedeeltelijke herbouw op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E20;
- 7°100% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vanaf 1 januari 2023 tot en met 30 september 2025 is ingediend en die na herbouw of gedeeltelijke herbouw op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E10.
Het E-peil, vermeld in het eerste lid, is het peil van primair energieverbruik, zoals berekend ter uitvoering van titel XI van het Energiedecreet van 8 mei 2009.
De grens van het E-peil waaraan het gebouwde onroerend goed moet voldoen voor de vermindering, wordt vastgesteld rekening houdend met het ogenblik waarop de volledige aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend.
De termijn van tien jaar, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, neemt een aanvang in het jaar dat volgt op het jaar waarin het E-peil dat recht geeft op een vermindering, voor de eerste keer is bepaald voor het gebouwde onroerend goed in kwestie. Die termijn kan op zijn vroegst een aanvang nemen vanaf het aanslagjaar 2009.
De termijn van vijf jaar, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 7° , neemt een aanvang in het jaar dat volgt op het jaar waarin het E-peil dat recht geeft op een vermindering, voor de eerste keer is bepaald voor het gebouwde onroerend goed in kwestie. Die termijn kan op zijn vroegst een aanvang nemen vanaf het aanslagjaar 2014.
Alleen de gebouwde onroerende goederen waarvoor het vereiste E-peil voor het gebouw als geheel is bepaald, komen in aanmerking voor de verminderingen, vermeld in het eerste lid. De verminderingen worden alleen toegekend als het gaat om gedeeltelijke herbouw, herbouw, renovatie of nieuwbouw als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 46/2°, 47/2°, 50° en 110°, van het Energiebesluit van 19 november 2010 en als is voldaan aan alle EPB-eisen, vermeld in titel IX, hoofdstuk I, van het Energiebesluit van 19 november 2010, die op de omgevingsvergunning(en) voor stedenbouwkundige handelingen van het specifieke bouwproject van toepassing zijn.
Bij de overdracht van een onroerend goed waarvoor een vermindering als vermeld in het eerste lid, is verleend, wordt de vermindering vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar van de overdracht, verder toegekend aan de verkrijger van het goed, voor de nog resterende aanslagjaren in de periode van tien jaar of vijf jaar.