§ flandrepo
111 regels · van kracht sinds 17 aug 2026

Artikel III.24

§1. Als in de begrotingsjaren 2008 tot en met 2013 het bedrag van de theoretische werkingsuitkering van een instelling i, die voldoet aan de voorwaarden voor de minimale instellingsnorm voor de onderwijssokkel, vermeld in artikel III.8, kleiner is dan of gelijk is aan het bedrag van het gegarandeerde minimum, vermeld in paragraaf 2, dan ontvangt die instelling het gegarandeerde minimumbedrag als werkingsuitkering voor het desbetreffende begrotingsjaar.

Als in de begrotingsjaren 2008 tot en met 2013 het bedrag van de theoretische werkingsuitkering van een instelling i, groter is dan het gegarandeerde minimumbedrag, vermeld in paragraaf 2, dan ontvangt die instelling het bedrag van de theoretische werkingsuitkering als werkingsuitkering.

Als in de begrotingsjaren 2008 tot en met 2013 de som van de werkingsuitkeringen van de hogescholen en de universiteiten het beschikbare budget voor het betreffende begrotingsjaar, vermeld in artikel III.5, overschrijdt, dan ontvangt een instelling i, wanneer het bedrag van de theoretische werkingsuitkering groter is dan het gegarandeerde minimumbedrag, het bedrag van het gegarandeerde minimum, vermeld in paragraaf 2, vermeerderd met het procentueel aandeel van deze instelling in het verschil tussen de som van de theoretische werkingsuitkeringen van de hogescholen en de universiteiten, vermeld in het tweede lid, en de som van de gegarandeerde minimumbedragen van deze hogescholen en universiteiten, vermeld in paragraaf 2.

§2. De volgende gegarandeerde minimumbedragen worden vastgelegd voor de hogescholen en de universiteiten :

Instelling

gegarandeerd minimum (uitgedrukt in EUR)

  1. 1°Arteveldehogeschool

39.172.027,94

  1. 2°Erasmushogeschool Brussel

28.221.507,42

  1. 3°Hogeschool Antwerpen

44.770.310,04

  1. 4°Hogeschool Gent

74.423.088,34

  1. 5°Hogeschool Sint-Lukas Brussel

7.340.568,70

  1. 6°LUCA School of Arts

38.412.534,58

  1. 7°Hogeschool West-Vlaanderen

19.816.734,54

  1. 8°Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen

40.252.379,35

  1. 9°Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende

17.798.398,64

  1. 10°Thomas More Kempen

31.364.082,66

  1. 11°Katholieke Hogeschool Leuven

27.088.744,74

  1. 12°Katholieke Hogeschool Limburg

29.971.388,38

  1. 13°Thomas More Mechelen

19.961.758,26

  1. 14°Katholieke Hogeschool Sint-Lieven

26.915.201,11

  1. 15°Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen

29.164.438,69

  1. 16°Thomas More Antwerpen

13.008.546,51

  1. 17°Plantijn-Hogeschool

13.941.258,15

  1. 18°Provinciale Hogeschool Limburg

20.857.698,06

  1. 19°GROEP T - Internationale Hogeschool Leuven

10.766.708,92

  1. 20°HUB-EHSAL

21.305.296,34

  1. 21°XIOS Hogeschool Limburg

15.193.074,25

  1. 22°HUB-KUBrussel

5.502.000,00

  1. 23°KULeuven

222.899.082,00

  1. 24°UGent

196.584.425,00

  1. 25°Universiteit Antwerpen

85.954.139,00

  1. 26°VUB

78.279.046,00

  1. 27°UHasselt/tUL

24.528.509,00

Het gegarandeerde minimumbedrag, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing op een instelling die niet voldoet aan de voorwaarden voor de minimale instellingsnorm voor de onderwijssokkel, zoals bepaald in artikel III.8.

§3. De bedragen, vermeld in paragraaf 2, worden vanaf het begrotingsjaar 2008 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.

§4. Vanaf het begrotingsjaar 2011 wordt de werkingsuitkering per hogeschool en universiteit, berekend overeenkomstig de bepalingen van titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 4, onderafdeling 1 van dit deel met inbegrip van de bedragen bedoeld in artikel III.34, §5, met 1,27 % verminderd.

Afhankelijk van de budgettaire ruimte kan de Vlaamse Regering dit percentage vanaf het begrotingsjaar 2012 wijzigen.

De som van het totale bedrag van de verminderingen op grond van het eerste of het tweede lid en het bedrag van de vermindering op grond van het eerste of het tweede lid van artikel 3, §3, van het decreet van 20 februari 2009 betreffende de Hogere Zeevaartschool bedraagt per jaar ten hoogste 16.179.000 euro, berekend op het prijsniveau van het jaar 2010. Indien dit bedrag overschreden wordt, worden de in het eerste lid en in het eerste lid van artikel 3, §3, van het decreet van 20 februari 2009 betreffende de Hogere Zeevaartschool vermelde percentages verminderd.

§5. Voor het begrotingsjaar 2013 worden de totale werkingsuitkeringen van de hogescholen, met 4.539.000 euro verminderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de effectieve werkingsuitkeringen.

§6. Voor het begrotingsjaar 2013 worden de totale werkingsuitkeringen van de universiteiten, berekend overeenkomstig de bepalingen van titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 4, onderafdeling 1 van dit deel, met 5.083.000 euro verminderd en verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de effectieve werkingsuitkeringen.

§ 7. Bovenop de vermindering, vermeld in paragraaf 4 van dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 de totale werkingsuitkering van de hogescholen en universiteiten, berekend overeenkomstig de bepalingen van titel 1, hoofdstuk 1, van dit deel, met 26.614.642,36 euro verminderd.

Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2017 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.

§ 8. Vanaf het begrotingsjaar 2019 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 2.508.061 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen.

Vanaf het begrotingsjaar 2019 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 1.747.939 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.

De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.

§ 9. In het begrotingsjaar 2020 worden de totale werkingsmiddelen van de hoge-scholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 4.390.165 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.

§ 10. Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) met 6.468.329,21 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.

Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 8.842.117,00 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen.

De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.

§ 11. De totale werkingsmiddelen van de hogescholen (met inbegrip van de Hogere Zeevaartschool) en de universiteiten worden verhoogd met de volgende bedragen:

2021

Vanaf 2022

bestemming

hogescholen

universiteiten

hogescholen

universiteiten

budget wendbaar en weerbaar personeelsbeleid

2.638.575

1.776.250

afschaffen baremieke leeftijd

5.047

optrekken laagste lonen ATP

45.441

56.559

De bedragen voor het afschaffen van de baremieke leeftijd, de laagste lonen en voor 2021 het budget voor wendbaar en weerbaar personeelsbeleid worden verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.

Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.

§12. Vanaf het begrotingsjaar 2023 wordt de totale werkingsuitkering van de universiteiten met 15.000.000 euro verminderd. Dit bedrag wordt als volgt verdeeld over de universiteiten:

Katholieke Universiteit Leuven

5.079.715 euro

Universiteit Gent

4.336.989 euro

Universiteit Antwerpen

2.335.359 euro

Vrije Universiteit Brussel

2.097.957 euro

Universiteit Hasselt

1.149.980 euro

§13. Vanaf het begrotingsjaar 2023 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) en de universiteiten met 7.941.650 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen.

Vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt het bedrag, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.

§14. Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen, inclusief de Hogere Zeevaartschool, met 8 miljoen euro vermeerderd. Van dit bedrag wordt 683.000 euro toegevoegd aan het variabel onderwijs- deel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts (VOWhko2014). Het resterende bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de totale werkingsmiddelen.

Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 20 miljoen euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen.

De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2024 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.

§15. In het begrotingsjaar 2026 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen eenmalig vermeerderd met 11.500.000 euro. Dat bedrag wordt verdeeld op basis van het aandeel van elke hogeschool in het totale aantal financieringspunten dat wordt gegenereerd door de graduaatsopleidingen in de academiejaren 2021-2022 tot en met 2023-2024.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd