Artikel II.334
§1. Het bestuur maakt in samenspraak met de studentenraad een statuut van studentenvertegenwoordiger op. Dat statuut bepaalt de nodige faciliteiten voor de studentenvertegenwoordigers in interne en externe raden en organen om een goede vertegenwoordiging te garanderen. Deze faciliteiten betreffen ten minste de wijze waarop in functie van de werking van deze raden en organen onderwijsactiviteiten en examens op flexibele wijze kunnen worden gepland en afgeweken kan worden, indien dit de goede werking van de studentvertegenwoordiging in het gedrang brengt, van de verplichte aanwezigheid, werk- en examenvormen en indiendata voor bepaalde opleidingsonderdelen.
§2. Het instellingsbestuur legt, in samenspraak met de studentenraad, een lijst vast met de mandaten waarvoor het statuut, vermeld in paragraaf 1, van toepassing is. Daarbij houdt zij ook rekening met mandaten op supra-instellingsniveau.
§3. Het instellingsbestuur stelt een ombudsdienst aan waar studentenvertegenwoordigers terechtkunnen indien hun rechten niet worden gerespecteerd.
§ 4. Het statuut van studentenvertegenwoordiger, vermeld in paragraaf 1, wordt automatisch toegekend voor een mandaat dat onder de toepassing van het statuut valt vanaf het ogenblik dat de studentenvertegenwoordiger het mandaat effectief opneemt.
§ 5. De faciliteiten, vermeld in paragraaf 1, kunnen worden ingezet voor alle mandaten die de studentenvertegenwoordiger effectief opneemt in interne en externe raden en organen. Ze kunnen ook tijdens stages ingezet worden, op voorwaarde dat de stagegever daarmee akkoord gaat. De instelling ziet erop toe dat de studentenvertegenwoordigers de toegekende faciliteiten ook effectief kunnen opnemen.