§ flandrepo

Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2026

Vlaamse Regering #869 Staatsblad 7 augustus 2026 NUMAC 2026005970
9 artikels gewijzigd
+3 −2 decreet-2015-07-03/art. 42
3§ 3. Het fonds wordt gespijsd door de volgende ontvangsten :3§ 3. Het fonds wordt gespijsd door de volgende ontvangsten :
41° de bijdragen van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen zoals opgenomen in artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, in de mate dat deze jaarlijkse ontvangsten het bedrag van 5.539.000 euro overschrijden;41° de bijdragen van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen zoals opgenomen in artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, in de mate dat deze jaarlijkse ontvangsten het bedrag van 5.539.000 euro overschrijden;
52° de jaarlijkse ontvangsten vanaf 1 januari 2018 uit de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen en de strafrechtelijke boeten die verband houden met de inbreuken op de reglementering inzake verkeersveiligheid, die krachtens artikel 6, § 1, XII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoort, enerzijds tot en met het bedrag van 17.051.300 euro en anderzijds alle jaarlijkse ontvangsten in de mate dat die het bedrag van 161.243.000 overschrijden;52° de jaarlijkse ontvangsten vanaf 1 januari 2018 uit de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen en de strafrechtelijke boeten die verband houden met de inbreuken op de reglementering inzake verkeersveiligheid, die krachtens artikel 6, § 1, XII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoort, enerzijds tot en met het bedrag van 17.044.600 euro en anderzijds alle jaarlijkse ontvangsten in de mate dat die het bedrag van 161.243.000 overschrijden;
63° de bijdrage en overschotten bedoeld in artikel 8 en 9 van het decreet van 8 juli 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 201663° de bijdrage en overschotten bedoeld in artikel 8 en 9 van het decreet van 8 juli 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2016
74° de middelen voortvloeiend uit de activa van het Fonds voor Voorziening en van Openbaar Nut voor de Inspectie van Automobielen, afgekort FIA, vereniging zonder winstoogmerk, opgericht op 7 juli 1970.74° de middelen voortvloeiend uit de activa van het Fonds voor Voorziening en van Openbaar Nut voor de Inspectie van Automobielen, afgekort FIA, vereniging zonder winstoogmerk, opgericht op 7 juli 1970;
85° de vergoedingen van de erkende herstellers, vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 maart 2024 over herkeuringen van voertuigen door erkende keurders bij erkende herstellers in het kader van een proefproject.
8§ 4. Het fonds wordt aangewend ter financiering van uitgaven voor werking, subsidies en investeringen ten bate van verkeersveiligheid met inbegrip van de regeling van de regularisatie van de exploitatievoorwaarden van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen teneinde de organisatie van deze controle over het hele grondgebied te verzekeren.9§ 4. Het fonds wordt aangewend ter financiering van uitgaven voor werking, subsidies en investeringen ten bate van verkeersveiligheid met inbegrip van de regeling van de regularisatie van de exploitatievoorwaarden van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen teneinde de organisatie van deze controle over het hele grondgebied te verzekeren.
9§ 5. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het fonds.10§ 5. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het fonds.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.24
109Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 20 miljoen euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen.109Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 20 miljoen euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen.
110De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2024 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.110De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2024 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
111§15. In het begrotingsjaar 2026 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen eenmalig vermeerderd met 11.500.000 euro. Dat bedrag wordt verdeeld op basis van het aandeel van elke hogeschool in het totale aantal financieringspunten dat wordt gegenereerd door de graduaatsopleidingen in de academiejaren 2021-2022 tot en met 2023-2024.
+8 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.25/6 nieuw
1Vanaf het begrotingsjaar 2026 tot en met begrotingsjaar 2030 kan jaarlijks een bijkomende werkingstoelage van maximaal 4.000.000 euro aan de Vrije Universiteit Brussel worden toegekend voor de financiering van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde. De instelling dient daartoe jaarlijks een aanvraagdossier in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 oktober van het voorafgaande begrotingsjaar. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt het aanvraagdossier uiterlijk op 1 juli 2026 verwacht. Dit aanvraagdossier bevat een overzicht van de geraamde kosten van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde in het begrotingsjaar in kwestie en de daaropvolgende begrotingsjaren tot en met 2030. Deze bijkomende werkingstoelage wordt alleen toegekend en uitbetaald na controle en goedkeuring van het aanvraagdossier door de regeringscommissaris. De regeringscommissaris beoordeelt het getrouwheidsgehalte van het budget en bevestigt dat het voorgestelde budget uitgaven betreft die niet door andere subsidiestromen gedekt zijn.
2De Vrije Universiteit Brussel rapporteert over de eigen genomen initiatieven en de effecten en de resultaten ervan. De Vrije Universiteit Brussel dient daarvoor een beknopt rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. In dit rapport wordt de evolutie in aantal studenten en personeelsleden voor de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde opgenomen, en ook een gedetailleerde verantwoording van de kosten voor het personeel, de infrastructuur, andere kosten en de mogelijke reserveopbouw. Het rapport wordt ter controle voorgelegd aan de regeringscommissaris. De regeringscommissaris gaat na of de vermelde financiële gegevens in het verantwoordingsrapport correct zijn.
3De Vrije Universiteit Brussel kan een gedeelte van de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de aanleg van een reserve. Maximaal 20% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage kan worden aangewend voor de aanleg van reserves. In afwijking hiervan kan in begrotingsjaar 2026 maximaal 50% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage aangewend worden voor de aanleg van reserves.
4De totaal gecumuleerde reserves, vermeld in het derde lid, kunnen maximaal 50% van de maximale totale bijkomende werkingstoelage voor de begrotingsjaren 2026 tot en met 2030 bedragen en moeten ten laatste in het begrotingsjaar 2030 worden besteed.
5De Vlaamse Regering kan de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk terugvorderen in een van de volgende gevallen:
61° als de bacheloropleiding, vermeld in het eerste lid, niet uiterlijk in het academiejaar 2027-2028 aangeboden wordt;
72° als de Vrije Universiteit Brussel niet uiterlijk voor 1 maart 2029 bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag indient waarin de doelmatigheid van de opleiding master in de Tandheelkunde overeenkomstig artikel II.153 wordt beoordeeld;
83° als de kosten niet voldoende aangetoond kunnen worden in de jaarlijkse rapportering.
+5 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.25/7 nieuw
1Vanaf het begrotingsjaar 2026 tot en met begrotingsjaar 2030 kan jaarlijks een bijkomende werkingstoelage van maximaal 2.000.000 euro worden toegekend aan de Universiteit Hasselt voor de financiering van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleiding master in de Geneeskunde. De instelling dient daartoe jaarlijks een aanvraagdossier in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 oktober van het voorafgaande begrotingsjaar. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt het aanvraagdossier uiterlijk op 1 juli 2026 verwacht. Dit aanvraagdossier bevat een overzicht van de geraamde kosten van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleiding master in de Geneeskunde in het begrotingsjaar in kwestie en de daaropvolgende begrotingsjaren tot en met 2030. Deze bijkomende werkingstoelage wordt alleen toegekend en uitbetaald na controle en goedkeuring van het aanvraagdossier door de regeringscommissaris. De regeringscommissaris beoordeelt het getrouwheidsgehalte van het budget en bevestigt dat het voorgestelde budget uitgaven betreft die niet door andere subsidiestromen gedekt zijn.
2De Universiteit Hasselt rapporteert over de eigen genomen initiatieven en de effecten en de resultaten ervan. De Universiteit Hasselt dient daarvoor een beknopt rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. In dit rapport wordt de evolutie in aantal studenten en personeelsleden voor de opleiding master in de Geneeskunde opgenomen, en ook een gedetailleerde verantwoording van de kosten voor het personeel, de infrastructuur en andere kosten, en de mogelijke reserveopbouw. Het rapport wordt ter controle voorgelegd aan de regeringscommissaris. De regeringscommissaris gaat na of de vermelde financiële gegevens in het verantwoordingsrapport correct zijn.
3De Universiteit Hasselt kan een gedeelte van de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de aanleg van een reserve. Maximaal 20% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage kan worden aangewend voor de aanleg van reserves. In afwijking hiervan kan in begrotingsjaar 2026 maximaal 50% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage aangewend worden voor de aanleg van reserves.
4De totaal gecumuleerde reserves, vermeld in het derde lid, kunnen maximaal 50% van de maximale totale bijkomende werkingstoelage voor de begrotingsjaren 2026 tot en met 2030 bedragen en moeten ten laatste in het begrotingsjaar 2030 worden besteed.
5Als de Universiteit Hasselt voor de opleiding, vermeld in het eerste lid, niet uiterlijk voor 1 maart 2027 een aanvraag waarin de macrodoelmatigheid conform artikel II.153 wordt beoordeeld, heeft ingediend bij de Commissie Hoger Onderwijs, of als de kosten niet voldoende aangetoond kunnen worden in de jaarlijkse rapportering, kan de Vlaamse Regering de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, volledig of gedeeltelijk terugvorderen.
+8 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.25/8 nieuw
1Vanaf het begrotingsjaar 2026 tot en met begrotingsjaar 2030 kan jaarlijks een bijkomende werkingstoelage van maximaal 1.000.000 euro aan de Katholieke Universiteit Leuven worden toegekend voor de gerichte uitbouw op het grondgebied van de stad Kortrijk van de master in de Handelswetenschappen, met een uitgesproken focus op artificiële intelligentie, werkveldintegratie via een pilootconcept, toegankelijke leerpaden voor werkstudenten en de valorisatie en verspreiding naar andere hogeronderwijsinstellingen. De instelling dient daartoe jaarlijks een aanvraagdossier in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 oktober van het voorafgaande begrotingsjaar. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt het aanvraagdossier uiterlijk op 1 juli 2026 verwacht. Dit aanvraagdossier bevat een overzicht van de geraamde kosten van bijkomende personele en infrastructurele inzet voor curriculumontwikkeling, de uitbouw van de werkveldcomponent en de ondersteuning van hybride trajecten voor werkstudenten en bevat concrete doelstellingen en KPI's. Het dossier bevat eveneens een financiële raming voor de daaropvolgende begrotingsjaren tot en met 2030. Deze bijkomende werkingstoelage wordt alleen toegekend en uitbetaald na een inhoudelijke en financiële controle en de goedkeuring van het aanvraagdossier door de regeringscommissaris. De regeringscommissaris beoordeelt het getrouwheidsgehalte van het budget en bevestigt dat het voorgestelde budget uitgaven betreft die niet door andere subsidiestromen gedekt zijn.
2De Katholieke Universiteit Leuven rapporteert over de eigen genomen initiatieven en de effecten en de resultaten ervan. De Katholieke Universiteit Leuven dient daarvoor een beknopt rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. In dit rapport wordt minstens de evolutie in aantal studenten en personeelsleden voor de opleiding master in de Handelswetenschappen opgenomen, en ook een gedetailleerde verantwoording van de kosten voor het personeel, de infrastructuur, en andere kosten en de mogelijke reserveopbouw. Het rapport wordt ter controle voorgelegd aan de regeringscommissaris. De regeringscommissaris gaat na of de vermelde financiële gegevens in het verantwoordingsrapport correct zijn.
3De Katholieke Universiteit Leuven kan een gedeelte van de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de aanleg van een reserve. Maximaal 20% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage kan worden aangewend voor de aanleg van reserves. In afwijking hiervan kan in begrotingsjaar 2026 maximaal 50% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage aangewend worden voor de aanleg van reserves.
4De totaal gecumuleerde reserves, vermeld in het derde lid, kunnen maximaal 50% van de maximale totale bijkomende werkingstoelage voor de begrotingsjaren 2026 tot en met 2030 bedragen en moeten ten laatste in het begrotingsjaar 2030 worden besteed.
5De Vlaamse Regering kan de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, volledig of gedeeltelijk terugvorderen of niet of gedeeltelijk toekennen in een van de volgende gevallen:
61° als de masteropleiding, vermeld in het eerste lid, niet uiterlijk in het academiejaar 2027-2028 aangeboden wordt;
72° als de kosten niet voldoende aangetoond kunnen worden in de jaarlijkse rapportering;
83° als uit het rapport, vermeld in het tweede lid, blijkt dat de doelstellingen of KPI's niet of onvoldoende werden bereikt.
+10 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.25/9 nieuw
1§1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
21° student met andere thuistaal dan het Nederlands: een student die toen hij leerling was in het secundair onderwijs, volgens de meest recente gegevens beschikbaar in DISCIMUS, beantwoordde aan de gelijkekansindicator, vermeld in artikel 233, § 1, 5°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;
32° trajectstarter: een student die zich voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een specifieke opleiding van het hoger beroepsonderwijs of een initiële professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs, ongeacht de instelling waarin de student is ingeschreven. Een student is een trajectstarter bij:
4a) een eerste inschrijving in die specifieke opleiding;
5b) een nieuwe inschrijving in een andere opleiding dan een vorige opleiding.
6Ter versterking van het niveau Nederlands van trajectstarters en generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen, wordt in de begrotingsjaren 2026 en 2027 een bijkomende werkingstoelage aan de hogescholen en universiteiten van 2.500.000 euro toegekend, en wordt in de begrotingsjaren 2028 en 2029 een bijkomende werkingstoelage aan de hogescholen en universiteiten van 5.000.000 euro toegekend, hierna taalmiddelen te noemen.
7De taalmiddelen, vermeld in het tweede lid, worden verdeeld over de hogescholen en universiteiten op basis van de volgende formules:
81° voor elke instelling wordt het gewogen aantal trajectstarters en generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen in de referentieperiode t-3/2 bepaald door het aantal trajectstarters met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen van de instelling te vermeerderen met het aantal generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen van de instelling, vermenigvuldigd met factor 2;
92° de verdeling over de instellingen gebeurt pro rata hun gewogen aantal trajectstarters en generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen als vermeld in punt 1°, ten opzichte van de som van de gewogen aantallen trajectstarters en generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen van alle instellingen.
10§2. De hogescholen en universiteiten die taalmiddelen als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, ontvangen, rapporteren over de door hen genomen initiatieven en de effecten en de resultaten ervan. De instellingen dienen daarvoor een beknopt inhoudelijk rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. De instellingen nemen de verantwoording over de besteding van de taalmiddelen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, op in hun jaarrekening, vermeld in artikel IV.83.
+1 −0 decreet-2007-06-15/art. 196sexies
10Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.10Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
11Ten laste van het begrotingsjaar 2025 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmid-delen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende voltijdsequivalenten, 1494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie.11Ten laste van het begrotingsjaar 2025 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmid-delen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende voltijdsequivalenten, 1494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie.
12Ten laste van het begrotingsjaar 2026 worden 14.540,37 aanvullende leraarsuren, 212,66 aanvullende punten en een bedrag van 266.863,97 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 40 aanvullende vte's, 659,47 aanvullende punten en een bedrag van 489.666,91 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie.
12§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.13§ 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.
13§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.14§ 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.
+2 −0 decreet-2007-06-15/art. 196quinquiesdecies nieuw
1In afwijking van artikel 107, § 1, wordt het totale volume van leraarsuren en punten voor alle studiegebieden samen die verdeeld moeten worden, met uitzondering van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, voor het schooljaar 2026-2027 zonder toepassing van het groeipercentage, vermeld in artikel 107, § 1, eerste lid, 1° of 2°, respectievelijk op 2.136.593,03 leraarsuren en 37.602 punten vastgelegd.
2Met behoud van de toepassing van de afwijking voor het schooljaar 2026-2027, vermeld in het eerste lid, blijft het referentiepunt, vermeld in artikel 107, § 1, tijdens dat schooljaar de evolutie van de gewogen financieringspunten volgen en behoudt het zijn geldigheid voor de toepassing van het groeipercentage in het daaropvolgende schooljaar.
+113 −137 gecodificeerd-decreet-2018-06-15/art. Bijlage 6
1Bijlage 61Bijlage 6
2I. Laagfactor2Tabel I. Laagfactor
3Code3code
4Hydrogeologische hoofdeenheid4hydrogeologische hoofdeenheid
5laagfactor5laagfactor
60100
6A0100
7Quartaire aquifersystemen7Quartaire aquifersystemen
8181
90200
9A0200
10Kempens aquifersysteem10Kempens aquifersysteem
111111
120300
12A0300
13Boom aquitard13Boom aquitard
141141
150400
15A0400
16Oligoceen aquifersysteem16Oligoceen aquifersysteem
171171
180500
18A0500
19Bartoon aquitardsysteem19Bartoon aquitardsysteem
201201
210600
21A0600
22Ledo -Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem22Ledo Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
231231
240700
24A0700
25Paniseliaan aquitard25Paniseliaan aquitardsysteem
261261
270800
27A0800
28Ieperiaan aquifer28Ieperiaan aquifersysteem
291291
300900
30A0900
31Ieperiaan aquitardsysteem31Ieperiaan aquitardsysteem
321321
331000
33A1000
34Paleoceen aquifersysteem34Paleoceen aquifersysteem
351351
361100
36A1100
37Krijt aquifersysteem37Krijt aquifersysteem
381381
391200
39A1200
40Jura Trias Perm40Jura - Trias - Perm
411411
421300
42A1300
43Sokkel43Sokkel
441441
45II. Gebiedsfactor45Tabel II. Gebiedsfactor
46Code gebied46code gebied
47Hydrogeologische hoofdeenheid47hydrogeologische hoofdeenheid
48Zone48zone
49Gebiedsfactor heffingsjaar 2018
50Jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023
49Huidige gebiedsfactor
510100_niet-afgesloten50A0100_niet-afgesloten
520100
51A0100
53Quartaire aquifersystemen52Quartaire aquifersystemen
541,28531,43625
550,03125
560200_niet-afgesloten54A0200_niet-afgesloten
570200
55A0200
58Kempens aquifersysteem56Kempens aquifersysteem
591,28571,43625
600,03125
610400_niet-afgesloten58A0400_niet-afgesloten
620400
59A0400
63Nietafgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem60Niet-afgesloten delen van het Oligoceen aquifersysteem
641,28611,43625
650,03125
660400_ afgesloten62A0400_ afgesloten
670400
63A0400
68Afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied64Afgesloten delen van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied
691,81
700,0625
652,1225
710400_actiegebied66A0400_actiegebied
720400
67A0400
73Actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem68Actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem
743,72
750,21875
694,81375
760600_niet-afgesloten70A0600_niet-afgesloten
770600
71A0600
78Nietafgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem72Niet-afgesloten delen van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
791,28731,43625
800,03125
810600_ afgesloten74A0600_ afgesloten
820600
75A0600
83Afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem 76Afgesloten delen van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem buiten het actiegebied
841,81
850,0625
772,1225
860600_actiegebied78A0600_actiegebied
870600
79A0600
88Actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo -Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem80Actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
892,63
900,125
813,255
910800_niet-afgesloten82A0800_niet-afgesloten
920800
83A0800
93Nietafgesloten deel van de Ieperiaan aquifer84Niet-afgesloten delen van de Ieperiaan aquifersysteem
941,28851,43625
950,03125
960800_ afgesloten86A0800_ afgesloten
970800
87A0800
98Afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer88Afgesloten delen van de Ieperiaan aquifersysteem buiten het actiegebied
991,81
1000,0625
892,1225
1010800_actiegebied90A0800_actiegebied
1020800
91A0800
103Actiegebied in de Ieperiaan Aquifer92Actiegebied in het Ieperiaan Aquifersysteem
1042,63
1050,125
933,255
1061000_niet-afgesloten94A1000_niet-afgesloten
1071000
95A1000
108Nietafgesloten deel van het Paleoceen Aquifersysteem96Niet-afgesloten delen van het Paleoceen Aquifersysteem
1091,28971,43625
1100,03125
1111000_ afgesloten98A1000_ afgesloten
1121000
99A1000
113Afgesloten deel van het Paleoceen Aquifersysteem 100Afgesloten delen van het Paleoceen Aquifersysteem buiten de actiegebieden
1141,81
1150,0625
1161000_actiegebied_4
1171000
118Actiegebied 4 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1191,81
1200,0625
1211000_actiegebied_3
1221000
123Actiegebied 3 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1242,631012,1225
1250,125
1261000_actiegebied_2
1271000
128Actiegebied 2 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1295,38
1300,375
1311000_actiegebied_1102A1000_actiegebied_1
1321000
103A1000
133Actiegebied 1 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem104Actiegebied 1 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1345,38
1350,375
1057,255
106A1000_actiegebied_2
107A1000
108Actiegebied 2 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1097,255
110A1000_actiegebied_3
111A1000
112Actiegebied 3 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1133,255
114A1000_actiegebied_4
115A1000
116Actiegebied 4 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
1172,1225
1361100_niet-afgesloten118A1100_niet-afgesloten
1371100+1300
119A1100+A1300
138Nietafgesloten deel van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel120Niet-afgesloten delen van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel
1391,281211,43625
1400,03125
1411100_afgesloten122A1100_afgesloten
1421100+1300
123A1100+A1300
143Afgesloten deel van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel 124Afgesloten delen van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel buiten de actiegebieden
1441,81
1450,0625
1461300_actiegebied_4
1471100+1300
148Actiegebied 4 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1491,81
1500,0625
1511300_actiegebied_3
1521100+1300
1252,1225
126A1300_actiegebied_1
127A1100+A1300
153Actiegebied 3 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem128Actiegebied 1 in het Krijt Aquifer-systeem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1542,63
1550,125
1297,255
1561300_actiegebied_2130A1300_actiegebied_2
1571100+1300
131A1100+A1300
158Actiegebied 2 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem132Actiegebied 2 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1595,38
1600,375
1611300_actiegebied_1
1621100+1300
1337,255
134A1300_actiegebied_3
135A1100+A1300
163Actiegebied 1 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem136Actiegebied 3 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1645,38
1650,375
1373,255
138A1300_actiegebied_4
139A1100+A1300
140Actiegebied 4 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
1412,1225
166De gebiedsfactor is in de overige zones gelijk aan de gebiedsfactor van het gebied met code 0100_niet-afgesloten.142De gebiedsfactor is in de overige zones gelijk aan de gebiedsfactor van het gebied met code A0100_niet afgesloten.
167De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast.143De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd