Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2026
9 artikels gewijzigd
| 3 | § 3. Het fonds wordt gespijsd door de volgende ontvangsten : | 3 | § 3. Het fonds wordt gespijsd door de volgende ontvangsten : |
| 4 | 1° de bijdragen van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen zoals opgenomen in artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, in de mate dat deze jaarlijkse ontvangsten het bedrag van 5.539.000 euro overschrijden; | 4 | 1° de bijdragen van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen zoals opgenomen in artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, in de mate dat deze jaarlijkse ontvangsten het bedrag van 5.539.000 euro overschrijden; |
| 5 | 2° de jaarlijkse ontvangsten vanaf 1 januari 2018 uit de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen en de strafrechtelijke boeten die verband houden met de inbreuken op de reglementering inzake verkeersveiligheid, die krachtens artikel 6, § 1, XII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoort, enerzijds tot en met het bedrag van 17.051.300 euro en anderzijds alle jaarlijkse ontvangsten in de mate dat die het bedrag van 161.243.000 overschrijden; | 5 | 2° de jaarlijkse ontvangsten vanaf 1 januari 2018 uit de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen en de strafrechtelijke boeten die verband houden met de inbreuken op de reglementering inzake verkeersveiligheid, die krachtens artikel 6, § 1, XII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoort, enerzijds tot en met het bedrag van 17.044.600 euro en anderzijds alle jaarlijkse ontvangsten in de mate dat die het bedrag van 161.243.000 overschrijden; |
| 6 | 3° de bijdrage en overschotten bedoeld in artikel 8 en 9 van het decreet van 8 juli 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2016 | 6 | 3° de bijdrage en overschotten bedoeld in artikel 8 en 9 van het decreet van 8 juli 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2016 |
| 7 | 4° de middelen voortvloeiend uit de activa van het Fonds voor Voorziening en van Openbaar Nut voor de Inspectie van Automobielen, afgekort FIA, vereniging zonder winstoogmerk, opgericht op 7 juli 1970. | 7 | 4° de middelen voortvloeiend uit de activa van het Fonds voor Voorziening en van Openbaar Nut voor de Inspectie van Automobielen, afgekort FIA, vereniging zonder winstoogmerk, opgericht op 7 juli 1970; |
| 8 | 5° de vergoedingen van de erkende herstellers, vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 maart 2024 over herkeuringen van voertuigen door erkende keurders bij erkende herstellers in het kader van een proefproject. | ||
| 8 | § 4. Het fonds wordt aangewend ter financiering van uitgaven voor werking, subsidies en investeringen ten bate van verkeersveiligheid met inbegrip van de regeling van de regularisatie van de exploitatievoorwaarden van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen teneinde de organisatie van deze controle over het hele grondgebied te verzekeren. | 9 | § 4. Het fonds wordt aangewend ter financiering van uitgaven voor werking, subsidies en investeringen ten bate van verkeersveiligheid met inbegrip van de regeling van de regularisatie van de exploitatievoorwaarden van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen teneinde de organisatie van deze controle over het hele grondgebied te verzekeren. |
| 9 | § 5. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het fonds. | 10 | § 5. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het fonds. |
| 109 | Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 20 miljoen euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen. | 109 | Vanaf het begrotingsjaar 2024 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 20 miljoen euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen. |
| 110 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2024 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. | 110 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2024 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. |
| 111 | §15. In het begrotingsjaar 2026 worden de totale werkingsmiddelen van de hogescholen eenmalig vermeerderd met 11.500.000 euro. Dat bedrag wordt verdeeld op basis van het aandeel van elke hogeschool in het totale aantal financieringspunten dat wordt gegenereerd door de graduaatsopleidingen in de academiejaren 2021-2022 tot en met 2023-2024. | ||
| 1 | Vanaf het begrotingsjaar 2026 tot en met begrotingsjaar 2030 kan jaarlijks een bijkomende werkingstoelage van maximaal 4.000.000 euro aan de Vrije Universiteit Brussel worden toegekend voor de financiering van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde. De instelling dient daartoe jaarlijks een aanvraagdossier in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 oktober van het voorafgaande begrotingsjaar. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt het aanvraagdossier uiterlijk op 1 juli 2026 verwacht. Dit aanvraagdossier bevat een overzicht van de geraamde kosten van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde in het begrotingsjaar in kwestie en de daaropvolgende begrotingsjaren tot en met 2030. Deze bijkomende werkingstoelage wordt alleen toegekend en uitbetaald na controle en goedkeuring van het aanvraagdossier door de regeringscommissaris. De regeringscommissaris beoordeelt het getrouwheidsgehalte van het budget en bevestigt dat het voorgestelde budget uitgaven betreft die niet door andere subsidiestromen gedekt zijn. | ||
| 2 | De Vrije Universiteit Brussel rapporteert over de eigen genomen initiatieven en de effecten en de resultaten ervan. De Vrije Universiteit Brussel dient daarvoor een beknopt rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. In dit rapport wordt de evolutie in aantal studenten en personeelsleden voor de opleidingen bachelor en master in de Tandheelkunde opgenomen, en ook een gedetailleerde verantwoording van de kosten voor het personeel, de infrastructuur, andere kosten en de mogelijke reserveopbouw. Het rapport wordt ter controle voorgelegd aan de regeringscommissaris. De regeringscommissaris gaat na of de vermelde financiële gegevens in het verantwoordingsrapport correct zijn. | ||
| 3 | De Vrije Universiteit Brussel kan een gedeelte van de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de aanleg van een reserve. Maximaal 20% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage kan worden aangewend voor de aanleg van reserves. In afwijking hiervan kan in begrotingsjaar 2026 maximaal 50% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage aangewend worden voor de aanleg van reserves. | ||
| 4 | De totaal gecumuleerde reserves, vermeld in het derde lid, kunnen maximaal 50% van de maximale totale bijkomende werkingstoelage voor de begrotingsjaren 2026 tot en met 2030 bedragen en moeten ten laatste in het begrotingsjaar 2030 worden besteed. | ||
| 5 | De Vlaamse Regering kan de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk terugvorderen in een van de volgende gevallen: | ||
| 6 | 1° als de bacheloropleiding, vermeld in het eerste lid, niet uiterlijk in het academiejaar 2027-2028 aangeboden wordt; | ||
| 7 | 2° als de Vrije Universiteit Brussel niet uiterlijk voor 1 maart 2029 bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag indient waarin de doelmatigheid van de opleiding master in de Tandheelkunde overeenkomstig artikel II.153 wordt beoordeeld; | ||
| 8 | 3° als de kosten niet voldoende aangetoond kunnen worden in de jaarlijkse rapportering. |
| 1 | Vanaf het begrotingsjaar 2026 tot en met begrotingsjaar 2030 kan jaarlijks een bijkomende werkingstoelage van maximaal 2.000.000 euro worden toegekend aan de Universiteit Hasselt voor de financiering van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleiding master in de Geneeskunde. De instelling dient daartoe jaarlijks een aanvraagdossier in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 oktober van het voorafgaande begrotingsjaar. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt het aanvraagdossier uiterlijk op 1 juli 2026 verwacht. Dit aanvraagdossier bevat een overzicht van de geraamde kosten van de voorbereiding, opstart en ondersteuning van de opleiding master in de Geneeskunde in het begrotingsjaar in kwestie en de daaropvolgende begrotingsjaren tot en met 2030. Deze bijkomende werkingstoelage wordt alleen toegekend en uitbetaald na controle en goedkeuring van het aanvraagdossier door de regeringscommissaris. De regeringscommissaris beoordeelt het getrouwheidsgehalte van het budget en bevestigt dat het voorgestelde budget uitgaven betreft die niet door andere subsidiestromen gedekt zijn. | ||
| 2 | De Universiteit Hasselt rapporteert over de eigen genomen initiatieven en de effecten en de resultaten ervan. De Universiteit Hasselt dient daarvoor een beknopt rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. In dit rapport wordt de evolutie in aantal studenten en personeelsleden voor de opleiding master in de Geneeskunde opgenomen, en ook een gedetailleerde verantwoording van de kosten voor het personeel, de infrastructuur en andere kosten, en de mogelijke reserveopbouw. Het rapport wordt ter controle voorgelegd aan de regeringscommissaris. De regeringscommissaris gaat na of de vermelde financiële gegevens in het verantwoordingsrapport correct zijn. | ||
| 3 | De Universiteit Hasselt kan een gedeelte van de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de aanleg van een reserve. Maximaal 20% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage kan worden aangewend voor de aanleg van reserves. In afwijking hiervan kan in begrotingsjaar 2026 maximaal 50% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage aangewend worden voor de aanleg van reserves. | ||
| 4 | De totaal gecumuleerde reserves, vermeld in het derde lid, kunnen maximaal 50% van de maximale totale bijkomende werkingstoelage voor de begrotingsjaren 2026 tot en met 2030 bedragen en moeten ten laatste in het begrotingsjaar 2030 worden besteed. | ||
| 5 | Als de Universiteit Hasselt voor de opleiding, vermeld in het eerste lid, niet uiterlijk voor 1 maart 2027 een aanvraag waarin de macrodoelmatigheid conform artikel II.153 wordt beoordeeld, heeft ingediend bij de Commissie Hoger Onderwijs, of als de kosten niet voldoende aangetoond kunnen worden in de jaarlijkse rapportering, kan de Vlaamse Regering de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, volledig of gedeeltelijk terugvorderen. |
| 1 | Vanaf het begrotingsjaar 2026 tot en met begrotingsjaar 2030 kan jaarlijks een bijkomende werkingstoelage van maximaal 1.000.000 euro aan de Katholieke Universiteit Leuven worden toegekend voor de gerichte uitbouw op het grondgebied van de stad Kortrijk van de master in de Handelswetenschappen, met een uitgesproken focus op artificiële intelligentie, werkveldintegratie via een pilootconcept, toegankelijke leerpaden voor werkstudenten en de valorisatie en verspreiding naar andere hogeronderwijsinstellingen. De instelling dient daartoe jaarlijks een aanvraagdossier in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 oktober van het voorafgaande begrotingsjaar. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt het aanvraagdossier uiterlijk op 1 juli 2026 verwacht. Dit aanvraagdossier bevat een overzicht van de geraamde kosten van bijkomende personele en infrastructurele inzet voor curriculumontwikkeling, de uitbouw van de werkveldcomponent en de ondersteuning van hybride trajecten voor werkstudenten en bevat concrete doelstellingen en KPI's. Het dossier bevat eveneens een financiële raming voor de daaropvolgende begrotingsjaren tot en met 2030. Deze bijkomende werkingstoelage wordt alleen toegekend en uitbetaald na een inhoudelijke en financiële controle en de goedkeuring van het aanvraagdossier door de regeringscommissaris. De regeringscommissaris beoordeelt het getrouwheidsgehalte van het budget en bevestigt dat het voorgestelde budget uitgaven betreft die niet door andere subsidiestromen gedekt zijn. | ||
| 2 | De Katholieke Universiteit Leuven rapporteert over de eigen genomen initiatieven en de effecten en de resultaten ervan. De Katholieke Universiteit Leuven dient daarvoor een beknopt rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. In dit rapport wordt minstens de evolutie in aantal studenten en personeelsleden voor de opleiding master in de Handelswetenschappen opgenomen, en ook een gedetailleerde verantwoording van de kosten voor het personeel, de infrastructuur, en andere kosten en de mogelijke reserveopbouw. Het rapport wordt ter controle voorgelegd aan de regeringscommissaris. De regeringscommissaris gaat na of de vermelde financiële gegevens in het verantwoordingsrapport correct zijn. | ||
| 3 | De Katholieke Universiteit Leuven kan een gedeelte van de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de aanleg van een reserve. Maximaal 20% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage kan worden aangewend voor de aanleg van reserves. In afwijking hiervan kan in begrotingsjaar 2026 maximaal 50% van de op jaarbasis toegewezen bijkomende werkingstoelage aangewend worden voor de aanleg van reserves. | ||
| 4 | De totaal gecumuleerde reserves, vermeld in het derde lid, kunnen maximaal 50% van de maximale totale bijkomende werkingstoelage voor de begrotingsjaren 2026 tot en met 2030 bedragen en moeten ten laatste in het begrotingsjaar 2030 worden besteed. | ||
| 5 | De Vlaamse Regering kan de bijkomende werkingstoelage, vermeld in het eerste lid, volledig of gedeeltelijk terugvorderen of niet of gedeeltelijk toekennen in een van de volgende gevallen: | ||
| 6 | 1° als de masteropleiding, vermeld in het eerste lid, niet uiterlijk in het academiejaar 2027-2028 aangeboden wordt; | ||
| 7 | 2° als de kosten niet voldoende aangetoond kunnen worden in de jaarlijkse rapportering; | ||
| 8 | 3° als uit het rapport, vermeld in het tweede lid, blijkt dat de doelstellingen of KPI's niet of onvoldoende werden bereikt. |
| 1 | §1. In deze paragraaf wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° student met andere thuistaal dan het Nederlands: een student die toen hij leerling was in het secundair onderwijs, volgens de meest recente gegevens beschikbaar in DISCIMUS, beantwoordde aan de gelijkekansindicator, vermeld in artikel 233, § 1, 5°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010; | ||
| 3 | 2° trajectstarter: een student die zich voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een specifieke opleiding van het hoger beroepsonderwijs of een initiële professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs, ongeacht de instelling waarin de student is ingeschreven. Een student is een trajectstarter bij: | ||
| 4 | a) een eerste inschrijving in die specifieke opleiding; | ||
| 5 | b) een nieuwe inschrijving in een andere opleiding dan een vorige opleiding. | ||
| 6 | Ter versterking van het niveau Nederlands van trajectstarters en generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen, wordt in de begrotingsjaren 2026 en 2027 een bijkomende werkingstoelage aan de hogescholen en universiteiten van 2.500.000 euro toegekend, en wordt in de begrotingsjaren 2028 en 2029 een bijkomende werkingstoelage aan de hogescholen en universiteiten van 5.000.000 euro toegekend, hierna taalmiddelen te noemen. | ||
| 7 | De taalmiddelen, vermeld in het tweede lid, worden verdeeld over de hogescholen en universiteiten op basis van de volgende formules: | ||
| 8 | 1° voor elke instelling wordt het gewogen aantal trajectstarters en generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen in de referentieperiode t-3/2 bepaald door het aantal trajectstarters met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen van de instelling te vermeerderen met het aantal generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen van de instelling, vermenigvuldigd met factor 2; | ||
| 9 | 2° de verdeling over de instellingen gebeurt pro rata hun gewogen aantal trajectstarters en generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen als vermeld in punt 1°, ten opzichte van de som van de gewogen aantallen trajectstarters en generatiestudenten met een andere thuistaal dan het Nederlands in Nederlandstalige opleidingen van alle instellingen. | ||
| 10 | §2. De hogescholen en universiteiten die taalmiddelen als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, ontvangen, rapporteren over de door hen genomen initiatieven en de effecten en de resultaten ervan. De instellingen dienen daarvoor een beknopt inhoudelijk rapport in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende begrotingsjaar. De instellingen nemen de verantwoording over de besteding van de taalmiddelen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, op in hun jaarrekening, vermeld in artikel IV.83. |
| 10 | Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 10 | Ten laste van het begrotingsjaar 2024 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 11 | Ten laste van het begrotingsjaar 2025 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmid-delen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende voltijdsequivalenten, 1494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie. | 11 | Ten laste van het begrotingsjaar 2025 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmid-delen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende voltijdsequivalenten, 1494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie. |
| 12 | Ten laste van het begrotingsjaar 2026 worden 14.540,37 aanvullende leraarsuren, 212,66 aanvullende punten en een bedrag van 266.863,97 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 40 aanvullende vte's, 659,47 aanvullende punten en een bedrag van 489.666,91 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie. | ||
| 12 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. | 13 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. |
| 13 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. | 14 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. |
| 1 | In afwijking van artikel 107, § 1, wordt het totale volume van leraarsuren en punten voor alle studiegebieden samen die verdeeld moeten worden, met uitzondering van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, voor het schooljaar 2026-2027 zonder toepassing van het groeipercentage, vermeld in artikel 107, § 1, eerste lid, 1° of 2°, respectievelijk op 2.136.593,03 leraarsuren en 37.602 punten vastgelegd. | ||
| 2 | Met behoud van de toepassing van de afwijking voor het schooljaar 2026-2027, vermeld in het eerste lid, blijft het referentiepunt, vermeld in artikel 107, § 1, tijdens dat schooljaar de evolutie van de gewogen financieringspunten volgen en behoudt het zijn geldigheid voor de toepassing van het groeipercentage in het daaropvolgende schooljaar. |
| 1 | Bijlage 6 | 1 | Bijlage 6 |
| 2 | I. Laagfactor | 2 | Tabel I. Laagfactor |
| 3 | Code | 3 | code |
| 4 | Hydrogeologische hoofdeenheid | 4 | hydrogeologische hoofdeenheid |
| 5 | laagfactor | 5 | laagfactor |
| 6 | 0100 | ||
| 6 | A0100 | ||
| 7 | Quartaire aquifersystemen | 7 | Quartaire aquifersystemen |
| 8 | 1 | 8 | 1 |
| 9 | 0200 | ||
| 9 | A0200 | ||
| 10 | Kempens aquifersysteem | 10 | Kempens aquifersysteem |
| 11 | 1 | 11 | 1 |
| 12 | 0300 | ||
| 12 | A0300 | ||
| 13 | Boom aquitard | 13 | Boom aquitard |
| 14 | 1 | 14 | 1 |
| 15 | 0400 | ||
| 15 | A0400 | ||
| 16 | Oligoceen aquifersysteem | 16 | Oligoceen aquifersysteem |
| 17 | 1 | 17 | 1 |
| 18 | 0500 | ||
| 18 | A0500 | ||
| 19 | Bartoon aquitardsysteem | 19 | Bartoon aquitardsysteem |
| 20 | 1 | 20 | 1 |
| 21 | 0600 | ||
| 21 | A0600 | ||
| 22 | Ledo -Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem | 22 | Ledo Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem |
| 23 | 1 | 23 | 1 |
| 24 | 0700 | ||
| 24 | A0700 | ||
| 25 | Paniseliaan aquitard | 25 | Paniseliaan aquitardsysteem |
| 26 | 1 | 26 | 1 |
| 27 | 0800 | ||
| 27 | A0800 | ||
| 28 | Ieperiaan aquifer | 28 | Ieperiaan aquifersysteem |
| 29 | 1 | 29 | 1 |
| 30 | 0900 | ||
| 30 | A0900 | ||
| 31 | Ieperiaan aquitardsysteem | 31 | Ieperiaan aquitardsysteem |
| 32 | 1 | 32 | 1 |
| 33 | 1000 | ||
| 33 | A1000 | ||
| 34 | Paleoceen aquifersysteem | 34 | Paleoceen aquifersysteem |
| 35 | 1 | 35 | 1 |
| 36 | 1100 | ||
| 36 | A1100 | ||
| 37 | Krijt aquifersysteem | 37 | Krijt aquifersysteem |
| 38 | 1 | 38 | 1 |
| 39 | 1200 | ||
| 39 | A1200 | ||
| 40 | Jura Trias Perm | 40 | Jura - Trias - Perm |
| 41 | 1 | 41 | 1 |
| 42 | 1300 | ||
| 42 | A1300 | ||
| 43 | Sokkel | 43 | Sokkel |
| 44 | 1 | 44 | 1 |
| 45 | II. Gebiedsfactor | 45 | Tabel II. Gebiedsfactor |
| 46 | Code gebied | 46 | code gebied |
| 47 | Hydrogeologische hoofdeenheid | 47 | hydrogeologische hoofdeenheid |
| 48 | Zone | 48 | zone |
| 49 | Gebiedsfactor heffingsjaar 2018 | ||
| 50 | Jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023 | ||
| 49 | Huidige gebiedsfactor | ||
| 51 | 0100_niet-afgesloten | 50 | A0100_niet-afgesloten |
| 52 | 0100 | ||
| 51 | A0100 | ||
| 53 | Quartaire aquifersystemen | 52 | Quartaire aquifersystemen |
| 54 | 1,28 | 53 | 1,43625 |
| 55 | 0,03125 | ||
| 56 | 0200_niet-afgesloten | 54 | A0200_niet-afgesloten |
| 57 | 0200 | ||
| 55 | A0200 | ||
| 58 | Kempens aquifersysteem | 56 | Kempens aquifersysteem |
| 59 | 1,28 | 57 | 1,43625 |
| 60 | 0,03125 | ||
| 61 | 0400_niet-afgesloten | 58 | A0400_niet-afgesloten |
| 62 | 0400 | ||
| 59 | A0400 | ||
| 63 | Nietafgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem | 60 | Niet-afgesloten delen van het Oligoceen aquifersysteem |
| 64 | 1,28 | 61 | 1,43625 |
| 65 | 0,03125 | ||
| 66 | 0400_ afgesloten | 62 | A0400_ afgesloten |
| 67 | 0400 | ||
| 63 | A0400 | ||
| 68 | Afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied | 64 | Afgesloten delen van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied |
| 69 | 1,81 | ||
| 70 | 0,0625 | ||
| 65 | 2,1225 | ||
| 71 | 0400_actiegebied | 66 | A0400_actiegebied |
| 72 | 0400 | ||
| 67 | A0400 | ||
| 73 | Actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem | 68 | Actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem |
| 74 | 3,72 | ||
| 75 | 0,21875 | ||
| 69 | 4,81375 | ||
| 76 | 0600_niet-afgesloten | 70 | A0600_niet-afgesloten |
| 77 | 0600 | ||
| 71 | A0600 | ||
| 78 | Nietafgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem | 72 | Niet-afgesloten delen van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem |
| 79 | 1,28 | 73 | 1,43625 |
| 80 | 0,03125 | ||
| 81 | 0600_ afgesloten | 74 | A0600_ afgesloten |
| 82 | 0600 | ||
| 75 | A0600 | ||
| 83 | Afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem | 76 | Afgesloten delen van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem buiten het actiegebied |
| 84 | 1,81 | ||
| 85 | 0,0625 | ||
| 77 | 2,1225 | ||
| 86 | 0600_actiegebied | 78 | A0600_actiegebied |
| 87 | 0600 | ||
| 79 | A0600 | ||
| 88 | Actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo -Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem | 80 | Actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem |
| 89 | 2,63 | ||
| 90 | 0,125 | ||
| 81 | 3,255 | ||
| 91 | 0800_niet-afgesloten | 82 | A0800_niet-afgesloten |
| 92 | 0800 | ||
| 83 | A0800 | ||
| 93 | Nietafgesloten deel van de Ieperiaan aquifer | 84 | Niet-afgesloten delen van de Ieperiaan aquifersysteem |
| 94 | 1,28 | 85 | 1,43625 |
| 95 | 0,03125 | ||
| 96 | 0800_ afgesloten | 86 | A0800_ afgesloten |
| 97 | 0800 | ||
| 87 | A0800 | ||
| 98 | Afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer | 88 | Afgesloten delen van de Ieperiaan aquifersysteem buiten het actiegebied |
| 99 | 1,81 | ||
| 100 | 0,0625 | ||
| 89 | 2,1225 | ||
| 101 | 0800_actiegebied | 90 | A0800_actiegebied |
| 102 | 0800 | ||
| 91 | A0800 | ||
| 103 | Actiegebied in de Ieperiaan Aquifer | 92 | Actiegebied in het Ieperiaan Aquifersysteem |
| 104 | 2,63 | ||
| 105 | 0,125 | ||
| 93 | 3,255 | ||
| 106 | 1000_niet-afgesloten | 94 | A1000_niet-afgesloten |
| 107 | 1000 | ||
| 95 | A1000 | ||
| 108 | Nietafgesloten deel van het Paleoceen Aquifersysteem | 96 | Niet-afgesloten delen van het Paleoceen Aquifersysteem |
| 109 | 1,28 | 97 | 1,43625 |
| 110 | 0,03125 | ||
| 111 | 1000_ afgesloten | 98 | A1000_ afgesloten |
| 112 | 1000 | ||
| 99 | A1000 | ||
| 113 | Afgesloten deel van het Paleoceen Aquifersysteem | 100 | Afgesloten delen van het Paleoceen Aquifersysteem buiten de actiegebieden |
| 114 | 1,81 | ||
| 115 | 0,0625 | ||
| 116 | 1000_actiegebied_4 | ||
| 117 | 1000 | ||
| 118 | Actiegebied 4 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | ||
| 119 | 1,81 | ||
| 120 | 0,0625 | ||
| 121 | 1000_actiegebied_3 | ||
| 122 | 1000 | ||
| 123 | Actiegebied 3 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | ||
| 124 | 2,63 | 101 | 2,1225 |
| 125 | 0,125 | ||
| 126 | 1000_actiegebied_2 | ||
| 127 | 1000 | ||
| 128 | Actiegebied 2 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | ||
| 129 | 5,38 | ||
| 130 | 0,375 | ||
| 131 | 1000_actiegebied_1 | 102 | A1000_actiegebied_1 |
| 132 | 1000 | ||
| 103 | A1000 | ||
| 133 | Actiegebied 1 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | 104 | Actiegebied 1 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem |
| 134 | 5,38 | ||
| 135 | 0,375 | ||
| 105 | 7,255 | ||
| 106 | A1000_actiegebied_2 | ||
| 107 | A1000 | ||
| 108 | Actiegebied 2 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | ||
| 109 | 7,255 | ||
| 110 | A1000_actiegebied_3 | ||
| 111 | A1000 | ||
| 112 | Actiegebied 3 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | ||
| 113 | 3,255 | ||
| 114 | A1000_actiegebied_4 | ||
| 115 | A1000 | ||
| 116 | Actiegebied 4 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem | ||
| 117 | 2,1225 | ||
| 136 | 1100_niet-afgesloten | 118 | A1100_niet-afgesloten |
| 137 | 1100+1300 | ||
| 119 | A1100+A1300 | ||
| 138 | Nietafgesloten deel van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel | 120 | Niet-afgesloten delen van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel |
| 139 | 1,28 | 121 | 1,43625 |
| 140 | 0,03125 | ||
| 141 | 1100_afgesloten | 122 | A1100_afgesloten |
| 142 | 1100+1300 | ||
| 123 | A1100+A1300 | ||
| 143 | Afgesloten deel van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel | 124 | Afgesloten delen van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel buiten de actiegebieden |
| 144 | 1,81 | ||
| 145 | 0,0625 | ||
| 146 | 1300_actiegebied_4 | ||
| 147 | 1100+1300 | ||
| 148 | Actiegebied 4 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem | ||
| 149 | 1,81 | ||
| 150 | 0,0625 | ||
| 151 | 1300_actiegebied_3 | ||
| 152 | 1100+1300 | ||
| 125 | 2,1225 | ||
| 126 | A1300_actiegebied_1 | ||
| 127 | A1100+A1300 | ||
| 153 | Actiegebied 3 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem | 128 | Actiegebied 1 in het Krijt Aquifer-systeem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem |
| 154 | 2,63 | ||
| 155 | 0,125 | ||
| 129 | 7,255 | ||
| 156 | 1300_actiegebied_2 | 130 | A1300_actiegebied_2 |
| 157 | 1100+1300 | ||
| 131 | A1100+A1300 | ||
| 158 | Actiegebied 2 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem | 132 | Actiegebied 2 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem |
| 159 | 5,38 | ||
| 160 | 0,375 | ||
| 161 | 1300_actiegebied_1 | ||
| 162 | 1100+1300 | ||
| 133 | 7,255 | ||
| 134 | A1300_actiegebied_3 | ||
| 135 | A1100+A1300 | ||
| 163 | Actiegebied 1 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem | 136 | Actiegebied 3 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem |
| 164 | 5,38 | ||
| 165 | 0,375 | ||
| 137 | 3,255 | ||
| 138 | A1300_actiegebied_4 | ||
| 139 | A1100+A1300 | ||
| 140 | Actiegebied 4 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem | ||
| 141 | 2,1225 | ||
| 166 | De gebiedsfactor is in de overige zones gelijk aan de gebiedsfactor van het gebied met code 0100_niet-afgesloten. | 142 | De gebiedsfactor is in de overige zones gelijk aan de gebiedsfactor van het gebied met code A0100_niet afgesloten. |
| 167 | De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast. | 143 | De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast. |