Decreet over leersteun
44 artikels gewijzigd
| 1 | Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : | 1 | Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : |
| 2 | 1° basisonderwijs : het gewoon en buitengewoon basisonderwijs; | 2 | 1° basisonderwijs : het gewoon en buitengewoon basisonderwijs; |
| 3 | 2° bestuur : het orgaan dat voor de onderwijsinstelling of het CLB de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden; | 3 | 2° bestuur : het orgaan dat voor de onderwijsinstelling , het CLB of het leersteuncentrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden; |
| 4 | 3° CLB : een centrum voor leerlingenbegeleiding als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; | 4 | 3° CLB : een centrum voor leerlingenbegeleiding als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; |
| 5 | 4° consortium : het consortium zoals vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenonderwijs; | 5 | 4° consortium : het consortium zoals vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenonderwijs; |
| 6 | 5° competenties : de kennis, vaardigheden en attitudes die het personeelslid nodig heeft om zijn taken naar behoren te kunnen uitoefenen; | 6 | 5° competenties : de kennis, vaardigheden en attitudes die het personeelslid nodig heeft om zijn taken naar behoren te kunnen uitoefenen; |
| 7 | 6° decretale en reglementaire bepalingen inzake minimumdoelen : de specifieke reglementering per onderwijsniveau inzake ontwikkelingsdoelen, eindtermen, basiscompetenties, leerplannen, handelingsplannen, minimumleerplannen en minimumlessenroosters; | 7 | 6° decretale en reglementaire bepalingen inzake minimumdoelen : de specifieke reglementering per onderwijsniveau inzake ontwikkelingsdoelen, eindtermen, basiscompetenties, leerplannen, individueel aangepaste curricula, minimumleerplannen en minimumlessenroosters; |
| 8 | 7° deeltijds kunstonderwijs : het deeltijds kunstonderwijs; | 8 | 7° deeltijds kunstonderwijs : het deeltijds kunstonderwijs; |
| 9 | 7°/1 doorlichting : elke vorm van kwaliteitstoezicht door de onderwijsinspectie die resulteert in een verslag en in een advies aan de Vlaamse Regering over de voorlopige erkenning of erkenning van de instelling of van afzonderlijke structuuronderdelen; | 9 | 7°/1 doorlichting : elke vorm van kwaliteitstoezicht door de onderwijsinspectie die resulteert in een verslag en in een advies aan de Vlaamse Regering over de voorlopige erkenning of erkenning van de instelling of van afzonderlijke structuuronderdelen; |
| 10 | 8° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen ; | 10 | 8° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen of de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een CLB of een leersteuncentrum moet voldoen; |
| 11 | 9° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen; | 11 | 9° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen; |
| 12 | 10° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; | 12 | 10° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; |
| 13 | 11° instelling : onderwijsinstelling of CLB ; | 13 | 11° instelling : onderwijsinstelling, onderwijsinternaat, CLB of leersteuncentrum; |
| 14 | 11°/1 leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 5, 10°, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun; | ||
| 14 | 12° nascholing : het geheel van vormingsactiviteiten die tot doel hebben de kennis, vaardigheden en attitudes die personeelsleden tijdens hun opleiding of tijdens hun werkervaring hebben verworven, te verbreden en te verdiepen met het oog op hun verdere professionalisering; | 15 | 12° nascholing : het geheel van vormingsactiviteiten die tot doel hebben de kennis, vaardigheden en attitudes die personeelsleden tijdens hun opleiding of tijdens hun werkervaring hebben verworven, te verbreden en te verdiepen met het oog op hun verdere professionalisering; |
| 15 | 13° onderwijsinstelling : een pedagogisch geheel waar onderwijs georganiseerd wordt en waaraan een uniek instellingsnummer toegekend is; | 16 | 13° onderwijsinstelling : een pedagogisch geheel waar onderwijs georganiseerd wordt en waaraan een uniek instellingsnummer toegekend is; |
| 17 | 13°/1 onderwijsinternaat: een onderwijsinternaat dat erkend is overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten; | ||
| 16 | 14° onderwijskoepels : een van volgende representatieve groeperingen van inrichtende machten van gesubsidieerde instellingen : | 18 | 14° onderwijskoepels : een van volgende representatieve groeperingen van inrichtende machten van gesubsidieerde instellingen : |
| 17 | a) Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten; | 19 | a) Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten; |
| 25 | a) artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst en het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; | 27 | a) artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst en het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; |
| 26 | b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; | 28 | b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; |
| 27 | 16° pedagogische begeleiding: de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen en CLB's in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs en kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie; | 29 | 16° pedagogische begeleiding: de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen, CLB’s en leersteuncentra in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs, kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding en kwaliteitsvolle leersteun ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie; |
| 28 | 16°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingen uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling; | 30 | 16°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingen uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling; |
| 29 | 16°/2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB; | 31 | 16°/2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB; |
| 32 | 16°/3 referentiekader kwaliteitsvolle leersteun: het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leersteun door de leersteuncentra uitzet; het kader is opgebouwd rond de drie rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het leersteuncentrum; | ||
| 33 | 16°/4 referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit: het kader dat de ver- wachtingen voor kwaliteitsvol verblijf en kwaliteitsvolle begeleiding uitzet. Het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, beleid en kwaliteitsontwikkeling en het houdt rekening met context en input van het onderwijsinternaat; | ||
| 30 | 17° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en die een werking ontplooit ten behoeve van de inspectie; | 34 | 17° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en die een werking ontplooit ten behoeve van de inspectie; |
| 31 | 18° scholengemeenschap : de scholengemeenschap zoals bedoeld in artikel 3, 39°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs en de scholengemeenschap basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 52bis, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs; | 35 | 18° scholengemeenschap : de scholengemeenschap zoals bedoeld in artikel 3, 39°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs en de scholengemeenschap basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 52bis, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs; |
| 32 | 19° secundair onderwijs : het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs; | 36 | 19° secundair onderwijs : het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs; |
| 33 | 20° structuuronderdeel : onderverdeling in het onderwijsaanbod die afzonderlijk erkend kan worden; | 37 | 20° structuuronderdeel : onderverdeling in het onderwijsaanbod die afzonderlijk erkend kan worden; |
| 34 | 20°/1 toezichtkader : kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om haar doorlichtingsinstrumenten te ontwikkelen, gebaseerd op de referentiekaders zoals bedoeld in punt 16°/1 en 16°/2. Het toezichtkader heeft betrekking op de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling, en beleid en houdt rekening met context en input van de instelling; | 38 | 20°/1 toezichtkader : kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om haar doorlichtingsinstrumenten te ontwikkelen, gebaseerd op de referentiekaders zoals bedoeld in punt 16°/1, 16°/2, 16°/3 en 16°/4. Het toezichtkader heeft betrekking op de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling, en beleid en houdt rekening met context en input van de instelling; |
| 35 | 21° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende centra voor volwassenenonderwijs en de erkende centra voor basiseducatie, vermeld in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. | 39 | 21° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende centra voor volwassenenonderwijs en de erkende centra voor basiseducatie, vermeld in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. |
| 36 | 22° leeftijdsgrens : na het einde van het jaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 heeft bereikt. | 40 | 22° leeftijdsgrens : na het einde van het jaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 heeft bereikt. |
| 1 | Dit deel is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen van het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleidingen op de pedagogische begeleidingsdiensten. | 1 | Dit deel is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen van het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leersteuncentra, op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinternaten en op de pedagogische begeleidingsdiensten. |
| 1 | § 1. Elke onderwijsinstelling is, rekening houdend met haar pedagogisch of agogisch project, ervoor verantwoordelijk kwaliteitsonderwijs te verstrekken en het geboden onderwijs kwaliteitsvol te ondersteunen. | 1 | § 1. Elke onderwijsinstelling is, rekening houdend met haar pedagogisch of agogisch project, ervoor verantwoordelijk kwaliteitsonderwijs te verstrekken en het geboden onderwijs kwaliteitsvol te ondersteunen. |
| 2 | Elk CLB is, rekening houdend met de eigen missie en het eigen begeleidingsproject, ervoor verantwoordelijk een kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding te verstrekken en de schoolinterne leerlingenbegeleiding te ondersteunen en te helpen optimaliseren. | 2 | Elk CLB is, rekening houdend met de eigen missie en het eigen begeleidingsproject, ervoor verantwoordelijk een kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding te verstrekken en de schoolinterne leerlingenbegeleiding te ondersteunen en te helpen optimaliseren. |
| 3 | Elk leersteuncentrum is, rekening houdend met de eigen visie en het eigen beleid, ervoor verantwoordelijk kwaliteitsvolle leersteun te verstrekken aan de scholen voor gewoon onderwijs. | ||
| 4 | Elk onderwijsinternaat zorgt, rekening houdend met de eigen missie en visie, voor kwaliteitsvol verblijf voor en begeleiding van internen, gericht op hun ontwikkeling en de realisatie van hun schoolloopbaan. | ||
| 3 | § 2. Het verstrekken van kwaliteitsonderwijs, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, houdt minimaal in dat de onderwijsinstelling : | 5 | § 2. Het verstrekken van kwaliteitsonderwijs, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, houdt minimaal in dat de onderwijsinstelling : |
| 4 | 1° de onderwijsreglementering respecteert; | 6 | 1° de onderwijsreglementering respecteert; |
| 7 | 1° de CLB-reglementering respecteert; | 9 | 1° de CLB-reglementering respecteert; |
| 8 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering, tegemoetkomt. | 10 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering, tegemoetkomt. |
| 11 | Het verstrekken van kwaliteitsvolle leersteun, vermeld in paragraaf 1, derde lid, houdt minimaal in dat het leersteuncentrum: | ||
| 12 | 1° de reglementering die van toepassing is op de leersteuncentra, respecteert; | ||
| 13 | 2° tegemoetkomt aan de kwaliteitsverwachtingen die opgenomen zijn in het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun, dat is vastgelegd door de Vlaamse Regering. | ||
| 14 | Het verstrekken van een kwaliteitsvolle onderwijsinternaatswerking als vermeld in paragraaf 1, vierde lid, houdt minimaal in dat het onderwijsinternaat: | ||
| 15 | 1° de onderwijsinternaatsreglementering respecteert; | ||
| 16 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen tegemoetkomt die opgenomen zijn in het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering. | ||
| 3 | Het professionaliseringsplan wordt goedgekeurd door ofwel het lokaal comité ofwel, bij ontstentenis hiervan, door de algemene personeelsvergadering. | 3 | Het professionaliseringsplan wordt goedgekeurd door ofwel het lokaal comité ofwel, bij ontstentenis hiervan, door de algemene personeelsvergadering. |
| 4 | Onder lokaal comité wordt verstaan : het voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokale overlegorgaan of onderhandelingsorgaan. | 4 | Onder lokaal comité wordt verstaan : het voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokale overlegorgaan of onderhandelingsorgaan. |
| 5 | Als aan personeelsleden professionalisering wordt opgelegd, komen de kosten ten laste van het schoolbestuur. | 5 | Als aan personeelsleden professionalisering wordt opgelegd, komen de kosten ten laste van het bestuur. |
| 1 | §1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren. | 1 | §1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren. |
| 2 | §2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld: | 2 | §2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waar- voor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld: |
| 3 | 1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024; | 3 | 1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024; |
| 4 | 2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024; | 4 | 2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024; |
| 5 | 3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 354.000 euro; | 5 | 3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 354.000 euro; |
| 6 | 4° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro; | 6 | 4° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro; |
| 7 | 5° voor de CLB's: 178.000 euro; | 7 | 5° voor de CLB’s: 178.000 euro; |
| 8 | 6° voor de basiseducatie: 77.500 euro; | 8 | 6° voor de basiseducatie: 77.500 euro; |
| 9 | 7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro. | 9 | 7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro. |
| 10 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.. | 10 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden die bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 11 | §3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn. | 11 | §3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn. |
| 12 | §4. In afwijking van paragraaf 3 worden voor de telling op 1 februari 2023 de ondersteuners die zijn aangesteld in scholen voor buitengewoon onderwijs, niet meegeteld, en wordt voor de leersteuncentra in het jaar 2024 het aandeel in de middelen, bepaald in paragraaf 2, 7°, waarop elk leersteuncentrum recht heeft, pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in het leersteuncentrum op 1 oktober 2023. |
| 1 | § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten begeleiden de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie en hun personeelsleden in het verstrekken van kwaliteitsonderwijs en kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding , zoals bepaald in artikel 4, §2. | 1 | § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten begeleiden de onderwijsinstellingen, de CLB’s en de leersteuncentra in kwestie en hun personeelsleden in het verstrekken van kwaliteitsonderwijs, kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding en kwaliteitsvolle leersteun, zoals bepaald in artikel 4, §2. |
| 2 | Dit houdt in dat de pedagogische begeleidingsdiensten de volgende doelstellingen realiseren met de begeleiding die ze opzetten, waarbij ze vertrekken vanuit het pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project van de onderwijsinstelling in kwestie of van de eigen missie en het eigen begeleidingsproject van het CLB in kwestie en ze steeds rekening houden met de noden en de vragen van de onder- wijsinstelling of het CLB in kwestie: | 2 | Dit houdt in dat de pedagogische begeleidingsdiensten de volgende doel stellingen realiseren met de begeleiding die ze opzetten, waarbij ze vertrek- ken vanuit het pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project van de onderwijsinstelling in kwestie, van de eigen missie en het eigen begeleidings project van het CLB in kwestie of van de eigen visie en het beleid van de leersteuncentra in kwestie en ze steeds rekening houden met de noden en de vragen van de onderwijsinstelling, het CLB of het leersteuncentrum in kwestie: |
| 3 | 1° het versterken van de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden van onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, in rechtstreeks contact, met aandacht voor het versterken van hun pedagogische en didactische handelen en met het oog op de ontwikkeling van alle lerenden; | 3 | 1° het versterken van de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden van onderwijsinstellingen, de CLB’s en de leersteuncentra in kwestie, in recht streeks contact, met aandacht voor het versterken van hun pedagogi sche en didactische handelen en met het oog op de ontwikkeling van alle |
| 4 | lerenden; | ||
| 4 | 2° het versterken van de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie als professionele lerende organisatie. De pedagogische begeleidingsdiensten geven hierbij voorrang aan de onderwijsinstellingen of CLB's waar zich de grootste noden op deze vlakken situeren. Om deze onderwijsinstellingen of CLB's te identificeren kunnen de pedagogische begeleidingsdiensten gebruikmaken van verschillende bronnen zoals de gegevens van de pedagogische begeleidingsdienst zelf, de gegevens van de onderwijsinstelling of het CLB in kwestie, de gegevens uit doorlichtingstrajecten uitgevoerd door de onderwijsinspectie van de onderwijsinstelling of het CLB in kwestie, de gegevens die aan de basis liggen van het profiel van de onderwijsinstelling of het CLB zoals bepaald in artikel 38, §4, of andere resultaten of gegevens die wijzen op een lage kwaliteit van onderwijs of leerlingenbegeleiding ; | 5 | 2° het versterken van de onderwijsinstellingen, CLB’s en leersteuncentra in kwestie als professionele lerende organisatie. De pedagogische begeleidingsdiensten geven hierbij voorrang aan de onderwijsinstellingen, CLB’s of leersteuncentra waar zich de grootste noden op deze vlakken situeren. Om deze onderwijsinstellingen, CLB’s of leersteuncentra te identificeren kunnen de pedagogische begeleidingsdiensten gebruikmaken van verschil- lende bronnen zoals de gegevens van de pedagogische begeleidingsdienst zelf, de gegevens van de onderwijsinstelling, het CLB of het leersteuncentrum in kwestie, de gegevens uit doorlichtingstrajecten uitgevoerd door de onderwijsinspectie van de onderwijsinstelling, het CLB of het leersteuncentrum in kwestie, de gegevens die aan de basis liggen van het profiel van de onderwijsinstelling, het CLB of het leersteuncentrum, vermeld in artikel 38, §4, of andere resultaten of gegevens die wijzen op een lage kwaliteit van onderwijs, leerlingenbegeleiding of leersteun; |
| 5 | 3° het ondersteunen van de onderwijsinstellingen in kwestie bij de realisatie van hun eigen pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project en het ondersteunen van de CLB's in kwestie bij de realisatie van hun eigen missie en hun eigen begeleidingsproject ; | 6 | 3° het ondersteunen van de onderwijsinstellingen in kwestie bij de realisatie van hun eigen pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project, het ondersteunen van de CLB’s in kwestie bij de realisatie van hun eigen missie en hun eigen begeleidingsproject en het ondersteunen van de leersteuncentra bij de realisatie van hun eigen visie en beleid; |
| 6 | 4° het begeleiden van de implementatie van bepaalde beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering bij de onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, zoals bepaald in artikel 19/2. | 7 | 4° het begeleiden van de implementatie van bepaalde beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering bij de onderwijsinstellingen, de CLB’s en de leersteuncentra in kwestie, zoals bepaald in artikel 19/2. |
| 7 | De nadruk van de begeleiding van de pedagogische begeleidingsdiensten ligt steeds op de ontwikkeling van onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie. Hiervoor is een duurzame relatie met de betrokken instellingen noodzakelijk. | 8 | De nadruk van de begeleiding van de pedagogische begeleidingsdiensten ligt steeds op de ontwikkeling van onderwijsinstellingen, CLB’s en leersteuncentra in kwestie. Hiervoor is een duurzame relatie met de betrokken instellingen noodzakelijk. |
| 8 | § 2. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt vijfjaarlijks een begeleidingsplan op voor de volgende vijf schooljaren. Zij dient dit uiterlijk in bij de bevoegde dienst op 1 april voorafgaand aan de start van het eerste schooljaar van de periode van in totaal vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft. In afwijking hiervan dient iedere pedagogische begeleidingsdienst uiterlijk op 30 september 2022 een begeleidingsplan in bij de bevoegde dienst voor een periode van drie schooljaren die betrekking heeft op de schooljaren 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025. | 9 | § 2. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt vijfjaarlijks een begeleidingsplan op voor de volgende vijf schooljaren. Zij dient dit uiterlijk in bij de bevoegde dienst op 1 april voorafgaand aan de start van het eerste schooljaar van de periode van in totaal vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft. In afwijking hiervan dient iedere pedagogische begeleidingsdienst uiterlijk op 30 september 2022 een begeleidingsplan in bij de bevoegde dienst voor een periode van drie schooljaren die betrekking heeft op de schooljaren 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025. |
| 9 | De Vlaamse Regering keurt de begeleidingsplannen goed op basis van de volgende criteria: | 10 | De Vlaamse Regering keurt de begeleidingsplannen goed op basis van de volgende criteria: |
| 22 | e) de wijze waarop de wetenschappelijke onderbouwing van de begeleiding vorm krijgt; | 23 | e) de wijze waarop de wetenschappelijke onderbouwing van de begeleiding vorm krijgt; |
| 23 | f) de wijze waarop wordt omgegaan met onverwachte of nieuwe vragen en uitdagingen. | 24 | f) de wijze waarop wordt omgegaan met onverwachte of nieuwe vragen en uitdagingen. |
| 24 | De Vlaamse Regering bepaalt een sjabloon waarin de begeleidingsplannen worden opgesteld en de verdere procedure voor de goedkeuring van de begeleidingsplannen. De pedagogische begeleidingsdiensten delen de goedgekeurde begeleidingsplannen mee aan de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie. | 25 | De Vlaamse Regering bepaalt een sjabloon waarin de begeleidingsplannen worden opgesteld en de verdere procedure voor de goedkeuring van de begeleidingsplannen. De pedagogische begeleidingsdiensten delen de goedgekeurde begeleidingsplannen mee aan de onderwijsinstellingen , CLB’s en leersteuncentra in kwestie. |
| 25 | Jaarlijks rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar. Na de periode van vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft, rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten in hun jaarlijkse rapport over de activiteiten van de ganse periode van vijf schooljaren. De stukken ter verantwoording van de ingezette middelen worden op de zetel van de pedagogische begeleidingsdiensten bewaard, waar ze voor controle ter beschikking zijn van de bevoegde diensten. | 26 | Jaarlijks rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar. Na de periode van vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft, rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten in hun jaarlijkse rapport over de activiteiten van de ganse periode van vijf schooljaren. De stukken ter verantwoording van de ingezette middelen worden op de zetel van de pedagogische begeleidingsdiensten bewaard, waar ze voor controle ter beschikking zijn van de bevoegde diensten. |
| 26 | De Vlaamse Regering bepaalt welke elementen minimaal in de jaarlijkse rapporten worden opgenomen en bepaalt de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten. | 27 | De Vlaamse Regering bepaalt welke elementen minimaal in de jaarlijkse rapporten worden opgenomen en bepaalt de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten. |
| 27 | § 3. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt een werkingscode op en maakt die bekend bij de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie en hun personeelsleden. | 28 | § 3. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt een werkingscode op en maakt die bekend bij de onderwijsinstellingen , CLB’s en leersteuncentra in kwestie en hun personeelsleden. |
| 28 | § 4. Elke pedagogische begeleidingsdienst onderzoekt en bewaakt op systematische wijze de kwaliteit van de geboden begeleiding. De pedagogische begeleidingsdienst kiest zelf de wijze waarop zij dit doet, waarbij ze er rekening mee houdt dat een kwaliteitsvolle begeleiding minimaal inhoudt dat de pedagogische begeleidingsdiensten: | 29 | § 4. Elke pedagogische begeleidingsdienst onderzoekt en bewaakt op systematische wijze de kwaliteit van de geboden begeleiding. De pedagogische begeleidingsdienst kiest zelf de wijze waarop zij dit doet, waarbij ze er rekening mee houdt dat een kwaliteitsvolle begeleiding minimaal inhoudt dat de pedagogische begeleidingsdiensten: |
| 29 | 1° zowel inhoudelijk als agogisch werken op een wetenschappelijk onderbouwde wijze en functioneren als professionele organisaties; | 30 | 1° zowel inhoudelijk als agogisch werken op een wetenschappelijk onderbouwde wijze en functioneren als professionele organisaties; |
| 30 | 2° deelnemen aan overleg met de Vlaamse overheid en andere actoren over de kwaliteit van onderwijs en leerlingenbegeleiding ; | 31 | 2° deelnemen aan overleg met de Vlaamse overheid en andere actoren over de kwaliteit van onderwijs, leerlingenbegeleiding en leersteun; |
| 31 | 3° doelgericht samenwerken, zowel onderling als met andere relevante actoren zoals de lerarenopleidingen, de instellingen hoger onderwijs en de onderwijsinspectie. Doelgericht betekent met het oog op het versterken van de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de begeleiding en kan voor de pedagogische begeleidingsdienst betekenen dat zij een makelaarsrol opneemt. In dit artikel wordt verstaan onder makelaarsrol, de rol die de pedagogische begeleidingsdiensten hebben om de onderwijsinstellingen of de CLB's in kwestie gericht te adviseren over het aanbod van een andere organisatie die expertise kan binnenbrengen die niet bij de pedagogische begeleidingsdiensten zelf aanwezig is. In dat geval voeren de pedagogische begeleidingsdiensten de begeleiding niet zelf uit, maar blijven ze wel de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie verder opvolgen. | 32 | 3° doelgericht samenwerken, zowel onderling als met andere relevante actoren zoals de lerarenopleidingen, de instellingen hoger onderwijs en de onderwijsinspectie. Doelgericht betekent met het oog op het versterken van de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de begeleiding en kan voor de pedagogische begeleidingsdienst betekenen dat zij een makelaarsrol opneemt. In dit artikel wordt verstaan onder makelaarsrol, de rol die de pedagogische begeleidingsdiensten hebben om de onderwijsinstellingen, de CLB’s of de leersteuncentra in kwestie gericht te adviseren over het aanbod van een andere organisatie die expertise kan binnenbrengen die niet bij de pedagogische begeleidingsdiensten zelf aanwezig is. In dat geval voeren de pedagogische begeleidingsdiensten de begeleiding niet zelf uit, maar blijven ze wel de onderwijsinstellingen , CLB’s en leersteuncentra in kwestie verder opvolgen. |
| 2 | 1° het basisonderwijs; | 2 | 1° het basisonderwijs; |
| 3 | 2° het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs samen; | 3 | 2° het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs samen; |
| 4 | 3° de CLB's. | 4 | 3° de CLB's; |
| 5 | 4° de leersteuncentra. | ||
| 5 | § 2. Per 350 organieke betrekkingen in een van de niveaus, vermeld in § 1, heeft een pedagogische begeleidingsdienst recht op een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur. | 6 | § 2. Per 350 organieke betrekkingen in een van de niveaus, vermeld in § 1, heeft een pedagogische begeleidingsdienst recht op een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur. |
| 6 | Per pedagogische begeleidingsdienst die overeenkomstig het eerste lid over een personeelsformatie beschikt, wordt in een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur voor de centra voor leerlingenbegeleiding voorzien. | 7 | Per pedagogische begeleidingsdienst die overeenkomstig het eerste lid over een personeelsformatie beschikt, wordt in een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur voor de centra voor leerlingenbegeleiding en voor de leersteuncentra voorzien. |
| 7 | § 3. De berekening gebeurt op basis van het aantal organieke betrekkingen, vastgesteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de onderwijsinstellingen en CLB's die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdienst. | 8 | § 3. De berekening gebeurt op basis van het aantal organieke betrekkingen, vastgesteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de onderwijsintellingen, CLB’s en leersteuncentra die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdienst. Voor de berekening kan een onderwijskoepel ervoor kiezen om de organieke betrekkingen van de leersteuncentra, vermeld in paragraaf 1, 4°, te laten meetellen bij de personeelsformatie, vermeld in paragraaf 1, 1° of 2°. In voorkomend geval meldt de onderwijskoepel dit aan AGODI uiterlijk op 31 januari 2024. |
| 8 | § 4. Als een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft op twintig halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur, kunnen twee halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur worden omgezet in één voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van adviseur-coördinator. Per aanvullende schijf van 35 halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur waarop een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft, kan een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur worden omgezet in één bijkomende halftijdse betrekking van adviseur-coördinator. | 9 | § 4. Als een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft op twintig halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur, kunnen twee halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur worden omgezet in één voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van adviseur-coördinator. Per aanvullende schijf van 35 halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur waarop een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft, kan een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur worden omgezet in één bijkomende halftijdse betrekking van adviseur-coördinator. |
| 9 | Een pedagogische begeleidingsdienst die recht heeft op minder dan twintig halftijdse betrekkingen, heeft het recht om één halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur om te zetten in één halftijdse betrekking van adviseur-coördinator. | 10 | Een pedagogische begeleidingsdienst die recht heeft op minder dan twintig halftijdse betrekkingen, heeft het recht om één halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur om te zetten in één halftijdse betrekking van adviseur-coördinator. |
| 10 | § 5. Maximaal 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van elke pedagogische begeleidingsdienst kan worden ingenomen door personeelsleden die vastbenoemd zijn in een betrekking van pedagogisch adviseur of adviseur-coördinator. | 11 | § 5. Maximaal 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van elke pedagogische begeleidingsdienst kan worden ingenomen door personeelsleden die vastbenoemd zijn in een betrekking van pedagogisch adviseur of adviseur-coördinator. |
| 11 | § 6. Binnen iedere pedagogische begeleidingsdienst kan, met het oog op de uitoefening van bestuurlijke en organisatorische taken ten behoeve van deze pedagogische begeleidingsdienst, aan maximum drie voltijdse of zes halftijdse vastbenoemde pedagogische adviseurs een verlof wegens opdracht worden toegekend, zoals vermeld in artikel 51quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. | 12 | § 6. Binnen iedere pedagogische begeleidingsdienst kan, met het oog op de uitoefening van bestuurlijke en organisatorische taken ten behoeve van deze pedagogische begeleidingsdienst, aan maximum drie voltijdse of zes halftijdse vastbenoemde pedagogische adviseurs een verlof wegens opdracht worden toegekend, zoals vermeld in artikel 51quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. |
| 12 | § 7. De pedagogische begeleidingsdienst die op 1 februari 2015 voor het eerst 350 of meer organieke betrekkingen telt in een van de niveaus, vermeld in § 1, zal voor het schooljaar 2015-2016 tot en met het schooljaar 2019-2020 niet over een personeelsformatie beschikken. | ||
| 13 | § 7. ... | ||
| 7 | - een derde schijf van 15 halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met een factor 1,3; | 7 | - een derde schijf van 15 halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met een factor 1,3; |
| 8 | - een laatste schijf met het resterende aantal halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met 1. | 8 | - een laatste schijf met het resterende aantal halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met 1. |
| 9 | § 2. De pedagogische begeleidingsdiensten die geen personeelsformatie hebben als vermeld in artikel 16, ontvangen een forfaitaire toelage van 139,50 euro per organieke betrekking in het basis- en secundair onderwijs . | 9 | § 2. De pedagogische begeleidingsdiensten die geen personeelsformatie hebben als vermeld in artikel 16, ontvangen een forfaitaire toelage van 139,50 euro per organieke betrekking in het basis- en secundair onderwijs en in de leersteuncentra. |
| 1 | De pedagogische begeleidingsdiensten wenden de werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, uitsluitend aan voor de begeleiding van de onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, en dit overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen. Indien uit de jaarlijkse rapporten, vermeld in artikel 15, § 2, blijkt, met toepassing van de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten, dat deze middelen niet worden aangewend voor de begeleiding overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen, dan kan een gedeeltelijke terugbetaling van het werkingsbudget worden opgelegd. Deze terugbetaling kan maximaal tien procent van het werkingsbudget bedragen en wordt in mindering gebracht van de werkingsmiddelen van het daarop volgende werkingsjaar. | 1 | De pedagogische begeleidingsdiensten wenden de werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, uitsluitend aan voor de begeleiding van de onderwijsinstellingen, de CLB’s en de leersteuncentra in kwestie, en dit overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen. Indien uit de jaarlijkse rapporten, vermeld in artikel 15, § 2, blijkt, met toepassing van de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten, dat deze middelen niet worden aangewend voor de begeleiding overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen, dan kan een gedeeltelijke terugbetaling van het werkingsbudget worden opgelegd. Deze terugbetaling kan maximaal tien procent van het werkingsbudget bedragen en wordt in mindering gebracht van de werkingsmiddelen van het daarop volgende werkingsjaar. |
| 2 | Werkingsmiddelen die niet tijdig aangewend worden, moeten onmiddellijk worden terugbetaald. | 2 | Werkingsmiddelen die niet tijdig aangewend worden, moeten onmiddellijk worden terugbetaald. |
| 3 | Bij afwending van de middelen kan de Vlaamse Regering een administratieve geldboete opleggen van ten hoogste het vijfvoud van de afgewende werkingsmiddelen. De geldboete kan in mindering worden gebracht van de nog aan het bestuur verschuldigde middelen, met inbegrip van andere werkingsmiddelen of -toelagen. | 3 | Bij afwending van de middelen kan de Vlaamse Regering een administratieve geldboete opleggen van ten hoogste het vijfvoud van de afgewende werkingsmiddelen. De geldboete kan in mindering worden gebracht van de nog aan het bestuur verschuldigde middelen, met inbegrip van andere werkingsmiddelen of -toelagen. |
| 1 | § 1. Bij iedere aanvraag tot voorlopige erkenning van een nieuwe instelling onderzoekt de onderwijsinspectie of de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een voorlopige erkenning, vervuld zijn. | 1 | § 1. Bij iedere aanvraag tot voorlopige erkenning van een nieuwe instelling onderzoekt de onderwijsinspectie of de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een voorlopige erkenning, vervuld zijn. |
| 2 | De inspecteur-generaal kan de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht. | 2 | Voor scholen kan de inspecteur-generaal de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht. |
| 3 | Na het onderzoek bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies over de voorlopige erkenning aan de Vlaamse Regering. | 3 | Na het onderzoek bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies over de voorlopige erkenning aan de Vlaamse Regering. |
| 4 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 augustus volgend op de aanvraag van de voorlopige erkenning. Dit is een termijn van orde. | 4 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 augustus volgend op de aanvraag van de voorlopige erkenning. Dit is een termijn van orde. Voor onderwijsinternaten geldt de termijn, vermeld in artikel 7 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten. |
| 5 | § 2. Uiterlijk zes maanden na de start van het schooljaar onderzoekt de onderwijsinspectie, via een doorlichting, of de school voldoet aan de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een erkenning. | 5 | § 2. Uiterlijk zes maanden na de start van het schooljaar onderzoekt de onderwijsinspectie, via een doorlichting, of de school voldoet aan de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een erkenning. |
| 6 | De inspecteur-generaal kan de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht. | 6 | De inspecteur-generaal kan de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht. |
| 7 | Na de doorlichting bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies als vermeld in artikel 39, § 4, aan de Vlaamse Regering. | 7 | Na de doorlichting bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies als vermeld in artikel 39, § 4, aan de Vlaamse Regering. |
| 8 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning over de erkenning. Dit is een termijn van orde. | 8 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning over de erkenning. Dit is een termijn van orde. |
| 9 | §3. In afwijking van paragraaf 1 wordt de voorlopige erkenning van de leersteuncentra geregeld in artikel 29 en 30 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. |
| 3 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, tegemoetkomt. | 3 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, tegemoetkomt. |
| 4 | In het basis- en het secundair onderwijs, met uitzondering voor de nieuwe onderwijsinstellingen, spreekt de onderwijsinspectie ook een evaluatie uit over het gelijke onderwijskansenbeleid. | 4 | In het basis- en het secundair onderwijs, met uitzondering voor de nieuwe onderwijsinstellingen, spreekt de onderwijsinspectie ook een evaluatie uit over het gelijke onderwijskansenbeleid. |
| 5 | 3° in het basis- en het secundair onderwijs een kwaliteitsvol beleid op leerlingenbegeleiding ontwikkelt, implementeert en evalueert, in toepassing van de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van leerlingenbegeleiding. | 5 | 3° in het basis- en het secundair onderwijs een kwaliteitsvol beleid op leerlingenbegeleiding ontwikkelt, implementeert en evalueert, in toepassing van de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van leerlingenbegeleiding; |
| 6 | 4° in het basis- en het secundair onderwijs voor leerlingen met een IAC-verslag kwaliteitsvolle individueel aangepaste curricula realiseert, waarbij er in het buitengewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de mogelijkheid tot terugkeer naar het gewoon onderwijs en er in het gewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de afweging van redelijke aanpassingen; | ||
| 7 | 5° in het secundair onderwijs voor leerlingen met een OV4-verslag kwaliteitsvolle onderwijstrajecten realiseert, waarbij er in het buitengewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de mogelijkheid tot terugkeer naar het gewoon onderwijs en er in het gewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de afweging van redelijke aanpassingen. | ||
| 6 | Tijdens een doorlichting van een CLB gaat de onderwijsinspectie na of het CLB : | 8 | Tijdens een doorlichting van een CLB gaat de onderwijsinspectie na of het CLB : |
| 7 | 1° de CLB-reglementering respecteert; | 9 | 1° de CLB-reglementering respecteert; |
| 8 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, tweede lid, tegemoetkomt. | 10 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, tweede lid, tegemoetkomt. |
| 9 | 3° de kernactiviteiten signaalfunctie en consultatieve leerlingenbegeleiding kwaliteitsvol uitvoert. | 11 | 3° de kernactiviteiten signaalfunctie en consultatieve leerlingenbegeleiding kwaliteitsvol uitvoert. |
| 12 | Tijdens een doorlichting van een onderwijsinternaat gaat de onderwijsinspectie na of het internaat: | ||
| 13 | 1° de onderwijsinternaatsreglementering respecteert; | ||
| 14 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen die opgenomen zijn in het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vermeld in artikel 4, §2, vierde lid, tegemoetkomt. | ||
| 15 | Tijdens een doorlichting van een leersteuncentrum gaat de onderwijsinspectie na of het leersteuncentrum: | ||
| 16 | 1° de reglementering die van toepassing is op de leersteuncentra respecteert; | ||
| 17 | 2° tegemoetkomt aan de kwaliteitsverwachtingen die opgenomen zijn in het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun, vermeld in artikel 4, §2, tweede | ||
| 18 | lid. | ||
| 10 | De inspectie onderzoekt daarbij ook de opdrachten die de instelling eventueel heeft toegewezen aan de scholengemeenschap of de scholengroep waartoe zij behoort. De scholengemeenschappen of de scholengroepen zijn ertoe gehouden de inspectie alle informatie hierover te verstrekken. | 19 | De inspectie onderzoekt daarbij ook de opdrachten die de instelling eventueel heeft toegewezen aan de scholengemeenschap of de scholengroep waartoe zij behoort. De scholengemeenschappen of de scholengroepen zijn ertoe gehouden de inspectie alle informatie hierover te verstrekken. |
| 11 | Als de inspectie tijdens een doorlichting tekorten vaststelt, onderzoekt ze of de instelling deze tekorten al dan niet zelfstandig en zonder externe ondersteuning weg kan werken. | 20 | Als de inspectie tijdens een doorlichting tekorten vaststelt, onderzoekt ze of de instelling deze tekorten al dan niet zelfstandig en zonder externe ondersteuning weg kan werken. |
| 12 | § 2. ... | 21 | § 2. ... |
| 22 | §3. De onderwijsinspectie stelt op basis van het referentiekader onderwijskwaliteit, op basis van het referentiekader CLB-kwaliteit, op basis van het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun en op basis van het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vermeld in artikel 4, §2, eerste tot en met vierde lid, het toezichtkader en de doorlichtingsinstrumenten op en maakt die bekend. | ||
| 13 | § 3. De onderwijsinspectie stelt op basis van het referentiekader onderwijskwaliteit en op basis van het referentiekader CLB-kwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, eerste en tweede lid, het toezichtkader en de doorlichtingsinstrumenten op en maakt die bekend. Het toezichtkader peilt in ieder geval vanuit het referentiekader onderwijskwaliteit naar de reglementaire verplichtingen van instellingen inzake de minimumdoelen, de erkenningsvoorwaarden en de financierings- en subsidiëringsvoorwaarden en naar de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van: | 23 | Voor scholen peilt het toezichtkader in ieder geval vanuit het referentiekader onderwijskwaliteit naar de reglementaire verplichtingen van instellingen inzake de minimumdoelen, de erkenningsvoorwaarden en de financierings- en subsidiëringsvoorwaarden en naar de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van: |
| 14 | 1° het beleid inzake gelijke onderwijskansen; | 24 | 1° het beleid inzake gelijke onderwijskansen; |
| 15 | 2° het zorgbeleid en de leerlingenbegeleiding, met inbegrip van de ondersteuning van leerlingen met bijzondere noden vanuit de ondersteuningsnetwerken; | 25 | 2° het zorgbeleid, de leerlingenbegeleiding en de leersteun; |
| 16 | 3° het talenbeleid; | 26 | 3° het talenbeleid; |
| 17 | 4° het beleid inzake de oriëntering van leerlingen; | 27 | 4° het beleid inzake de oriëntering van leerlingen; |
| 21 | 8° het beleid inzake participatie. | 31 | 8° het beleid inzake participatie. |
| 22 | § 4. De inspectie baseert zich voor de bepaling van de frequentie en de intensiteit van de doorlichting op het profiel van de instelling dat tot stand komt op basis van : | 32 | § 4. De inspectie baseert zich voor de bepaling van de frequentie en de intensiteit van de doorlichting op het profiel van de instelling dat tot stand komt op basis van : |
| 23 | 1° een reeks vooraf vastgestelde en meegedeelde gegevens met betrekking tot de instelling, waaronder de resultaten op de Vlaamse toetsen indien van toepassing. Die gegevens zijn te relateren aan elementen in het referentiekader onderwijskwaliteit of het referentiekader CLB-kwaliteit, vermeld in artikel 4, §2, eerste en tweede lid; | 33 | 1° een reeks vooraf vastgestelde en meegedeelde gegevens over de instelling. Die gegevens zijn te relateren aan elementen in het referentiekader onderwijskwaliteit, het referentiekader CLB-kwaliteit, het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun of het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vermeld in artikel 4, §2, eerste tot en met vierde lid; |
| 24 | 2° het vorige doorlichtingsverslag en, in voorkomend geval, de opvolgingsverslagen. | 34 | 2° het vorige doorlichtingsverslag en, in voorkomend geval, de opvolgingsverslagen. |
| 25 | In afwijking van het eerste lid, kan de inspectie, naar aanleiding van ernstige klachten over een instelling, op vraag van de Vlaamse Regering een doorlichting uitvoeren. | 35 | In afwijking van het eerste lid, kan de inspectie, naar aanleiding van ernstige klachten over een instelling, op vraag van de Vlaamse Regering een doorlichting uitvoeren. |
| 8 | 3° advies "erkenning" : dit houdt in dat de nieuwe instelling met ingang van 1 september van het volgende schooljaar erkend is; | 8 | 3° advies "erkenning" : dit houdt in dat de nieuwe instelling met ingang van 1 september van het volgende schooljaar erkend is; |
| 9 | 4° advies "geen erkenning" : dit houdt in dat de nieuwe instelling niet erkend wordt. | 9 | 4° advies "geen erkenning" : dit houdt in dat de nieuwe instelling niet erkend wordt. |
| 10 | § 5. Voor de hele instelling of voor een afzonderlijk structuuronderdeel, en dit eventueel binnen een vestigingsplaats, zijn de volgende adviezen mogelijk: | 10 | § 5. Voor de hele instelling of voor een afzonderlijk structuuronderdeel, en dit eventueel binnen een vestigingsplaats, of voor een leersteuncentrum dat deel uit- maakt van een school voor buitengewoon onderwijs, zijn de volgende adviezen mogelijk: |
| 11 | 1° gunstig advies: dit houdt in dat de erkenning van de instellingof van structuuronderdelenvoortgezet wordt. | 11 | 1° gunstig advies: dit houdt in dat de erkenning van de instelling, of van structuuronderdelen, of van het leersteuncentrum dat deel uitmaakt van een school voor buitengewoon onderwijs, voortgezet wordt. Een gunstig advies kan het bestuur verplichten zich te engageren om aan de tekorten te werken; |
| 12 | Een gunstig advies kan het bestuur verplichten zich te engageren om aan de tekorten te werken. | ||
| 13 | 2° ongunstig advies: dit houdt in dat de procedure tot intrekking van de erkenning van de instellingof van structuuronderdelenopgestart wordt, met daarbij de vermelding van: | 12 | 2° ongunstig advies: dit houdt in dat de procedure tot intrekking van de erkenning van de instelling, of van structuuronderdelen, of van het leersteuncentrum dat deel uitmaakt van een school voor buitengewoon onderwijs, opgestart wordt, met daarbij de vermelding van: |
| 14 | a) de mogelijkheid tot opschorting : dit houdt in dat het bestuur kan verzoeken dat de procedure tot intrekking van de erkenning niet opgestart wordt op voorwaarde dat het bestuur het engagement aangaat om zich bij het werken aan de tekorten extern te laten begeleiden; | 13 | a) de mogelijkheid tot opschorting: dit houdt in dat het bestuur kan verzoeken dat de procedure tot intrekking van de erkenning niet opgestart wordt op voorwaarde dat het bestuur het engagement aangaat om zich bij het werken aan de tekorten extern te laten begeleiden; |
| 15 | b) de onmogelijkheid tot opschorting : dit houdt in dat het bestuur niet kan verzoeken dat de procedure tot intrekking van de erkenning niet opgestart wordt. | 14 | b) de onmogelijkheid tot opschorting: dit houdt in dat het bestuur niet kan verzoeken dat de procedure tot intrekking van de erkenning niet opgestart wordt. |
| 16 | Een ongunstig advies voor een structuuronderdeel binnen een vestigingsplaats , kan nooit automatisch leiden tot de intrekking van de erkenning van dat structuuronderdeel als datzelfde structuuronderdeel ook aangeboden wordt op andere vestigingsplaatsen. | 15 | Een ongunstig advies voor een structuuronderdeel binnen een vestigingsplaats of van het leersteuncentrum dat deel uitmaakt van een school voor buitengewoon onderwijs, kan nooit automatisch leiden tot de intrekking van de erkenning van dat structuuronderdeel als datzelfde structuuronderdeel ook aangeboden wordt op andere vestigingsplaatsen. |
| 16 | Een ongunstig advies voor een leersteuncentrum dat deel uitmaakt van een school voor buitengewoon onderwijs, heeft betrekking op het leersteuncentrum en kan nooit automatisch leiden tot de intrekking van de erkenning van de school voor buitengewoon onderwijs. | ||
| 17 | Een ongunstig advies voor een school voor buitengewoon onderwijs waar een leersteuncentrum deel van uitmaakt, heeft betrekking op de school voor buitengewoon onderwijs en kan nooit automatisch leiden tot de intrekking van de erkenning van het leersteuncentrum. | ||
| 18 | Een tekort op het vlak van het beleid op leerlingenbegeleiding, vermeld in artikel 38, §1, eerste lid, 3°, kan leiden tot de verplichting voor de school om zich extern te laten begeleiden. | ||
| 19 | Een tekort op het vlak van de signaalfunctie en consultatieve leerlingenbegeleiding, vermeld in artikel 38, §1, tweede lid, 3°, kan leiden tot de verplichting voor het CLB om zich extern te laten begeleiden. | ||
| 20 | Een tekort op het vlak van de kwaliteit van de leersteun, vermeld in artikel 38, §1, derde lid, kan leiden tot de verplichting voor het leersteuncentrum om zich extern te laten begeleiden. | ||
| 17 | §6. Tijdens de eerste twee schooljaren van inwerkingtreding van bij decreet of besluit vastgelegde onderwijsdoelen, kan het niet of niet in voldoende mate bereiken of nastreven, naargelang van het geval, van die onderwijsdoelen, niet leiden tot een advies als vermeld in paragraaf 5, eerste lid, 2°. | 21 | §6. Tijdens de eerste twee schooljaren van inwerkingtreding van bij decreet of besluit vastgelegde onderwijsdoelen, kan het niet of niet in voldoende mate bereiken of nastreven, naargelang van het geval, van die onderwijsdoelen, niet leiden tot een advies als vermeld in paragraaf 5, eerste lid, 2°. |
| 18 | : | 22 | : |
| 1 | § 1. De onderwijsinspectie is belast met het kwaliteitstoezicht op de diagnostische praktijk van de centra voor leerlingenbegeleiding in functie van de opmaak van de verslagen, vermeld in de artikelen 15 en 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in de artikelen 294 en 352 van de Codex Secundair Onderwijs. | 1 | § 1. De onderwijsinspectie is belast met het kwaliteitstoezicht op de diagnostische praktijk van de centra voor leerlingenbegeleiding in functie van de opmaak van de verslagen, vermeld in de artikelen 15 en 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in de artikelen 294 en 352 van de Codex Secundair Onderwijs. De onderwijsinspectie heeft daarbij bijzondere aandacht voor CLB’s die systematisch meer GC-verslagen, IAC-verslagen en OV4-verslagen opmaken in vergelijking met andere CLB’s. |
| 2 | Dit kwaliteitstoezicht kan afzonderlijk van de doorlichting uitgevoerd worden . Als beide doorlichtingen ingepland zijn tijdens hetzelfde schooljaar, gebeuren ze geïntegreerd. | 2 | Dit kwaliteitstoezicht kan afzonderlijk van de doorlichting uitgevoerd worden en kan scholen die begeleid worden door het CLB meenemen in het toezicht. Als beide doorlichtingen ingepland zijn tijdens hetzelfde schooljaar, gebeuren ze geïntegreerd. |
| 3 | De inspectie stemt voor de uitvoering van deze opdrachten af met de afdeling Zorginspectie van het Departement Zorg, vermeld in artikel 23, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie. | 3 | De inspectie stemt voor de uitvoering van deze opdrachten af met de afdeling Zorginspectie van het Departement Zorg, vermeld in artikel 23, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie. |
| 4 | De inspectie rapporteert jaarlijks over het kwaliteitstoezicht aan de Vlaamse Regering. | 4 | De inspectie rapporteert jaarlijks over het kwaliteitstoezicht aan de Vlaamse Regering. |
| 1 | §1. De inspecteurs hebben het recht om voor de uitoefening van hun opdracht inzage te krijgen in of kopie te krijgen van persoonsgegevens. De persoonsgegevens hebben betrekking op leerlingen verbonden aan de onderwijsinstellingof begeleid door het centrum voor leerlingenbegeleidingen betreffen de gegevens die de onderwijsinstelling of het centrum voor leerlingenbegeleidingkrachtens de onderwijsof CLB-reglementering in het dossier verwerken, zoals de administratieve gegevens, inschrijvingsgegevens, afwezigheden, studieresultaten en zorggegevens. De bevoegdheid heeft ook betrekking op gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat. | 1 | §1. De inspecteurs hebben het recht om voor de uitoefening van hun opdracht inzage te krijgen in of kopie te krijgen van persoonsgegevens. De persoonsgegevens hebben betrekking op leerlingen die verbonden zijn aan de onderwijsinstelling, of begeleid worden door het centrum voor leerlingenbegeleiding, of ondersteund worden door een leersteuncentrum en op internen die ingeschreven zijn in een onderwijsinternaat. Het betreft de gegevens die de onderwijsinstelling, het centrum voor leerlingenbegeleiding, het leersteuncentrum of het onderwijsinternaat krachtens de onderwijs-, onderwijsinternaats- of CLB-reglementering of de reglementering over de leersteuncentra in het dossier verwerken, zoals de administratieve gegevens, inschrijvingsgegevens, afwezigheden, studieresultaten en zorggegevens. De bevoegdheid heeft ook betrekking op gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat. |
| 2 | Als anonieme gegevens beschikbaar en actueel zijn, vragen de inspecteurs in eerste instantie inzage in die gegevens. Als dat nodig is in het licht van de opdracht, kunnen de inspecteurs inzage vragen in persoonsgegevens, als daarvoor de Europese, federale en Vlaamse regels over het verwerken van die gegevens worden gevolgd. Onder anonieme gegevens wordt verstaan: gegevens die geen betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon of op persoonsgegevens die zodanig anoniem zijn gemaakt dat de betrokkene niet of niet meer identificeerbaar is. | 2 | Als anonieme gegevens beschikbaar en actueel zijn, vragen de inspecteurs in eerste instantie inzage in die gegevens. Als dat nodig is in het licht van de opdracht, kunnen de inspecteurs inzage vragen in persoonsgegevens, als daarvoor de Europese, federale en Vlaamse regels over het verwerken van die gegevens worden gevolgd. Onder anonieme gegevens wordt verstaan: gegevens die geen betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon of op persoonsgegevens die zodanig anoniem zijn gemaakt dat de betrokkene niet of niet meer identificeerbaar is. |
| 3 | De Vlaamse Regering stelt voorwaarden vast om de transparantie en de uitoefening van de rechten van de betrokkenen te verzekeren. | 3 | De Vlaamse Regering stelt voorwaarden vast om de transparantie en de uitoefening van de rechten van de betrokkenen te verzekeren. |
| 1 | Een mandaat bij een bestuur is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie, tenzij het gaat om een politiek mandaat. De inspecteur die een politiek mandaat opneemt, dient dit onmiddellijk te melden. | 1 | Een mandaat bij een bestuur is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie, tenzij het gaat om een politiek mandaat. De inspecteur die een politiek mandaat opneemt, dient dit onmiddellijk te melden. |
| 2 | Een opdracht in een onderwijsinstelling of in een centrum voor leerlingenbegeleiding , waarover de inspectie toezicht houdt, is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie. | 2 | Een opdracht in een onderwijsinstelling, in een centrum voor leerlingenbegeleiding of in een leersteuncentrum, waarover de inspectie toezicht houdt, is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie. |
| 3 | De uitoefening van een ambt bij de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, is onverenigbaar met de uitoefening van een ambt als lid van de inspectie. | 3 | De uitoefening van een ambt bij de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, is onverenigbaar met de uitoefening van een ambt als lid van de inspectie. |
| 10 | - het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst; | 10 | - het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst; |
| 11 | - het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; | 11 | - het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; |
| 12 | - het leerondersteunend personeel; | ||
| 12 | die in het gemeenschapsonderwijs worden tewerkgesteld bij de scholengroep of in de volgende instellingen: | 13 | die in het gemeenschapsonderwijs worden tewerkgesteld bij de scholengroep of in de volgende instellingen: |
| 13 | - de scholen van het basisonderwijs, de instellingen van het secundair onderwijs en de academies voor deeltijds kunstonderwijs, in welke vorm ook; | 14 | - de scholen van het basisonderwijs, de instellingen van het secundair onderwijs en de academies voor deeltijds kunstonderwijs, in welke vorm ook; |
| 15 | - de onderwijsinternaten; | ||
| 14 | - de autonome internaten en tehuizen; | 16 | - de semi-internaten; |
| 15 | - de semi-internaten en de internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien; | ||
| 16 | - de pedagogische begeleidingsdienst; | 17 | - de pedagogische begeleidingsdienst; |
| 18 | - de leersteuncentra; | ||
| 17 | - de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel, verder aangeduid als CLB; | 19 | - de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel, verder aangeduid als CLB; |
| 18 | - de centra voor volwassenenonderwijs; | 20 | - de centra voor volwassenenonderwijs; |
| 19 | - het vormingscentrum. | 21 | - het vormingscentrum. |
| 20 | § 2. Dit decreet is niet van toepassing op de voordrachtgevers zoals bedoeld in de artikelen 68 en 69 van het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs. | ||
| 22 | § 2. ... | ||
| 21 | § 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere omschrijving van de in § 1 genoemde categorieën. In afwachting hiervan blijven evenwel de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht. | 23 | § 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere omschrijving van de in § 1 genoemde categorieën. In afwachting hiervan blijven evenwel de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht. |
| 22 | De Vlaamse Regering kan in het basisonderwijs de ambten bepalen voor een personeelscategorie van het pedagogisch ondersteunend personeel. | 24 | De Vlaamse Regering kan in het basisonderwijs de ambten bepalen voor een personeelscategorie van het pedagogisch ondersteunend personeel. |
| 2 | 1° de ARGO: de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs; | 2 | 1° de ARGO: de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs; |
| 3 | 2° de centrale raad: de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988; | 3 | 2° de centrale raad: de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988; |
| 4 | 3° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de scholengemeenschapsinstellingen de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de autonome internaten en tehuizen, de semi-internaten, de internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien, de pedagogische begeleidingsdienst en de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel. Het internaat toegevoegd aan een school, maakt deel uit van die school. Voor de personeelsleden die op basis van artikel 32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bij de scholengroep aangesteld zijn, en voor de vastbenoemde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel die bij de scholengroep aangesteld zijn, wordt de scholengroep voor de toepassing van dit decreet beschouwd als een instelling; | 4 | 3° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de scholengemeenschapsinstellingen de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de leersteuncentra, de onderwijsinternaten, de semi-internaten, de pedagogische begeleidingsdienst en de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel. Voor de personeelsleden die op basis van artikel 32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bij de scholengroep aangesteld zijn, en voor de vastbenoemde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel die bij de scholengroep aangesteld zijn, wordt de scholengroep voor de toepassing van dit decreet beschouwd als een instelling; |
| 5 | 4° het schooljaar: de periode van 1 september tot 31 augustus van het daaropvolgend jaar voor het kleuter-, lager en secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en voor de CLB's; | 5 | 4° het schooljaar: de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar; |
| 6 | 5° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt; | 6 | 5° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt; |
| 7 | 6° de bekwaamheidsbewijzen: de door de Vlaamse regering voor het ambt bepaalde bekwaamheidsbewijzen; | 7 | 6° de bekwaamheidsbewijzen: de door de Vlaamse regering voor het ambt bepaalde bekwaamheidsbewijzen; |
| 9 | 8° de godsdienstleerkracht: de godsdienstleraar en de leermeester godsdienst; | 9 | 8° de godsdienstleerkracht: de godsdienstleraar en de leermeester godsdienst; |
| 10 | 9° een ambt: een functie die in de onderwijssector wordt uitgeoefend en door de Gemeenschap wordt gefinancierd. De Vlaamse regering stelt de verschillende ambten vast en maakt een indeling in wervings-, selectie- en bevorderingsambten. Zolang de Vlaamse regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht; | 10 | 9° een ambt: een functie die in de onderwijssector wordt uitgeoefend en door de Gemeenschap wordt gefinancierd. De Vlaamse regering stelt de verschillende ambten vast en maakt een indeling in wervings-, selectie- en bevorderingsambten. Zolang de Vlaamse regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht; |
| 11 | 10° een betrekking: de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een instelling, uitgedrukt in een door de inrichtende macht bepaald aantal prestatie-eenheden per week. Als het gaat om een onderwijsopdracht vermeldt de inrichtende macht eveneens het onderwijsniveau, de opleiding, de module, het vak en de specialiteit ervan of de met het vak of specialiteit gelijkgestelde activiteit, de graad en voor het voor het voltijds secundair onderwijs eventueel het HBO5, de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeelof in een ambt van het ondersteunend personeel dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau en - uitgezonderd voor de CLB's - de puntenwaarde. | 11 | 10° een betrekking: de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een instelling, uitgedrukt in een door de inrichtende macht bepaald aantal prestatie-eenheden per week. Als het gaat om een onderwijsopdracht vermeldt de inrichtende macht eveneens het onderwijsniveau, de opleiding, de module, het vak en de specialiteit ervan of de met het vak of specialiteit gelijkgestelde activiteit, de graad en voor het voor het voltijds secundair onderwijs eventueel het HBO5, de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel, van het leerondersteunend personeel of in een ambt van het ondersteunend personeel dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau en - uitgezonderd voor de CLB's - de puntenwaarde. |
| 12 | Een betrekking kan volledig of onvolledig zijn. Een volledige betrekking stemt overeen met het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties. | 12 | Een betrekking kan volledig of onvolledig zijn. Een volledige betrekking stemt overeen met het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties. |
| 13 | Een personeelslid dat deeltijds werkt, heeft het recht dat deze prestaties maximaal over een proportioneel aantal halve dagen per week worden gespreid; | 13 | Een personeelslid dat deeltijds werkt, heeft het recht dat deze prestaties maximaal over een proportioneel aantal halve dagen per week worden gespreid; |
| 25 | 22° scholengroep: de scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, § 6, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; | 25 | 22° scholengroep: de scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, § 6, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; |
| 26 | 23° raad van bestuur: de raad van bestuur van een scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, § 5, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; | 26 | 23° raad van bestuur: de raad van bestuur van een scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, § 5, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; |
| 27 | 24° directeur: de directeur van een school of een centrum voor leerlingenbegeleiding zoals bedoeld in artikel 5, § 2, en artikel 16 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; En voor de scholengemeenschapsinstellingen een directeur die de raad van bestuur heeft aangewezen als directeur van de scholengemeenschapsinstelling; | 27 | 24° directeur: de directeur van een school of een centrum voor leerlingenbegeleiding zoals bedoeld in artikel 5, § 2, en artikel 16 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, de directeur van een leersteuncentrum of van een onderwijsinternaat. En voor de scholengemeenschapsinstellingen een directeur die de raad van bestuur heeft aangewezen als directeur van de scholengemeenschapsinstelling; |
| 28 | 25° algemeen directeur: de algemeen directeur zoals bedoeld in artikel 5, § 3, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; | 28 | 25° algemeen directeur: de algemeen directeur zoals bedoeld in artikel 5, § 3, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; |
| 29 | 26° college van directeurs: het college van directeurs zoals bedoeld in artikel 5, § 3, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; | 29 | 26° college van directeurs: het college van directeurs zoals bedoeld in artikel 5, § 3, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; |
| 47 | 40° MEDEX: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen; | 47 | 40° MEDEX: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen; |
| 48 | 41° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. | 48 | 41° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. |
| 49 | 42° internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien: medisch-pedagogische instituten van het gemeenschapsonderwijs, instituten voor buitengewoon secundair onderwijs van het gemeenschapsonderwijs en autonome internaten buitengewoon onderwijs van het gemeenschapsonderwijs met openstelling tijdens schoolvrije dagen die verblijf en begeleiding voor hun internen tijdens de schoolvrije dagen organiseren als bedoeld in artikel III.38 en volgende van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs; | ||
| 49 | 42° onderwijsinternaten: de onderwijsinternaten die erkend zijn overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten; | ||
| 50 | 43° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; | 50 | 43° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; |
| 51 | 44° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie. | 51 | 44° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie; |
| 52 | 45° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20, §1, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. | ||
| 1 | § 1. Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 17bis, moet met betrekking tot de taalvereisten voor de onderwijstaal voldoen aan de bepalingen van dit artikel. | 1 | § 1. Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 17bis, moet met betrekking tot de taalvereisten voor de onderwijstaal voldoen aan de bepalingen van dit artikel. |
| 2 | § 2. Een personeelslid dat behoort tot het bestuurs- en onderwijzend personeelof tot de pedagogische begeleidingsdienst moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. | 2 | § 2. Een personeelslid dat behoort tot het bestuurs- en onderwijzend personeel, tot het leerondersteunend personeel of tot de pedagogische begeleidingsdienst moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. |
| 3 | § 3. Een personeelslid dat behoort tot een andere personeelscategorie dan deze bedoeld in § 2 moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. | 3 | § 3. Een personeelslid dat behoort tot een andere personeelscategorie dan deze bedoeld in § 2 moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. |
| 4 | § 4. In afwijking van paragraaf 2 moet een personeelslid dat aangesteld wordt in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat uitsluitend één of meer levende vreemde talen onderwijst, of belast is met een opdracht die uitsluitend in een vreemde taal wordt gegeven, zoals bedoeld in artikel 157/1 van de Codex Secundair Onderwijs en artikel 27/1 van het decreet betreffende het stelsel van leren en werken, de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. | 4 | § 4. In afwijking van paragraaf 2 moet een personeelslid dat aangesteld wordt in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat uitsluitend één of meer levende vreemde talen onderwijst, of belast is met een opdracht die uitsluitend in een vreemde taal wordt gegeven, zoals bedoeld in artikel 157/1 van de Codex Secundair Onderwijs en artikel 27/1 van het decreet betreffende het stelsel van leren en werken, de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. |
| 15 | h) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties; | 15 | h) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties; |
| 16 | i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties. | 16 | i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties. |
| 17 | In afwijking van het eerste lid bepaalt de raad van bestuur afzonderlijk voor haar centra voor volwassenenonderwijs en voor haar academies voor deeltijds kunstonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokaal comité welke vacante betrekkingen hij vacant verklaart in respectievelijk de centra voor volwassenenonderwijs en de academies voor deeltijds kunstonderwijs . De raad van bestuur moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokaal comité geen akkoord wordt bereikt vacant verklaren als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De raad van bestuur moet alleszins jaarlijks de betrekkingen, vermeld in het eerste lid, 4°,5° en 6°, vacant verklaren. | 17 | In afwijking van het eerste lid bepaalt de raad van bestuur afzonderlijk voor haar centra voor volwassenenonderwijs, voor haar academies voor deeltijds kunstonderwijs en voor haar leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokaal comité welke vacante betrekkingen hij vacant verklaart in respectievelijk de centra voor volwassenenonderwijs, de academies voor deeltijds kunstonderwijs en de leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. De raad van bestuur moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokaal comité geen akkoord wordt bereikt vacant verklaren als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De raad van bestuur moet alleszins jaarlijks de betrekkingen, vermeld in het eerste lid, 4°,5° en 6°, vacant verklaren. |
| 18 | § 2. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt elk schooljaar voor 15 november openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend. | 18 | § 2. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt elk schooljaar voor 15 november openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend. |
| 19 | § 3. De Vlaamse Regering kan voor de categorieën van personeelsleden die ze aanwijst, de vaste benoeming afhankelijk maken van een onderwijsopdracht waarvan zij het minimum bepaalt. Bij de vaststelling van deze categorieën zal de Vlaamse Regering zich inzonderheid laten leiden door de situatie op de arbeidsmarkt, door het aantal wegens ontstentenis van betrekking in deze categorie ter beschikking gestelde vastbenoemde personeelsleden en de specifieke kenmerken van sommige ambten, vakken, specialiteiten, opleidingen of modules. | 19 | § 3. De Vlaamse Regering kan voor de categorieën van personeelsleden die ze aanwijst, de vaste benoeming afhankelijk maken van een onderwijsopdracht waarvan zij het minimum bepaalt. Bij de vaststelling van deze categorieën zal de Vlaamse Regering zich inzonderheid laten leiden door de situatie op de arbeidsmarkt, door het aantal wegens ontstentenis van betrekking in deze categorie ter beschikking gestelde vastbenoemde personeelsleden en de specifieke kenmerken van sommige ambten, vakken, specialiteiten, opleidingen of modules. |
| 1 | Zonder afbreuk te doen aan het principe dat een personeelslid wordt aangesteld in of geaffecteerd aan een instelling, kunnen de personeelsleden die zijn aangesteld in een ambt van leerondersteunend personeel in een leersteuncentrum of een leersteuncentrum als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, worden ingezet voor de vervulling van hun opdracht voor en in scholen voor gewoon onderwijs als vermeld in artikel 5, 14°, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. | ||
| 2 | Bij de toepassing van het eerste lid worden minstens de volgende principes gehanteerd: | ||
| 3 | 1° het personeelslid wordt altijd aangesteld in of geaffecteerd aan de instelling waar de betrekking reglementair wordt ingericht; | ||
| 4 | 2° er wordt altijd rekening gehouden met de statutaire toestand van het personeelslid die conform dit decreet is bepaald. | ||
| 5 | De bepalingen over de inzetbaarheid, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden, met behoud van de toepassing van artikel 18 en 31, opgenomen in het geschrift waarin de aanstelling wordt vastgesteld, alsook in de functiebeschrijving, vermeld in hoofdstuk VIIIbis. |
| 1 | §1. Een volledige betrekking in een selectie- of bevorderingsambt wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast. | 1 | §1. Een volledige betrekking in een selectie- of bevorderingsambt wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast. |
| 2 | §2. In afwijking van § 1 kan in het volwassenenonderwijs en in het deeltijds kunstonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan één of meerdere personeelsleden en een betrekking in een bevorderingsambt aan één of twee personeelsleden. | 2 | §2. In afwijking van § 1 kan in het volwassenenonderwijs en in het deeltijds kunstonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan één of meerdere personeelsleden en een betrekking in een bevorderingsambt aan één of twee personeelsleden. |
| 3 | §3. Een halftijdse betrekking in een bevorderingsambt in een leersteuncentrum wordt steeds toegekend aan één personeelslid. | ||
| 4 | In afwijking van paragraaf 1 kan in een leersteuncentrum of een leersteuncentrum als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan een of meerdere personeelsleden. | ||
| 5 | §4. Een halftijdse betrekking in een bevorderingsambt in een onderwijsinternaat wordt steeds toegekend aan één personeelslid. | ||
| 6 | §5. In afwijking van paragraaf 1 kan in het basisonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan een of meer personeelsleden. |
| 4 | § 3. De raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - of de scholengemeenschap, indien de instelling tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen in het lokaal comité, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de principes vermeld in dit hoofdstuk. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie, worden vastgelegd. | 4 | § 3. De raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - of de scholengemeenschap, indien de instelling tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen in het lokaal comité, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de principes vermeld in dit hoofdstuk. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie, worden vastgelegd. |
| 5 | De raden van bestuur van de CLB's die een regionale ondersteuningscel vormen, maken algemene afspraken over de functiebeschrijvingen, waarbij ze rekening houden met de principes, vermeld in dit hoofdstuk. Over deze afspraken wordt onderhandeld in de respectieve lokale comités van de betrokken CLB's of desgevallend in het lokaal onderhandelingscomité van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel als vermeld in artikel 50 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie worden vastgelegd. | 5 | De raden van bestuur van de CLB's die een regionale ondersteuningscel vormen, maken algemene afspraken over de functiebeschrijvingen, waarbij ze rekening houden met de principes, vermeld in dit hoofdstuk. Over deze afspraken wordt onderhandeld in de respectieve lokale comités van de betrokken CLB's of desgevallend in het lokaal onderhandelingscomité van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel als vermeld in artikel 50 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie worden vastgelegd. |
| 6 | § 4. De directeur wijst voor ieder personeelslid van zijn instelling twee evaluatoren aan. De raad van bestuur wijst voor elk van de personeelsleden van een autonoom internaat en voor elk personeelslid waarvoor de scholengroep als instelling wordt beschouwd, twee evaluatoren aan. Hierbij wordt rekening gehouden met volgende principes : | 6 | § 4. De directeur wijst voor ieder personeelslid van zijn instelling twee evaluatoren aan. De raad van bestuur wijst voor elk personeelslid waarvoor de scholengroep als instelling wordt beschouwd, twee evaluatoren aan. Hierbij wordt rekening gehouden met volgende principes : |
| 7 | 1° voor personeelsleden tewerkgesteld in wervingsambten moet één van beide evaluatoren steeds de directeur, de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator zijn. Wordt het wervingsambt evenwel uitgeoefend in een autonoom internaat, dan moet één van beide evaluatoren steeds de beheerder van dat internaat zijn; | 7 | 1° voor personeelsleden tewerkgesteld in wervingsambten moet één van beide evaluatoren steeds de directeur, de adjunct-directeur of - voor het CLB, het leersteuncentrum of het leersteuncentrum, vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, - de coördinator zijn; |
| 8 | 2° voor de eerste evaluator gelden volgende bepalingen : | 8 | 2° voor de eerste evaluator gelden volgende bepalingen : |
| 9 | - de eerste evaluator moet een personeelslid zijn van de instelling waar het betrokken personeelslid is tewerkgesteld. | 9 | - de eerste evaluator moet een personeelslid zijn van de instelling waar het betrokken personeelslid is tewerkgesteld. |
| 18 | - de adviseur-coördinator is de eerste evaluator. Hij heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De adviseur-coördinator moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen; | 18 | - de adviseur-coördinator is de eerste evaluator. Hij heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De adviseur-coördinator moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen; |
| 19 | - de afgevaardigd bestuurder is de tweede evaluator. Zijn rol wordt bepaald binnen de algemene afspraken bedoeld in § 3 en in artikel 73novies, maar deze afspraken mogen geen afbreuk doen aan de rol en de taken van de eerste evaluator zoals vastgelegd in dit artikel en in artikel 73decies. Deze afspraken moeten minstens inhouden dat het personeelslid en de eerste evaluator op hun verzoek tijdens de in hoofdstuk VIIIbis en VIIIter bedoelde procedure steeds een beroep kunnen doen op de tweede evaluator. | 19 | - de afgevaardigd bestuurder is de tweede evaluator. Zijn rol wordt bepaald binnen de algemene afspraken bedoeld in § 3 en in artikel 73novies, maar deze afspraken mogen geen afbreuk doen aan de rol en de taken van de eerste evaluator zoals vastgelegd in dit artikel en in artikel 73decies. Deze afspraken moeten minstens inhouden dat het personeelslid en de eerste evaluator op hun verzoek tijdens de in hoofdstuk VIIIbis en VIIIter bedoelde procedure steeds een beroep kunnen doen op de tweede evaluator. |
| 20 | § 5.In afwijking van § 4 worden de beheerder van een autonoom internaat en de directeur geëva-lueerd door de raad van bestuur. De directeur van het vormingscentrum en de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst worden geëvalueerd door de afgevaardigd bestuurder. De directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, wordt geëvalueerd door de evaluator die in overleg wordt aangeduid door de scholengemeenschap. Deze personeelsleden hebben geen tweede evaluator. | 20 | § 5.In afwijking van paragraaf 4 wordt de directeur geëvalueerd door de raad van bestuur. De directeur van het vormingscentrum en de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst worden geëvalueerd door de afgevaardigd bestuurder. De directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, wordt geëvalueerd door de evaluator die in overleg wordt aangeduid door de scholengemeenschap. Deze personeelsleden hebben geen tweede evaluator. |
| 21 | Als een raad van bestuur in een onderwijsinternaat slechts een halftijdse betrekking in het ambt van directeur opricht, en het betrokken personeelslid deze betrekking van directeur combineert met een betrekking in een wervings- of selectieambt in dezelfde instelling, dan wordt het personeelslid in afwijking van paragraaf 4 voor beide ambten geëvalueerd door de raad van bestuur. Het personeelslid heeft geen tweede evaluator. | ||
| 22 | Als een raad van bestuur in een leersteuncentrum slechts een halftijdse betrekking in het ambt van directeur opricht, en het betrokken personeelslid deze betrekking van directeur combineert met een betrekking in een wervings- of selectieambt in dezelfde instelling, wordt het personeelslid in afwijking van paragraaf 4 voor beide ambten geëvalueerd door de raad van bestuur. Het personeelslid heeft geen tweede evaluator. | ||
| 21 | Voor de toepassing van hoofdstuk VIIIbis en van hoofdstuk VIIIter wordt deze evaluator steeds beschouwd als eerste evaluator. | 23 | Voor de toepassing van hoofdstuk VIIIbis en van hoofdstuk VIIIter wordt deze evaluator steeds beschouwd als eerste evaluator. |
| 22 | De eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. | 24 | De eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. |
| 25 | Wie na deze termijn niet aan deze voorwaarde voldoet kan niet evalueren. | 27 | Wie na deze termijn niet aan deze voorwaarde voldoet kan niet evalueren. |
| 26 | : | 28 | : |
| 27 | § 7. De functiebeschrijving, die moet vastgelegd worden per ambt en per instelling, bevat de kerntaken van het personeelslid. De kerntaken omvatten de taken eigen aan de functie, de professionalisering, en het overleg en de samenwerking met directie, collega's en desgevallend CLB en ouders . Wanneer zijn kerntaken wijzigen, krijgt het personeelslid een nieuwe functiebeschrijving. Daarbij wordt rekening gehouden met de algemene afspraken die in uitvoering van paragraaf 3 zijn vastgelegd en met de bepalingen van het arbeidsreglement. | 29 | § 7. De functiebeschrijving, die moet vastgelegd worden per ambt en per instelling, bevat de kerntaken van het personeelslid. De kerntaken omvatten de taken eigen aan de functie, de professionalisering, en het overleg en de samenwerking met directie, collega's en desgevallend CLB, ouders en leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. Wanneer zijn kerntaken wijzigen, krijgt het personeelslid een nieuwe functiebeschrijving. Daarbij wordt rekening gehouden met de algemene afspraken die in uitvoering van paragraaf 3 zijn vastgelegd en met de bepalingen van het arbeidsreglement. |
| 28 | § 8. De functiebeschrijving van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | 30 | § 8. De functiebeschrijving van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. |
| 11 | - het vervangen van afwezige leraars en aanvullend toezicht houden; | 11 | - het vervangen van afwezige leraars en aanvullend toezicht houden; |
| 12 | - vertegenwoordiging in schoolexterne organen. | 12 | - vertegenwoordiging in schoolexterne organen. |
| 13 | §4. Dit artikel is niet van toepassing op personeelsleden aangesteld in een weringsambt van het leerondersteunend personeel in de leersteuncentra of de leersteuncentra, vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. | ||
| 6 | - de evaluatie van de leerlingen en cursisten; | 6 | - de evaluatie van de leerlingen en cursisten; |
| 7 | - de professionalisering; | 7 | - de professionalisering; |
| 8 | - het overleg en de samenwerking met directie, collega's, en desgevallend CLBen ouders. | 8 | - het overleg en de samenwerking met directie, collega’s, en in voorkomend geval CLB, leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en ouders. |
| 9 | § 2. Een personeelslid in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel kan belast worden met een specifieke functie op voorwaarde dat het schoolbestuur daarvoor omkaderingsmiddelen aanwendt. In dat geval worden voor dit personeelslid in afwijking van paragraaf 1 - of aanvullend op paragraaf 1 indien het personeelslid belast wordt met zowel een lesopdracht als een specifieke functiespecifieke taken opgenomen in de functiebeschrijving. | 9 | § 2. Een personeelslid in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel kan belast worden met een specifieke functie op voorwaarde dat het schoolbestuur daarvoor omkaderingsmiddelen aanwendt. In dat geval worden voor dit personeelslid in afwijking van paragraaf 1 - of aanvullend op paragraaf 1 indien het personeelslid belast wordt met zowel een lesopdracht als een specifieke functiespecifieke taken opgenomen in de functiebeschrijving. |
| 10 | De criteria die worden gebruikt om voor die specifieke taken al dan niet omkaderingsmiddelen aan te wenden en om ze te verdelen onder alle personeelsleden alsook de criteria voor de verdeling van de omkaderingsmiddelen worden onderhandeld in het lokaal comité. | 10 | De criteria die worden gebruikt om voor die specifieke taken al dan niet omkaderingsmiddelen aan te wenden en om ze te verdelen onder alle personeelsleden alsook de criteria voor de verdeling van de omkaderingsmiddelen worden onderhandeld in het lokaal comité. |
| 14 | - de evaluatie van de leerlingen; | 14 | - de evaluatie van de leerlingen; |
| 15 | - de professionalisering; | 15 | - de professionalisering; |
| 16 | - het overleg en de samenwerking met directie, collega's, CLBen ouders. | 16 | - het overleg en de samenwerking met directie, collega’s, CLB, leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en ouders. |
| 17 | §4. Voor de wervingsambten van het leerondersteunend personeel wordt bij het vastleggen van de functiebeschrijvingen, onverminderd artikel 73ter, rekening gehouden met het volgende principe: de kerntaak van de leerondersteuner is het bieden van leersteun als vermeld in artikel 7 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. Hiertoe behoren taken zoals: | ||
| 18 | – de planning, voorbereiding en nazorg van leersteun; | ||
| 19 | – de leersteun zelf; | ||
| 20 | – de professionalisering; | ||
| 21 | – het overleg en de samenwerking met directie, collega’s, schoolteams in de scholen voor gewoon onderwijs, ouders en in voorkomend geval CLB, welzijnspartners, andere leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, en andere relevante partners. | ||
| 1 | §1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20 van het decreet | ||
| 3 | van 5 mei 2023 over leersteun; | ||
| 4 | 2° de opdracht van ondersteuner: de opdracht, vermeld in artikel 172quinquies, §8, en 172quinquies/1, §6, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en van artikel 314/8, §8, en 314/9, §6, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010; | ||
| 5 | 3° een betrekking van ondersteuner: een betrekking die is opgericht op basis van de personeelsomkadering, vermeld in artikel 172quinquies en 172quinquies/1 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 314/8 en 314/9 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. | ||
| 6 | §2. In afwijking van hoofdstuk III gebeurt de aanstelling in een ambt van het leerondersteunend personeel in een leersteuncentrum op 1 september 2023, van een personeelslid dat tijdens het schooljaar 2022-2023 is aangesteld in een betrekking van ondersteuner, volgens de volgende procedure: | ||
| 7 | 1° een personeelslid dat tijdens het schooljaar 2022-2023 aangesteld is in een betrekking van ondersteuner, deelt aan de raad van bestuur van zijn scholengroep mee kandidaat te zijn voor een aanstelling in een ambt van het leerondersteunend personeel in het leersteuncentrum van zijn voorkeur. De raad van bestuur beslist over de wijze van kandidaatstelling; | ||
| 8 | 2° de raad van bestuur van de scholengroep stelt per leersteuncentrum een lijst op met de personeelsleden, vermeld in punt 1°. Een personeelslid kan maar op één lijst voorkomen; | ||
| 9 | 3° de raad van bestuur van de scholengroep bezorgt uiterlijk op 5 juni 2023 de lijst of de lijsten, vermeld in punt 2°, met de personeelsleden aan de inrichtende machten van de betreffende leersteuncentra; | ||
| 10 | 4° de lijst met personeelsleden, vermeld in punt 2°, bevat: | ||
| 11 | a) van elk personeelslid de identiteit en contactgegevens; | ||
| 12 | b) van elk personeelslid alle diploma’s; | ||
| 13 | c) van elk personeelslid het laatst uitgeoefende ambt; | ||
| 14 | d) van elk personeelslid het aantal dagen dienstanciënniteit in een betrekking van ondersteuner en in voorkomend geval in een betrekking in het tijdelijke project van de prewaarborgregeling of waarborgregeling, in het geïntegreerd onderwijs of het project inclusief onderwijs voor leerlingen met een verstandelijke beperking; | ||
| 15 | e) van elk personeelslid de statutaire toestand: vastbenoemd, ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tijdelijk aangesteld voor doorlopende duur, tijdelijk aangesteld voor bepaalde duur; | ||
| 16 | f) van elk personeelslid de omvang van de laatste opdracht als ondersteuner; | ||
| 17 | g) van elk personeelslid de omvang van de gewenste aanstelling in het leersteuncentrum; | ||
| 18 | h) van elk vastbenoemd personeelslid de gewenste statutaire toestand in het leersteuncentrum; | ||
| 19 | 5° de inrichtende macht van het leersteuncentrum kiest uit de verkregen lijst of lijsten, vermeld in punt 2° en in artikel 84duodetricies, §2, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, de personeelsleden die op 1 september 2023 zullen worden aangesteld in het leersteuncentrum. Daarbij houdt ze ten minste rekening met de vereiste expertise, vermeld in artikel 8 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun; | ||
| 20 | 6° uiterlijk op 23 juni 2023 doet de inrichtende macht van het leersteuncentrum via een aangetekende brief of via een e-mail met ontvangstbevestiging een voorstel van aanstelling in een betrekking in een ambt van het leerondersteunend personeel, aan de personeelsleden die ze conform punt 5° geselecteerd heeft. Een personeelslid dat niet akkoord gaat met het voorstel meldt dat op de wijze die wordt bepaald door de inrichtende macht van het leersteuncentrum, binnen vijf werkdagen nadat het personeelslid het voorstel heeft ontvangen; | ||
| 21 | 7° als de inrichtende macht van het leersteuncentrum beslist om een personeelslid uit de lijst of lijsten, vermeld in punt 2° en in artikel 84duodetricies, §2, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, niet in aanmerking te nemen, deelt ze dat mee via een aangetekende brief of via een e-mail met ontvangstbevestiging aan het betrokken personeelslid uiterlijk op 23 juni 2023. Ze voegt daarbij een motivering voor die beslissing. | ||
| 22 | De raad van bestuur van de scholengroep waar het personeelslid tijdens het schooljaar 2022-2023 aangesteld is in een betrekking van ondersteuner, en de inrichtende macht van het leersteuncentrum dat toegang krijgt tot de lijst of lijsten, zijn elk verwerkingsverantwoordelijke voor wat betreft hun opdracht, vermeld in het eerste lid. De verwerkingsverantwoordelijken bewaren de lijsten tot uiterlijk 31 december 2023. | ||
| 23 | §3. Onverminderd paragraaf 2, eerste lid, 1°, kan een raad van bestuur ook kandidaten toevoegen aan de lijst of lijsten, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2°, en in artikel 84duodetricies, §2, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, die diensten hebben gepresteerd in een betrekking van ondersteuner vóór het schooljaar 2022-2023, in het tijdelijke project van de prewaarborgregeling of waarborgregeling of in het geïntegreerd onderwijs of het project inclusief onderwijs voor leerlingen met een verstandelijke beperking. De toevoeging van een kandidaat aan deze lijst gebeurt uitsluitend op vraag van de kandidaat zelf. |
| 1 | §1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun; | ||
| 3 | 2° een betrekking van ondersteuner: een betrekking die is opgericht op basis van de personeelsomkadering, vermeld in artikel 172quinquies en 172quinquies/1 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 314/8 en 314/9 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010; | ||
| 4 | 3° een betrekking in het tijdelijke project van de prewaarborgregeling of waarborgregeling: een betrekking die is opgericht in het schooljaar 2015-2016 of 2016-2017 op basis van de personeelsomkadering, vermeld in artikel 172ter van het decreet basisonderwijs van 25 februari 2017 en artikel 314/6 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. | ||
| 5 | §2. De diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een betrekking van ondersteuner of in het tijdelijke project van de prewaarborgregeling of waarborgregeling, gelden vanaf 1 september 2023 als diensten die zijn gepresteerd in een ambt van het leerondersteunend personeel in een leersteuncentrum. | ||
| 6 | §3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 geldt voor een personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2023 aangesteld was in een betrekking van ondersteuner, en dat vanaf 1 september 2023 en uiterlijk op 15 november 2023 aangesteld wordt in een betrekking in het ambt van leerondersteuner in een leersteuncentrum, het volgende: | ||
| 7 | 1° wie uiterlijk op 30 juni 2023 vastbenoemd is voor een ambt, is voor hetzelfde volume vastbenoemd voor het ambt van leerondersteuner, voor zover het leersteuncentrum dat ambt binnen de hem toegekende omkadering kan oprichten; | ||
| 8 | 2° een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een ambt die het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2023 heeft, geldt voor ten minste hetzelfde volume voor het ambt van leerondersteuner waarin het personeelslid aangesteld wordt in een leersteuncentrum, voor zover het leersteuncentrum dat ambt binnen de hem toegekende omkadering kan oprichten. | ||
| 9 | Het personeelslid, vermeld in het eerste lid, 1°, moet op het ogenblik dat hij in een ambt van leerondersteuner vast benoemd wordt, voor het overeenkomstige volume van opdracht ontslag nemen in de school in het ambt van vaste benoeming. |
| 1 | In afwijking van artikel 36 kan de raad van bestuur een personeelslid op 1 januari 2024 vast benoemen in het ambt van leerondersteuner in een vacant verklaarde betrekking als vermeld in artikel 28, als dat personeelslid op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de bepalingen van artikel 17, met uitzondering van paragraaf 1, 7°, en daarenboven: | ||
| 2 | 1° op 15 november 2023 minstens 360 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in het betrokken ambt in het leersteuncentrum van de scholengroep; | ||
| 3 | 2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten; | ||
| 4 | 3° op 31 december 2023 voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor het personeelslid zich kandidaat heeft gesteld. De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing op personeelsleden die zijn aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of op personeelsleden als vermeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van hun opdracht waarvoor ze vastbenoemd zijn en waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Die personeelsleden moeten 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in het ambt van de vacant verklaarde betrekking; | ||
| 5 | 4° als laatste evaluatie in het ambt in kwestie geen evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ heeft verkregen bij de scholengroep waar de betrekking vacant is. Als het personeelslid niet is geëvalueerd, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn. | ||
| 6 | De vaste benoeming is alleen mogelijk als het personeelslid de betrekking in hoofdambt uitoefent. |
| 9 | - het beleids- en ondersteunend personeel; | 9 | - het beleids- en ondersteunend personeel; |
| 10 | - het administratief personeel; | 10 | - het administratief personeel; |
| 11 | - het leerondersteunend personeel; | ||
| 11 | tewerkgesteld in de gesubsidieerde | 12 | tewerkgesteld in de volgende gesubsidieerde instellingen: |
| 12 | - scholen van het basisonderwijs, instellingen voor secundair onderwijs, academies voor deeltijds kunstonderwijs en centra voor volwassenenonderwijs; | 13 | - scholen van het basisonderwijs, instellingen voor secundair onderwijs, academies voor deeltijds kunstonderwijs en centra voor volwassenenonderwijs; |
| 13 | - tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben; | ||
| 14 | - internaten; | ||
| 14 | - ...; | ||
| 15 | - onderwijsinternaten; | ||
| 16 | - de leersteuncentra; | ||
| 15 | - de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscellen, verder CLB's genoemd. | 17 | - de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscellen, verder CLB's genoemd. |
| 16 | Deze titel is eveneens van toepassing op de gesubsidieerde personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten zoals bedoeld in artikel 14 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. | 18 | Deze titel is eveneens van toepassing op de gesubsidieerde personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten zoals bedoeld in artikel 14 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. |
| 1 | Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: | 1 | Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: |
| 2 | 1° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de scholengemeenschapsinstellingen, de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben en de internaten. Het internaat toegevoegd aan een school maakt deel uit van die school; | 2 | 1° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de scholengemeenschapsinstellingen, de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de leersteuncentra en de onderwijsinternaten; |
| 3 | 2° de centra: de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscellen en pedagogische begeleidingsdiensten; | 3 | 2° de centra: de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscellen en pedagogische begeleidingsdiensten; |
| 4 | 3° het net : | 4 | 3° het net : |
| 8 | 4° de aanvullende regels van het bevoegd paritair comité: de regels die door de in titel I bedoelde paritaire comités met betrekking tot de rechtspositie van de aan dit decreet onderworpen personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs zijn vastgesteld en waaraan bij besluit van de Vlaamse regering algemeen verbindende kracht is gegeven; | 8 | 4° de aanvullende regels van het bevoegd paritair comité: de regels die door de in titel I bedoelde paritaire comités met betrekking tot de rechtspositie van de aan dit decreet onderworpen personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs zijn vastgesteld en waaraan bij besluit van de Vlaamse regering algemeen verbindende kracht is gegeven; |
| 9 | 5° de vacante betrekking: betrekking die niet is toegewezen aan een in de zin van dit decreet vastbenoemd personeelslid. Met het oog op een vaste benoeming is dit ook een betrekking die vacant wordt verklaard volgens artikel 33, § 1, 4°, 5° en 6°, artikel 84undevicies of artikel 84vicies sexies, § 1, 4°, 5° en 6; | 9 | 5° de vacante betrekking: betrekking die niet is toegewezen aan een in de zin van dit decreet vastbenoemd personeelslid. Met het oog op een vaste benoeming is dit ook een betrekking die vacant wordt verklaard volgens artikel 33, § 1, 4°, 5° en 6°, artikel 84undevicies of artikel 84vicies sexies, § 1, 4°, 5° en 6; |
| 10 | 6° het schooljaar: de periode van 1 september tot 31 augustus van het daaropvolgend jaar voor het voorschools, lager en secundair onderwijs; het academiejaar voor het hoger kunstonderwijs en het hoger onderwijs van het korte type en het dienstjaar voor de CLB's; | 10 | 6° het schooljaar: de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar; |
| 11 | 7° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vastbenoemd of tijdelijk aangesteld is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt; | 11 | 7° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vastbenoemd of tijdelijk aangesteld is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt; |
| 12 | 8° de bekwaamheidsbewijzen: de door de Vlaamse regering voor het ambt bepaalde bekwaamheidsbewijzen; | 12 | 8° de bekwaamheidsbewijzen: de door de Vlaamse regering voor het ambt bepaalde bekwaamheidsbewijzen; |
| 15 | 11° een ambt: een functie die in de onderwijssector wordt uitgeoefend en door de Gemeenschap wordt gefinancierd. | 15 | 11° een ambt: een functie die in de onderwijssector wordt uitgeoefend en door de Gemeenschap wordt gefinancierd. |
| 16 | De Vlaamse regering stelt de verschillende ambten vast en maakt een indeling in wervings-, selectie- en bevorderingsambten. Zolang de Vlaamse regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht; | 16 | De Vlaamse regering stelt de verschillende ambten vast en maakt een indeling in wervings-, selectie- en bevorderingsambten. Zolang de Vlaamse regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht; |
| 17 | 12° een betrekking: de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een instelling of centrum, uitgedrukt in een door de inrichtende macht bepaald aantal prestatie-eenheden per week. Als het gaat om een onderwijsopdracht vermeldt de inrichtende macht eveneens het onderwijsniveau, de opleiding, de module, het vak en de specialiteit ervan of de met het vak of specialiteit gelijkgestelde activiteit, de graad en voor het voor het voltijds secundair onderwijs eventueel het HBO5, de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeelof in een ambt van het ondersteunend personeel dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau en - uitgezonderd voor de CLB's - de puntenwaarde. | 17 | 12° een betrekking: de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een instelling of centrum, uitgedrukt in een door de inrichtende macht bepaald aantal prestatie-eenheden per week. Als het gaat om een onderwijsopdracht vermeldt de inrichtende macht eveneens het onderwijsniveau, de opleiding, de module, het vak en de specialiteit ervan of de met het vak of specialiteit gelijkgestelde activiteit, de graad en voor het voor het voltijds secundair onderwijs eventueel het HBO5, de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel, van het leerondersteunend personeel of in een ambt van het ondersteunend personeel dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau en - uitgezonderd voor de CLB's - de puntenwaarde. |
| 18 | Een betrekking kan volledig of onvolledig zijn. Een volledige betrekking stemt overeen met het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties. | 18 | Een betrekking kan volledig of onvolledig zijn. Een volledige betrekking stemt overeen met het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties. |
| 19 | Een personeelslid dat deeltijds werkt, heeft het recht dat deze prestaties maximaal over een proportioneel aantal halve dagen per week worden gespreid; | 19 | Een personeelslid dat deeltijds werkt, heeft het recht dat deze prestaties maximaal over een proportioneel aantal halve dagen per week worden gespreid; |
| 33 | 26° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs. | 33 | 26° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs. |
| 34 | 27° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. | 34 | 27° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. |
| 35 | 28° de inrichtende macht : de schoolbesturen van het basisonderwijs en van het voltijds secundair onderwijs, de centrumbesturen van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de rechtspersonen die bevoegdheid dragen voor de scholengemeenschapsinstellingen, de centrumbesturen van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, de schoolbesturen van het deeltijds kunstonderwijs, van de internaten en de besturen van tehuizen voor kinderen met ouders die geen vaste verblijfplaats hebben, van de autonome internaten en van de pedagogische begeleidingsdiensten; | 35 | 28° de inrichtende macht : de schoolbesturen van het basisonderwijs en van het voltijds secundair onderwijs, de besturen van de leersteuncentra, de centrumbesturen van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de rechtspersonen die bevoegdheid dragen voor de scholengemeenschapsinstellingen, de centrumbesturen van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, de schoolbesturen van het deeltijds kunstonderwijs, de besturen van de pedagogische begeleidingsdiensten en de onderwijsinternaatsbesturen van de onderwijsinternaten; |
| 36 | 29° leerkracht levensbeschouwelijk onderricht: de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer; | 36 | 29° leerkracht levensbeschouwelijk onderricht: de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer; |
| 37 | 30° MEDEX: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen; | 37 | 30° MEDEX: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen; |
| 38 | 31° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk; | 38 | 31° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk; |
| 39 | 32° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; | 39 | 32° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; |
| 40 | 33° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie. | 40 | 33° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie; |
| 41 | 34° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20, §1, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun; | ||
| 42 | 35° onderwijsinternaten: de onderwijsinternaten die erkend zijn overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten; | ||
| 1 | § 1. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld, als hij op het ogenblik van de aanstelling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel V.46, §1, 1°, 2° en 4°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs en artikel 18, §1, 1°, 2°, 4°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs, artikel 73, §1, 1°, 2° en 6°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, artikel 66, 1°, 2° en 6°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 24 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding of van artikel 106, §1, 1°, a), b) en d), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en daarenboven : | 1 | § 1. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld, als hij op het ogenblik van de aanstelling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel V.45, 1° en 2°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, artikel 18, §1, 1° en 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 73, §1, 1° en 2°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, artikel 35, §1, 1° en 2°, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten, artikel 66, 1°, 2° en 6°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 33, eerste lid, 1°, a) en b), van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, artikel 24 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding of van artikel 106, §1, 1°, a) en b), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en daarenboven : |
| 2 | 1° houder is van een bekwaamheidsbewijs voor het ambt, zoals bedoeld in artikel 5, 8°; | 2 | 1° houder is van een bekwaamheidsbewijs voor het ambt, zoals bedoeld in artikel 5, 8°; |
| 3 | 2° voldoet aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 19bis tot en met 19quinquies; | 3 | 2° voldoet aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 19bis tot en met 19quinquies; |
| 1 | § 1. Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 19bis, moet met betrekking tot de taalvereisten voor de onderwijstaal voldoen aan de bepalingen van dit artikel. | 1 | § 1. Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 19bis, moet met betrekking tot de taalvereisten voor de onderwijstaal voldoen aan de bepalingen van dit artikel. |
| 2 | § 2. Een personeelslid dat behoort tot het bestuurs- en onderwijzend personeelof tot een pedagogische begeleidingsdienst moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. | 2 | § 2. Een personeelslid dat behoort tot het bestuurs- en onderwijzend personeel, tot het leerondersteunend personeel of tot een pedagogische begeleidingsdienst moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. |
| 3 | § 3. Een personeelslid dat behoort tot een andere personeelscategorie dan deze bedoeld in § 2 moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. | 3 | § 3. Een personeelslid dat behoort tot een andere personeelscategorie dan deze bedoeld in § 2 moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. |
| 4 | § 4. In afwijking van paragraaf 2 moet een personeelslid dat aangesteld wordt in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat uitsluitend één of meer levende vreemde talen onderwijst, of belast is met een opdracht die uitsluitend in een vreemde taal wordt gegeven, met toepassing van artikel 157/1 van de Codex Secundair Onderwijs en artikel 27/1 van het decreet betreffende het stelsel van leren en werken, de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. | 4 | § 4. In afwijking van paragraaf 2 moet een personeelslid dat aangesteld wordt in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat uitsluitend één of meer levende vreemde talen onderwijst, of belast is met een opdracht die uitsluitend in een vreemde taal wordt gegeven, met toepassing van artikel 157/1 van de Codex Secundair Onderwijs en artikel 27/1 van het decreet betreffende het stelsel van leren en werken, de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. |
| 17 | De vaste benoeming gaat in 1 januari volgend op de vacantverklaring, voor zover de betrekkingen bedoeld in deze paragraaf op die datum nog vacant zijn. | 17 | De vaste benoeming gaat in 1 januari volgend op de vacantverklaring, voor zover de betrekkingen bedoeld in deze paragraaf op die datum nog vacant zijn. |
| 18 | § 2. De Vlaamse regering kan voor de categorieën van personeelsleden die ze aanwijst, de vaste benoeming afhankelijk maken van een onderwijsopdracht waarvan zij het minimum bepaalt. Bij de vaststelling van de categorieën zal de Vlaamse regering zich inzonderheid laten leiden door de situatie op de arbeidsmarkt en door het aantal wegens ontstentenis van betrekking in deze categorie ter beschikking gestelde vastbenoemde personeelsleden en de specifieke kenmerken van sommige ambten, opleidingen, modules, vakken en specialiteiten. | 18 | § 2. De Vlaamse regering kan voor de categorieën van personeelsleden die ze aanwijst, de vaste benoeming afhankelijk maken van een onderwijsopdracht waarvan zij het minimum bepaalt. Bij de vaststelling van de categorieën zal de Vlaamse regering zich inzonderheid laten leiden door de situatie op de arbeidsmarkt en door het aantal wegens ontstentenis van betrekking in deze categorie ter beschikking gestelde vastbenoemde personeelsleden en de specifieke kenmerken van sommige ambten, opleidingen, modules, vakken en specialiteiten. |
| 19 | § 3. Met ingang van 1 februari 1994 en tot een door de Vlaamse regering te bepalen datum kan een vaste benoeming geen uitwerking hebben ten aanzien van de overheid indien ze wordt uitgesproken: | ||
| 20 | - in het voltijds secundair onderwijs in het ambt van leraar met de specialiteit huishoudkunde, de specialiteit kleding en de specialiteit verpleegkunde, ongeacht de graad van de onderwijsvorm en ongeacht of het een technisch of een praktisch vak betreft; | ||
| 21 | - in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvormen 1, 2 en 3 in het ambt van leraar algemene en sociale vorming, specialiteit lichamelijke opvoeding; | ||
| 22 | - in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvorm 3 in de ambten van leraar beroepsgerichte vorming met de specialiteit gezinstechnieken, de specialiteit kleding en de specialiteit textiel; | ||
| 23 | - in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvorm 4 in het ambt van leraar met de specialiteit kleding, de specialiteit gezinstechnieken en de specialiteit textiel, ongeacht of het een technisch of een praktisch vak betreft; | ||
| 24 | - in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvorm 4 in het ambt van leraar in het algemeen vak lichamelijke opvoeding, ongeacht de graad en de onderwijsvorm. (Met ingang van 1 februari 1998 heeft de vaste benoeming terug uitwerking t.a.v. de overheid; zie: B.V.R. 9 maart 1999, B.S., 7 mei 1999) | ||
| 25 | De bepalingen van voorgaand lid zijn niet van toepassing op de wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde personeelsleden die voor een vaste benoeming in aanmerking komen. | ||
| 19 | § 3. .. | ||
| 26 | § 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, bepaalt de inrichtende macht afzonderlijk voor haar Centra voor Volwassenenonderwijs en voor haar academies voor deeltijds kunstonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokale onderhandelingscomité welke vacante betrekkingen ze meedeelt in respectievelijk de centra voor volwassenenonderwijs en de academies voor deeltijds kunstonderwijs . | 20 | § 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, bepaalt de inrichtende macht afzonderlijk voor haar centra voor volwassenenonderwijs, voor haar academies voor deeltijds kunstonderwijs en voor haar leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokaal comité welke vacante betrekkingen ze meedeelt in respectievelijk de centra voor volwassenenonderwijs, de academies voor deeltijds kunstonderwijs en de leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. |
| 27 | De inrichtende macht moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokale onderhandelingscomité geen akkoord wordt bereikt, meedelen als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De inrichtende macht moet alleszins jaarlijks de betrekkingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, 5° en 6°, meedelen. | 21 | De inrichtende macht moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokale onderhandelingscomité geen akkoord wordt bereikt, meedelen als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De inrichtende macht moet alleszins jaarlijks de betrekkingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, 5° en 6°, meedelen. |
| 1 | Zonder afbreuk te doen aan het principe dat een personeelslid wordt aangesteld in of geaffecteerd aan een instelling, kunnen de personeelsleden die zijn aangesteld in een ambt van het leerondersteunend personeel in een leersteuncentrum of een leersteuncentrum als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, worden ingezet voor de vervulling van hun opdracht voor en in scholen voor gewoon onderwijs als vermeld in artikel 5, 14°, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. | ||
| 2 | Bij de toepassing van het eerste lid worden minstens de volgende principes gehanteerd: | ||
| 3 | 1° het personeelslid wordt altijd aangesteld in of geaffecteerd aan de instelling waar de betrekking reglementair wordt ingericht; | ||
| 4 | 2° er wordt altijd rekening gehouden met de statutaire toestand van het personeelslid die conform dit decreet is bepaald. | ||
| 5 | De bepalingen over de inzetbaarheid, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden, met behoud van de toepassing van artikel 20 en 45, opgenomen in de overeenkomst of het besluit waarin de aanstelling wordt vastgesteld, alsook in de functiebeschrijving, vermeld in titel II, hoofdstuk Vbis. |
| 1 | §1. Een volledige betrekking in een selectie- of bevorderingsambt wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast. | 1 | §1. Een volledige betrekking in een selectie- of bevorderingsambt wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast. |
| 2 | §2. In afwijking van § 1 kan in het volwassenenonderwijs en in het deeltijds kunstonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan één of meerdere personeelsleden en een betrekking in een bevorderingsambt aan één of twee personeelsleden. | 2 | §2. In afwijking van § 1 kan in het volwassenenonderwijs en in het deeltijds kunstonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan één of meerdere personeelsleden en een betrekking in een bevorderingsambt aan één of twee personeelsleden. |
| 3 | §3. Een halftijdse betrekking in een bevorderingsambt in een leersteuncentrum wordt steeds toegekend aan één personeelslid. | ||
| 4 | In afwijking van paragraaf 1 kan in een leersteuncentrum of een leersteun- centrum als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan een of meerdere personeelsleden. | ||
| 5 | §4. Een halftijdse betrekking in een bevorderingsambt in een onderwijsinternaat wordt steeds toegekend aan één personeelslid. | ||
| 6 | §5. In afwijking van paragraaf 1 kan in het basisonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan een of meer personeelsleden. |
| 1 | § 1. Voor de personeelsleden vermeld in artikel 47bis worden, in het kader van hun begeleiding, functiebeschrijvingen opgesteld. | 1 | § 1. Voor de personeelsleden vermeld in artikel 47bis worden, in het kader van hun begeleiding, functiebeschrijvingen opgesteld. |
| 2 | Een functiebeschrijving moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument dat het mogelijk maakt een autonoom personeelsbeleid te voeren gericht op het verstrekken van kwaliteitsvol onderwijs. | 2 | Een functiebeschrijving moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument dat het mogelijk maakt een autonoom personeelsbeleid te voeren gericht op het verstrekken van kwaliteitsvol onderwijs. |
| 3 | § 2. Een functiebeschrijving is verplicht voor elk personeelslid en wordt door de eerste evaluator ondertekend. Voor de beheerder van een internaat, de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en in voorkomend geval de adjunct-directeur of - voor het CLB- de coördinator wordt de functiebeschrijving ondertekend door de inrichtende macht. Voor de directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, wordt de functiebeschrijving ondertekend door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap. De functiebeschrijving wordt bij de aanstelling overhandigd. Het betrokken personeelslid ondertekent de functiebeschrijving voor kennisname. | 3 | § 2. Een functiebeschrijving is verplicht voor elk personeelslid en wordt door de eerste evaluator ondertekend. Voor de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en in voorkomend geval de adjunct-directeur of - voor het CLB, het leersteuncentrum of het leersteuncentrum, vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, - de coördinator wordt de functiebeschrijving ondertekend door de inrichtende macht. Voor de directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, wordt de functiebeschrijving ondertekend door de evaluator aangeduid door de scholengemeenschap. De functiebeschrijving wordt bij de aanstelling overhandigd. Het betrokken personeelslid ondertekent de functiebeschrijving voor kennisname. |
| 4 | § 3. De inrichtende macht of de scholengemeenschap, indien de instelling tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen in het lokaal comité, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de principes vermeld in dit hoofdstuk. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie, worden vastgelegd. | 4 | § 3. De inrichtende macht of de scholengemeenschap, indien de instelling tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen in het lokaal comité, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de principes vermeld in dit hoofdstuk. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie, worden vastgelegd. |
| 5 | De inrichtende machten van de CLB's die een regionale ondersteuningscel vormen, maken algemene afspraken over de functiebeschrijvingen, waarbij ze rekening houden met de principes, vermeld in dit hoofdstuk. Over deze afspraken wordt onderhandeld in de respectieve lokale comités van de betrokken CLB's of desgevallend in het lokaal onderhandelingscomité van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel als vermeld in artikel 50 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie worden vastgelegd. | 5 | De inrichtende machten van de CLB's die een regionale ondersteuningscel vormen, maken algemene afspraken over de functiebeschrijvingen, waarbij ze rekening houden met de principes, vermeld in dit hoofdstuk. Over deze afspraken wordt onderhandeld in de respectieve lokale comités van de betrokken CLB's of desgevallend in het lokaal onderhandelingscomité van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel als vermeld in artikel 50 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. De kerntaken die moeten worden opgenomen in de functiebeschrijvingen kunnen op deze manier per ambt, en desgevallend binnen het ambt per functie worden vastgelegd. |
| 6 | § 4. De inrichtende macht duidt voor ieder personeelslid twee evaluatoren aan en houdt daarbij rekening met volgende principes : | 6 | § 4. De inrichtende macht duidt voor ieder personeelslid twee evaluatoren aan en houdt daarbij rekening met volgende principes : |
| 7 | 1° voor personeelsleden tewerkgesteld in wervingsambten moet één van beide evaluatoren steeds een directeur, een adjunct-directeur of - voor het CLB - een coördinator zijn. Wordt het wervingsambt evenwel uitgeoefend in een internaat, dan moet één van beide evaluatoren steeds de beheerder van dat internaat zijn; | 7 | 1° voor personeelsleden tewerkgesteld in wervingsambten moet één van beide evaluatoren steeds een directeur, een adjunct-directeur of - voor het CLB - een coördinator zijn; |
| 8 | 2° voor de eerste evaluator gelden volgende bepalingen : | 8 | 2° voor de eerste evaluator gelden volgende bepalingen : |
| 9 | - de eerste evaluator moet een personeelslid zijn van de inrichtende macht waarbij het betrokken personeelslid is tewerkgesteld. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing voor personeelsleden die tewerkgesteld zijn in een scholengemeenschapsinstelling of ter ondersteuning van of op het niveau van de scholengemeenschap. In dat geval kan de eerste evaluator wel een personeelslid zijn van een andere inrichtende macht van de scholengemeenschap. Deze bepaling is eveneens niet van toepassing voor personeelsleden die tewerkgesteld zijn ter ondersteuning van of op het niveau van de regionale ondersteuningscel. In dat geval kan de eerste evaluator een personeelslid zijn van een andere inrichtende macht van de regionale ondersteuningscel; | 9 | - de eerste evaluator moet een personeelslid zijn van de inrichtende macht waarbij het betrokken personeelslid is tewerkgesteld. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing voor personeelsleden die tewerkgesteld zijn in een scholengemeenschapsinstelling of ter ondersteuning van of op het niveau van de scholengemeenschap. In dat geval kan de eerste evaluator wel een personeelslid zijn van een andere inrichtende macht van de scholengemeenschap. Deze bepaling is eveneens niet van toepassing voor personeelsleden die tewerkgesteld zijn ter ondersteuning van of op het niveau van de regionale ondersteuningscel. In dat geval kan de eerste evaluator een personeelslid zijn van een andere inrichtende macht van de regionale ondersteuningscel; |
| 15 | - voor een personeelslid dat aangesteld is in het ambt van pedagogisch adviseur is de tweede evaluator een lid van de inrichtende macht; | 15 | - voor een personeelslid dat aangesteld is in het ambt van pedagogisch adviseur is de tweede evaluator een lid van de inrichtende macht; |
| 16 | - de rol van de tweede evaluator wordt bepaald binnen de algemene afspraken bedoeld in § 3 en in artikel 47novies, maar deze afspraken mogen geen afbreuk doen aan de rol en de taken van de eerste evaluator zoals vastgelegd in dit artikel en in artikel 47decies. Deze afspraken moeten minstens inhouden dat het personeelslid en de eerste evaluator op hun verzoek tijdens de in hoofdstuk Vbis en Vter bedoelde procedure steeds een beroep kunnen doen op de tweede evaluator; | 16 | - de rol van de tweede evaluator wordt bepaald binnen de algemene afspraken bedoeld in § 3 en in artikel 47novies, maar deze afspraken mogen geen afbreuk doen aan de rol en de taken van de eerste evaluator zoals vastgelegd in dit artikel en in artikel 47decies. Deze afspraken moeten minstens inhouden dat het personeelslid en de eerste evaluator op hun verzoek tijdens de in hoofdstuk Vbis en Vter bedoelde procedure steeds een beroep kunnen doen op de tweede evaluator; |
| 17 | § 5. In afwijking van paragraaf 4 worden de beheerder van een internaat, de directeur en de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst geëvalueerd door de inrichtende macht. De inrichtende macht heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De inrichtende macht moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. | 17 | § 5. In afwijking van paragraaf 4 worden de directeur en de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst geëvalueerd door de inrichtende macht. De inrichtende macht heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De inrichtende macht moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. |
| 18 | Als een inrichtende macht in een onderwijsinternaat slechts een halftijdse betrekking in het ambt van directeur opricht, en het betrokken personeelslid deze betrekking van directeur combineert met een betrekking in een wervings- of selectieambt in dezelfde instelling, dan wordt het personeelslid in afwijking van paragraaf 4 voor beide ambten geëvalueerd door de inrichtende macht. Het personeelslid heeft geen tweede evaluator. | ||
| 19 | Als een inrichtende macht in een leersteuncentrum slechts een halftijdse betrekking van directeur opricht, en het betrokken personeelslid deze betrekking van directeur combineert met een betrekking in een wervings- of selectieambt in dezelfde instelling, wordt het personeelslid in afwijking van paragraaf 4 voor beide ambten geëvalueerd door de inrichtende macht. Het personeelslid heeft geen tweede evaluator. | ||
| 18 | In afwijking van het eerste lid wordt de directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, geëvalueerd door de evaluator die in overleg wordt aangeduid door de scholengemeenschap. Hij heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De evaluator moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. | 20 | In afwijking van het eerste lid wordt de directeur, belast met de functie directeur coördinatie-scholengemeenschap, geëvalueerd door de evaluator die in overleg wordt aangeduid door de scholengemeenschap. Hij heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De evaluator moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. |
| 19 | In afwijking van paragraaf 4 wordt het personeelslid dat belast is met het mandaat van coördinerend directeur geëvalueerd door de instantie die hem met het mandaat belast heeft. De instantie die de evaluatie op zich neemt, heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De instantie die de evaluatie op zich neemt moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. | 21 | In afwijking van paragraaf 4 wordt het personeelslid dat belast is met het mandaat van coördinerend directeur geëvalueerd door de instantie die hem met het mandaat belast heeft. De instantie die de evaluatie op zich neemt, heeft als voornaamste taak het personeelslid voldoende coaching en begeleiding te bezorgen. Er kan daarbij in delegatie of externe hulp voorzien worden voor de opname van het concrete begeleidingstraject. De instantie die de evaluatie op zich neemt moet regelmatig functioneringsgesprekken houden met het personeelslid. Bovendien heeft het personeelslid op diens verzoek recht op een functioneringsgesprek. Van het functioneringsgesprek kan een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoonsen ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. |
| 22 | § 7. Een opleiding tot evaluator is verplicht voor wie als evaluator wordt aangesteld. Evaluatoren moeten binnen de twee jaar na hun aanduiding als evaluator een opleiding tot evaluator succesvol afgerond hebben. Evaluatoren die al voor 1 september 2021 als evaluator aangeduid waren en nog geen opleiding hadden gevolgd, krijgen daarvoor de tijd tot 1 september 2023. | 24 | § 7. Een opleiding tot evaluator is verplicht voor wie als evaluator wordt aangesteld. Evaluatoren moeten binnen de twee jaar na hun aanduiding als evaluator een opleiding tot evaluator succesvol afgerond hebben. Evaluatoren die al voor 1 september 2021 als evaluator aangeduid waren en nog geen opleiding hadden gevolgd, krijgen daarvoor de tijd tot 1 september 2023. |
| 23 | Wie na deze termijn niet aan deze voorwaarde voldoet kan niet evalueren. | 25 | Wie na deze termijn niet aan deze voorwaarde voldoet kan niet evalueren. |
| 24 | § 8. De functiebeschrijving, die moet vastgelegd worden per ambt en per instelling, bevat de kerntaken van het personeelslid. De kerntaken omvatten de taken eigen aan de functie, de professionalisering, en het overleg en de samenwerking met directie, collega's en desgevallend CLB en ouders . Wanneer zijn kerntaken wijzigen, krijgt het personeelslid een nieuwe functiebeschrijving. Daarbij wordt rekening gehouden met de algemene afspraken die in uitvoering van paragraaf 3 zijn vastgelegd met de bepalingen van het arbeidsreglement en, in het gesubsidieerd vrij onderwijs, met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst. | 26 | § 8. De functiebeschrijving, die moet vastgelegd worden per ambt en per instelling, bevat de kerntaken van het personeelslid. De kerntaken omvatten de taken eigen aan de functie, de professionalisering, en het overleg en de samenwerking met directie, collega's en desgevallend CLB, ouders en leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. Wanneer zijn kerntaken wijzigen, krijgt het personeelslid een nieuwe functiebeschrijving. Daarbij wordt rekening gehouden met de algemene afspraken die in uitvoering van paragraaf 3 zijn vastgelegd met de bepalingen van het arbeidsreglement en, in het gesubsidieerd vrij onderwijs, met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst. |
| 25 | § 9. De functiebeschrijving van de de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | 27 | § 9. De functiebeschrijving van de de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. |
| 11 | - het vervangen van afwezige leraars en aanvullend toezicht houden; | 11 | - het vervangen van afwezige leraars en aanvullend toezicht houden; |
| 12 | - vertegenwoordiging in schoolexterne organen. | 12 | - vertegenwoordiging in schoolexterne organen. |
| 13 | §4. Dit artikel is niet van toepassing op personeelsleden aangesteld in een wervingsambt van het leerondersteunend personeel in de leersteuncentra of de leersteuncentra, vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. | ||
| 6 | - de evaluatie van de leerlingen en cursisten; | 6 | - de evaluatie van de leerlingen en cursisten; |
| 7 | - de professionalisering; | 7 | - de professionalisering; |
| 8 | - het overleg en de samenwerking met directie, collega's, en desgevallend CLBen ouders. | 8 | - het overleg en de samenwerking met directie, collega’s, en in voor- komend geval CLB, leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en ouders. |
| 9 | § 2. Een personeelslid in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel kan belast worden met een specifieke functie op voorwaarde dat de inrichtende macht daarvoor omkaderingsmiddelen aanwendt. In dat geval worden voor dit personeelslid in afwijking van paragraaf 1 - of aanvullend op paragraaf 1 indien het personeelslid belast wordt met zowel een lesopdracht als een specifieke functiespecifieke taken opgenomen in de functiebeschrijving. | 9 | § 2. Een personeelslid in een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel kan belast worden met een specifieke functie op voorwaarde dat de inrichtende macht daarvoor omkaderingsmiddelen aanwendt. In dat geval worden voor dit personeelslid in afwijking van paragraaf 1 - of aanvullend op paragraaf 1 indien het personeelslid belast wordt met zowel een lesopdracht als een specifieke functiespecifieke taken opgenomen in de functiebeschrijving. |
| 10 | De criteria die worden gebruikt om voor die specifieke taken al dan niet omkaderingsmiddelen aan te wenden en om ze te verdelen onder alle personeelsleden alsook de criteria voor de verdeling van de omkaderingsmiddelen worden onderhandeld in het lokaal comité. | 10 | De criteria die worden gebruikt om voor die specifieke taken al dan niet omkaderingsmiddelen aan te wenden en om ze te verdelen onder alle personeelsleden alsook de criteria voor de verdeling van de omkaderingsmiddelen worden onderhandeld in het lokaal comité. |
| 14 | - de evaluatie van de leerlingen; | 14 | - de evaluatie van de leerlingen; |
| 15 | - de professionalisering; | 15 | - de professionalisering; |
| 16 | - het overleg en de samenwerking met directie, collega's, CLBen ouders. | 16 | - het overleg en de samenwerking met directie, collega’s, CLB, leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en ouders. |
| 17 | §4. Voor de wervingsambten van het leerondersteunend personeel wordt bij het vastleggen van de functiebeschrijvingen, onverminderd artikel 47ter, rekening gehouden met het volgende principe: de kerntaak van de leerondersteuner is het bieden van leersteun als vermeld in artikel 7 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. Hiertoe behoren taken zoals: | ||
| 18 | – de planning, voorbereiding en nazorg van leersteun; | ||
| 19 | – de leersteun zelf; | ||
| 20 | – de professionalisering; | ||
| 21 | – het overleg en de samenwerking met directie, collega’s, schoolteams in de scholen voor gewoon onderwijs, ouders en in voorkomend geval CLB, welzijnspartners, andere leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, en andere relevante partners. | ||
| 1 | §1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun; | ||
| 3 | 2° de opdracht van ondersteuner: de opdracht, vermeld in artikel 172quinquies, §8, en 172quinquies/1, §6, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en van artikel 314/8, §8, en 314/9, §6, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010; | ||
| 4 | 3° een betrekking van ondersteuner: een betrekking die is opgericht op basis van de personeelsomkadering, vermeld in artikel 172quinquies en 172quinquies/1 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 314/8 en 314/9 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. | ||
| 5 | §2. In afwijking van titel II, hoofdstuk III, gebeurt de aanstelling in een ambt van het leerondersteunend personeel in een leersteuncentrum op 1 september 2023, van een personeelslid dat tijdens het schooljaar 2022-2023 is aangesteld in een betrekking van ondersteuner, volgens de volgende procedure: | ||
| 6 | 1° een personeelslid dat tijdens het schooljaar 2022-2023 aangesteld is in een betrekking van ondersteuner, deelt aan de inrichtende macht van de school mee kandidaat te zijn voor een aanstelling in een ambt van het leerondersteunend personeel in het leersteuncentrum van zijn voorkeur. De inrichtende macht beslist over de wijze van kandidaatstelling; | ||
| 7 | 2° de inrichtende macht van de school stelt per leersteuncentrum een lijst op met de personeelsleden, vermeld in punt 1°. Een personeelslid kan maar op één lijst voorkomen; | ||
| 8 | 3° de inrichtende macht van de school bezorgt uiterlijk op 5 juni 2023 de lijst of de lijsten, vermeld in punt 2° en in artikel 103sexies decies, §2, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, met de personeelsleden aan de inrichtende machten van de betreffende leersteuncentra; | ||
| 9 | 4° de lijst met personeelsleden, vermeld in punt 2°, bevat: | ||
| 10 | a) van elk personeelslid de identiteit en contactgegevens; | ||
| 11 | b) van elk personeelslid alle diploma’s; | ||
| 12 | c) van elk personeelslid het laatst uitgeoefende ambt; | ||
| 13 | d) van elk personeelslid het aantal dagen dienstanciënniteit in een betrekking van ondersteuner en in voorkomend geval in een betrekking in het tijdelijke project van de prewaarborgregeling of waarborgregeling, in het geïntegreerd onderwijs of het project inclusief onderwijs voor leerlingen met een verstandelijke beperking; | ||
| 14 | e) van elk personeelslid de statutaire toestand: vastbenoemd, ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tijdelijk aangesteld voor doorlopende duur, tijdelijk aangesteld voor bepaalde duur; | ||
| 15 | f) van elk personeelslid de omvang van de laatste opdracht als ondersteuner; | ||
| 16 | g) van elk personeelslid de omvang van de gewenste aanstelling in het leersteuncentrum; | ||
| 17 | h) van elk vastbenoemd personeelslid de gewenste statutaire toestand in het leersteuncentrum; | ||
| 18 | 5° de inrichtende macht van het leersteuncentrum kiest uit de verkregen lijst of lijsten, vermeld in punt 2° en in artikel 103sexies decies, §2, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, de personeelsleden die op 1 september 2023 zullen worden aangesteld in het leersteuncentrum. Daarbij houdt ze ten minste rekening met de vereiste expertise, vermeld in artikel 8 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun; | ||
| 19 | 6° uiterlijk op 23 juni 2023 doet de inrichtende macht van het leersteuncentrum via een aangetekende brief of via een e-mail met ontvangstbevestiging een voorstel van aanstelling in een betrekking in een ambt van het leerondersteunend personeel, aan de personeelsleden die ze conform punt 5° geselecteerd heeft. Een personeelslid dat niet akkoord gaat met het voorstel meldt dat op de wijze die wordt bepaald door de inrichtende macht van het leersteuncentrum, binnen vijf werkdagen nadat het personeelslid het voorstel heeft ontvangen; | ||
| 20 | 7° als de inrichtende macht van het leersteuncentrum beslist om een personeelslid uit de lijst of lijsten, vermeld in punt 2° en in artikel 103sexies decies, §2, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, niet in aanmerking te nemen, deelt ze dat mee via een aangetekende brief of via een e-mail met ontvangstbevestiging aan het betrokken personeelslid uiterlijk op 23 juni 2023. Ze voegt daarbij een motivering voor die beslissing. | ||
| 21 | De inrichtende macht van de school voor buitengewoon onderwijs waar het personeelslid tijdens het schooljaar 2022-2023 aangesteld is in een betrekking van ondersteuner, en de inrichtende macht van het leersteuncentrum dat toegang krijgt tot de lijst of lijsten, zijn elk verwerkingsverantwoordelijke voor wat betreft hun opdracht, vermeld in het eerste lid. De verwerkingsverantwoordelijken bewaren de lijsten tot uiterlijk 31 december 2023. | ||
| 22 | §3. Onverminderd paragraaf 2, eerste lid, 1°, kan een inrichtende macht ook kandidaten toevoegen aan de lijst of lijsten, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2°, en in artikel 103sexies decies, §2, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, die diensten hebben gepresteerd in een betrekking van ondersteuner vóór het schooljaar 2022-2023, in het tijdelijke project van de prewaarborgregeling of waarborgregeling of in het geïntegreerd onderwijs of het project inclusief onderwijs voor leerlingen met een verstandelijke beperking. De toevoeging van een kandidaat aan deze lijst gebeurt uitsluitend op vraag van de kandidaat zelf. |
| 1 | §1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20 van het decreet | ||
| 3 | van [...] over leersteun; | ||
| 4 | 2° een betrekking van ondersteuner: een betrekking die is opgericht op basis van de personeelsomkadering, vermeld in artikel 172quinquies en 172quinquies/1 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 314/8 en 314/9 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010; | ||
| 5 | 3° een betrekking in het tijdelijke project van de prewaarborgregeling of waarborgregeling: een betrekking die is opgericht in het schooljaar 2015-2016 of 2016-2017 op basis van de personeelsomkadering, vermeld in artikel 172ter van het decreet basisonderwijs van 25 februari 2017 en artikel 314/6 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. | ||
| 6 | §2. De diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een betrekking van ondersteuner of in het tijdelijke project van de prewaarborgregeling of waarborgregeling, gelden vanaf 1 september 2023 als diensten die zijn gepresteerd in een ambt van het leerondersteunend personeel in een leersteuncentrum. | ||
| 7 | §3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 geldt voor een personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2023 aangesteld was in een betrekking van ondersteuner, en dat vanaf 1 september 2023 en uiterlijk op 15 november 2023 aangesteld wordt in een betrekking van het ambt van leerondersteuner in een leersteuncentrum, het volgende: | ||
| 8 | 1° wie uiterlijk op 30 juni 2023 vastbenoemd is voor een ambt, is voor hetzelfde volume vastbenoemd voor het ambt van leerondersteuner, voor zover het leersteuncentrum dat ambt binnen de hem toegekende omkadering kan oprichten; | ||
| 9 | 2° een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een ambt die het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2023 heeft, geldt voor ten minste hetzelfde volume voor het ambt van leerondersteuner waarin het personeelslid aangesteld wordt in een leersteuncentrum, voor zover het leersteuncentrum dat ambt binnen de hem toegekende omkadering kan oprichten. | ||
| 10 | Het personeelslid, vermeld in het eerste lid, 1°, moet op het ogenblik dat hij in een ambt van leerondersteuner vast benoemd wordt, voor het overeenkomstig volume van opdracht ontslag nemen in de school in het ambt van vaste benoeming. |
| 1 | In afwijking van artikel 36 kan de inrichtende macht een personeelslid op 1 januari 2024 vast benoemen in het ambt van leerondersteuner in een vacant verklaarde betrekking als vermeld in artikel 33, als dat personeelslid op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de bepalingen van artikel 19 en daarenboven: | ||
| 2 | 1° op 15 november 2023 minstens 360 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in het betrokken ambt in het leersteuncentrum van de inrichtende macht; | ||
| 3 | 2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten; | ||
| 4 | 3° op 31 december 2023 voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor het personeelslid zich kandidaat heeft gesteld. De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing op personeelsleden die zijn aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of op personeelsleden als vermeld in hoofdstuk IVbis voor wat betreft het volume van hun opdracht waarvoor ze vastbenoemd zijn en waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Die personeelsleden moeten 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in het ambt van de vacant verklaarde betrekking; | ||
| 5 | 4° als laatste evaluatie in het ambt in kwestie geen evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ heeft verkregen bij de inrichtende macht waar de betrekking vacant is. Als het personeelslid niet is geëvalueerd, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn. | ||
| 6 | De vaste benoeming is alleen mogelijk als het personeelslid de betrekking in hoofdambt uitoefent. |
| 1 | § 1. In aanvulling op artikel 172quinquies van hetzelfde decreet wordt voor het schooljaar x-x+1 vanaf het schooljaar 2022-2023 bijkomende omkadering toegekend aan de ondersteuningsnetwerken, vermeld in artikel 172quinquies, per leerling die een school voor gewoon onderwijs die aangesloten is bij het ondersteuningsnetwerk, op de eerste schooldag van oktober x meer telt dan op de teldag van de eerste schooldag van februari x, als die leerling aan de volgende voorwaarden voldoet: | ||
| 2 | 1° ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan; | ||
| 3 | 2° beschikken over een gemotiveerd verslag als vermeld in artikel 16 of over een verslag als vermeld in artikel 15 van hetzelfde decreet, type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in respectievelijk artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van hetzelfde decreet. | ||
| 4 | De bijkomende omkadering per leerling bedraagt 1,17 bijkomende lestijden en 1,10 bijkomende uren voor leerlingen met een gemotiveerd verslag of verslag type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in respectievelijk artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van hetzelfde decreet. | ||
| 5 | § 2. In aanvulling op artikel 172quinquies van hetzelfde decreet wordt voor het schooljaar x-x+1 vanaf het schooljaar 2022-2023 bijkomende omkadering toegekend aan de ondersteuningsnetwerken, vermeld in artikel 172quinquies, per leerling die een school voor gewoon onderwijs die aangesloten is bij het ondersteuningsnetwerk, op de eerste schooldag van oktober x meer telt dan op de teldag van de eerste schooldag van februari x, als die leerling aan de volgende voorwaarden voldoet: | ||
| 6 | 1° anderstalige nieuwkomer zijn als vermeld in artikel 3, 4° quater, van hetzelfde decreet, met uitzondering van de leeftijdsvereisten, vermeld in artikel 3, 4° quater, a), van hetzelfde decreet, en niet ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan; | ||
| 7 | 2° beschikken over een gemotiveerd verslag als vermeld in artikel 16 of over een verslag als vermeld in artikel 15 van hetzelfde decreet, type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in respectievelijk artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van hetzelfde decreet. | ||
| 8 | De bijkomende omkadering per leerling bedraagt 1,17 bijkomende lestijden en 1,10 bijkomende uren voor leerlingen met een gemotiveerd verslag of verslag type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in respectievelijk artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van hetzelfde decreet. | ||
| 9 | § 3. De bijkomende lestijden en bijkomende uren, berekend volgens paragraaf 1 en 2, worden over de scholen voor gewoon onderwijs heen die tot hetzelfde ondersteuningsnetwerk behoren, als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal en als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 10 | § 4. De toekenning door de Vlaamse Regering van de bijkomende lestijden en bijkomende uren aan scholen voor het buitengewoon onderwijs verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 172quinquies, § 5, tweede lid, van hetzelfde decreet. | ||
| 11 | § 5. De bijkomende lestijden en bijkomende uren, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, worden door de scholen voor buitengewoon onderwijs aangewend conform de bepalingen van hetzelfde decreet. De betrekkingen die georganiseerd worden met de bijkomende lestijden en bijkomende uren, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen. | ||
| 12 | § 6. Voor de leerlingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt een bijkomend werkingsbudget toegekend met toepassing van artikel 86bis/1, § 2, van hetzelfde decreet. |
| 1 | § 1. In aanvulling op artikel 314/8 van dezelfde codex wordt voor het schooljaar x-x+1 vanaf het schooljaar 2022-2023 bijkomende omkadering toegekend aan de ondersteuningsnetwerken, vermeld in artikel 314/8, per leerling die een school voor gewoon onderwijs die aangesloten is bij het ondersteuningsnetwerk, op de eerste schooldag van oktober x meer telt dan op de teldag van de eerste schooldag van februari x, als die leerling aan de volgende voorwaarden voldoet: | ||
| 2 | 1° ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan; | ||
| 3 | 2° beschikken over een gemotiveerd verslag als vermeld in artikel 352 of over een verslag als vermeld in artikel 294 van dezelfde codex, type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in respectievelijk artikel 259, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van dezelfde codex. | ||
| 4 | De bijkomende omkadering per leerling bedraagt 1,17 bijkomende lesuren en 1,10 bijkomende uren voor leerlingen met een gemotiveerd verslag of verslag type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in respectievelijk artikel 259, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van dezelfde codex. | ||
| 5 | § 2. In aanvulling op artikel 314/8 van dezelfde codex wordt voor het schooljaar x-x+1 vanaf het schooljaar 2022-2023 bijkomende omkadering toegekend aan de ondersteuningsnetwerken, vermeld in artikel 314/8, per leerling die een school voor gewoon onderwijs die aangesloten is bij het ondersteuningsnetwerk, op de eerste schooldag van oktober x meer telt dan op de teldag van de eerste schooldag van februari x, als die leerling aan de volgende voorwaarden voldoet: | ||
| 6 | 1° anderstalige nieuwkomer zijn als vermeld in artikel 3, 2° /1, van dezelfde codex en niet ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan; | ||
| 7 | 2° beschikken over een gemotiveerd verslag als vermeld in artikel 352 van dezelfde codex of over een verslag als vermeld in artikel 294 van dezelfde codex, type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in respectievelijk artikel 259, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van dezelfde codex. | ||
| 8 | De bijkomende omkadering per leerling bedraagt 1,17 bijkomende lesuren en 1,10 bijkomende uren voor leerlingen met een gemotiveerd verslag of verslag type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in respectievelijk artikel 259, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van hetzelfde decreet. | ||
| 9 | § 3. De bijkomende lesuren en bijkomende uren, berekend volgens paragraaf 1 en 2, worden over de scholen voor gewoon onderwijs heen die tot hetzelfde ondersteuningsnetwerk behoren, als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal en als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 10 | § 4. De toekenning door de Vlaamse Regering van de bijkomende lesuren en bijkomende uren aan scholen voor buitengewoon onderwijs verloopt volgens de procedure, vermeld in artikel 314/8, § 5, tweede lid, van dezelfde codex. | ||
| 11 | § 5. De bijkomende lesuren en bijkomende uren, vermeld in paragraaf 1 tot en met 5, worden door de scholen voor buitengewoon onderwijs aangewend conform de bepalingen van dezelfde codex. De betrekkingen die georganiseerd worden met de bijkomende lesuren en bijkomende uren, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen. | ||
| 12 | § 6. Voor de leerlingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt een bijkomend werkingsbudget toegekend met toepassing van artikel 330/3, § 2, van dezelfde codex. |
| 1 | §1. In aanvulling op artikel 42 en 43 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun wordt voor het schooljaar x-x+1 vanaf het schooljaar 2023-2024 bijkomende omkadering toegekend aan de leersteuncentra, vermeld in artikel 7, 8 en 9 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, per leerling die een school voor gewoon onderwijs die aangesloten is bij het leersteuncentrum, op de eerste schooldag van oktober x meer telt dan op de teldag van de eerste schooldag van februari x, als die leerling aan de volgende voorwaarden voldoet: | ||
| 2 | 1° ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan; | ||
| 3 | 2° voor het basisonderwijs: beschikken over een GC-verslag als vermeld in artikel 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 of over een IAC-verslag als vermeld in artikel 15 van hetzelfde decreet, type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in respectievelijk artikel 10, §1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van hetzelfde decreet; | ||
| 4 | 3° voor het secundair onderwijs: beschikken over een GC-verslag als vermeld in artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of over een IAC-verslag of OV4-verslag als vermeld in artikel 294 van dezelfde codex, type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in respectievelijk artikel 259, §1, 1°, 3° en 8°, van dezelfde codex. | ||
| 5 | De bijkomende omkadering per leerling bedraagt: | ||
| 6 | 1° 7,65 punten voor leerlingen met een GC-verslag of IAC-verslag type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in artikel 10, §1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van het | ||
| 7 | decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; | ||
| 8 | 2° 8,2 punten voor leerlingen met een GC-verslag, IAC-verslag of OV4-verslag type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in artikel 259, §1, 1°, 3° en 8°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. | ||
| 9 | §2. In aanvulling op artikel 42 en 43 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun wordt voor het schooljaar x-x+1 vanaf het schooljaar 2023-2024 bijkomende omkadering toegekend aan de leersteuncentra, vermeld in artikel 7, 8 en 9 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, per leerling die een school voor gewoon onderwijs die aangesloten is bij het leersteuncentrum, op de eerste schooldag van oktober x meer telt dan op de teldag van de eerste schooldag van februari x, als die leerling aan de volgende voorwaarden voldoet: | ||
| 10 | 1° voor het basisonderwijs: | ||
| 11 | a) anderstalige nieuwkomer zijn als vermeld in artikel 3, 4°quater, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, met uitzondering van de leeftijdsvereisten, vermeld in artikel 3, 4°quater, a), van hetzelfde decreet, en niet ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/ EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan; | ||
| 12 | b) beschikken over een GC-verslag als vermeld in artikel 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 of over een IAC-verslag als vermeld in artikel 15 van hetzelfde decreet, type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in respectievelijk artikel 10, §1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van hetzelfde decreet; | ||
| 13 | 2° voor het secundair onderwijs: | ||
| 14 | a) anderstalige nieuwkomer zijn als vermeld in artikel 3, 2°/1, van dezelfde codex en niet ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/ EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan; | ||
| 15 | b) beschikken over een GC-verslag als vermeld in artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of over een IAC-verslag of OV4-verslag als vermeld in artikel 294 van dezelfde codex, type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in respectievelijk artikel 259, §1, 1°, 3° en 8°, van dezelfde codex. | ||
| 16 | De bijkomende omkadering per leerling bedraagt: | ||
| 17 | 1° 7,65 punten voor leerlingen met een GC-verslag of IAC-verslag type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in artikel 10, §1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van het | ||
| 18 | decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; | ||
| 19 | 2° 8,2 punten voor leerlingen met een GC-verslag, IAC-verslag of OV4-verslag type basisaanbod, 3 en 9 als vermeld in artikel 259, §1, 1°, 3° en 8°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. | ||
| 20 | §3. De bijkomende punten, berekend volgens paragraaf 1 en 2, worden over de scholen voor gewoon onderwijs heen die tot hetzelfde leersteuncentrum behoren, als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal en als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 21 | §4. De bijkomende punten, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, worden door de leersteuncentra aangewend conform de bepalingen van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. De betrekkingen die georganiseerd worden met de bijkomende punten komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen. | ||
| 22 | §5. Voor de leerlingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt een bijkomend werkingsbudget toegekend met toepassing van artikel 51 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. |
| 1 | Artikel 1, 32, 34, 41 en 46 treden in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. | 1 | Artikel 1, 32, 34, 41 en 46 treden in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. |
| 2 | Artikel 28, 40 en 45treden in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad en treden buiten werking op het einde van het schooljaar waarin er een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van de richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan, in werking is. | 2 | Artikel 45 en 45/1 treden in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad en treden buiten werking op het einde van het schooljaar waarin er een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van de richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan, in werking is. |
| 3 | Artikel 44 treedt in werking tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. | 3 | Artikel 44 treedt in werking tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. |
| 4 | Artikel 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 23, 33 en 35 hebben uitwerking met ingang van 4 maart 2022. | 4 | Artikel 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 23, 33 en 35 hebben uitwerking met ingang van 4 maart 2022. |