Decreet over het onderwijs XXX
115 artikels gewijzigd
| 1 | §1. Deze codificatie is van toepassing op de universiteiten en hogescholen. | 1 | §1. Deze codificatie is van toepassing op de universiteiten en hogescholen. |
| 2 | §2. De artikelen I.3, 4°, 6°, 7°, 11°, 14°, 15°, 16°, 17°, 18°, 19°, 20°, 22°, 23°, 24°, 25°, 46°, 48°, 49°, 56°, 64°, 66°, 67°, 68°, 70°, 74°, 76° en 78°, II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.66, II.67, II.68, II.69, II.70, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.124/1, II.133, II.141, II.143, II.150, II.152, II.153, II.153/1, II.153/2, II.153/3, II.153/4, II.153/5, II.153/6, II.154, II.170, II.170/1, II.170/14, II.170/15, II.170/16, II.170/17, II.170/18, II.172, II.174, II.176, II.177, II.178, II.179, II.180, II.181, II.182, II.183, II.184, II.185, II.189, II.190, II.191, II.192, II.193, II.194, II.195, II.196, II.197, II.198, II.199, II.200, II.201, II.202, II.207, II.208, II.209, II.210, II.211, II.212, II.213, II.214, II.215, II.216, II.217, II.218, II.219, II.223, II.224, II.225, II.226, II.227, II.228, II.229, II.230, II.231, II.232, II.233, II.234, II.235, II.236, II.237, II.238, II.239, II.240, II.241, II.242, II.243, II.244, II.245, II.246, II.247, II.251, II.252, II.377, II.390, IV.84 en IV.92 zijn van toepassing op de andere ambtshalve geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is. | 2 | §2. De artikelen I.3, 4°, 6°, 7°, 11°, 14°, 15°, 16°, 17°, 18°, 19°, 20°, 22°, 23°, 24°, 25°, 46°, 48°, 49°, 56°, 64°, 66°, 67°, 68°, 70°, 74°, 76° en 78°, II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.66, II.67, II.68, II.69, II.70, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.107, II.108, II.109, II.110, II.111, II.114, II.124/1, II.133, II.141, II.143, II.150, II.152, II.153, II.153/1, II.153/2, II.153/3, II.153/4, II.153/5, II.153/6, II.154, II.170, II.170/1, II.170/14, II.170/15, II.170/16, II.170/17, II.170/18, II.172, II.174, II.176, II.177, II.178, II.179, II.180, II.181, II.182, II.183, II.184, II.185, II.189, II.190, II.191, II.192, II.193, II.194, II.195, II.196, II.197, II.198, II.199, II.200, II.201, II.202, II.207, II.208, II.209, II.210, II.211, II.212, II.213, II.214, II.215, II.216, II.217, II.218, II.219, II.223, II.224, II.225, II.226, II.227, II.228, II.229, II.230, II.231, II.232, II.233, II.234, II.235, II.236, II.237, II.238, II.239, II.240, II.241, II.242, II.243, II.244, II.245, II.246, II.247, II.251, II.252, II.377, II.390, IV.84 en IV.92 zijn van toepassing op de andere ambtshalve geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is. |
| 3 | De bepalingen van deel 2, titel 5, hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de Vlerick Business School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de Antwerp Management School. | 3 | De bepalingen van deel 2, titel 5, hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de Vlerick Business School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de Antwerp Management School. |
| 4 | § 3. De artikelen II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.124/1, II.133, II.141, II.143, II.150, II.152, II.153, II.153/1, II.153/2, II.153/3, II.153/4, II.153/5, II.153/6, II.154, II.170, II.170/1, II.170/14, II.170/15, II.170/16, II.170/17, II.170/18, II.172, II.247, II.251, II.252 en II.377 zijn van toepassing op de geregistreerde instellingen. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is. | 4 | § 3. De artikelen II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.124/1, II.133, II.141, II.143, II.150, II.152, II.153, II.153/1, II.153/2, II.153/3, II.153/4, II.153/5, II.153/6, II.154, II.170, II.170/1, II.170/14, II.170/15, II.170/16, II.170/17, II.170/18, II.172, II.247, II.251, II.252 en II.377 zijn van toepassing op de geregistreerde instellingen. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is. |
| 3 | 2° accreditatie en instellingsreview: | 3 | 2° accreditatie en instellingsreview : |
| 4 | a) opleidingsaccreditatie: de formele erkenning van een opleiding op grond van een beslissing van een onafhankelijk orgaan waarin vastgesteld wordt dat de opleiding voldoet aan vooraf vastgestelde minimale kwaliteits- en niveauvereisten; | 4 | a) opleidingsaccreditatie: de formele erkenning van een opleiding op grond van een beslissing van een onafhankelijk orgaan waarin vastgesteld wordt dat de opleiding voldoet aan vooraf vastgestelde minimale kwaliteits- en niveauvereisten; |
| 5 | b) eerste ronde opleidingsaccreditaties: de accreditaties die zijn verleend vanaf 1 februari 2005 tot en met het einde van het academiejaar 2012-2013; | ||
| 6 | c) tweede ronde opleidingsaccreditaties: de accreditaties die zijn verleend vanaf het begin van het academiejaar 2013-2014 tot en met het einde van het academiejaar 2020-2021; | ||
| 7 | d) derde ronde opleidingsaccreditaties: de accreditaties die zijn verleend vanaf het begin van het academiejaar 2021-2022 tot en met het einde van het academiejaar 2028-2029; | ||
| 8 | e) instellingsreview: periodieke beoordeling door een externe commissie van de beleidsprocessen die een instelling hoger onderwijs opzet om te garanderen dat ze haar taken op het terrein van het onderwijs op een kwaliteitsvolle manier uitvoert; | 5 | b) instellingsreview: de periodieke beoordeling door een externe commissie van de wijze waarop een hogeronderwijsinstelling onderwijsbeleid voert en aantoont dat ze dit onderwijsbeleid op een kwaliteitsvolle manier uitvoert met inbegrip van de regie die de instelling opzet opdat de kwaliteit van haar opleidingen geborgd wordt. De commissie betrekt daarbij ook de beleidsprocessen die de instelling opzet om het onderwijs dat ze in haar opleidingen aanbiedt te ondersteunen vanuit haar opdrachten op het terrein van onderzoek en maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening; |
| 9 | f) positief besluit instellingsreview: het besluit van de accreditatieorganisatie dat een instellingsreview afrondt en waarin de accreditatieorganisatie bevestigt dat de instelling voldoet aan alle onderwerpen van het beoordelingskader instellingsreview; | ||
| 10 | g) eerste ronde instellingsreviews: de instellingsreviews die worden uitgevoerd vanaf het begin van het academiejaar 2015-2016 tot en met het einde van het academiejaar 2016-2017; | ||
| 11 | h) tweede ronde instellingsreviews: de instellingsreviews die worden uitgevoerd vanaf het begin van het academiejaar 2019-2020 tot en met het einde van het academiejaar 2020-2021; | ||
| 12 | i) derde ronde instellingsreviews: de instellingsreviews die worden uitgevoerd vanaf het begin van het academiejaar 2025-2026 tot en met het einde van het academiejaar 2026-2027; | ||
| 13 | j) opleidingsdossier: het dossier dat het instellingsbestuur indient met het oog op het verkrijgen van de opleidingsaccreditatie; | ||
| 14 | k) visitatierapport: de gepubliceerde externe beoordeling uitgevoerd door een visitatiecommissie georganiseerd door een evaluatieorgaan; | ||
| 6 | c) regie: het geheel van acties, processen, praktijken, procedures en instrumenten die de instelling in staat stelt de kwaliteit van de opleidingen te borgen; | ||
| 7 | d) toets nieuwe opleiding: een beoordeling door een externe commissie van de potentiële kwaliteit van een nieuwe opleiding als vermeld in artikel II.150 van deze codex; | ||
| 15 | 3° accreditatieorganisatie: de organisatie die bij internationaal verdrag aangewezen is om de accreditatie te verlenen en de toets nieuwe opleidingen uit te voeren; | 8 | 3° accreditatieorganisatie: de organisatie die bij internationaal verdrag aangewezen is om de accreditatie van opleidingen te verlenen, de toets nieuwe opleiding en de instellingsreview uit te voeren; |
| 16 | 4° ...; | 9 | 4° ...; |
| 17 | 5° afgevaardigde : een behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger; | 10 | 5° afgevaardigde : een behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger; |
| 22 | 10° basisvoorwaarden bij het studeren : behoeften uit het dagelijks leven die vervuld moeten zijn om goed te kunnen studeren; | 15 | 10° basisvoorwaarden bij het studeren : behoeften uit het dagelijks leven die vervuld moeten zijn om goed te kunnen studeren; |
| 23 | 11° bekwaamheidsonderzoek : het onderzoek van de competenties van een persoon, voorafgaand aan het afleveren van een bewijs van bekwaamheid; | 16 | 11° bekwaamheidsonderzoek : het onderzoek van de competenties van een persoon, voorafgaand aan het afleveren van een bewijs van bekwaamheid; |
| 17 | 11°/1 beroepskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties waarmee een beroep kan uitgeoefend worden als vermeld in artikel 8 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur; | ||
| 24 | 12° bestuur : elk bestuursorgaan van een associatie, respectievelijk een instelling dat krachtens een wettelijke of decretale bepaling of de statuten is aangewezen om uitvoerbare beslissingen te nemen in de in deze codificatie bedoelde aangelegenheden; | 18 | 12° bestuur : elk bestuursorgaan van een associatie, respectievelijk een instelling dat krachtens een wettelijke of decretale bepaling of de statuten is aangewezen om uitvoerbare beslissingen te nemen in de in deze codificatie bedoelde aangelegenheden; |
| 25 | 13° beursstudent : een student die een studietoelage ontvangt van de Vlaamse Gemeenschap, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap; | 19 | 13° beursstudent : een student die een studietoelage ontvangt van de Vlaamse Gemeenschap, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap; |
| 29 | c) onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische Ruimte en beantwoordt aan de financiële criteria voor het verkrijgen van een studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of | 23 | c) onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische Ruimte en beantwoordt aan de financiële criteria voor het verkrijgen van een studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of |
| 30 | d) een DGOS-bursaal, een BTC-bursaal of een bursaal in de programma’s van de ontwikkelingssamenwerking van de Vlaamse Interuniversitaire Raad is; | 24 | d) een DGOS-bursaal, een BTC-bursaal of een bursaal in de programma’s van de ontwikkelingssamenwerking van de Vlaamse Interuniversitaire Raad is; |
| 31 | 15° bewijs van bekwaamheid: het bewijsdat een student op grond van EVC’s of EVK’s de competenties heeft verworven eigen aan: | 25 | 15° bewijs van bekwaamheid: het bewijs, via een document of een bewijs van registratie, dat een student op grond van EVC's of EVK's de competenties heeft verworven die eigen zijn aan: |
| 26 | a) het niveau van gegradueerde in het hoger beroepsonderwijs; | ||
| 32 | a) het niveau van bachelor in het hoger professioneel onderwijs of het academisch onderwijs, of | 27 | b) het niveau van bachelor in het hoger professioneel onderwijs of het academisch onderwijs; |
| 33 | b) het masterniveau, of | ||
| 28 | c) het niveau van master; | ||
| 34 | c) een welomschreven opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen; | 29 | d) een welomschreven opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen; |
| 35 | Bedoeld bewijs betreft een document of een registratie; | ||
| 36 | 16° bijna-beursstudent : een student die onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische ruimte of voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap en die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar waarvan het referentie-inkomen ten hoogste 3000 euro ligt boven de financiële maximumgrens, bepaald in de regelgeving betreffende de studietoelagen. Het bedrag van 3000 euro wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218; | 30 | 16° bijna-beursstudent : een student die onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische ruimte of voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap en die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar waarvan het referentie-inkomen ten hoogste 3000 euro ligt boven de financiële maximumgrens, bepaald in de regelgeving betreffende de studietoelagen. Het bedrag van 3000 euro wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218; |
| 37 | 17° creditbewijs : de erkenning van het feit dat een student blijkens een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een document of een registratie. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden aangeduid als “credits”; | 31 | 17° creditbewijs : de erkenning van het feit dat een student blijkens een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een document of een registratie. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden aangeduid als “credits”; |
| 38 | 18° creditcontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor 1 of meer opleidingsonderdelen; | 32 | 18° creditcontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor 1 of meer opleidingsonderdelen; |
| 39 | 19° cursist : een deelnemer aan het hoger beroepsonderwijs die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en ingeschreven is, als vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs; | ||
| 33 | 19°...; | ||
| 40 | 19°/1 Databank Hoger Onderwijs: de databank, vermeld in artikel IV.90; | 34 | 19°/1 Databank Hoger Onderwijs: de databank, vermeld in artikel IV.90; |
| 41 | 20° diplomacontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een graad of diploma van een opleiding of die zich inschrijft voor een schakel- of voorbereidingsprogramma; | 35 | 20° diplomacontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een graad of diploma van een opleiding of die zich inschrijft voor een schakel- of voorbereidingsprogramma; |
| 50 | 27° financieringspunten : het financieringsvolume, uitgedrukt in een aantal punten en berekend op basis van het aantal opgenomen studiepunten, het aantal verworven studiepunten en het aantal diploma’s, en rekening houdend met het puntengewicht en de financieringsboni; | 44 | 27° financieringspunten : het financieringsvolume, uitgedrukt in een aantal punten en berekend op basis van het aantal opgenomen studiepunten, het aantal verworven studiepunten en het aantal diploma’s, en rekening houdend met het puntengewicht en de financieringsboni; |
| 51 | 28° gedelibereerde studiepunten : studiepunten waarvoor een student op basis van examens geen creditbewijs verworven heeft, maar waarvoor een examencommissie beslist heeft dat de bijbehorende opleidingsonderdelen niet hervat hoeven te worden. De examencommissie heeft verklaard dat de student geslaagd is voor het geheel van de opleidingsonderdelen in kwestie die hij tijdens de periode in kwestie heeft gevolgd; | 45 | 28° gedelibereerde studiepunten : studiepunten waarvoor een student op basis van examens geen creditbewijs verworven heeft, maar waarvoor een examencommissie beslist heeft dat de bijbehorende opleidingsonderdelen niet hervat hoeven te worden. De examencommissie heeft verklaard dat de student geslaagd is voor het geheel van de opleidingsonderdelen in kwestie die hij tijdens de periode in kwestie heeft gevolgd; |
| 52 | 29° generatiestudent : een student die zich, in een bepaald academiejaar, voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs. Het statuut van generatiestudent geldt voor dat volledige academiejaar; | 46 | 29° generatiestudent : een student die zich, in een bepaald academiejaar, voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een opleiding van het hoger beroepsonderwijs of een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs. Het statuut van generatiestudent geldt voor dat volledige academiejaar; |
| 53 | 30° gesubsidieerde officiële hogeschool : een hogeschool met een publiekrechtelijk karakter tot 1 oktober 2013, die opgericht is door een provincie, een gemeente of een OCMW; | 47 | 30° gesubsidieerde officiële hogeschool : een hogeschool met een publiekrechtelijk karakter tot 1 oktober 2013, die opgericht is door een provincie, een gemeente of een OCMW; |
| 54 | 31° gesubsidieerde vrije hogeschool : een hogeschool met een privaatrechtelijk karakter; | 48 | 31° gesubsidieerde vrije hogeschool : een hogeschool met een privaatrechtelijk karakter; |
| 55 | 32° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ’s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen; | 49 | 32° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ’s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen; |
| 56 | 33° graad : aanduiding van bachelor, master of doctor verleend op het einde van een opleiding c.q. na promotie met de uitreiking van een diploma; | 50 | 33° graad : aanduiding van gegradueerde, bachelor, master of doctor verleend op het einde van een opleiding c.q. na promotie met de uitreiking van een diploma; |
| 57 | 33°/1 hbo5-opleiding: een opleiding van het hoger beroepsonderwijs die buiten de context van deze codex werd of wordt aangeboden, met name door een cvo of een secundaire school; | 51 | 33°/1 hbo5-opleiding: een opleiding van het hoger beroepsonderwijs die buiten de context van deze codex werd of wordt aangeboden, met name door een cvo of een secundaire school; |
| 58 | 34° herstructurering : onder herstructurering wordt begrepen : | 52 | 34° herstructurering : onder herstructurering wordt begrepen : |
| 62 | d) een overdracht van 1 of meer studiegebieden van een hogeronderwijsinstelling naar een andere instelling, waarbij deze laatste instelling onderwijsbevoegdheid heeft voor de overgedragen studiegebieden; | 56 | d) een overdracht van 1 of meer studiegebieden van een hogeronderwijsinstelling naar een andere instelling, waarbij deze laatste instelling onderwijsbevoegdheid heeft voor de overgedragen studiegebieden; |
| 63 | 34°/1 Hogeronderwijsregister: het register, vermeld in artikel II.170; | 57 | 34°/1 Hogeronderwijsregister: het register, vermeld in artikel II.170; |
| 64 | 35° integratiekader: het geheel van personeelsleden, opgenomen in een lijst die bekrachtigd is door de Vlaamse Regering, zoals vermeld in artikel V.209; | ||
| 58 | 35° integratiekader : het geheel van de personeelsleden die door een hogeschool met behoud van hun rechtspositieregeling als personeel van de hogeschool, aan een universiteit zijn overgedragen, voor zover ze niet opgenomen zijn in de rechtspositieregeling van de universiteiten; | ||
| 65 | 36° jaar : kalenderjaar; | 59 | 36° jaar : kalenderjaar; |
| 66 | 37° kunstopleidingen : de professioneel gerichte bacheloropleidingen en de academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen in de volgende studiegebieden: | 60 | 37° kunstopleidingen : de professioneel gerichte bacheloropleidingen en de academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen in de volgende studiegebieden: |
| 79 | waarin de ambtshalve geregistreerde instellingen krachtens deze codificatie opleidingen kunnen aanbieden; | 73 | waarin de ambtshalve geregistreerde instellingen krachtens deze codificatie opleidingen kunnen aanbieden; |
| 80 | 43° onderwijs- en examenreglement : het reglement bedoeld in deel 2, titel 4, hoofdstuk 3; | 74 | 43° onderwijs- en examenreglement : het reglement bedoeld in deel 2, titel 4, hoofdstuk 3; |
| 75 | 43°/1 onderwijskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties dat noodzakelijk is om maatschappelijk te functioneren en te participeren, waarmee verdere studies in het secundair of in het hoger onderwijs aangevat kunnen worden of waarmee beroepsactiviteiten uitgeoefend kunnen worden als vermeld in artikel 9 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur; | ||
| 81 | 44° onderzoeksmaster : een initiële masteropleiding zoals vermeld in artikel II.157; | 76 | 44° onderzoeksmaster : een initiële masteropleiding zoals vermeld in artikel II.157; |
| 82 | 45° opgenomen studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student zich heeft ingeschreven in een bepaald academiejaar; | 77 | 45° opgenomen studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student zich heeft ingeschreven in een bepaald academiejaar; |
| 127 | 76° voorbereidingsprogramma : een programma dat kan worden opgelegd aan een student die niet in het bezit is van een diploma dat op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wenst in te schrijven; | 122 | 76° voorbereidingsprogramma : een programma dat kan worden opgelegd aan een student die niet in het bezit is van een diploma dat op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wenst in te schrijven; |
| 128 | 77° vrijstelling : de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; | 123 | 77° vrijstelling : de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; |
| 124 | 77°/1 werkplekleren : leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is; | ||
| 129 | 78° werkstudent : een student die aan al de volgende voorwaarden beantwoordt : | 125 | 78° werkstudent : een student die aan al de volgende voorwaarden beantwoordt : |
| 130 | a) hij is in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van ten minste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk; | 126 | a) hij is in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van ten minste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk; |
| 112 | h) een beslissing inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma van hoger onderwijs met een Vlaams diploma van hoger onderwijs genomen krachtens artikel II.256; | 112 | h) een beslissing inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma van hoger onderwijs met een Vlaams diploma van hoger onderwijs genomen krachtens artikel II.256; |
| 113 | i) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van ontoereikend leerkrediet of een leerkrediet lager dan of gelijk aan 0, indien niet het gevolg van een algemene reglementaire bepaling; | 113 | i) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van ontoereikend leerkrediet of een leerkrediet lager dan of gelijk aan 0, indien niet het gevolg van een algemene reglementaire bepaling; |
| 114 | j) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van het niet naleven van een opgelegde maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.246; | ||
| 114 | 70° toetredingsovereenkomst : de overeenkomst tussen instellingsbestuur en student bedoeld in artikel II.273; | 115 | 70° toetredingsovereenkomst : de overeenkomst tussen instellingsbestuur en student bedoeld in artikel II.273; |
| 115 | 71° verworven studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student een creditbewijs heeft ontvangen; | 116 | 71° verworven studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student een creditbewijs heeft ontvangen; |
| 1 | Artikel IV.68, is niet van toepassing op de relaties tussen associaties en universiteiten en hogescholen. |
| 11 | 8° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend. | 11 | 8° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend. |
| 12 | § 3. De Universiteit Hasselt kan in het administratief arrondissement Hasselt de educatieve masteropleiding Wetenschappen en Technologie aanbieden en de desbetreffende graad van master uitreiken in het studiegebied Wetenschappen. Zij sluit hiertoe een samenwerkingsovereenkomst af met een andere Vlaamse universiteit die bevoegd is om deze masteropleiding te organiseren. | 12 | § 3. De Universiteit Hasselt kan in het administratief arrondissement Hasselt de educatieve masteropleiding Wetenschappen en Technologie aanbieden en de desbetreffende graad van master uitreiken in het studiegebied Wetenschappen. Zij sluit hiertoe een samenwerkingsovereenkomst af met een andere Vlaamse universiteit die bevoegd is om deze masteropleiding te organiseren. |
| 13 | § 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 en 3 kan de Universiteit Hasselt in het administratief arrondissement Hasselt de volgende academisch gerichte opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen: | ||
| 14 | 1° in het studiegebied Geneeskunde de opleiding master in de verpleegen vroedkunde en de daarop betrekking hebbende graad van master verlenen; | ||
| 15 | 2° in het studiegebied Geneeskunde de opleiding master Systeemen procesinnovatie in de gezondheidszorg en de daarop betrekking hebbende graad van master verlenen; | ||
| 16 | 3° in het studiegebied Wetenschappen de opleiding master in Materiomics en de daarop betrekking hebbende graad van master verlenen; | ||
| 17 | 4° in het studiegebied Politieke en Sociale Wetenschappen de opleiding bachelor in de sociale wetenschappen en de daarop betrekking hebbende graad van bachelor verlenen. | ||
| 38 | a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend; | 38 | a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend; |
| 39 | b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. | 39 | b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. |
| 40 | § 3. De Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen kan in de vestiging Turnhout opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in het studiegebied Biotechniek, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. | 40 | § 3. De Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen kan in de vestiging Antwerpen opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in het studiegebied Biotechniek, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend. |
| 2 | 1° het centrum voor volwassenenonderwijs had onderwijsbevoegdheid voor de specifieke lerarenopleiding conform bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2017 betreffende de onderwijsbevoegdheden per vestigingsplaats van de centra voor volwassenonderwijs; | 2 | 1° het centrum voor volwassenenonderwijs had onderwijsbevoegdheid voor de specifieke lerarenopleiding conform bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2017 betreffende de onderwijsbevoegdheden per vestigingsplaats van de centra voor volwassenonderwijs; |
| 3 | 2° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft een overeenkomst gesloten met de hogeschool in kwestie als vermeld in artikel III.33/1. | 3 | 2° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft een overeenkomst gesloten met de hogeschool in kwestie als vermeld in artikel III.33/1. |
| 4 | § 2. Naast de opleidingen vermeld in artikel II.78 tot en met II.100, kan een hogeschool, in het kader van een School of Arts, of een universiteit in functie van de laagdrempeligheid van het aanbod, het verkorte traject van een educatieve masteropleiding, vermeld in artikel II.114, § 4, ook aanbieden op de vestigingsplaats van een centrum voor volwassenenonderwijs, als aan al de volgende voorwaarden wordt voldaan : | 4 | § 2. Naast de opleidingen vermeld in artikel II.78 tot en met II.100, kan een hogeschool, in het kader van een School of Arts, of een universiteit in functie van de laagdrempeligheid van het aanbod, het verkorte traject van een educatieve masteropleiding, vermeld in artikel II.114, § 4, en het consecutief traject van een educatieve masteropleiding aan een universiteit, voor zover nominatim vermeld in artikel II.114, § 6, ook aanbieden op de vestigingsplaats van een centrum voor volwassenenonderwijs, als aan al de volgende voorwaarden wordt voldaan : |
| 5 | 1° het centrum voor volwassenenonderwijs had onderwijsbevoegdheid voor de specifieke lerarenopleiding conform bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2017 betreffende de onderwijsbevoegdheden per vestgingsplaats van de centra voor volwassenonderwijs; | 5 | 1° het centrum voor volwassenenonderwijs had onderwijsbevoegdheid voor de specifieke lerarenopleiding conform bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2017 betreffende de onderwijsbevoegdheden per vestgingsplaats van de centra voor volwassenonderwijs; |
| 6 | 2° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft een overeenkomst gesloten met de hogeschool of universiteit in kwestie als vermeld in artikel III.33/1. | 6 | 2° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft een overeenkomst gesloten met de hogeschool of universiteit in kwestie als vermeld in artikel III.33/1. |
| 1 | Onverminderd het aanbieden van de lerarenopleidingen, vermeld in artikel II.111, hebben de hogescholen en universiteiten die lerarenopleidingen aanbieden, de volgende opdrachten : | 1 | Onverminderd het aanbieden van de lerarenopleidingen, vermeld in artikel II.111, hebben de hogescholen en universiteiten die lerarenopleidingen aanbieden, en de Evangelische Theologische Faculteit, de volgende opdrachten : |
| 2 | 1° mee instaan voor de verdere ontwikkeling in het professionele continuüm en de ontwikkeling van het reflectieve vermogen bij aspirant-leraren; | 2 | 1° mee instaan voor de verdere ontwikkeling in het professionele continuüm en de ontwikkeling van het reflectieve vermogen bij aspirant-leraren; |
| 3 | 2° een aanbod ontwikkelen voor professionalisering en permanente vorming, met een kwaliteitsvol en complementair team van lerarenopleiders, zeker ook op het vlak van het hebben van voldoende ervaring in het lesgeven zelf, en zo de brug slaan tussen de lerarenopleidingen, de pedagogische begeleidingsdiensten en de andere aanbieders van professionalisering voor leraren; | 3 | 2° een aanbod ontwikkelen voor professionalisering en permanente vorming, met een kwaliteitsvol en complementair team van lerarenopleiders, zeker ook op het vlak van het hebben van voldoende ervaring in het lesgeven zelf, en zo de brug slaan tussen de lerarenopleidingen, de pedagogische begeleidingsdiensten en de andere aanbieders van professionalisering voor leraren; |
| 1 | § 1. De hogescholen en/of universiteiten en/of ambtshalve geregistreerde instellingen kunnen een overeenkomst sluiten over de organisatie van de lerarenopleidingen, namelijk over de onderwijs- en studieactiviteiten, de kwaliteitszorg en het gebruik van infrastructuur, zoals voorzien in artikel II.173. | 1 | § 1. De hogescholen en/of universiteiten en/of de Evangelische Theologische Faculteit kunnen een overeenkomst sluiten over de organisatie van de lerarenopleidingen, namelijk over de onderwijs- en studieactiviteiten, de kwaliteitszorg en het gebruik van infrastructuur, zoals voorzien in artikel II.173. |
| 2 | § 2. De Vlaamse Regering kan middelen toekennen voor initiatieven die de kwaliteit van de lerarenopleidingen verbeteren en/of de samenwerking tussen lerarenopleidingen bevorderen. Hiertoe zal ze ten minste om de vijf jaar de beleidsprioriteiten vastleggen. | 2 | § 2. De Vlaamse Regering kan middelen toekennen voor initiatieven die de kwaliteit van de lerarenopleidingen verbeteren en/of de samenwerking tussen lerarenopleidingen bevorderen. Hiertoe zal ze ten minste om de vijf jaar de beleidsprioriteiten vastleggen. |
| 3 | Die initiatieven kunnen georganiseerd worden door hogescholen en/of universiteiten en/of ambtshalve geregistreerde instellingen die een of meer lerarenopleidingen organiseren. | 3 | Die initiatieven kunnen georganiseerd worden door hogescholen en/of universiteiten en/of de Evangelische Theologische Faculteit die een of meer lerarenopleidingen organiseren. |
| 4 | De Vlaamse Regering stelt nadere inhoudelijke, organisatorische en procedurele regels vast voor de toekenning van de middelen. | 4 | De Vlaamse Regering stelt nadere inhoudelijke, organisatorische en procedurele regels vast voor de toekenning van de middelen. |
| 4 | § 4. In afwijking van de procedure, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling II/1, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, wordt de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs ontwikkeld volgens de procedures, vermeld in artikel II.68, II.108, § 2, II.141, II.152 en II.153. | 4 | § 4. In afwijking van de procedure, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling II/1, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, wordt de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs ontwikkeld volgens de procedures, vermeld in artikel II.68, II.108, § 2, II.141, II.152 en II.153. |
| 5 | De aanvraag, vermeld in artikel II.152, kan voor de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs worden ingediend zonder de beslissing van de Vlaamse Regering tot erkenning van een beroepskwalificatie. | 5 | De aanvraag, vermeld in artikel II.152, kan voor de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs worden ingediend zonder de beslissing van de Vlaamse Regering tot erkenning van een beroepskwalificatie. |
| 6 | § 5. In afwijking van paragraaf 2 en artikel II.176 kunnen kandidaten die geslaagd zijn voor een artistiek toelatingsexamen, georganiseerd door de hogeschool die, in het kader van een School of Arts, de professionele bacheloropleiding dans organiseert, en die vijf jaar nuttige ervaring als professionele danser in een erkend gezelschap kunnen aantonen, toegelaten worden tot de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs. | 6 | § 5. Met behoud van paragraaf 2 moet een kandidaat, om toegelaten te worden tot de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs, onderwijsvak dans, geslaagd zijn voor een artistiek toelatingsexamen, georganiseerd door de hogeschool die, in het kader van een School of Arts, de professionele bacheloropleiding Dans organiseert. De toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel II.176, zijn niet van toepassing. |
| 7 | § 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels en voorwaarden bepalen waaronder de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs wordt georganiseerd. | 7 | § 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels en voorwaarden bepalen waaronder de educatieve graduaatsopleiding voor secundair onderwijs wordt georganiseerd. |
| 7 | 3° een diploma van een academische initiële lerarenopleiding, een initiële lerarenopleiding van academisch niveau of een getuigschrift pedagogische bekwaamheid in combinatie met een bachelor- of masterdiploma; | 7 | 3° een diploma van een academische initiële lerarenopleiding, een initiële lerarenopleiding van academisch niveau of een getuigschrift pedagogische bekwaamheid in combinatie met een bachelor- of masterdiploma; |
| 8 | 4° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met een van de voorgaande diploma's wordt erkend. | 8 | 4° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met een van de voorgaande diploma's wordt erkend. |
| 9 | § 4. Een student die al beschikt over een bachelordiploma kan, in afwijking van paragraaf 2, een diploma van de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs behalen zonder de vermelding van onderwijsvakken. | ||
| 9 | § 4. Een student die al beschikt over een bachelordiploma kan, in afwijking van paragraaf 2, een diploma van de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs behalen zonder de vermelding van onderwijsvakken. Tot en met het academiejaar 2022-2023 kan ook een student die beschikt over een diploma dat gelijkgeschakeld is met de graad van master, vermeld in artikel II.377 en in artikel II.378, § 1, tweede en derde lid, in afwijking van paragraaf 2 van dit artikel, een diploma van de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs behalen zonder de vermelding van onderwijsvakken. | ||
| 10 | De hogescholen die de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs aanbieden, bieden de component leraarschap, met inbegrip van een cluster vakdidactiek, aan als een verkort traject van die opleiding. | 10 | De hogescholen die de educatieve bacheloropleiding voor secundair onderwijs aanbieden, bieden de component leraarschap, met inbegrip van een cluster vakdidactiek, aan als een verkort traject van die opleiding. |
| 11 | Het verkorte traject, dat focust op de component leraarschap, vormt een coherent geheel van zestig studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste dertig studiepunten en van een vakdidactische cluster. Het traject wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. | 11 | Het verkorte traject, dat focust op de component leraarschap, vormt een coherent geheel van zestig studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste dertig studiepunten en van een vakdidactische cluster. Het traject wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. |
| 12 | Het verkort traject, dat volgt op een bachelordiploma , behaald in een kunstopleiding, kan enkel gezamenlijk met een School of Arts georganiseerd worden. In afwijking van artikel II.171 kan een School of Arts mee de gezamenlijke opleiding inrichten binnen het studiegebied onderwijs, ook als de hogeschool waartoe de School of Arts behoort niet de onderwijsbevoegdheid heeft voor het studiegebied onderwijs. | 12 | Het verkort traject, dat volgt op een bachelordiploma of een diploma gelijkgeschakeld met de graad van master, behaald in een kunstopleiding, kan enkel gezamenlijk met een School of Arts georganiseerd worden. In afwijking van artikel II.171 kan een School of Arts mee de gezamenlijke opleiding inrichten binnen het studiegebied onderwijs, ook als de hogeschool waartoe de School of Arts behoort niet de onderwijsbevoegdheid heeft voor het studiegebied onderwijs. |
| 13 | In het verkorte traject wordt versterkt ingezet op de mogelijkheid om de opleiding te volgen binnen een LIO-baan. | 13 | In het verkorte traject wordt versterkt ingezet op de mogelijkheid om de opleiding te volgen binnen een LIO-baan. |
| 18 | Het verkorte traject vormt een coherent geheel van 60 studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste 30 studiepunten, en wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. | 18 | Het verkorte traject vormt een coherent geheel van 60 studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste 30 studiepunten, en wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. |
| 19 | In het verkorte traject wordt versterkt ingezet op de mogelijkheid om de opleiding te volgen binnen een LIO-baan. | 19 | In het verkorte traject wordt versterkt ingezet op de mogelijkheid om de opleiding te volgen binnen een LIO-baan. |
| 20 | § 4/1. Artikel II.244 is niet van toepassing op een student die al een diploma van een educatieve masteropleiding heeft en die deze educatieve masteropleiding wil volgen om een bijkomende vakdidactiek te behalen. | ||
| 20 | § 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een hogeschool, in het kader van een School of Arts, een educatieve masteropleiding voor kunstvakken organiseren in de vorm van een consecutief traject. | 21 | § 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een hogeschool, in het kader van een School of Arts, een educatieve masteropleiding voor kunstvakken organiseren in de vorm van een consecutief traject. |
| 21 | Dit consecutief traject heeft een omvang van 60 studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste 30 studiepunten, en wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. De hogeschool biedt het consecutief traject aan zonder dat ze de volledige educatieve masteropleiding voor kunstvakken organiseert. | 22 | Dit consecutief traject heeft een omvang van 60 studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste 30 studiepunten, en wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. De hogeschool biedt het consecutief traject aan zonder dat ze de volledige educatieve masteropleiding voor kunstvakken organiseert. |
| 22 | Als toelatingsvoorwaarde voor een educatieve masteropleiding voor kunstvakken waarvoor de hogeschool enkel het consecutieve traject organiseert, geldt dat de student moet beschikken over een masterdiploma in het studiegebied waartoe de educatieve masteropleiding behoort. | 23 | Als toelatingsvoorwaarde voor een educatieve masteropleiding voor kunstvakken waarvoor de hogeschool enkel het consecutieve traject organiseert, geldt dat de student moet beschikken over een masterdiploma in het studiegebied waartoe de educatieve masteropleiding behoort. |
| 23 | § 6. In afwijking van paragraaf 4 kan een universiteit een educatieve masteropleiding organiseren in de vorm van een consecutief traject, als het gaat om een educatieve masteropleiding binnen het studiegebied Biomedische wetenschappen, Geneeskunde, of Sociale gezondheidswetenschappen, of als de educatieve masteropleiding volgt op een masteropleiding die een bacheloropleiding in het hoger professioneel onderwijs als algemene toelatingsvoorwaarde heeft, met toepassing van artikel II.182, § 2/1. | 24 | § 6. In afwijking van paragraaf 4 kan een universiteit een educatieve masteropleiding organiseren in de vorm van een consecutief traject, als het gaat om een educatieve masteropleiding binnen het studiegebied Biomedische wetenschappen, Geneeskunde, of Sociale gezondheidswetenschappen, of als de educatieve masteropleiding volgt op een masteropleiding die een bacheloropleiding in het hoger professioneel onderwijs als algemene toelatingsvoorwaarde heeft, met toepassing van artikel II.182, § 2/1. |
| 25 | § 7. De Evangelische Theologische Faculteit in Heverlee kan een educatieve masteropleiding voor secundair onderwijs aanbieden overeenkomstig de bepalingen, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4 van dit artikel. | ||
| 18 | Het verkorte traject vormt een coherent geheel van 60 studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste 30 studiepunten, en wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. | 18 | Het verkorte traject vormt een coherent geheel van 60 studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste 30 studiepunten, en wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. |
| 19 | In het verkorte traject wordt versterkt ingezet op de mogelijkheid om de opleiding te volgen binnen een LIO-baan. | 19 | In het verkorte traject wordt versterkt ingezet op de mogelijkheid om de opleiding te volgen binnen een LIO-baan. |
| 20 | § 4/1. Artikel II.244 is niet van toepassing op een student die al een diploma van een educatieve masteropleiding heeft en die deze educatieve masteropleiding wil volgen om een bijkomende vakdidactiek te behalen. | ||
| 20 | § 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een hogeschool, in het kader van een School of Arts, een educatieve masteropleiding voor kunstvakken organiseren in de vorm van een consecutief traject. | 21 | § 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een hogeschool, in het kader van een School of Arts, een educatieve masteropleiding voor kunstvakken organiseren in de vorm van een consecutief traject. |
| 21 | Dit consecutief traject heeft een omvang van 60 studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste 30 studiepunten, en wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. De hogeschool biedt het consecutief traject aan zonder dat ze de volledige educatieve masteropleiding voor kunstvakken organiseert. | 22 | Dit consecutief traject heeft een omvang van 60 studiepunten, met inbegrip van de praktijkcomponent van ten minste 30 studiepunten, en wordt op het vlak van organisatie en methodiek op maat van de student aangeboden. De hogeschool biedt het consecutief traject aan zonder dat ze de volledige educatieve masteropleiding voor kunstvakken organiseert. |
| 22 | Als toelatingsvoorwaarde voor een educatieve masteropleiding voor kunstvakken waarvoor de hogeschool enkel het consecutieve traject organiseert, geldt dat de student moet beschikken over een masterdiploma in het studiegebied waartoe de educatieve masteropleiding behoort. | 23 | Als toelatingsvoorwaarde voor een educatieve masteropleiding voor kunstvakken waarvoor de hogeschool enkel het consecutieve traject organiseert, geldt dat de student moet beschikken over een masterdiploma in het studiegebied waartoe de educatieve masteropleiding behoort. |
| 23 | § 6. In afwijking van paragraaf 4 kan een universiteit een educatieve masteropleiding organiseren in de vorm van een consecutief traject, als het gaat om een educatieve masteropleiding binnen het studiegebied Biomedische wetenschappen, Geneeskunde, of Sociale gezondheidswetenschappen, of als de educatieve masteropleiding volgt op een masteropleiding die een bacheloropleiding in het hoger professioneel onderwijs als algemene toelatingsvoorwaarde heeft, met toepassing van artikel II.182, § 2/1. | 24 | § 6. In afwijking van paragraaf 4 kan een universiteit een educatieve masteropleiding organiseren in de vorm van een consecutief traject, als het gaat om een educatieve masteropleiding binnen het studiegebied Biomedische wetenschappen, Geneeskunde, of Sociale gezondheidswetenschappen, of als de educatieve masteropleiding volgt op een masteropleiding die een bacheloropleiding in het hoger professioneel onderwijs als algemene toelatingsvoorwaarde heeft, met toepassing van artikel II.182, § 2/1. |
| 25 | § 7. De Evangelische Theologische Faculteit in Heverlee kan een educatieve masteropleiding voor secundair onderwijs aanbieden overeenkomstig de bepalingen, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4 van dit artikel. | ||
| 1 | De Vlaamse Regering kan middelen toekennen voor initiatieven die de kwaliteit van de lerarenopleidingen verbeteren en/of de samenwerking tussen lerarenopleidingen bevorderen. Hiertoe zal ze minstens vijfjaarlijks de beleidsprioriteiten vastleggen. | ||
| 2 | Deze initiatieven kunnen georganiseerd worden door hogescholen en/of universiteiten en/of ambtshalve geregistreerde instellingen die één of meerdere lerarenopleidingen organiseren. | ||
| 3 | De Vlaamse Regering stelt nadere inhoudelijke, organisatorische en procedurele regels vast voor de toekenning van de middelen. |
| 4 | 3° het tarief voor de opleidingsaccreditatie, vermeld in hoofdstuk 9/1, afdeling 3, bedraagt per opleiding ten minste 5000 euro en ten hoogste 20.000 euro; | 4 | 3° het tarief voor de opleidingsaccreditatie, vermeld in hoofdstuk 9/1, afdeling 3, bedraagt per opleiding ten minste 5000 euro en ten hoogste 20.000 euro; |
| 5 | 4° het tarief voor de opleidingsaccreditatie, vermeld in hoofdstuk 9/1, afdeling 4, bedraagt per opleiding ten minste 500 euro en ten hoogste 2000 euro. | 5 | 4° het tarief voor de opleidingsaccreditatie, vermeld in hoofdstuk 9/1, afdeling 4, bedraagt per opleiding ten minste 500 euro en ten hoogste 2000 euro. |
| 6 | Vanaf 2020 worden de bedragen, vermeld in het eerste lid, en de bedragen die de Vlaamse minister bevoegd voor onderwijs bepaald heeft overeenkomstig dit lid, aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 september 2019. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. | ||
| 26 | Vanaf het academiejaar wanneer de nieuwe opleiding aangeboden wordt, kan het instellingsbestuur geen nieuwe studenten meer inschrijven in de opleiding die afgebouwd wordt. | 26 | Vanaf het academiejaar wanneer de nieuwe opleiding aangeboden wordt, kan het instellingsbestuur geen nieuwe studenten meer inschrijven in de opleiding die afgebouwd wordt. |
| 27 | De bepalingen van het tweede lid, 2°, en het tweede lid, 5°, zijn niet van toepassing op de andere ambtshalve geregistreerde instellingen. | 27 | De bepalingen van het tweede lid, 2°, en het tweede lid, 5°, zijn niet van toepassing op de andere ambtshalve geregistreerde instellingen. |
| 28 | Als een graduaatsopleiding gerangschikt is in meer dan één studiegebied en ze is verwant verklaard met een bestaande hbo5-opleiding zoals vermeld in artikel II.150/1, dan kan een hogeschool deze graduaatsopleiding aanbieden op een vestiging waar ze de onderwijsbevoegdheid heeft voor minstens één van de studiegebieden waarin de graduaatsopleiding is gerangschikt. | ||
| 42 | In afwijking van het derde lid bedraagt de geldigheidsduur van de positieve besluiten over de aanvragen van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die zijn verleend tijdens het academiejaar 2014-2015, zes jaar vanaf het academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur. | 42 | In afwijking van het derde lid bedraagt de geldigheidsduur van de positieve besluiten over de aanvragen van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die zijn verleend tijdens het academiejaar 2014-2015, zes jaar vanaf het academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur. |
| 43 | § 9. Aanvragen voor nieuwe opleidingen ingediend voor 1 maart 2017 bij de Commissie Hoger Onderwijs worden erkend volgens de vereisten van artikels II.152 en II.153 zoals van toepassing voor 1 januari 2018. | 43 | § 9. Aanvragen voor nieuwe opleidingen ingediend voor 1 maart 2017 bij de Commissie Hoger Onderwijs worden erkend volgens de vereisten van artikels II.152 en II.153 zoals van toepassing voor 1 januari 2018. |
| 44 | § 10. Een universiteit die in overeenstemming met paragraaf 1 van dit artikel vóór 15 oktober 2018 een dossier ingediend heeft bij de accreditatieorganisatie voor een consecutief traject van een educatieve masteropleiding op een vestigingsplaats van een centrum voor volwassenenonderwijs kan in 2020 opnieuw een dossier indienen voor deze opleiding op de vestigingsplaats van het centrum voor volwassenenonderwijs bij de accreditatieorganisatie. | ||
| 1 | § 1. Er wordt een Hogeronderwijsregister gepubliceerd met het hoger onderwijs dat conform deze codificatie per academiejaar aangeboden wordt. | ||
| 2 | Het Hogeronderwijsregister omvat : | ||
| 3 | 1° de instellingen die conform deze codificatie als hogeronderwijsinstelling erkend zijn; | ||
| 4 | 2° de opleidingen die worden aangeboden conform deze codificatie en leiden tot de graden van gegradueerde, bachelor en master; | ||
| 5 | 3° de opleidingen die leiden tot de titel van "laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten". | ||
| 6 | § 1/1. Het Hogeronderwijsregister bevat voor de universiteiten en hogescholen de volgende gegevens : | ||
| 7 | 1° de naam van de instelling; | ||
| 8 | 2° in voorkomend geval de associatie waarvan de instelling lid is; | ||
| 9 | 3° de ingangsdatum van het besluit dat de instellingsreview afrondt; | ||
| 10 | 4° de einddatum van het besluit dat de instellingsreview afrondt; | ||
| 11 | 5° het besluit van de accreditatieorganisatie dat de instellingsreview afrondt en het onderliggende beoordelingsrapport. | ||
| 1 | § 1. Er wordt een register gepubliceerd van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en van de bachelor- en masteropleidingen die conform deze codex worden aangeboden, hierna Hogeronderwijsregister te noemen. | 12 | § 1/2. Er wordt een register gepubliceerd van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en van de bachelor- en masteropleidingen die conform deze codex worden aangeboden, hierna Hogeronderwijsregister te noemen. |
| 2 | Het Hogeronderwijsregister bevat van elke opleiding de volgende gegevens: | 13 | Het Hogeronderwijsregister bevat van elke opleiding de volgende gegevens: |
| 3 | 1° de gegevens, vermeld in paragraaf 2; | 14 | 1° de gegevens, vermeld in paragraaf 2; |
| 15 | De opmaak en de actualisering van het Hogeronderwijsregister wordt gedaan door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid. | 26 | De opmaak en de actualisering van het Hogeronderwijsregister wordt gedaan door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid. |
| 16 | § 2. De Vlaamse Regering legt een lijst vast van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en van de bachelor- en masteropleidingen die conform deze codex per instelling aangeboden kunnen worden. | 27 | § 2. De Vlaamse Regering legt een lijst vast van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en van de bachelor- en masteropleidingen die conform deze codex per instelling aangeboden kunnen worden. |
| 17 | Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de bachelor- en de masteropleidingen die door de hogescholen en universiteiten worden aangeboden in overeenstemming met de onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel II.78 tot en met II.100, bevat die lijst per instelling en per studiegebied, deel van een studiegebied of cluster van studiegebieden, de volgende gegevens: | 28 | Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de bachelor- en de masteropleidingen die door de hogescholen en universiteiten worden aangeboden in overeenstemming met de onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel II.78 tot en met II.100, artikel II.100/1, II.100/2 en artikel II.113, § 4, vierde lid, bevat die lijst per instelling en per studiegebied, deel van een studiegebied of cluster van studiegebieden, de volgende gegevens: |
| 18 | 1° de graad van de opleiding; | 29 | 1° de graad van de opleiding; |
| 19 | 2° de kwalificatie van de graad van de opleiding; | 30 | 2° de kwalificatie van de graad van de opleiding; |
| 69 | Voor de bachelor- en masteropleidingen die de andere ambtshalve geregistreerde instellingen en de geregistreerde instellingen aanbieden, kan de Vlaamse Regering het Hogeronderwijsregister, vermeld in paragraaf 1, aanpassen op vraag van het instellingsbestuur. Voor de specificatie van de graad voegt het instellingsbestuur bij de voormelde vraag een advies van de VLUHR. | 69 | Voor de bachelor- en masteropleidingen die de andere ambtshalve geregistreerde instellingen en de geregistreerde instellingen aanbieden, kan de Vlaamse Regering het Hogeronderwijsregister, vermeld in paragraaf 1, aanpassen op vraag van het instellingsbestuur. Voor de specificatie van de graad voegt het instellingsbestuur bij de voormelde vraag een advies van de VLUHR. |
| 70 | De door de VLUHR en het instellingsbestuur gevraagde aanpassingen worden jaarlijks vóór 1 december van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarop de aanpassing van toepassing is, meegedeeld aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid. | 70 | De door de VLUHR en het instellingsbestuur gevraagde aanpassingen worden jaarlijks vóór 1 december van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarop de aanpassing van toepassing is, meegedeeld aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid. |
| 71 | Bij de informatieverstrekking over het opleidingsaanbod en bij de studiebekrachtiging hanteert een instellingsbestuur minstens de benamingen en gegevens over de opleidingen en afstudeerrichtingen die zijn vastgelegd in de lijst, vermeld in deze paragraaf. Aan de regeringscommissarissen wordt in het kader van de wettelijkheidscontrole die ze uitvoeren de specifieke toezichtstaak gegeven om deze informatieverstrekking systematisch te screenen. Eventueel dienen ze conform artikel IV.97 tot en met IV.99 een met redenen omkleed beroep in bij de Vlaamse Regering. | ||
| 1 | Om als regelmatige cursist toegelaten te worden tot een opleiding van het hoger beroepsonderwijs, georganiseerd door een hogeschool, moet de cursist voldaan hebben aan de leerplicht en het onderwijsreglement ontvangen en ondertekend hebben. | 1 | Om als regelmatige student toegelaten te worden tot een opleiding van het hoger beroepsonderwijs, georganiseerd door een hogeschool, moet de student voldaan hebben aan de leerplicht. |
| 2 | Daarenboven moet de cursist beschikken over 1 van de volgende studiebewijzen: | 2 | Daarenboven moet de student beschikken over 1 van de volgende studiebewijzen: |
| 3 | 1° een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, dat minstens 3 jaar behaald is; | 3 | 1° een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, dat minstens 3 jaar behaald is; |
| 4 | 2° een diploma van het secundair onderwijs; | 4 | 2° een diploma van het secundair onderwijs; |
| 2 | 1° humanitaire redenen; | 2 | 1° humanitaire redenen; |
| 3 | 2° medische, psychische of sociale redenen; | 3 | 2° medische, psychische of sociale redenen; |
| 4 | 3° het algemene niveau van de cursist, getoetst met een door het instellingsbestuur georganiseerde toelatingsproef. | ||
| 4 | 3° het algemene niveau van de student, getoetst met een door het instellingsbestuur georganiseerde toelatingsproef. Het instellingsbestuur kan deze toetsing opdragen aan een in artikel II.232 bedoelde validerende instantie. Het instellingsbestuur kan op grond van de toetsing de inschrijving afhankelijk maken van het met succes voltooien van een voorbereidingsprogramma. | ||
| 5 | De toelatingsproef, vermeld in het eerste lid, punt 3°, wordt uiterlijk de vijfde dag na het einde van de inschrijvingsperiode georganiseerd en gaat na of de cursist over de kennis en vaardigheden beschikt die vereist zijn om de opleiding in kwestie aan te vangen. Het instellingsbestuur kan de organisatie van een toelatingsproef op verzoek van de cursist niet weigeren. | 5 | De toelatingsproef, vermeld in het eerste lid, punt 3°, wordt uiterlijk de vijfde dag na het einde van de inschrijvingsperiode georganiseerd en gaat na of de student over de kennis en vaardigheden beschikt die vereist zijn om de opleiding in kwestie aan te vangen. Het instellingsbestuur kan de organisatie van een toelatingsproef op verzoek van de student niet weigeren. |
| 6 | Het instellingsbestuur maakt op basis van de resultaten van de toelatingsproef, vermeld in het eerste lid, punt 3°, een beoordeling op in de vorm van een schriftelijk verslag, dat opgenomen wordt in het dossier van de cursist. | 6 | Het instellingsbestuur maakt op basis van de resultaten van de toelatingsproef, vermeld in het eerste lid, punt 3°, een beoordeling op in de vorm van een schriftelijk verslag, dat opgenomen wordt in het dossier van de student. |
| 7 | De voorwaarden om een toelatingsproef als vermeld in het eerste lid, punt 3°, te organiseren worden opgenomen in het onderwijsreglement. | 7 | De voorwaarden om een toelatingsproef als vermeld in het eerste lid, punt 3°, te organiseren worden opgenomen in het onderwijsreglement. |
| 3 | 1° humanitaire redenen; | 3 | 1° humanitaire redenen; |
| 4 | 2° medische, psychische of sociale redenen; | 4 | 2° medische, psychische of sociale redenen; |
| 5 | 3° het algemeen niveau van de kandidaat, getoetst op de door het instellingsbestuur bepaalde wijze. Het instellingsbestuur kan deze toetsing opdragen aan een in artikel II.231 bedoelde validerende instantie. Het instellingsbestuur kan op grond van de toetsing de inschrijving afhankelijk maken van het met succes voltooien van een voorbereidingsprogramma. | 5 | 3° het algemeen niveau van de kandidaat, getoetst op de door het instellingsbestuur bepaalde wijze. Het instellingsbestuur kan deze toetsing opdragen aan een in artikel II.232 bedoelde validerende instantie. Het instellingsbestuur kan op grond van de toetsing de inschrijving afhankelijk maken van het met succes voltooien van een voorbereidingsprogramma. |
| 6 | §2. In het licht van het noodzakelijke evenwicht tussen de reglementen van de verschillende instellingen stemt het instellingsbestuur zijn afwijkende toelatingsvoorwaarden af op de algemene voorschriften inzake afwijkende toelatingsvoorwaarden die de associatie in een reglement heeft opgenomen. Deze laatste bepaling geldt niet voor het bestuur van een instelling die niet tot een associatie behoort. | 6 | §2. In het licht van het noodzakelijke evenwicht tussen de reglementen van de verschillende instellingen stemt het instellingsbestuur zijn afwijkende toelatingsvoorwaarden af op de algemene voorschriften inzake afwijkende toelatingsvoorwaarden die de associatie in een reglement heeft opgenomen. Deze laatste bepaling geldt niet voor het bestuur van een instelling die niet tot een associatie behoort. |
| 7 | §3. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de afwijkende toelatingsvoorwaarden opgenomen in de bestaande reglementen van de instellingen van toepassing tot de goedkeuring van het reglement van de associatie zoals bepaald in paragraaf 2. | 7 | §3. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de afwijkende toelatingsvoorwaarden opgenomen in de bestaande reglementen van de instellingen van toepassing tot de goedkeuring van het reglement van de associatie zoals bepaald in paragraaf 2. |
| 1 | Voor de registratie van de kandidaten voor de toetsing van de afwijkende toelatingsvoorwaarden voor een graduaatsopleiding of een bacheloropleiding, vermeld in artikelen II.176 tot en met II.179, leggen de hogescholen, de universiteiten en de associaties een register aan. Voor de gegevensdeling tussen die instellingen en de eventuele koppeling met de Databank Hoger Onderwijs wordt het identificatienummer van het Rijksregister gebruikt. | ||
| 2 | Iedere hogeschool, universiteit en associatie respecteert hierbij de voorwaarden zoals bepaald in de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en stelt hiertoe in het bijzonder een interne of externe functionaris met betrekking tot de gegevensbescherming aan. De hogescholen, de universiteiten en de associaties worden voor deze verwerking aangewezen als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken en verwerken gegevens over de studieloopbaan en de gegevens voor de toetsing van de afwijkende toelatingsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid. Het register wordt maximaal vijf jaar bewaard. |
| 1 | §1. Onverminderd de algemene toelatingsvoorwaarden wordt niemand toegelaten tot de bacheloropleidingen, de schakelprogramma's en voorbereidingsprogramma's van studiegebieden, Audiovisuele en beeldende kunst, en Muziek en podiumkunsten, zonder geslaagd te zijn voor een artistieke toelatingsproef eigen aan deze opleidingen. De hogeschool waar de student zich wenst in te schrijven, neemt deze toelatingsproef af. Deze artistieke toelatingsproef wordt afgenomen door een commissie die is samengesteld uit personeelsleden van de hogescholen en externe experten. | 1 | Onverminderd de algemene toelatingsvoorwaarden wordt niemand toegelaten tot de bacheloropleidingen, de schakelprogramma's en voorbereidingsprogramma's van studiegebieden, Audiovisuele en beeldende kunst, en Muziek en podiumkunsten, zonder geslaagd te zijn voor een artistieke toelatingsproef eigen aan deze opleidingen. De hogeschool waar de student zich wenst in te schrijven, neemt deze toelatingsproef af. Deze artistieke toelatingsproef wordt afgenomen door een commissie die is samengesteld uit personeelsleden van de hogescholen en externe experten. |
| 2 | In afwijking van het eerste lid is een artistieke toelatingsproef optioneel als een professioneel gerichte bacheloropleiding over studiegebieden heen gerangschikt is en waarvan een van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst of Muziek en podiumkunsten is. | 2 | In afwijking van het eerste lid is een artistieke toelatingsproef optioneel als een professioneel gerichte bacheloropleiding over studiegebieden heen gerangschikt is en waarvan een van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst of Muziek en podiumkunsten is. |
| 3 | De artistieke toelatingsproef, vermeld in het eerste lid, is optioneel voor de volgende kunstgerelateerde opleidingen, vermeld in artikel II.7, § 1, derde lid: 1° de bacheloropleiding in de audiovisuele technieken: film, TV en video; | ||
| 4 | 2° de bacheloropleiding in de audiovisuele technieken: fotografie. |
| 1 | Een hogeschool of universiteit kan de inschrijving van een student weigeren als hij een leerkrediet heeft dat kleiner of gelijk is aan nul. | 1 | Een hogeschool of universiteit kan de inschrijving van een student weigeren als hij een leerkrediet heeft dat kleiner of gelijk is aan nul. |
| 2 | In afwijking van het eerste lid kan het instellingsbestuur een student met een leerkrediet kleiner dan of gelijk aan nul niet weigeren voor de inschrijving voor een initiële masteropleiding als de student voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor deze masteropleiding, vermeld in deel 2, titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 2, onderafdeling 3 en nog niet eerder een masterdiploma behaalde. | 2 | In afwijking van het eerste lid kan het instellingsbestuur een student met een leerkrediet kleiner dan of gelijk aan nul niet weigeren voor de inschrijving voor een initiële masteropleiding als de student voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor deze masteropleiding, vermeld in deel 2, titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 2, onderafdeling 3 en nog niet eerder een masterdiploma behaalde. |
| 3 | In afwijking van het eerste lid kan het instellingsbestuur een student met een leerkrediet kleiner dan of gelijk aan nul niet weigeren voor de inschrijving in een educatieve bacheloropleiding als een student al in het bezit is van een bachelordiploma en in een educatieve masteropleiding als een student al in het bezit is van een masterdiploma. |
| 4 | §2. Een hogeschool of universiteit kan aan een student een bijkomend studiegeld vragen voor de studiepunten waarvoor de student op het ogenblik van de inschrijving geen toereikend leerkrediet heeft. Dit bijkomend inschrijvingsgeld kan ten hoogste 11 euro per opgenomen studiepunt bedragen. | 4 | §2. Een hogeschool of universiteit kan aan een student een bijkomend studiegeld vragen voor de studiepunten waarvoor de student op het ogenblik van de inschrijving geen toereikend leerkrediet heeft. Dit bijkomend inschrijvingsgeld kan ten hoogste 11 euro per opgenomen studiepunt bedragen. |
| 5 | Onder leerkrediet wordt begrepen het leerkrediet zoals bepaald in titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 3, van dit deel. | 5 | Onder leerkrediet wordt begrepen het leerkrediet zoals bepaald in titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 3, van dit deel. |
| 6 | In afwijking van het eerste lid kan een hogeschool of universiteit geen bijkomend studiegeld vragen voor de inschrijving van een student in een educatieve bacheloropleiding als deze student al in het bezit is van een bachelordiploma en in een educatieve masteropleiding als een student al in het bezit is van een masterdiploma. | ||
| 1 | § 1. Het instellingsbestuur kan maatregelen van studievoortgangsbewaking nemen: | 1 | § 1. Het instellingsbestuur kan maatregelen van studievoortgangsbewaking nemen: |
| 2 | 1° als een student de cesuur voor de proef niet behaalt als vermeld in artikel 188/1, tweede lid, of niet aan de voorwaarde tot verplichte deelname aan die proef heeft voldaan, kan de instelling een remediëring opleggen; | 2 | 1° als een student de cesuur voor de proef niet behaalt als vermeld in artikel 188/1, tweede lid, of niet aan de voorwaarde tot verplichte deelname aan die proef heeft voldaan, kan de instelling een remediëring opleggen; |
| 3 | 1°/1 indien een student geen 60% van de ingeschreven studiepunten verworven heeft een vorig academiejaar kan bij een nieuwe inschrijving aan eenzelfde of andere instelling een bindende voorwaarde opgelegd worden. | 3 | 1°/1 als een student geen 60% van de ingeschreven studiepunten verworven heeft een vorig academiejaar kan bij een nieuwe inschrijving aan eenzelfde of andere instelling een bindende voorwaarde opgelegd worden. |
| 4 | Deze bindende voorwaarden betreffen in beginsel geen evaluatie- en/of deliberatiecriteria die strenger zijn dan de regels die in de instelling algemeen gelden. | 4 | Deze bindende voorwaarden betreffen in beginsel geen evaluatieen/of deliberatiecriteria die strenger zijn dan de regels die in de instelling algemeen gelden. |
| 5 | Het instellingsbestuur kan de studievoortgang van de student wel afhankelijk maken van een deliberatie door het orgaan of de persoon die verantwoordelijk is voor de bepaling van de studievoortgang. | 5 | Het instellingsbestuur kan de studievoortgang van de student wel afhankelijk maken van een deliberatie door het orgaan of de persoon die verantwoordelijk is voor de bepaling van de studievoortgang; |
| 6 | Bij het niet naleven van deze bindende voorwaarde kan de student een volgend academiejaar geweigerd worden in dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd; | 6 | 1°/2 als een student een opgelegde bindende voorwaarde niet naleeft kan de inschrijving van de student een volgend academiejaar geweigerd worden door dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd; |
| 7 | 2° indien uit de gegevens van het dossier blijkt dat een volgende inschrijving in het hoger onderwijs geen positief resultaat zal opleveren kan de inschrijving van de student geweigerd worden. | 7 | 2° indien uit de gegevens van het dossier blijkt dat een volgende inschrijving in het hoger onderwijs geen positief resultaat zal opleveren kan de inschrijving van de student geweigerd worden. |
| 8 | § 2. Het instellingsbestuur kan in bijzondere gevallen en op objectieve gronden de stage of een ander praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig beëindigen, als de student door zijn gedragingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een beroep waartoe de opleiding die hij volgt, hem opleidt. | 8 | § 2. Het instellingsbestuur kan in bijzondere gevallen en op objectieve gronden de stage of een ander praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig beëindigen, als de student door zijn gedragingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een beroep waartoe de opleiding die hij volgt, hem opleidt. |
| 18 | Indien de Commissie Hoger Onderwijs geen oordeel velt uiterlijk op de data vermeld in deze paragraaf of indien de Vlaamse Regering geen beslissing neemt naar aanleiding van een beroepschrift op de in deze paragraaf vastgestelde momenten, wordt het oordeel of de beslissing geacht negatief te zijn. | 18 | Indien de Commissie Hoger Onderwijs geen oordeel velt uiterlijk op de data vermeld in deze paragraaf of indien de Vlaamse Regering geen beslissing neemt naar aanleiding van een beroepschrift op de in deze paragraaf vastgestelde momenten, wordt het oordeel of de beslissing geacht negatief te zijn. |
| 19 | §4. Als het aantal positieve beoordelingen zou kunnen leiden tot een overschrijding van de maximumpercentages, vermeld in artikel II.266, legt de Commissie Hoger Onderwijs de beoordeelde dossiers voor aan de Vlaamse Regering, samen met een ranglijst. De Vlaamse Regering neemt in voorkomend geval de beslissing. In geval de Vlaamse Regering afwijkt van de ranglijst voorgesteld door de Commissie Hoger Onderwijs, geeft ze in haar beslissing de redenen daarvoor aan. | 19 | §4. Als het aantal positieve beoordelingen zou kunnen leiden tot een overschrijding van de maximumpercentages, vermeld in artikel II.266, legt de Commissie Hoger Onderwijs de beoordeelde dossiers voor aan de Vlaamse Regering, samen met een ranglijst. De Vlaamse Regering neemt in voorkomend geval de beslissing. In geval de Vlaamse Regering afwijkt van de ranglijst voorgesteld door de Commissie Hoger Onderwijs, geeft ze in haar beslissing de redenen daarvoor aan. |
| 20 | § 5. Een positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs of een positieve beslissing door de Vlaamse Regering over de aanvraag van een anderstalige initiële bachelorof masteropleiding vervalt automatisch als de instelling de anderstalige opleiding niet start in het derde academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur. | ||
| 21 | Als een instelling een erkende anderstalige initiële bachelorof masteropleiding gedurende drie opeenvolgende academiejaren niet aanbiedt, dan vervalt het recht van de instelling om deze opleiding nog verder aan te bieden. | ||
| 1 | §1. Anderstalige initiële bacheloropleidingen kunnen aangeboden worden binnen een maximumpercentage van 6%, berekend op alle initiële bacheloropleidingen, rekening houdend met de in dit artikel bepaalde voorschriften. | 1 | §1. Anderstalige initiële bacheloropleidingen kunnen als volgt aangeboden worden, rekening houdend met de in dit artikel bepaalde voorschriften: |
| 2 | 1° anderstalige initiële professioneel gerichte bacheloropleidingen, met uitzondering van de anderstalige kunstopleidingen, vermeld in punt 3°, binnen een maximumpercentage van 9%, berekend op alle initiële professioneel gerichte bacheloropleidingen, met uitzondering van de professioneel gerichte kunstopleidingen, vermeld in punt 3° ; | ||
| 3 | 2° anderstalige initiële academisch gerichte bacheloropleidingen, met uitzondering van de anderstalige kunstopleidingen, vermeld in punt 3°, binnen een maximumpercentage van 9%, berekend op alle initiële academisch gerichte bacheloropleidingen, met uitzondering van de academisch gerichte kunstopleidingen, vermeld in punt 3° ; | ||
| 4 | 3° anderstalige initiële professioneel en academisch gerichte bacheloropleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten binnen een maximumpercentage van 9%, berekend op alle initiële professioneel en academisch gerichte bacheloropleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. | ||
| 2 | Anderstalige initiële masteropleidingen kunnen aangeboden worden binnen een maximumpercentage van 35%, berekend op alle initiële masteropleidingen, rekening houdend met de in dit artikel bepaalde voorschriften. | 5 | Anderstalige initiële masteropleidingen kunnen aangeboden worden binnen een maximumpercentage van 35%, berekend op alle initiële masteropleidingen, rekening houdend met de in dit artikel bepaalde voorschriften. |
| 3 | Bij de bepaling van de breuk wordt geen rekening gehouden met de opleidingen, vermeld in artikel II.265. | 6 | Bij de bepaling van de breuk wordt geen rekening gehouden met de opleidingen, vermeld in artikel II.265. |
| 1 | § 1. Elk beroep wordt, zodra het is geregistreerd, aan de voorzitter overgemaakt. | ||
| 2 | Indien de voorzitter overweegt dat de Raad kennelijk niet bevoegd is of zonder rechtsmacht, worden de partijen daarvan door het secretariaat onmiddellijk in kennis gesteld, samen met een procedurekalender die de partijen een termijn van ten minste twee werkdagen verleent om daarover desgewenst schriftelijk standpunt in te nemen. | ||
| 3 | De voorzitter doet vervolgens zo spoedig mogelijk bij gemotiveerd arrest uitspraak zonder dat de partijen voor een terechtzitting worden opgeroepen. | ||
| 4 | Het arrest wordt onmiddellijk ter kennis gebracht van de partijen en sluit, zo tot de onontvankelijkheid wordt besloten, de procedure onherroepelijk af. | ||
| 1 | Na registratie van het verzoekschrift betekent de secretaris via het meest gerede communicatiemiddel aan de partijen: | 5 | § 2. In de beroepen die niet met toepassing van paragraaf 1 onontvankelijk zijn verklaard, betekent de secretaris via het meest gerede communicatiemiddel aan de partijen: |
| 2 | 1° een procedurekalender; | 6 | 1° een procedurekalender; |
| 3 | 2° de datum, het uur en de plaats van de zitting van de Raad; | 7 | 2° de datum, het uur en de plaats van de zitting van de Raad; 3° de samenstelling van de Raad. |
| 4 | 3° de samenstelling van de Raad. | ||
| 5 | De betekening gaat, wat de verwerende partij betreft, vergezeld van een kopie van het verzoekschrift. | 8 | De betekening gaat, wat de verwerende partij betreft, vergezeld van een kopie van het verzoekschrift. |
| 2 | 1° drie achtste vertegenwoordigers van het hogeschoolbestuur; | 2 | 1° drie achtste vertegenwoordigers van het hogeschoolbestuur; |
| 3 | 2° drie achtste vertegenwoordigers van het personeel, verkozen door en onder alle personeelsleden van de hogeschool. De kandidaten dienen op het ogenblik van hun verkiezing ten minste 2 jaar een betrekking in de hogeschool te hebben bekleed; | 3 | 2° drie achtste vertegenwoordigers van het personeel, verkozen door en onder alle personeelsleden van de hogeschool. De kandidaten dienen op het ogenblik van hun verkiezing ten minste 2 jaar een betrekking in de hogeschool te hebben bekleed; |
| 4 | 3° twee achtste vertegenwoordigers van de studenten van de hogeschool, verkozen door en onder de studenten die voltijds zijn ingeschreven in die hogeschool. | 4 | 3° twee achtste vertegenwoordigers van de studenten van de hogeschool, verkozen door en onder de studenten die ten minste 27 studiepunten hebben opgenomen in die hogeschool. |
| 1 | Indien de hogeschool meer dan 1 departement telt, richt het hogeschoolbestuur per departement een departementale raad op. Indien het hogeschoolbestuur bepaalde beslissingsbevoegdheden toekent in een andere deelstructuur of op een ander niveau dan het departement, richt het voor deze deelstructuur of voor dit niveau een medezeggenschapsorgaan op dat samengesteld is op analoge wijze als de departementale raad en dat dezelfde bevoegdheden uitoefent. | 1 | Indien de hogeschool meer dan 1 departement telt, richt het hogeschoolbestuur per departement een departementale raad op. Indien het hogeschoolbestuur bepaalde beslissingsbevoegdheden toekent in een andere deelstructuur of op een ander niveau dan het departement, richt het voor deze deelstructuur of voor dit niveau een medezeggenschapsorgaan op dat samengesteld is op analoge wijze als de departementale raad en dat dezelfde bevoegdheden uitoefent, tenzij het gaat om een participatiecommissie op niveau van een opleiding. In dat laatste geval zijn minstens 1/3 van de leden binnen die commissie studenten. |
| 2 | De departementale raad is als volgt samengesteld: | 2 | De departementale raad is als volgt samengesteld: |
| 3 | 1° het departementshoofd, dat ambtshalve voorzitter is van de departementale raad; | 3 | 1° het departementshoofd, dat ambtshalve voorzitter is van de departementale raad; |
| 4 | 2° de helft vertegenwoordigers van het personeel, verkozen door en onder leden van het personeel verbonden aan het departement, met uitzondering van het departementshoofd. De kandidaten dienen op het ogenblik van de verkiezing ten minste 2 jaar een betrekking in de hogeschool te hebben bekleed; | 4 | 2° de helft vertegenwoordigers van het personeel, verkozen door en onder leden van het personeel verbonden aan het departement, met uitzondering van het departementshoofd. De kandidaten dienen op het ogenblik van de verkiezing ten minste 2 jaar een betrekking in de hogeschool te hebben bekleed; |
| 5 | 3° een vierde vertegenwoordigers van de studenten verkozen door en onder de studenten die verbonden zijn aan het departement en voltijds zijn ingeschreven in die hogeschool; | 5 | 3° een vierde vertegenwoordigers van de studenten verkozen door en onder de studenten die verbonden zijn aan het departement en ten minste 27 studiepunten hebben opgenomen in die hogeschool; |
| 6 | 4° een vierde vertegenwoordigers uit de sociaal-economische en culturele milieus, gecoöpteerd door het departementshoofd en de vertegenwoordigers, bedoeld in 2° en 3°. | 6 | 4° een vierde vertegenwoordigers uit de sociaal-economische en culturele milieus, gecoöpteerd door het departementshoofd en de vertegenwoordigers, bedoeld in 2° en 3°. |
| 4 | 3° de interne organisatie van de School of Arts; | 4 | 3° de interne organisatie van de School of Arts; |
| 5 | 4° het bepalen van de taakomschrijvingen van het personeel dat toegewezen is aan de School of Arts; | 5 | 4° het bepalen van de taakomschrijvingen van het personeel dat toegewezen is aan de School of Arts; |
| 6 | 5° het verlenen van een advies over de cumulatieregeling ter uitvoering van de procedure, vermeld in artikel V.169, §1; | ||
| 6 | 5° ... | ||
| 7 | 6° het opmaken van het financiële verslag en het jaarverslag waarin de activiteiten van de School of Arts worden weergegeven; | 7 | 6° het opmaken van het financiële verslag en het jaarverslag waarin de activiteiten van de School of Arts worden weergegeven; |
| 8 | 7° de voordracht van een vertegenwoordiger van de School of Arts in de onderzoeksraad van de universiteit van de associatie of, in het kader van een samenwerkingsverband, in de onderzoeksraden van de betrokken universiteiten. | 8 | 7° de voordracht van een vertegenwoordiger van de School of Arts in de onderzoeksraad van de universiteit van de associatie of, in het kader van een samenwerkingsverband, in de onderzoeksraden van de betrokken universiteiten. |
| 1 | § 1. De accreditatieorganisatie adviseert over de toets nieuwe opleiding voor de omvorming van bestaande hbo5-opleidingen uiterlijk op 15 april voor de aanvragen die uiterlijk op 30 november van het voorafgaande kalenderjaar zijn ingediend, en uiterlijk op 30 oktober voor de aanvragen die uiterlijk op 31 mei van hetzelfde kalenderjaar zijn ingediend. | 1 | § 1. De accreditatieorganisatie adviseert over de toets nieuwe opleiding voor de omvorming van bestaande opleidingen van het hoger beroepsonderwijs uiterlijk op 15 april voor de aanvragen die uiterlijk op 30 november van het voorafgaande kalenderjaar zijn ingediend, en uiterlijk op 30 oktober voor de aanvragen die uiterlijk op 31 mei van hetzelfde kalenderjaar zijn ingediend. |
| 2 | De accreditatieorganisatie adviseert over de toets nieuwe opleiding voor de omvorming van bestaande hbo5-opleidingen uiterlijk op 15 juni 2019 voor de aanvragen die uiterlijk op 15 februari 2019 zijn ingediend. | 2 | De accreditatieorganisatie adviseert over de toets nieuwe opleiding voor de omvorming van bestaande hbo5-opleidingen uiterlijk op 15 juni 2019 voor de aanvragen die uiterlijk op 15 februari 2019 zijn ingediend. |
| 3 | De toets nieuwe opleiding voor de omvorming van een bestaande opleiding van het hoger beroepsonderwijs is kosteloos voor de hogescholen. Deze bepaling is niet van toepassing op aanvragen die overeenkomstig paragraaf 6 worden ingediend. | ||
| 3 | § 2. [... vernietigd bij arrest 2020/152 van het Grondwettelijk Hof van 19 november 2020] | 4 | § 2. [... vernietigd bij arrest 2020/152 van het Grondwettelijk Hof van 19 november 2020] |
| 4 | § 3. De Hogeschool West-Vlaanderen kan uit de lijst van bestaande hbo5-opleidingen op de data, vermeld in de eerste paragraaf, in totaal maximaal één aanvraag indienen voor een toets nieuwe opleiding bij de accreditatieorganisatie voor een graduaatsopleiding zonder de verplichting om een bestaande hbo5-opleiding om te vormen, maar met de verplichting om een aanvraag macrodoelmatigheidstoets bij de Commissie Hoger Onderwijs in te dienen. | 5 | § 3. De Hogeschool West-Vlaanderen kan uit de lijst van bestaande hbo5-opleidingen op de data, vermeld in de eerste paragraaf, in totaal maximaal één aanvraag indienen voor een toets nieuwe opleiding bij de accreditatieorganisatie voor een graduaatsopleiding zonder de verplichting om een bestaande hbo5-opleiding om te vormen, maar met de verplichting om een aanvraag macrodoelmatigheidstoets bij de Commissie Hoger Onderwijs in te dienen. |
| 21 | De termijnen, die lopen vanaf de datum waarop de aanvraag uiterlijk ingediend moet zijn tot en met de datum waarop de accreditatieorganisatie uiterlijk haar advies uitbrengt, worden in geval van intrekking van het onderdeel van de aanvraag voor de toets nieuwe opleiding geschorst vanaf de intrekking van het onderdeel van de aanvraag tot en met de datum van de betekening van de herindiening ervan. | 22 | De termijnen, die lopen vanaf de datum waarop de aanvraag uiterlijk ingediend moet zijn tot en met de datum waarop de accreditatieorganisatie uiterlijk haar advies uitbrengt, worden in geval van intrekking van het onderdeel van de aanvraag voor de toets nieuwe opleiding geschorst vanaf de intrekking van het onderdeel van de aanvraag tot en met de datum van de betekening van de herindiening ervan. |
| 22 | § 5. De Vlaamse Regering neemt het besluit houdende erkenning van een nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het toetsingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. | 23 | § 5. De Vlaamse Regering neemt het besluit houdende erkenning van een nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het toetsingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. |
| 23 | § 6. Als het besluit over de toets nieuwe opleiding in het kader van een omvorming als vermeld in artikel II.150/1, § 2, negatief is, kan het instellingsbestuur nog maximaal één academiejaar de om te vormen hbo5-opleiding aanbieden en hiervoor studenten inschrijven. Het programma van deze opleiding wordt ingericht conform de artikelen II.67 en II.69. | 24 | § 6. Als het besluit over de toets nieuwe opleiding in het kader van een omvorming als vermeld in artikel II.150/1, § 2, negatief is, kan het instellingsbestuur nog maximaal één academiejaar de om te vormen opleiding van het hoger beroepsonderwijs aanbieden en hiervoor studenten inschrijven. Het programma van deze opleiding wordt ingericht conform de artikelen II.67 en II.69. |
| 24 | Een instelling kan na een negatief toetsingsbesluit voor een identieke opleiding nog een keer een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding indienen. Als het besluit over de toets nieuwe opleiding in het kader van een omvorming als vermeld in artikel II.150/1, § 2, opnieuw negatief is, bouwt de instelling de opleiding af of zet ze die stop. Het instellingsbestuur garandeert de voorzieningen die nodig zijn om de ingeschreven studenten hun opleiding te kunnen laten voltooien. | 25 | Een instelling kan na een negatief toetsingsbesluit voor een identieke opleiding nog een keer een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding indienen. Als het besluit over de toets nieuwe opleiding in het kader van een omvorming als vermeld in artikel II.150/1, § 2, opnieuw negatief is, bouwt de instelling de opleiding af of zet ze die stop. Het instellingsbestuur garandeert de voorzieningen die nodig zijn om de ingeschreven studenten hun opleiding te kunnen laten voltooien. |
| 1 | § 1. Voor de organisatie van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs wordt een samenwerkingsverband opgericht tussen één hogeschool, met onderwijsbevoegdheid voor de bacheloropleiding Verpleegkunde, en een of meer scholen van het voltijds secundair onderwijs. | ||
| 2 | § 2. Eén onderwijsinstelling kan maar participeren in één samenwerkingsverband. Binnen het samenwerkingsverband wordt afgesproken welke onderwijsinstelling de inhoudelijke coördinatie op zich neemt. | ||
| 3 | De inhoudelijk coördinerende instelling heeft als taak om de gezamenlijke organisatie van de hbo5-opleiding Verpleegkunde binnen een samenwerkingsverband te coördineren. Binnen het samenwerkingsverband wordt afgesproken welke onderwijsinstellingen een deel of het geheel van de gemeenschappelijk georganiseerde hbo5-opleiding aanbieden. | ||
| 4 | De administratief beherende instelling is altijd een secundaire school. De cursist schrijft zich in aan de administratief beherende instelling voor het totaal van de hbo5-opleiding. Op het vlak van financiering, subsidiëring en inschrijvingsgelden gelden de vigerende decretale en regelgevende bepalingen van de administratief beherende instelling. | ||
| 5 | § 3. Binnen het samenwerkingsverband reiken de onderwijsinstellingen gezamenlijk het diploma van gegradueerde met bijbehorende kwalificatie en de deelcertificaten uit. | ||
| 6 | § 4. Een samenwerkingsverband kan samenwerken met : | ||
| 7 | 1° een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen; | ||
| 8 | 2° een of meer sectoren van het beroep waartoe de opleiding leidt; | ||
| 9 | 3° bedrijven en organisaties. | ||
| 10 | § 5. Als een onderwijsinstelling uit een samenwerkingsverband stapt, behoudt ze, voor hbo5-opleidingen, alleen de onderwijsbevoegdheid die ze had op 31 augustus 2013 of, in voorkomend geval, de onderwijsbevoegdheid van de graduaatsopleidingen die uit de omvorming, vermeld in artikel II.150/1, zijn voortgekomen. | ||
| 11 | § 6. Als twee of meer hogescholen fuseren, fuseren ook de samenwerkingsverbanden waarvan ze lid zijn. | ||
| 12 | § 7. Een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs kan, na onderhandeling in het lokale comité, uren-leraar overdragen naar een andere partner van het samenwerkingsverband. Als uren-leraar naar een hogeschool worden overgedragen, worden de uren-leraar in kwestie omgezet in krediet. | ||
| 13 | Een hogeschool kan, na onderhandeling in het hogeschoolonderhandelingscomité, middelen overdragen naar een andere partner van het samenwerkingsverband. Als middelen naar een school voor voltijds gewoon secundair onderwijs worden overgedragen, worden de middelen omgezet in uren-leraar. | ||
| 14 | De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag voor de omzetting van middelen naar uren-leraar en omgekeerd. | ||
| 15 | De betrekking die een school voor het voltijds gewoon secundair onder wijs organiseert met uren-leraar als vermeld in deze paragraaf, komt niet in aanmerking voor vacant verklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid in die betrekking affecteren, muteren of vast benoemen. |
| 13 | 12° het uitwerken van de communicatie(strategie) over het aanbod van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs; | 13 | 12° het uitwerken van de communicatie(strategie) over het aanbod van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs; |
| 14 | 13° de organisatie van de toelatingsproef, vermeld in artikel 163, § 2, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. | 14 | 13° de organisatie van de toelatingsproef, vermeld in artikel 163, § 2, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. |
| 15 | De inspectie, vermeld in titel IV van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, beoordeelt in samenwerking met de accreditatieorganisatie de kwaliteit van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs georganiseerd door het samenwerkingsverband. | ||
| 16 | De inspectie en de accreditatieorganisatie leggen hiervoor een beoordelingskader vast. Dit beoordelingskader is gebaseerd op de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1, eerste lid, en het referentiekader onderwijskwaliteit, vermeld in artikel 2, 16° /1, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. | ||
| 17 | Het beoordelingskader moet, voor het toegepast kan worden, door de Vlaamse Regering goedgekeurd worden. | ||
| 18 | De Vlaamse Regering kan nadere regels en voorwaarden bepalen voor deze kwaliteitsbeoordeling. | ||
| 5 | Uitschrijvingen voor opleidingsonderdelen door studenten onder creditcontract kunnen geen wijzigingen geven in het aantal opgenomen studiepunten. | 5 | Uitschrijvingen voor opleidingsonderdelen door studenten onder creditcontract kunnen geen wijzigingen geven in het aantal opgenomen studiepunten. |
| 6 | §2. Voor de berekening van de financiering voor initiële bachelor- en masteropleidingen van een instelling komen enkel de opgenomen en verworven studiepunten in aanmerking waarvoor de student een toereikend leerkrediet heeft op het moment van de inschrijving. | 6 | §2. Voor de berekening van de financiering voor initiële bachelor- en masteropleidingen van een instelling komen enkel de opgenomen en verworven studiepunten in aanmerking waarvoor de student een toereikend leerkrediet heeft op het moment van de inschrijving. |
| 7 | In afwijking van het eerste lid komen voor de berekening van de financiering voor de educatieve bacheloropleidingen en voor de educatieve masteropleidingen van een instelling ook de opgenomen en verworven studiepunten in aanmerking waarvoor de student een ontoereikend leerkrediet heeft op het moment van de inschrijving als de student al in het bezit is van respectievelijk een bachelordiploma of een masterdiploma. | ||
| 20 | De onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun2014) is gelijk aan de onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun), vermeld in paragraaf 13. | 20 | De onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun2014) is gelijk aan de onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun), vermeld in paragraaf 13. |
| 21 | Het variabele onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun2014) is het variabele onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun), vermeld in paragraaf 1, vermeerderd met de bedragen uit de kolom “VOZun2014 ZAP”, vermeld in paragraaf 13. | 21 | Het variabele onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun2014) is het variabele onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun), vermeld in paragraaf 1, vermeerderd met de bedragen uit de kolom “VOZun2014 ZAP”, vermeld in paragraaf 13. |
| 22 | § 2/1. Vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt de volgende component toegevoegd aan de totale werkingsuitkering, vermeld in paragraaf 2, eerste lid : een variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen (VOWhbo). | ||
| 23 | § 2/2. Professioneel gerichte opleidingen die over studiegebieden heen gerangschikt worden en waarvan een van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst of Muziek en podiumkunsten is, worden meegenomen voor de onderwijssokkel voor de professioneel gerichte opleidingen SOWprof2014 en voor het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen VOWprof2014. | ||
| 22 | §3. Bij de universiteiten is de verhouding (sokkel onderwijs SOWun + variabel onderwijsdeel VOWun) ten opzichte van (sokkel onderzoek SOZun + variabel onderzoeksdeel SOZun) gelijk aan 55 %/45 %. Hierbij is de sokkel onderwijs SOWun gelijk aan de som van de onderwijssokkels van alle universiteiten, berekend overeenkomstig de bepalingen in artikel III.9. | 24 | §3. Bij de universiteiten is de verhouding (sokkel onderwijs SOWun + variabel onderwijsdeel VOWun) ten opzichte van (sokkel onderzoek SOZun + variabel onderzoeksdeel SOZun) gelijk aan 55 %/45 %. Hierbij is de sokkel onderwijs SOWun gelijk aan de som van de onderwijssokkels van alle universiteiten, berekend overeenkomstig de bepalingen in artikel III.9. |
| 23 | §4. Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden voor de berekening van de 55%/45%-verhouding, vermeld in paragraaf 3, de volgende bedragen in rekening gebracht: | 25 | §4. Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden voor de berekening van de 55%/45%-verhouding, vermeld in paragraaf 3, de volgende bedragen in rekening gebracht: |
| 216 | 102.376,80 | 218 | 102.376,80 |
| 217 | Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel. | 219 | Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel. |
| 220 | § 17. Vanaf het begrotingsjaar 2022 is het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWhbo, vermeld in paragraaf 2/1, gelijk aan het bedrag dat overgedragen wordt conform artikel III.42/1. | ||
| 221 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 kan het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, evolueren conform artikel III.6, § 2/1. | ||
| 222 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. | ||
| 4 | § 2. De commissarissen van de Vlaamse Regering oefenen geen andere beroepsactiviteiten of andere bezoldigde activiteiten uit dan met toestemming van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. | 4 | § 2. De commissarissen van de Vlaamse Regering oefenen geen andere beroepsactiviteiten of andere bezoldigde activiteiten uit dan met toestemming van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. |
| 5 | § 3. De commissarissen van de Vlaamse Regering ontvangen de bezoldiging die op een gewoon hoogleraar aan een Vlaamse universiteit van toepassing is. | 5 | § 3. De commissarissen van de Vlaamse Regering ontvangen de bezoldiging die op een gewoon hoogleraar aan een Vlaamse universiteit van toepassing is. |
| 6 | De rechtspositieregeling van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid is op hen van toepassing. Voor de toepassing van het mobiliteitskrediet worden de commissarissen van de Vlaamse Regering gelijkgesteld met een ambtenaar van N-niveau. | 6 | De rechtspositieregeling van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid is op hen van toepassing, met inbegrip van de jaarlijkse evaluatie. Voor de toepassing van het mobiliteitskrediet en de toekenning van maaltijdcheques worden de commissarissen van de Vlaamse Regering gelijkgesteld met een ambtenaar van N-niveau. |
| 7 | De Vlaamse Regering is gemachtigd om voor de commissarissen van de Vlaamse Regering aanvullende rechtspositieregels vast te stellen, waarbij de rechtspositieregeling van een ambtenaar van N-niveau als uitgangspunt geldt. | 7 | De Vlaamse Regering is gemachtigd om voor de commissarissen van de Vlaamse Regering aanvullende rechtspositieregels vast te stellen, waarbij de rechtspositieregeling van een ambtenaar van N-niveau als uitgangspunt geldt. |
| 1 | Het voltijds lid van het zelfstandig academisch personeel dat op zijn verzoek of in toepassing van artikel V.13 ambtshalve in een deeltijds statuut wordt geplaatst, verkrijgt vanaf het ogenblik dat hij opnieuw aan de gestelde voorwaarden voldoet, en indien het nog geen 60 jaar oud is, opnieuw een voltijdse opdracht en geniet het overeenkomstige salaris. | 1 | Het volume van de opdracht van een lid van het zelfstandig academisch personeel dat op zijn verzoek of met toepassing van artikel V.16 ambtshalve gereduceerd is, wordt vanaf het ogenblik dat het personeelslid opnieuw aan de gestelde voorwaarden voldoet, en als het nog geen aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist, opnieuw verhoogd tot het volume van voor de reductie. |
| 2 | Dit recht vervalt indien het betrokken lid langer dan 8 al dan niet opeenvolgende academiejaren een dergelijke bezoldigde activiteit uitoefent. Evenwel kan het universi-teitsbestuur het deeltijds dienstverband, vanaf het ogenblik dat het betrokken lid aan de gestelde voorwaarden voldoet, uitbreiden tot een voltijds dienstverband. | 2 | Dit recht vervalt indien het betrokken lid langer dan 8 al dan niet opeenvolgende academiejaren een dergelijke bezoldigde activiteit uitoefent. Evenwel kan het universi-teitsbestuur het deeltijds dienstverband, vanaf het ogenblik dat het betrokken lid aan de gestelde voorwaarden voldoet, uitbreiden tot het volume van voor de reductie. |
| 3 | 2° groep 2 : het assisterend personeel : de assistent, de doctor-assistent en de werkleider; | 3 | 2° groep 2 : het assisterend personeel : de assistent, de doctor-assistent en de werkleider; |
| 4 | 3° groep 3 : de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar. | 4 | 3° groep 3 : de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar. |
| 5 | De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de professionele bacheloropleidingen. De lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen. | 5 | De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de graduaatsopleidingen en de professionele bacheloropleidingen. De lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen. |
| 6 | De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. De praktijkassistenten, de benoemde assistenten en de werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen. | 6 | De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. De praktijkassistenten, de benoemde assistenten en de werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen. |
| 7 | De ambten van groep 3 kunnen zowel in de professionele als in de academische opleidingen worden verleend. | 7 | De ambten van groep 3 kunnen zowel in de graduaatsopleidingen en de professionele als in de academische opleidingen worden verleend. |
| 8 | In afwijking van het tweede lid, kan een personeelslid in een ambt van groep 1 dat aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet, aangesteld blijven en in voorkomend geval benoemd worden in de educatieve masteropleiding voor de kunsten: | ||
| 9 | 1° het personeelslid oefende tot 31 augustus 2019 een opdracht uit in de specifieke lerarenopleiding voor de kunsten; | ||
| 10 | 2° het personeelslid oefent vanaf 1 september 2019 een opdracht uit in de educatieve masteropleiding voor de kunsten. | ||
| 1 | Het hogeschoolbestuur kan, rekening houdend met de behoeften van de hogeschool, betrekkingen intern of extern vacant verklaren voor de graden waarin in de personeelsformatie van het administratief en technisch personeel werd voorzien. | 1 | Het hogeschoolbestuur kan, rekening houdend met de behoeften van de hogeschool, betrekkingen intern of extern vacant verklaren voor de graden waarin in de personeelsformatie van het administratief en technisch personeel werd voorzien. |
| 2 | De vacante betrekkingen van het administratief en technisch personeel kunnen worden toegewezen hetzij door werving, hetzij door bevordering, hetzij door ambtswijziging. | 2 | De vacante betrekkingen van het administratief en technisch personeel kunnen worden toegewezen hetzij door werving, hetzij door bevordering, hetzij door ambtswijziging. Het hogeschoolbestuur kan een wervingsreserve aanleggen voor een cluster van verwante functies. |
| 3 | In afwijking van het eerste lid kan een bevordering of een ambtswijziging in een functie van de onmiddellijk hogere graad en van de daaropvolgende graad plaatsvinden zonder interne vacantverklaring en zonder selectie indien dit gebeurt in het kader van een vooraf door het hogeschoolbestuur bepaalde loopbaanplanning. Deze afwijking geldt enkel voor de zeer goed functionerende en presterende personeelsleden. De bevordering of ambtswijziging moet afdoende gemotiveerd worden op basis van een evaluatie van de door het betrokken personeelslid geleverde prestaties. | 3 | In afwijking van het eerste lid kan een bevordering of een ambtswijziging in een functie van de onmiddellijk hogere graad en van de daaropvolgende graad plaatsvinden zonder interne vacantverklaring en zonder selectie indien dit gebeurt in het kader van een vooraf door het hogeschoolbestuur bepaalde loopbaanplanning. Deze afwijking geldt enkel voor de zeer goed functionerende en presterende personeelsleden. De bevordering of ambtswijziging moet afdoende gemotiveerd worden op basis van een evaluatie van de door het betrokken personeelslid geleverde prestaties. |
| 4 | Een eerste bevordering of ambtswijziging in een leidinggevende functie vindt steeds plaats na een interne vacantverklaring en selectie. | 4 | Een eerste bevordering of ambtswijziging in een leidinggevende functie vindt steeds plaats na een interne vacantverklaring en selectie. |
| 5 | a) benoemd zijn voor een voltijdse opdracht bij het centrum voor volwassenenonderwijs of de overnemende hogeschool; | 5 | a) benoemd zijn voor een voltijdse opdracht bij het centrum voor volwassenenonderwijs of de overnemende hogeschool; |
| 6 | b) een vaste betrekking op de personeelsformatie van respectievelijk de overnemende hogeschool of het centrum voor volwassenenonderwijs hebben. | 6 | b) een vaste betrekking op de personeelsformatie van respectievelijk de overnemende hogeschool of het centrum voor volwassenenonderwijs hebben. |
| 7 | 4° de personeelsleden van het onderwijzend personeel behouden bij de overgang het saldo van de op 31 augustus 2019 in het CVO opgebouwde en opgenomen ziektedagen. | ||
| 1 | In afwijking van artikel V.206/5 gelden voor de personeelsleden die conform deze onderafdeling overgenomen zijn door een hogeschool, de volgende overgangsregelingen : | ||
| 2 | 1° voor de beoordeling van het minimale bekwaamheidsbewijs, vermeld in artikel V.206/5, tweede lid, en voor de uitbreiding van de omvang van de opdracht gelden voor de personeelsleden die bij het centrum voor volwassenenonderwijs in een ambt van het onderwijzend personeel werkten, de bepalingen, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs; | ||
| 3 | 2° als voor de benoeming van een personeelslid een bepaalde anciënniteit vereist is, houdt het hogeschoolbestuur bij tijdelijke personeelsleden die van een centrum voor volwassenenonderwijs overgekomen zijn, ook rekening met de dienstanciënniteit die bij het centrum verworven is binnen een opleiding van het hoger beroepsonderwijs of een specifieke lerarenopleiding; | ||
| 4 | 3° artikel V.170 van deze codex is niet van toepassing op de personeelsleden van het onderwijzend personeel die op 31 augustus 2019 aan de volgende twee voorwaarden voldoen : | ||
| 5 | a) benoemd zijn voor een voltijdse opdracht bij het centrum voor volwassenenonderwijs of de overnemende hogeschool; | ||
| 6 | b) een vaste betrekking op de personeelsformatie van respectievelijk de overnemende hogeschool of het centrum voor volwassenenonderwijs hebben. |
| 10 | 8° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen; | 10 | 8° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen; |
| 11 | 9° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen; | 11 | 9° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen; |
| 12 | 10° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende het hoger beroepsonderwijs; | 12 | 10° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; |
| 13 | 11° instelling : onderwijsinstelling of CLB; | 13 | 11° instelling : onderwijsinstelling of CLB; |
| 14 | 12° nascholing : het geheel van vormingsactiviteiten die tot doel hebben de kennis, vaardigheden en attitudes die personeelsleden tijdens hun opleiding of tijdens hun werkervaring hebben verworven, te verbreden en te verdiepen met het oog op hun verdere professionalisering; | 14 | 12° nascholing : het geheel van vormingsactiviteiten die tot doel hebben de kennis, vaardigheden en attitudes die personeelsleden tijdens hun opleiding of tijdens hun werkervaring hebben verworven, te verbreden en te verdiepen met het oog op hun verdere professionalisering; |
| 1 | Deze titelis niet van toepassing op de basiseducatie en de Centra voor Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 44 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. | 1 | Deze titel, met uitzondering van artikel 14, § 3, eerste lid, van dit decreet, is niet van toepassing op de basiseducatie en de Centra voor Volwassenenonderwijs, die niet in rekening worden gebracht voor het vaststellen van de personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdiensten, vermeld in artikel 16. |
| 1 | Deze titel is niet van toepassing op : | ||
| 2 | 1° de specifieke lerarenopleidingen in het volwassenenonderwijs; | ||
| 3 | 2° het hoger beroepsonderwijs. | ||
| 1 | Deze titel is niet van toepassing op het hoger beroepsonderwijs, met uitzondering van de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. De onderwijsinspectie oefent voor deze opleiding haar opdracht uit in samenwerking met de accreditatieorganisatie, vermeld in artikel II.26 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013. |
| 2 | 1° de ARGO: de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs; | 2 | 1° de ARGO: de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs; |
| 3 | 2° de centrale raad: de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988; | 3 | 2° de centrale raad: de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988; |
| 4 | 3° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de autonome internaten en tehuizen, de semi-internaten, de internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien, de pedagogische begeleidingsdienst en de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel. Het internaat toegevoegd aan een school, maakt deel uit van die school. Voor de personeelsleden die volgens artikel 26, § 4, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs, bij de scholengroep aangesteld zijn, en voor de vastbenoemde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel die bij de scholengroep aangesteld zijn, wordt de scholengroep voor de toepassing van dit decreet beschouwd als een instelling; | 4 | 3° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de autonome internaten en tehuizen, de semi-internaten, de internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien, de pedagogische begeleidingsdienst en de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel. Het internaat toegevoegd aan een school, maakt deel uit van die school. Voor de personeelsleden die op basis van artikel 32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bij de scholengroep aangesteld zijn, en voor de vastbenoemde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel die bij de scholengroep aangesteld zijn, wordt de scholengroep voor de toepassing van dit decreet beschouwd als een instelling; |
| 5 | 4° het schooljaar: de periode van 1 september tot 31 augustus van het daaropvolgend jaar voor het kleuter-, lager en secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en voor de CLB's; | 5 | 4° het schooljaar: de periode van 1 september tot 31 augustus van het daaropvolgend jaar voor het kleuter-, lager en secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en voor de CLB's; |
| 6 | 5° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt; | 6 | 5° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt; |
| 11 | 1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren; | 11 | 1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren; |
| 12 | 2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren. | 12 | 2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren. |
| 13 | Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief . Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | 13 | Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. |
| 14 | Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | 14 | Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. |
| 15 | § 4. De anciënniteit bedoeld in paragraaf 3 of artikel 100quater decies wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. | 15 | § 4. De anciënniteit bedoeld in paragraaf 3 of artikel 100quater decies wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. |
| 12 | 2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep; | 12 | 2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep; |
| 13 | 3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. | 13 | 3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. |
| 14 | Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief . Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | 14 | Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door het college van directeurs, na onderhandelingen in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De raad van bestuur deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. |
| 15 | Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | 15 | Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. |
| 16 | § 4. De anciënniteit bedoeld in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. | 16 | § 4. De anciënniteit bedoeld in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. |
| 3 | 2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten; | 3 | 2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten; |
| 4 | 3° op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van deze scholengemeenschap. Is het personeelslid op 31 december voor doorlopende duur aangesteld in het ambt van leraar, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft opgebouwd, zoals bepaald in artikel 21, § 5, en artikel 21bis, § 5. De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing op een personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of op een personeelslid bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij vast benoemd is en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Dit personeelslid moet, voor zover hij het ambt van leraar uitoefent, 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking; | 4 | 3° op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van deze scholengemeenschap. Is het personeelslid op 31 december voor doorlopende duur aangesteld in het ambt van leraar, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft opgebouwd, zoals bepaald in artikel 21, § 5, en artikel 21bis, § 5. De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing op een personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of op een personeelslid bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij vast benoemd is en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Dit personeelslid moet, voor zover hij het ambt van leraar uitoefent, 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking; |
| 5 | 4° als laatste evaluatie of beoordeling in het betrokken ambt geen evaluatie of beoordeling met eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen bij de scholengroep waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de scholengroep die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze scholengroep die behoren tot deze scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de scholengroep die niet behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze scholengroep die niet behoren tot een scholengemeenschap. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd of niet werd beoordeeld, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn. | 5 | 4° als laatste evaluatie in het ambt in kwestie geen evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen bij de scholengroep waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid niet is geëvalueerd, wordt die voorwaarde geacht voldaan te zijn. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in een instelling van de scholengroep die behoort tot een scholengemeenschap, geldt deze bepaling voor alle instellingen van die scholengroep die behoren tot die scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in een instelling van de scholengroep die niet behoort tot een scholengemeenschap, geldt deze bepaling voor alle instellingen van die scholengroep die niet behoren tot een scholengemeenschap. |
| 6 | De vaste benoeming is slechts mogelijk als het personeelslid de betrekking in hoofdambt uitoefent. | 6 | De vaste benoeming is slechts mogelijk als het personeelslid de betrekking in hoofdambt uitoefent. |
| 1 | § 1. De raad van bestuur wijst de instelling aan waar het vastbenoemd personeelslid zijn betrekking opneemt. Die affectatie vermeldt de omvang van de opdracht. | 1 | § 1. De raad van bestuur wijst de instelling aan waar het vastbenoemd personeelslid zijn betrekking opneemt. Die affectatie vermeldt de omvang van de opdracht. |
| 2 | § 2. Met ingang van 1 september 2000 krijgen de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel, evenals het ondersteunend personeel ter uitvoering van de rekenplichtigheid zoals bepaald in artikel 26, 4°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs een definitieve affectatie bij de scholengroep. | 2 | § 2. Met ingang van 1 september 2000 krijgen de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel, evenals het ondersteunend personeel ter uitvoering van de rekenplichtigheid zoals bepaald in artikel 32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 een definitieve affectatie bij de scholengroep. |
| 1 | § 1. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen inzake de evaluatie van de in artikel 2 bedoelde personeelsleden die vast benoemd zijn en aangesteld zijn voor doorlopende duur, met uitzondering van de instellingshoofden en de leden van de pedagogische begeleidingsdiensten. | ||
| 2 | Deze evaluatie betreft de waarde, de geschiktheid, de prestaties, de verdiensten van het personeelslid en zijn inzet voor het Gemeenschapsonderwijs of de instelling. | ||
| 3 | § 2. De leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht worden geëvalueerd door het instellingshoofd. In die evaluatie mag geen rekening worden gehouden met de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten. Deze zijn bij uitsluiting zaak van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer. | ||
| 4 | § 3. De Vlaamse Regering bepaalt, met eerbiediging van de rechten van verdediging, de mogelijkheden van beroep tegen de evaluatie 'onvoldoende'. De termijn voor het instellen van het beroep bedraagt twintig kalenderdagen. Het beroep schort de evaluatie op. | ||
| 5 | § 4. Dit artikel is met ingang van 1 september 2007 niet van toepassing op de personeelsleden aangesteld in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de CLB's en met ingang van 1 september 2009 ook niet meer op de andere personeelsleden op wie dit decreet van toepassing is. |
| 1 | Om toegelaten te worden tot de proeftijd in een selectie- of bevorderingsambt, moet het personeelslid op het ogenblik van de toelating tot de proeftijd voldoen aan de volgende voorwaarden: | 1 | Om toegelaten te worden tot de proeftijd in een selectie- of bevorderingsambt, moet het personeelslid op het ogenblik van de toelating tot de proeftijd voldoen aan de volgende voorwaarden: |
| 2 | 1° houder zijn van het voorziene vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, organiek of bij overgangsmaatregel; | 2 | 1° houder zijn van het voorziene vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, organiek of bij overgangsmaatregel; |
| 3 | 2° als laatste evaluatie of bij ontstentenis hiervan de laatste beoordeling geen evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' hebben verkregen in het desbetreffende selectie- of bevorderingsambt bij de scholengroep waar de betrekking zich situeert. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' kreeg in een instelling van de scholengroep die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze scholengroep die behoren tot deze scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' kreeg in een instelling van de scholengroep die niet behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze scholengroep die niet behoren tot een scholengemeenschap. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt aan deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; | 3 | 2° als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' hebben verkregen in het desbetreffende selectie- of bevorderingsambt bij de scholengroep waar de betrekking zich situeert. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' kreeg in een instelling van de scholengroep die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze scholengroep die behoren tot deze scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' kreeg in een instelling van de scholengroep die niet behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze scholengroep die niet behoren tot een scholengemeenschap. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt aan deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; |
| 4 | 3° voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 14 en 17, § 1 tot en met § 4; | 4 | 3° voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 14 en 17, § 1 tot en met § 4; |
| 5 | 4° beschikken over de bekwaamheden vereist voor het ambt. Deze bekwaamheden en het profiel op basis waarvan zij zijn vastgelegd, worden door de raad voor het gemeenschapsonderwijs vastgelegd. Zij worden getest in een proef die wordt georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van de raad voor het gemeenschapsonderwijs; | 5 | 4° beschikken over de bekwaamheden vereist voor het ambt. Deze bekwaamheden en het profiel op basis waarvan zij zijn vastgelegd, worden door de raad voor het gemeenschapsonderwijs vastgelegd. Zij worden getest in een proef die wordt georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van de raad voor het gemeenschapsonderwijs; |
| 1 | De directeur van een onderwijsinstelling die het mandaat van algemeen directeur uitoefent, kan aanspraak maken op een niet-verworven salarsisschaal indien de instellingen die behoren tot de scholengroep waarvan hij algemeen directeur is, tenminste 2000 regelmatig ingeschreven leerlingen tellen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar. Voor de scholengroep gelegen in de BSD wordt geen minimaal aantal leerlingen vereist. | 1 | De directeur van een onderwijsinstelling die het mandaat van algemeen directeur uitoefent, kan aanspraak maken op een niet-verworven salarsisschaal indien de instellingen die behoren tot de scholengroep waarvan hij algemeen directeur is, tenminste 2000 regelmatig ingeschreven leerlingen tellen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar. |
| 2 | De Vlaamse regering bepaalt de niet-verworven salarisschaal en de modaliteiten van de toekenning. | 2 | De Vlaamse regering bepaalt de niet-verworven salarisschaal en de modaliteiten van de toekenning. |
| 3 | In afwijking van het bepaalde in artikel 71 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs-VIII, wordt de overname van een onderwijsinstelling voor de gelding van dit artikel geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden. | 3 | Voor de toepassing van dit artikel wordt de overname van een onderwijsinstelling geacht al op 1 februari van het voorafgaande schooljaar te hebben plaatsgevonden. |
| 1 | De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen betreffende het secretariaat en de werkwijze van de kamer van beroep, de procedure en de redenen tot wraking. | 1 | De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen betreffende het secretariaat en de werkwijze van de kamer van beroep, de procedure en de redenen tot wraking. |
| 2 | De termijn voor het instellen van het beroep bedraagt twintig kalenderdagen. Deze termijn kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Het beroep heeft een schorsende werking. | ||
| 2 | Op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste aanbieding door de post van de schriftelijke mededeling van de tuchtstraf die door de raad van bestuur, of de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, aangetekend wordt verstuurd. De vervaltermijn kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode. Het beroep heeft een schorsende werking. |
| 1 | De beslissing waarbij een personeelslid in toepassing van artikel 86 of artikel 88, 3°, wordt ontslagen, wordt met redenen omkleed en ter kennis gebracht van de betrokkenen. | ||
| 2 | Een afschrift van de beslissing wordt toegezonden aan het instellingshoofd. | ||
| 1 | Het ontslag in toepassing van artikel 86 wordt door de raad van bestuur, of de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, met redenen omkleed en ter kennis gebracht van de betrokkene. Het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 61, 6° of 7°, wordt door de raad van bestuur, of de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, gegeven na het definitief worden van de tuchtmaatregel. Een afschrift van deze beslissing wordt ook steeds bezorgd aan het instellingshoofd. | ||
| 3 | Onverminderd artikel 88bis kan deze kennisgeving enkel geschieden hetzij bij ter post aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld. | 2 | Op straffe van nietigheid kan de kennisgeving door de raad van bestuur, of de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, van het in het eerste lid vermelde ontslag of afzetting enkel geschieden hetzij bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld. |
| 1 | Een vastbenoemd personeelslid dat in toepassing van artikel 86, 9°, 10° of 11°, of artikel 88, eerste lid, 3° en 7°, wordt ontslagen of afgezet, wordt pas definitief uit zijn ambt verwijderd na een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt vastgesteld volgens het aantal arbeidsdagen dat vereist is om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. | 1 | Een vastbenoemd personeelslid dat in toepassing van artikel 86, 9°, 10° of 11°, of artikel 88, eerste lid, 3° en 7°, wordt ontslagen of afgezet, wordt pas definitief uit zijn ambt verwijderd na een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt vastgesteld volgens het aantal arbeidsdagen dat vereist is om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. |
| 2 | Deze opzeggingstermijn begint te lopen vanaf de betekening van de beslissing bedoeld in artikel 87. | 2 | Deze opzeggingstermijn begint te lopen vanaf de betekening van de beslissing bedoeld in artikel 87. |
| 3 | Tijdens deze opzeggingstermijn wordt het personeelslid beschouwd als tijdelijk aangesteld en kan hij door de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum door de afgevaardigd bestuurder - met een andere opdracht worden belast en, uitgezonderd bij een ontslag volgens artikel 88, eerste lid, 7°, naar rato van de grootte van zijn oorspronkelijke opdracht worden vervangen. | 3 | Tijdens de opzeggingstermijn wordt het personeelslid beschouwd als tijdelijk aangesteld voor de duur van de opzeggingstermijn. De raad van bestuur, of de afgevaardigd bestuurder voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, kan het personeelslid met een andere opdracht belasten. Het personeelslid kan worden vervangen naar rato van de grootte van zijn oorspronkelijke opdracht, behalve bij een ontslag wegens de reden, vermeld in artikel 88, eerste lid, 7°. De dienstanciënniteit die een personeelslid tijdens de opzeggingstermijn verwerft, komt niet in aanmerking voor het verwerven van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als vermeld in artikel 21 of 21bis. |
| 4 | Het personeelslid ontvangt het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het vastbenoemd was. | 4 | Het personeelslid ontvangt het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het vastbenoemd was. |
| 5 | Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn. | 5 | Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn. |
| 1 | § 1. De bepalingen inzake functiebeschrijving gelden vanaf 1 september 2007. | ||
| 2 | § 2. De bepalingen inzake evaluatie gelden voor de personeelsleden van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de CLB's vanaf 1 september 2007. Voor de personeelsleden van het basisonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, de autonome internaten en tehuizen, de semi-internaten en de internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien gelden ze vanaf 1 september 2009. | ||
| 3 | § 3. De beoordelings- en evaluatieprocedures ingezet in toepassing van artikel 22 of 41 en de beroepsprocedure ingezet in toepassing van artikel 24 en artikel 61, 6°, moeten verder worden gezet overeenkomstig de decreets- en reglementsbepalingen die golden op het ogenblik van het opstarten van deze procedures. Hiertoe blijft een raad van beroep fungeren. Deze raad van beroep is samengesteld uit : | ||
| 4 | 1° een voorzitter en twee plaatsvervangende voorzitters, onafhankelijke personen die aangesteld worden door de Vlaamse Regering; | ||
| 5 | 2° twee leden aangewezen door de voorzitter van de raad van beroep onder de leden bedoeld in § 2, overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde regelen; | ||
| 6 | 3° een vaste secretaris en een plaatsvervangende secretaris, door de afgevaardigd bestuurder aangewezen onder de ambtenaren van niveau A van zijn administratieve diensten. Een secretaris is belast met het opstellen van het verslag over de zaak. | ||
| 7 | Bij de aanwijzing van de leden bedoeld in 2°, wijst de Vlaamse Regering voor respectievelijk het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het hoger onderwijs, het buitengewoon onderwijs, de psycho-medisch- sociale centra, de pedagogische begeleidingsdienst en de categorie van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel telkens acht leden aan, waarvan telkens vier titularis van een wervings- of selectieambt en telkens vier titularis van een bevorderingsambt zijn. Voor de categorie van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel worden vier leden titularis van een wervingsambt en vier leden titularis van een selectieambt aangeduid. Deze leden zijn vastbenoemde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs. | ||
| 8 | De voorzitter wijst overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde regelen de leden aan. | ||
| 9 | De Vlaamse Regering bepaalt de vergoedingen waarop de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter recht hebben. | ||
| 10 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende de samenstelling, het secretariaat en de werking van de raad van beroep, de procedure en de redenen tot wraking. |
| 3 | 2° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 1 mei 2018 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. | 3 | 2° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 1 mei 2018 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. |
| 4 | De lijst van deze vacant verklaarde betrekkingen wordt voor 10 september 2018 openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend. | 4 | De lijst van deze vacant verklaarde betrekkingen wordt voor 10 september 2018 openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend. |
| 5 | § 2. Onverminderd artikel 28, § 1, moet de raad van bestuur met het oog op een vaste benoeming op 1 januari 2019 bijkomend ook betrekkingen vacant verklaren die beantwoorden aan de volgende voorwaarden : | 5 | § 2. Onverminderd artikel 28, § 1, moet de raad van bestuur met het oog op een vaste benoeming op 1 januari 2021 bijkomend ook betrekkingen vacant verklaren die beantwoorden aan de volgende voorwaarden : |
| 6 | 1° de betrekking is ingericht in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel; | 6 | 1° de betrekking is ingericht in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel; |
| 7 | 2° de vastbenoemde titularis van de betrekking, vermeld in punt 1°, is voor zijn volledige opdracht of voor een deel van zijn opdracht voor een volledig schooljaar afwezig omwille van een of meer van volgende verlofstelsels : | 7 | 2° de vastbenoemde titularis van de betrekking, vermeld in punt 1°, is voor zijn volledige opdracht of voor een deel van zijn opdracht voor een volledig schooljaar afwezig omwille van een of meer van volgende verlofstelsels : |
| 15 | h) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties; | 15 | h) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties; |
| 16 | i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties. | 16 | i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties. |
| 17 | Van het totale volume van de opdrachten waarvoor de personeelsleden onder de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, afwezig zijn, moet de raad van bestuur 33 procent vacant verklaren en mag hij maximum 50 procent vacant verklaren. Deze bepaling geldt telkens apart : | ||
| 18 | - voor het geheel van de instellingen van het deeltijds kunstonderwijs; | ||
| 19 | - voor het geheel van de instellingen van het volwassenenonderwijs; | ||
| 20 | - in het basisonderwijs voor het geheel van de instellingen die tot een scholengemeenschap behoren enerzijds en voor de scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren anderzijds; | ||
| 21 | - in het secundair onderwijs voor het geheel van de instellingen die tot een scholengemeenschap behoren enerzijds en voor de scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren anderzijds. | ||
| 22 | Gaat het om een netoverschrijdende scholengemeenschap dan maakt de scholengemeenschap afspraken over de vaststelling van dit percentage. | ||
| 23 | Deze vacant verklaarde betrekkingen worden toegevoegd aan de lijst van de vacant verklaarde betrekkingen, vermeld in artikel 28, § 2. | 17 | Deze vacant verklaarde betrekkingen worden toegevoegd aan de lijst van de vacant verklaarde betrekkingen, vermeld in artikel 28, § 2. |
| 18 | § 3. Onverminderd artikel 28, § 1, moet de raad van bestuur met het oog op een vaste benoeming op 1 januari 2021 bijkomend ook betrekkingen vacant verklaren die uiterlijk op 15 november 2020 beantwoorden aan de volgende voorwaarden: | ||
| 19 | 1° betrekkingen in het gewoon secundair onderwijs die de school inricht met uren-leraar die de school in toepassing van artikel 21 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of van artikel 90, § 1, 9°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap tijdens het schooljaar 2019-2020 heeft overgedragen; | ||
| 20 | 2° betrekkingen die een school voor gewoon secundair onderwijs inricht met uren-leraar die ze heeft ontvangen van een andere school van hetzelfde schoolbestuur of van een ander schoolbestuur binnen hetzelfde net, volgens artikel 19 of volgens artikel 20 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. | ||
| 21 | De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt voor 30 november 2020 openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend. | ||
| 9 | In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. | 9 | In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. |
| 10 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven. | 10 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven. |
| 11 | Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij die inrichtende machtmet een ter post aangetekende brief . Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. Als het personeelslid in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | 11 | Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de inrichtende macht, na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De inrichtende macht deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeelsleden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. Als het personeelslid in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. |
| 12 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.. | 12 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.. |
| 13 | § 4. De anciënniteit bedoeld in paragraaf 3 of artikel 77bis wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. | 13 | § 4. De anciënniteit bedoeld in paragraaf 3 of artikel 77bis wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. |
| 10 | In het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. | 10 | In het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. |
| 11 | Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap. | 11 | Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap. |
| 12 | Om een beroep te doen op dat recht moet het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat stellen met een ter post aangetekende brief bij een inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie. | 12 | Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid kan dat naar keuze doen met een ter post aangetekende brief of op een wijze die door de scholengemeenschap na onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité, wordt vastgelegd en die, wat tegenstelbaarheid betreft, minimaal dezelfde garanties biedt als een ter post aangetekende brief. De scholengemeenschap deelt de mogelijkheden van mededeling van de kandidaatstelling mee aan alle personeel leden en maakt dit ook openbaar. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie. |
| 13 | Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven. | 13 | Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven. |
| 14 | Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | 14 | Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. |
| 1 | § 1. Het personeelslid dat voor een vaste benoeming in verschillende betrekkingen kandideert, moet voor iedere betrekking een afzonderlijke kandidatuur indienen. | 1 | § 1. Het personeelslid dat voor een vaste benoeming in verschillende betrekkingen kandideert, moet voor iedere betrekking een afzonderlijke kandidatuur indienen. |
| 2 | Indien het identieke betrekkingen in hetzelfde ambt betreft volstaat evenwel één kandidatuurstelling. | 2 | Indien het identieke betrekkingen in hetzelfde ambt betreft volstaat evenwel één kandidatuurstelling. |
| 3 | § 2. Bij de vaste benoeming geniet het personeelslid dat een dienstanciënniteit heeft van tenminste 960 dagen gepresteerd bij de inrichtende macht in een betrekking van de betrokken categorie, bij deze inrichtende macht voorrang boven een kandidaat die deze anciënniteit niet heeft. De 960 dagen moeten worden bereikt op 30 juni voorafgaand aan de datum waarop de vaste benoeming ingaat, behalve voor het technisch en administratief personeel waarvoor de bedoelde 960 dagen moeten worden bereikt op 31 augustus voorafgaand aan de datum waarop de vaste benoeming ingaat. Voor scholen behorend tot een scholengemeenschap: | 3 | § 2. Bij de vaste benoeming geniet het personeelslid dat een dienstanciënniteit heeft van tenminste 960 dagen gepresteerd bij de inrichtende macht in een betrekking van de betrokken categorie, bij deze inrichtende macht voorrang boven een kandidaat die deze anciënniteit niet heeft. De 960 dagen moeten worden bereikt op 31 augustus voorafgaand aan de datum waarop de vaste benoeming ingaat. Voor scholen behorend tot een scholengemeenschap: |
| 4 | - mag voor de vaststelling van deze 960 dagen ook rekening gehouden worden met diensten gepresteerd bij een andere inrichtende macht behorend tot dezelfde scholengemeenschap; | 4 | - mag voor de vaststelling van deze 960 dagen ook rekening gehouden worden met diensten gepresteerd bij een andere inrichtende macht behorend tot dezelfde scholengemeenschap; |
| 5 | -geldt de verworven voorrang voor alle scholen van deze scholengemeenschap. | 5 | -geldt de verworven voorrang voor alle scholen van deze scholengemeenschap. |
| 1 | De beslissing waarbij een personeelslid in toepassing van artikel 60 of artikel 62, 3°, wordt ontslagen of afgezet, wordt met redenen omkleed en ter kennis gebracht van de betrokkene. | 1 | Het ontslag in toepassing van artikel 60 wordt door de inrichtende macht met redenen omkleed en ter kennis gebracht van de betrokkene. Het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 64, 6° of 7°, wordt door de inrichtende macht gegeven na het definitief worden van de tuchtmaatregel. |
| 2 | Onverminderd artikel 62bis kan deze kennisgeving enkel geschieden hetzij bij ter post aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld. | 2 | Op straffe van nietigheid kan de kennisgeving door de inrichtende macht van het in het eerste lid vermelde ontslag of afzetting enkel geschieden hetzij bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld. |
| 4 | 3° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 64, 6° of 7°; | 4 | 3° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 64, 6° of 7°; |
| 5 | 4° de definitieve pensionering; | 5 | 4° de definitieve pensionering; |
| 6 | 5° het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel. | 6 | 5° het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel; |
| 7 | 6° de weigering van een vastbenoemde lector van een centrum voor volwassenenonderwijs om op 1 september 2019 over te gaan naar een hogeschool, zoals bedoeld in artikel 84vicies semel. | ||
| 7 | In afwijking van punt 2° geeft het bereiken van de leeftijdsgrens geen aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen. | 8 | In afwijking van punt 2° geeft het bereiken van de leeftijdsgrens geen aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen. |
| 8 | Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden : | 9 | Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden : |
| 1 | Een vastbenoemd personeelslid dat in toepassing van artikel 60, 5°, 9°, 10° of 11°, of artikel 62, eerste lid, 3° en 6°, wordt ontslagen of afgezet, wordt pas definitief uit zijn ambt verwijderd na een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt vastgesteld volgens het aantal arbeidsdagen dat vereist is om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. | 1 | Een vastbenoemd personeelslid dat in toepassing van artikel 60, 5°, 9°, 10° of 11°, of artikel 62, eerste lid, 3° en 6°, wordt ontslagen of afgezet, wordt pas definitief uit zijn ambt verwijderd na een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt vastgesteld volgens het aantal arbeidsdagen dat vereist is om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. |
| 2 | Deze opzeggingstermijn begint te lopen vanaf de betekening van de beslissing bedoeld in artikel 61. | 2 | Deze opzeggingstermijn begint te lopen vanaf de betekening van de beslissing bedoeld in artikel 61. |
| 3 | Tijdens deze opzeggingstermijn wordt het personeelslid beschouwd als tijdelijk aangesteld en kan hij door de inrichtende macht met een andere opdracht worden belast en, uitgezonderd bij een ontslag volgens artikel 62, eerste lid, 6°, naar rato van de grootte van zijn oorspronkelijke opdracht worden vervangen. | 3 | Tijdens de opzeggingstermijn wordt het personeelslid beschouwd als tijdelijk aangesteld voor de duur van de opzeggingstermijn. De inrichtende macht kan het personeelslid met een andere opdracht belasten. Het personeelslid kan worden vervangen naar rato van de grootte van zijn oorspronkelijke opdracht, behalve bij een ontslag wegens de reden, vermeld in artikel 62, eerste lid, 6°. De dienstanciënniteit die een personeelslid tijdens de opzeggingstermijn verwerft, komt niet in aanmerking voor het verwerven van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als vermeld in artikel 23 of 23bis. |
| 4 | Het personeelslid ontvangt het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het vastbenoemd was. | 4 | Het personeelslid ontvangt het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het vastbenoemd was. |
| 5 | Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn. | 5 | Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn. |
| 1 | De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen betreffende de werkwijze van de kamer van beroep, in het procedurereglement, met dien verstande dat: | 1 | De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen betreffende de werkwijze van de kamer van beroep, in het procedurereglement, met dien verstande dat: |
| 2 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de schriftelijke mededeling van de sanctie door de inrichtende macht; Deze termijn kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode; | 2 | 1° op straffe van verval het beroep dient ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste aanbieding door de post van de schriftelijke mededeling van de tuchtstraf die door de inrichtende macht aangetekend wordt verstuurd. Deze termijn kan worden opgeschort tijdens een vakantieperiode; |
| 3 | 2° het beroep de tuchtmaatregel opschort; | 3 | 2° het beroep de tuchtmaatregel opschort; |
| 4 | 3° de aangevatte preventieve schorsing tijdens de beroepsprocedure kan worden verlengd, ook na het verstrijken van de in artikel 67 bedoelde termijn; | 4 | 3° de aangevatte preventieve schorsing tijdens de beroepsprocedure kan worden verlengd, ook na het verstrijken van de in artikel 67 bedoelde termijn; |
| 3 | 2° het deel van de betrekking van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 1 mei 2018 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. | 3 | 2° het deel van de betrekking van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 1 mei 2018 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. |
| 4 | De mededeling van deze vacante betrekkingen gebeurt voor 10 september 2018. | 4 | De mededeling van deze vacante betrekkingen gebeurt voor 10 september 2018. |
| 5 | § 2. Onverminderd artikel 33, § 1 en § 4, moet de inrichtende macht met het oog op een vaste benoeming op 1 januari 2019 bijkomend ook betrekkingen als vacante betrekkingen meedelen die beantwoorden aan de volgende voorwaarden : | 5 | § 2. Onverminderd artikel 33, § 1 en § 4, moet de inrichtende macht met het oog op een vaste benoeming op 1 januari 2021 bijkomend ook betrekkingen als vacante betrekkingen meedelen die beantwoorden aan de volgende voorwaarden : |
| 6 | 1° de betrekking is ingericht in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel; | 6 | 1° de betrekking is ingericht in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel; |
| 7 | 2° de vastbenoemde titularis van de betrekking, vermeld in punt 1°, is voor zijn volledige opdracht of voor een deel van zijn opdracht voor een volledig schooljaar afwezig omwille van een of meer van volgende verlofstelsels : | 7 | 2° de vastbenoemde titularis van de betrekking, vermeld in punt 1°, is voor zijn volledige opdracht of voor een deel van zijn opdracht voor een volledig schooljaar afwezig omwille van een of meer van volgende verlofstelsels : |
| 14 | g) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties; | 14 | g) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties; |
| 15 | h) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties. | 15 | h) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties. |
| 16 | Van het totale volume van de opdrachten waarvoor de personeelsleden onder de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, afwezig zijn, moet de inrichtende macht 33 procent vacant verklaren en mag hij maximum 50 procent vacant verklaren. Deze bepaling geldt telkens apart : | ||
| 17 | - voor het geheel van de instellingen van het deeltijds kunstonderwijs; | ||
| 18 | - voor het geheel van de instellingen van het volwassenenonderwijs; | ||
| 19 | - in het basisonderwijs voor het geheel van de instellingen die tot een scholengemeenschap behoren enerzijds en voor de scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren anderzijds; | ||
| 20 | - in het secundair onderwijs voor het geheel van de instellingen die tot een scholengemeenschap behoren enerzijds en voor de scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren anderzijds. | ||
| 21 | Als een scholengemeenschap in het basisonderwijs of secundair onderwijs instellingen bevat van meerdere inrichtende machten maakt de scholengemeenschap afspraken over de vaststelling van dit percentage. | ||
| 22 | Deze betrekkingen worden toegevoegd aan de mededeling van de vacante betrekkingen, vermeld in artikel 33, § 1. | 16 | Deze betrekkingen worden toegevoegd aan de mededeling van de vacante betrekkingen, vermeld in artikel 33, § 1. |
| 17 | § 3. Onverminderd artikel 33, § 1 en § 4, moet de inrichtende macht met het oog op een vaste benoeming op 1 januari 2021 bijkomend ook betrekkingen als vacante betrekkingen meedelen die uiterlijk op 15 november 2020 beantwoorden aan de volgende voorwaarden: | ||
| 18 | 1° betrekkingen in het gewoon secundair onderwijs die de school inricht met uren-leraar die de school in toepassing van artikel 21 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of van artikel 90, § 1, 9°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap tijdens het schooljaar 2019-2020 heeft overgedragen; | ||
| 19 | 2° betrekkingen die een school voor gewoon secundair onderwijs inricht met uren-leraar die ze heeft ontvangen van een andere school van hetzelfde schoolbestuur of van een ander schoolbestuur binnen hetzelfde net, of volgens artikel 19 of volgens artikel 20 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. | ||
| 20 | De inrichtende macht deelt de vacante betrekkingen uiterlijk voor 30 november 2020 mee op de wijze die vermeld is in artikel 33, § 1. | ||
| 9 | 1° in de leergebieden wiskunde, Nederlands en alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie. De open module wiskunde omvat uitsluitend eindtermen of basiscompetenties uit het leergebied wiskunde. De open module Nederlands omvat uitsluitend eindtermen uit het leergebied Nederlands. De open module alfabetisering Nederlands tweede taal omvat uitsluitend basiscompetenties uit het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal; | 9 | 1° in de leergebieden wiskunde, Nederlands en alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie. De open module wiskunde omvat uitsluitend eindtermen of basiscompetenties uit het leergebied wiskunde. De open module Nederlands omvat uitsluitend eindtermen uit het leergebied Nederlands. De open module alfabetisering Nederlands tweede taal omvat uitsluitend basiscompetenties uit het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal; |
| 10 | 2° als geletterdheidsmodule, zoals bedoeld in artikel 24, § 1bis. De open module omvat uitsluitend eindtermen of basiscompetenties bepaald door de Vlaamse Regering. | 10 | 2° als geletterdheidsmodule, zoals bedoeld in artikel 24, § 1bis. De open module omvat uitsluitend eindtermen of basiscompetenties bepaald door de Vlaamse Regering. |
| 11 | 3° in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. De open module Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 omvat uitsluitend basiscompetenties uit het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2. De open module Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 omvat uitsluitend basiscompetenties uit het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | ||
| 4 | 1° om toegelaten te worden tot de aanvangsmodule met schriftelijke basiscompetenties moet de cursist kunnen aantonen dat hij de schriftelijke basiscompetenties heeft behaald op het niveau van de voorgaande richtgraad; | 4 | 1° om toegelaten te worden tot de aanvangsmodule met schriftelijke basiscompetenties moet de cursist kunnen aantonen dat hij de schriftelijke basiscompetenties heeft behaald op het niveau van de voorgaande richtgraad; |
| 5 | 2° om toegelaten te worden tot de aanvangsmodule met mondelinge basiscompetenties moet de cursist kunnen aantonen dat hij de mondelinge basiscompetenties heeft behaald op het niveau van de voorgaande richtgraad. | 5 | 2° om toegelaten te worden tot de aanvangsmodule met mondelinge basiscompetenties moet de cursist kunnen aantonen dat hij de mondelinge basiscompetenties heeft behaald op het niveau van de voorgaande richtgraad. |
| 6 | In afwijking van het eerste lid en in uitvoering van federale, Europese of andere hiërarchisch hogere regelgeving voortvloeiende verplichtingen, kan de Vlaamse Regering aanvullende toelatingsvoorwaarden bepalen om als cursist toegelaten te worden tot de aanvangsmodule van een opleiding in de sequentieel geordende organisatie of tot een niet-sequentieel geordende module. | 6 | In afwijking van het eerste lid en in uitvoering van Vlaamse, federale of Europese regelgeving voortvloeiende verplichtingen, kan de Vlaamse Regering aanvullende toelatingsvoorwaarden bepalen om als cursist toegelaten te worden tot de aanvangsmodule van een opleiding in de sequentieel geordende organisatie of tot een niet-sequentieel geordende module. |
| 7 | § 2. Behoudens de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 31, 32 en 33, moet aan één van volgende voorwaarden voldaan zijn om als cursist toegelaten te worden tot een sequentieel geordende module : | 7 | § 2. Behoudens de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 31, 32 en 33, moet aan één van volgende voorwaarden voldaan zijn om als cursist toegelaten te worden tot een sequentieel geordende module : |
| 8 | 1° de cursist beschikt over het deelcertificaat van een sequentieel voorafgaande module in een leertraject; | 8 | 1° de cursist beschikt over het deelcertificaat van een sequentieel voorafgaande module in een leertraject; |
| 8 | § 4. Een diploma van het secundair onderwijs bekrachtigt : | 8 | § 4. Een diploma van het secundair onderwijs bekrachtigt : |
| 9 | 1° de opleidingen economie-moderne talen, economie-wiskunde, humane wetenschappen ASO3, moderne talen-wetenschappen, moderne talen-wiskunde en wetenschappen-wiskunde van het studiegebied algemene vorming; | 9 | 1° de opleidingen economie-moderne talen, economie-wiskunde, humane wetenschappen ASO3, moderne talen-wetenschappen, moderne talen-wiskunde en wetenschappen-wiskunde van het studiegebied algemene vorming; |
| 10 | 2° de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een certificaat van een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied in het secundair volwassenenonderwijs, een certificaat van een opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5 of een diploma of graad van gegradueerde; | 10 | 2° de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een certificaat of een bewijs van een beroepskwalificatie van een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied in het secundair volwassenenonderwijs, een certificaat van een opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5 of een diploma of graad van gegradueerde; |
| 11 | 2° bis de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een of meer deelattesten als bewijs van slagen voor het specifiek gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het TSO of BSO voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs voor zover de onderverdeling overeenkomt met een opleiding als vermeld in artikel 42; | 11 | 2° bis de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een of meer deelattesten als bewijs van slagen voor het specifiek gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het TSO of BSO voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs voor zover de onderverdeling overeenkomt met een opleiding als vermeld in artikel 42; |
| 12 | 3° een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied dan aanvullende algemene vorming of algemene vorming in het secundair volwassenenonderwijs, als de cursist bij zijn inschrijving houder is van een diploma van het secundair onderwijs. | 12 | 3° een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied dan aanvullende algemene vorming of algemene vorming in het secundair volwassenenonderwijs, als de cursist bij zijn inschrijving houder is van een diploma van het secundair onderwijs. |
| 1 | § 1. Het centrumbestuur dat tijdens het schooljaar n/n+1 in aanmerking wil komen voor een aanvullende financiering of subsidiëring voor het gecombineerd onderwijs via de middelen, vermeld in artikel 72bis, dient hiertoe uiterlijk op 30 april van het voorafgaande schooljaar een aanvraag in bij de Vlaamse Regering. | 1 | § 1. Het centrumbestuur dat tijdens het schooljaar n/n+1 in aanmerking wil komen voor een aanvullende financiering of subsidiëring voor het gecombineerd onderwijs via de middelen, vermeld in artikel 72bis, dient hiertoe uiterlijk op 31 maart van het voorafgaande schooljaar een aanvraag in bij de Vlaamse Regering. |
| 2 | Deze aanvraag voldoet aan volgende criteria om ontvankelijk te zijn : | 2 | Deze aanvraag voldoet aan volgende criteria om ontvankelijk te zijn : |
| 3 | 1° het heeft betrekking op modules van een erkende en gefinancierde of gesubsidieerde opleiding waarvoor het centrumbestuur nog geen aanvullende financiering of subsidiëring via de middelen, vermeld in artikel 72bis, heeft gekregen; | 3 | 1° het heeft betrekking op modules van een erkende en gefinancierde of gesubsidieerde opleiding waarvoor het centrumbestuur nog geen aanvullende financiering of subsidiëring via de middelen, vermeld in artikel 72bis, heeft gekregen; |
| 2 | Elk centrum is verplicht een directeur aan te stellen. | 2 | Elk centrum is verplicht een directeur aan te stellen. |
| 3 | § 2. Naast de vte, vermeld in artikel 85, heeft elk centrum voor basiseducatie recht op een puntenenveloppe voor het aanwerven van personeelsleden in de ambten voor de ondersteuning van zijn werking. Voor de berekening van de puntenenveloppe waarop een centrum voor basiseducatie vanaf 1 september 2020 jaarlijks recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan punten voor de basiseducatie uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor basiseducatie. Elk centrum heeft op 1 september n recht op hetzelfde aandeel aan punten als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-3 tot en met 31 december n-1 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 2bis, heeft bereikt. | 3 | § 2. Naast de vte, vermeld in artikel 85, heeft elk centrum voor basiseducatie recht op een puntenenveloppe voor het aanwerven van personeelsleden in de ambten voor de ondersteuning van zijn werking. Voor de berekening van de puntenenveloppe waarop een centrum voor basiseducatie vanaf 1 september 2020 jaarlijks recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan punten voor de basiseducatie uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor basiseducatie. Elk centrum heeft op 1 september n recht op hetzelfde aandeel aan punten als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-3 tot en met 31 december n-1 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 2bis, heeft bereikt. |
| 4 | De som van het aantal punten die de Vlaamse Gemeenschap toekent wordt naar beneden afgerond tot een geheel getal. | ||
| 4 | § 2bis. Het totale aantal financieringspunten voor de punten per centrum is de som van het aantal gewogen financieringspunten, waarbij 90 % gewogen wordt op centrumkenmerken en opleidingskenmerken en 10 % op cursistenkenmerken en vermeerderd met de kwalificatiebonus voor de opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal. | 5 | § 2bis. Het totale aantal financieringspunten voor de punten per centrum is de som van het aantal gewogen financieringspunten, waarbij 90 % gewogen wordt op centrumkenmerken en opleidingskenmerken en 10 % op cursistenkenmerken en vermeerderd met de kwalificatiebonus voor de opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal. |
| 5 | Voor de 90 %-weging op centrumkenmerken en opleidingskenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (kg) * (bd) * (pi), waarbij : | 6 | Voor de 90 %-weging op centrumkenmerken en opleidingskenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (kg) * (bd) * (pi), waarbij : |
| 1 | De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n-1/neen werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. Vanaf het begrotingsjaar 2020 bedraagt de werkingstoelage per lesuurcursist 1,8741 euro. | 1 | De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n/n+1 een werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. Vanaf het begrotingsjaar 2020 bedraagt de werkingstoelage per lesuurcursist 1,8741 euro. |
| 2 | De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar . De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n-1/nrecht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar . | 2 | De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar n+1. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n/n+1 recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar n+1. |
| 3 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 3 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 1 | § 1. Voor de berekening van het aantal financieringspunten komen enkel cursisten in aanmerking die : | 1 | § 1. Voor de berekening van het aantal financieringspunten komen enkel cursisten in aanmerking die : |
| 2 | 1° het inschrijvingsgeld betaald hebben, als dat verplicht is; | ||
| 2 | 1° ingeschreven zijn vóór een derde van het minimum aantal lestijden van een module voorbij is, dat volgens het opleidingsprofiel, vermeld in artikel 24, georganiseerd moet worden; | 3 | 2° ingeschreven zijn vóór een derde van het minimaal aantal lestijden van een module voorbij is, dat volgens het opleidingsprofiel, vermeld in artikel 24, georganiseerd moet worden. |
| 3 | 2° ... | ||
| 4 | § 2. Cursisten die onderwijs volgen in een Centrum voor Basiseducatie dat niet door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend of gesubsidieerd, komen niet in aanmerking voor de berekening van het aantal financieringspunten. | 4 | § 2. Cursisten die onderwijs volgen in een Centrum voor Basiseducatie dat niet door de Vlaamse Gemeenschap wordt erkend of gesubsidieerd, komen niet in aanmerking voor de berekening van het aantal financieringspunten. |
| 5 | § 3. ... |
| 1 | § 1. Een erkend centrum voor volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor de studiegebieden als vermeld in artikel 7 komt voor de financiering of subsidiëring voor het schooljaar n/n+1 in aanmerking wanneer het centrum voor volwassenenonderwijs aan één van de volgende voorwaarden voldoet : | 1 | § 1. Een erkend centrum voor volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor de studiegebieden als vermeld in artikel 7 komt voor de financiering of subsidiëring voor het schooljaar n/n+1 in aanmerking wanneer het centrum voor volwassenenonderwijs aan één van de volgende voorwaarden voldoet : |
| 2 | 1° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van meer dan 300 inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 700.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs behaald, waarbij de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n naar een ander centrum, niet meegerekend zijn; | 2 | 1° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van meer dan 300 inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 700.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs behaald, waarbij de lesurencursist die volgens de berekeningswijze, vermeld in het tweede lid, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n naar een ander centrum, niet meegerekend zijn; |
| 3 | 2° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van meer dan 300 inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft op 1 september n ten minste de som van 700.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n; | 3 | 2° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van meer dan 300 inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft op 1 september n ten minste de som van 700.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de berekeningswijze, vermeld in het tweede lid, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n; |
| 4 | 3° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van 300 of minder inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 360.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs behaald, waarbij de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n naar een ander centrum, niet meegerekend zijn; | 4 | 3° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van 300 of minder inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 360.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs behaald, waarbij de lesurencursist die volgens de berekeningswijze, vermeld in het tweede lid, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n naar een ander centrum, niet meegerekend zijn; |
| 5 | 4° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van 300 of minder inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft op 1 september n ten minste de som van 360.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n; | 5 | 4° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van 300 of minder inwoners per km² wordt in aanmerking genomen, heeft op 1 september n ten minste de som van 360.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de berekeningswijze, vermeld in het tweede lid, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n; |
| 6 | 5° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats op 1 januari 2017 in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of in de rand- en taalgrensgemeenten of in de voormalige mijngemeente Beringen, Genk, Houthalen-Helchteren, Heusden-Zolder en Maasmechelen ligt, heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 525.000 lesurencursist behaald, waarbij de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n naar een ander centrum, niet meegerekend zijn; | 6 | 5° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats op 1 januari 2017 in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of in de rand- en taalgrensgemeenten of in de voormalige mijngemeente Beringen, Genk, Houthalen-Helchteren, Heusden-Zolder en Maasmechelen ligt, heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 525.000 lesurencursist behaald, waarbij de lesurencursist die volgens de berekeningswijze, vermeld in het tweede lid, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n naar een ander centrum, niet meegerekend zijn; |
| 7 | 6° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats op 1 januari 2017 in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of in de rand- en taalgrensgemeenten of in de voormalige mijngemeente Beringen, Genk, Houthalen-Helchteren, Heusden-Zolder en Maasmechelen ligt, heeft op 1 september n ten minste de som van 525.000 in het secundair volwassenenonderwijs bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n; | 7 | 6° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats op 1 januari 2017 in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of in de rand- en taalgrensgemeenten of in de voormalige mijngemeente Beringen, Genk, Houthalen-Helchteren, Heusden-Zolder en Maasmechelen ligt, heeft op 1 september n ten minste de som van 525.000 in het secundair volwassenenonderwijs bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de berekeningswijze, vermeld in het tweede lid, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n; |
| 8 | 7° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft onderwijsbevoegdheid voor maximaal één studiegebied als vermeld in artikel 7 en heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 200.000 lesurencursist in dit studiegebied behaald; | 8 | 7° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft onderwijsbevoegdheid voor maximaal één studiegebied als vermeld in artikel 7 en heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 200.000 lesurencursist in dit studiegebied behaald; |
| 9 | 8° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft onderwijsbevoegdheid voor maximaal één studiegebied als vermeld in artikel 7 en heeft op 1 september n ten minste de som van 200.000 lesurencursist bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 in dit studiegebied zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n; | 9 | 8° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft onderwijsbevoegdheid voor maximaal één studiegebied als vermeld in artikel 7 en heeft op 1 september n ten minste de som van 200.000 lesurencursist bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 in dit studiegebied zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de berekeningswijze, vermeld in het tweede lid, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n; |
| 10 | 9° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft onderwijsbevoegdheid voor maximaal twee studiegebieden als vermeld in artikel 7, waarvan één studiegebied waarvoor op 1 februari 2017 geen enkel ander centrum voor volwassenenonderwijs onderwijsbevoegdheid heeft, en heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 200.000 lesurencursist in één van deze studiegebieden behaald. | 10 | 9° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft onderwijsbevoegdheid voor maximaal twee studiegebieden als vermeld in artikel 7, waarvan één studiegebied waarvoor op 1 februari 2017 geen enkel ander centrum voor volwassenenonderwijs onderwijsbevoegdheid heeft, en heeft tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 200.000 lesurencursist in één van deze studiegebieden behaald. |
| 11 | Een erkend centrum voor volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor uitsluitend de studiegebieden, vermeld in artikel 8, en/of uitsluitend de specifieke lerarenopleiding komt voor de financiering of subsidiëring voor het schooljaar n/n+1 in aanmerking wanneer het centrum voor volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 ten minste 120.000 lesurencursist heeft behaald.. | ||
| 11 | Het aantal lesurencursist dat bij een overdracht van leraarsuren in rekening kan worden gebracht voor het behalen van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt berekend door het overgedragen aantal leraarsuren te vermenigvuldigen met de verhouding tussen het aantal lesurencursist dat het overdragende centrum tijdens de referteperiode van 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 gerealiseerd heeft en het aantal leraarsuren dat op basis van die gerealiseerde lesurencursist aan het overdragende centrum is toegekend. | ||
| 12 | § 2. .... | 12 | § 2. .... |
| 13 | § 3. .... | 13 | § 3. .... |
| 5 | § 2. ... | 5 | § 2. ... |
| 6 | § 3. Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op een puntenenveloppe voor de oprichting van betrekkingen in de ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel. Voor de berekening van de puntenenveloppe waarop een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf 1 september 2020 jaarlijks recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan punten voor het volwassenenonderwijs uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor volwassenenonderwijs. Elk centrum heeft op 1 september n recht op hetzelfde aandeel aan punten als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-3 tot en met 31 december n-1 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 3bis, heeft bereikt. | 6 | § 3. Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op een puntenenveloppe voor de oprichting van betrekkingen in de ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel. Voor de berekening van de puntenenveloppe waarop een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf 1 september 2020 jaarlijks recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan punten voor het volwassenenonderwijs uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor volwassenenonderwijs. Elk centrum heeft op 1 september n recht op hetzelfde aandeel aan punten als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-3 tot en met 31 december n-1 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 3bis, heeft bereikt. |
| 7 | De som van het aantal punten die de Vlaamse Gemeenschap toekent wordt naar beneden afgerond tot een geheel getal. | ||
| 7 | § 3bis. Het totale aantal financieringspunten voor de punten per centrum is de som van het aantal gewogen financieringspunten, waarbij 90 % gewogen wordt op centrumkenmerken en opleidingskenmerken en 10 % op cursistenkenmerken en vermeerderd met de kwalificatiebonus. | 8 | § 3bis. Het totale aantal financieringspunten voor de punten per centrum is de som van het aantal gewogen financieringspunten, waarbij 90 % gewogen wordt op centrumkenmerken en opleidingskenmerken en 10 % op cursistenkenmerken en vermeerderd met de kwalificatiebonus. |
| 8 | Voor de 90 %-weging op centrumkenmerken en opleidingskenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (kg) * (bd) * (mb) * (skk) * (lpg) * (cg) * (pi), waarbij : | 9 | Voor de 90 %-weging op centrumkenmerken en opleidingskenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (kg) * (bd) * (mb) * (skk) * (lpg) * (cg) * (pi), waarbij : |
| 1 | § 1. Elk centrum voor volwassenenonderwijs ontvangt ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n-1/ neen werkingstoelage per financieringspunt. | 1 | § 1. Elk centrum voor volwassenenonderwijs ontvangt ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n/ n+1 een werkingstoelage per financieringspunt. |
| 2 | § 2. Voor de berekening van de werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf 1 september 2020 jaarlijks recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan werkingsmiddelen voor het volwassenenonderwijs uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor volwassenenonderwijs. Elk centrum heeft op 1 september nrecht op de som van een vast bedrag per ongewogen financieringspunt en hetzelfde aandeel aan werkingsmiddelen als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 3, heeft bereikt. De Vlaamse Regering bepaalt het vaste bedrag van de werkingstoelage binnen de volgende grenzen : | 2 | § 2. Voor de berekening van de werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf 1 september 2020 jaarlijks recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan werkingsmiddelen voor het volwassenenonderwijs uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor volwassenenonderwijs. Elk centrum heeft voor het schooljaar n/n+1 recht op de som van een vast bedrag per ongewogen financieringspunt en hetzelfde aandeel aan werkingsmiddelen als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 3, heeft bereikt. De Vlaamse Regering bepaalt het vaste bedrag van de werkingstoelage binnen de volgende grenzen : |
| 3 | 1° het bedrag per ongewogen financieringspunt mag niet minder bedragen dan 0,40 euro; | 3 | 1° het bedrag per ongewogen financieringspunt mag niet minder bedragen dan 0,40 euro; |
| 4 | 2° het bedrag per ongewogen financieringspunt mag niet meer bedragen dan 0,68 euro. | 4 | 2° het bedrag per ongewogen financieringspunt mag niet meer bedragen dan 0,68 euro. |
| 5 | De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar . De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n-1/nrecht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar . | 5 | De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar n+1. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n/n+1 recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar n+1. |
| 6 | § 3. Het totale aantal financieringspunten voor de werking per centrum wordt berekend volgens de formule : FP * (ds) * (lpg), waarbij : | 6 | § 3. Het totale aantal financieringspunten voor de werking per centrum wordt berekend volgens de formule : FP * (ds) * (lpg), waarbij : |
| 7 | 1° FP = ongewogen financieringspunt; | 7 | 1° FP = ongewogen financieringspunt; |
| 8 | 2° ds = de coëfficiënt voor infrastructureel dure studiegebieden; | 8 | 2° ds = de coëfficiënt voor infrastructureel dure studiegebieden; |
| 9 | 3° lpg = de coëfficiënt voor het aantal gemeenten of deelgemeenten waar het centrum minstens 1 lesplaats heeft met ingericht aanbod in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1. | 9 | 3° lpg = de coëfficiënt voor het aantal gemeenten of deelgemeenten waar het centrum minstens 1 lesplaats heeft met ingericht aanbod in de referteperiode 1 januari n-2 tot en met 31 december n-2. |
| 10 | De coëfficiënt voor de infrastructureel dure studiegebieden afwerking bouw, ambachtelijk erfgoed, auto, bakkerij, chemie, groot transport, horeca, huishoudelijk koken, koeling en warmte, land- en tuinbouw, lassen, lichaamsverzorging, maritieme diensten, mechanica-elektriciteit, meubelmakerij, ruwbouw, schrijnwerkerij, slagerij en textiel is 1,38. | 10 | De coëfficiënt voor de infrastructureel dure studiegebieden afwerking bouw, ambachtelijk erfgoed, auto, bakkerij, chemie, groot transport, horeca, huishoudelijk koken, koeling en warmte, land- en tuinbouw, lassen, lichaamsverzorging, maritieme diensten, mechanica-elektriciteit, meubelmakerij, ruwbouw, schrijnwerkerij, slagerij en textiel is 1,38. |
| 11 | De coëfficiënten voor het aantal deelgemeenten van gemeenten die op 1 januari 2016 meer dan 100.000 inwoners telden of het aantal gemeenten waar het centrum lesplaatsen heeft, zijn : | 11 | De coëfficiënten voor het aantal deelgemeenten van gemeenten die op 1 januari 2016 meer dan 100.000 inwoners telden of het aantal gemeenten waar het centrum lesplaatsen heeft, zijn : |
| 29 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 29 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 30 | Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %. | 30 | Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %. |
| 31 | § 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen en daarvoor een financiële bijdrage van minder dan 96 euro heeft ontvangen, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1. | ||
| 32 | De aanvullende werkingstoelage bedraagt: | ||
| 33 | 1° 60 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie heeft betaald; | ||
| 34 | 2° 48 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een deelkwalificatie heeft betaald. | ||
| 35 | Voor de berekening van de aanvullende werkingstoelage komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf zoals bedoeld in artikel 1, 48°. | ||
| 36 | De bedragen, vermeld in het tweede lid, worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2019. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. | ||
| 10 | 4° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via maatschappelijke dienstverlening of een leefloon of die ten laste zijn van de voormelde categorieën; | 10 | 4° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via maatschappelijke dienstverlening of een leefloon of die ten laste zijn van de voormelde categorieën; |
| 11 | 5° op het moment van inschrijving gedetineerd zijn zoals is bepaald in artikel 2, 16° bis; | 11 | 5° op het moment van inschrijving gedetineerd zijn zoals is bepaald in artikel 2, 16° bis; |
| 12 | 6° inburgeraar zijn en een inburgeringscontract hebben ondertekend als vermeld in artikel 2, eerste lid, 10°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, of een attest van inburgering hebben behaald als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet, voor de opleidingen Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1, Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1, Latijns schrift - Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal, Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal en de opleidingen Nederlands tweede taal richtgraad 1 Nederlands tweede taal richtgraad 1, Nederlands tweede taal richtgraad 2 en Latijns schrift in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2; | 12 | 6° inburgeraar zijn en een inburgeringscontract hebben ondertekend als vermeld in artikel 2, eerste lid, 10°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, of een attest van inburgering hebben behaald als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet, voor de opleidingen Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1, Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1, Latijns schrift - Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal, Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal en de opleidingen Nederlands tweede taal richtgraad 1 Nederlands tweede taal richtgraad 1, Nederlands tweede taal richtgraad 2 en Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2; |
| 13 | 7° op het moment van hun inschrijving nog niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht; | 13 | 7° op het moment van hun inschrijving nog niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht; |
| 14 | 8° werkzoekend zijn, zoals bepaald in artikel 2, 47° bis; | 14 | 8° werkzoekend zijn, zoals bepaald in artikel 2, 47° bis; |
| 5 | 4° elke inbreuk op de bepalingen van de vakantie- en de onderwijstijd; | 5 | 4° elke inbreuk op de bepalingen van de vakantie- en de onderwijstijd; |
| 6 | 5° elke inbreuk op de aanwending van de financiële middelen; | 6 | 5° elke inbreuk op de aanwending van de financiële middelen; |
| 7 | 6° elke inbreuk op de verplichting om overeenkomstig artikel 110 op de door de Vlaamse Regering bepaalde data middelen aan het Fonds toe te wijzen; | 7 | 6° elke inbreuk op de verplichting om conform artikel 113decies, § 3, inschrijvingsgelden aan het fonds over te maken op de data die de Vlaamse Regering bepaalt; |
| 8 | 7° elke inbreuk op de naleving van de verplichtingen, vermeld in artikel 52, 5° en 6°. | 8 | 7° elke inbreuk op de naleving van de verplichtingen, vermeld in artikel 52, 5° en 6°. |
| 9 | 8° de verplichting, vermeld in artikel 122, tweede lid, niet na te leven. | ||
| 9 | § 2. De sanctie, vermeld in § 1, is een financiële sanctie van ten hoogste 10 percent van de werkingstoelage, zoals bepaald in artikel 89, of van de werkingsmiddelen, zoals bepaald in artikel 108. | 10 | § 2. De sanctie, vermeld in § 1, is een financiële sanctie van ten hoogste 10 percent van de werkingstoelage, zoals bepaald in artikel 89, of van de werkingsmiddelen, zoals bepaald in artikel 108. |
| 10 | In afwijking van het eerste lid, bedraagt de financiële sanctie voor de inbreuk, vermeld in § 1, 3°, maximum 0,75 euro per lesuurcursist, gegenereerd door cursisten waarover het centrum de door de Vlaamse Regering bepaalde gegevens niet correct en tijdig aangeleverd heeft. | 11 | In afwijking van het eerste lid, bedraagt de financiële sanctie voor de inbreuk, vermeld in § 1, 3°, maximum 0,75 euro per lesuurcursist, gegenereerd door cursisten waarover het centrum de door de Vlaamse Regering bepaalde gegevens niet correct en tijdig aangeleverd heeft. |
| 12 | De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de vaststelling van de overtreding en voor de toepassing van de sanctie voor de inbreuk, vermeld in paragraaf 1, 8°. | ||
| 11 | De in het eerste en tweede lid bedoelde financiële sanctie kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat gebruikt wordt voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen worden. | 13 | De in het eerste tot en met derde lid bedoelde financiële sanctie kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat gebruikt wordt voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen worden. |
| 1 | De centra mogen informatie verstrekken over het eigen onderwijsproject en het onderwijsaanbod, maar mogen geen oneerlijke concurrentie voeren. | 1 | De centra mogen informatie verstrekken over het eigen onderwijsproject en het onderwijsaanbod, maar mogen geen oneerlijke concurrentie voeren. |
| 2 | De verstrekte informatie moet correct zijn, moet overeenstemmen met de bepalingen van dit decreet en mag geenszins misleidend zijn voor de cursist. | 2 | De verstrekte informatie moet correct zijn, moet overeenstemmen met de bepalingen van dit decreet en mag geenszins misleidend zijn voor de cursist. Bij die informatieverstrekking, met inbegrip van studiebekrachtiging, hanteert een centrumbestuur minstens de benamingen die betrekking hebben op opleidingen en modules die zijn vastgelegd door of krachtens dit decreet. |
| 1 | § 1. Onverminderd artikel 90 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, berekend volgens de volgende formules : | 1 | § 1. Onverminderd artikel 90 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, berekend volgens de volgende formules : |
| 2 | 1° schooljaar 2019-2020 : (vte schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt); | 2 | 1° schooljaar 2019-2020 : (vte schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt); |
| 3 | 2° schooljaar 2020-2021 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33); | 3 | 2° schooljaar 2020-2021 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,37); |
| 4 | 3° schooljaar 2021-2022 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt); | 4 | 3° schooljaar 2021-2022 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt); |
| 5 | 4° schooljaar 2022-2023 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt). | 5 | 4° schooljaar 2022-2023 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt). |
| 6 | Onverminderd artikel 107 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules : | 6 | Onverminderd artikel 107 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules : |
| 7 | 1° schooljaar 2019-2020 : (leraarsuren schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend); | 7 | 1° schooljaar 2019-2020 : (leraarsuren schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend); |
| 8 | 2° schooljaar 2020-2021 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33); | 8 | 2° schooljaar 2020-2021 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 waarbij de lesurencursist gerealiseerd in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 vermenigvuldigd worden met factor 2,95 en de lesurencursist gerealiseerd in de overige studiegebieden vermenigvuldigd worden met factor 3,60); |
| 9 | 3° schooljaar 2021-2022 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt); | 9 | 3° schooljaar 2021-2022 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt); |
| 10 | 4° schooljaar 2022-2023 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt). | 10 | 4° schooljaar 2022-2023 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt). |
| 11 | § 2. Onverminderd artikel 90 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde punten waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, berekend volgens de volgende formule : | 11 | § 2. Onverminderd artikel 90 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde punten waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, berekend volgens de volgende formule : |
| 12 | 1° schooljaar 2019-2020 : (punten schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt); | 12 | 1° schooljaar 2019-2020 : (punten schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt); |
| 13 | 2° schooljaar 2020-2021 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33); | 13 | 2° schooljaar 2020-2021 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,37); |
| 14 | 3° schooljaar 2021-2022 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt); | 14 | 3° schooljaar 2021-2022 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt); |
| 15 | 4° schooljaar 2022-2023 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt). | 15 | 4° schooljaar 2022-2023 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt). |
| 16 | Onverminderd artikel 107 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde punten waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules : | 16 | Onverminderd artikel 107 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde punten waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules : |
| 17 | 1° schooljaar 2019-2020 : (punten schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend); | 17 | 1° schooljaar 2019-2020 : (punten schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend); |
| 18 | 2° schooljaar 2020-2021 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33); | 18 | 2° schooljaar 2020-2021 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 waarbij de lesurencursist gerealiseerd in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 vermenigvuldigd worden met factor 2,95 en de lesurencursist gerealiseerd in de overige studiegebieden vermenigvuldigd worden met factor 3,60); |
| 19 | 3° schooljaar 2021-2022 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt); | 19 | 3° schooljaar 2021-2022 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt); |
| 20 | 4° schooljaar 2022-2023 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt). | 20 | 4° schooljaar 2022-2023 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt). |
| 26 | 5° schooljaar 2023-2024 : werkingstoelage, berekend op basis van het gemiddelde van de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021. | 26 | 5° schooljaar 2023-2024 : werkingstoelage, berekend op basis van het gemiddelde van de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021. |
| 27 | Voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2023-2024 wordt de werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules : | 27 | Voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2023-2024 wordt de werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules : |
| 28 | 1° schooljaar 2019-2020 : (werkingstoelage schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 wordt gehanteerd en de lesurencursist die gerealiseerd zijn in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend); | 28 | 1° schooljaar 2019-2020 : (werkingstoelage schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 wordt gehanteerd en de lesurencursist die gerealiseerd zijn in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend); |
| 29 | 2° schooljaar 2020-2021 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt); | 29 | 2° schooljaar 2020-2021 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt); |
| 30 | 3° schooljaar 2021-2022 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt); | 30 | 3° schooljaar 2021-2022 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt); |
| 1 | In afwijking van artikel 113novies, § 4, 6°, geldt er een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld voor de opleiding Latijns schrift in het studiegebied Nederlands als tweede taal richtgraad 1 en 2 die in uitvoering van artikel 25ter gedurende het schooljaar 2020-2021 kan georganiseerd worden. |
| 65 | Nijlen | 65 | Nijlen |
| 66 | Putte | 66 | Putte |
| 67 | Puurs | 67 | Puurs-SintAmands |
| 68 | Ranst | 68 | Ranst |
| 69 | Riumst | 69 | Riumst |
| 70 | Schelle | 70 | Schelle |
| 71 | Sint-Amands | ||
| 72 | Sint-Katelijne-Waver | 71 | Sint-Katelijne-Waver |
| 73 | Willebroek | 72 | Willebroek |
| 177 | Maaseik | 176 | Maaseik |
| 178 | Maasmechelen | 177 | Maasmechelen |
| 179 | Meeuwen-Gruitrode | ||
| 180 | Neerpelt | ||
| 181 | Opglabbeek | ||
| 182 | Overpelt | ||
| 178 | Oudsbergen | ||
| 183 | Peer | 179 | Peer |
| 180 | Pelt | ||
| 184 | Tessenderlo | 181 | Tessenderlo |
| 185 | Zutendaal | 182 | Zutendaal |
| 233 | Horebeke | 230 | Horebeke |
| 234 | Kluisbergen | 231 | Kluisbergen |
| 235 | Kruishoutem | ||
| 232 | Kruisem | ||
| 236 | Lede | 233 | Lede |
| 237 | Lierde | 234 | Lierde |
| 242 | Sint-Lievens-Houtem | 239 | Sint-Lievens-Houtem |
| 243 | Wortegem-Petegem | 240 | Wortegem-Petegem |
| 244 | Zingem | ||
| 245 | Zottegem | 241 | Zottegem |
| 246 | Zwalm | 242 | Zwalm |
| 256 | Gent | 252 | Gent |
| 257 | Kaprijke | 253 | Kaprijke |
| 258 | Knesselare | ||
| 254 | Lievegem | ||
| 259 | Lochristi | 255 | Lochristi |
| 260 | Lovendegem | ||
| 261 | Maldegem | 256 | Maldegem |
| 262 | Melle | 257 | Melle |
| 264 | Moerbeke | 259 | Moerbeke |
| 265 | Nazareth | 260 | Nazareth |
| 266 | Nevele | ||
| 267 | Oosterzele | 261 | Oosterzele |
| 268 | Sint-Laureins | 262 | Sint-Laureins |
| 269 | Sint-Martens-Latem | 263 | Sint-Martens-Latem |
| 270 | Waarschoot | ||
| 271 | Wachtebeke | 264 | Wachtebeke |
| 272 | Zelzate | 265 | Zelzate |
| 273 | Zomergem | ||
| 274 | Zulte | 266 | Zulte |
| 275 | REGIO XII | 267 | REGIO XII |
| 20 | 19° domeinoverschrijdende initiatieopleiding : een opleiding op het niveau van de eerste graad waarin twee of meer domeinen maximaal aan bod komen; | 20 | 19° domeinoverschrijdende initiatieopleiding : een opleiding op het niveau van de eerste graad waarin twee of meer domeinen maximaal aan bod komen; |
| 21 | 20° dunbevolkte gemeente : een gemeente met 200 inwoners per km² of minder. Voor de bepaling van het aantal inwoners per km² wordt de meest recente berekening van het Nationaal Instituut voor de Statistiek gebruikt; | 21 | 20° dunbevolkte gemeente : een gemeente met 200 inwoners per km² of minder. Voor de bepaling van het aantal inwoners per km² wordt de meest recente berekening van het Nationaal Instituut voor de Statistiek gebruikt; |
| 22 | 21° einddoelen : basiscompetenties, beroepskwalificaties of specifieke eindtermen; | 22 | 21° onderwijsdoelen : basiscompetenties, beroepskwalificaties of specifieke eindtermen; |
| 23 | 22° elektronisch : een elektronische verwerking van gegevens die voldoet aan de voorwaarden van artikel 2281 van het Burgerlijk Wetboek van 21 maart 1804 en bovendien een bewijs oplevert van deze verwerking, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens; | 23 | 22° elektronisch : een elektronische verwerking van gegevens die voldoet aan de voorwaarden van artikel 2281 van het Burgerlijk Wetboek van 21 maart 1804 en bovendien een bewijs oplevert van deze verwerking, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens; |
| 24 | 23° erkenning : de bevoegdheid die de Vlaamse overheid aan het schoolbestuur toekent om aan leerlingen de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen; | 24 | 23° erkenning : de bevoegdheid die de Vlaamse overheid aan het schoolbestuur toekent om aan leerlingen de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen; |
| 1 | § 1. In het domein beeldende en audiovisuele kunsten kan een academie langlopende studierichtingen aanbieden die toeleiden tot de volgende beroepskwalificaties zoals bepaald door de socioculturele sector, de sectorfondsen en de beroepsfederaties van artistieke beroepsbeoefenaars : | 1 | § 1. In het domein beeldende en audiovisuele kunsten kan een academie de volgende langlopende studierichtingen aanbieden die leiden tot een beroepskwalificatie zoals bepaald door de socioculturele sector, de sectorfondsen en de beroepsfederaties van artistieke beroepsbeoefenaars : |
| 2 | 1° beeldend kunstenaar; | 2 | 1° beeldend kunstenaar; |
| 3 | 2° cineast; | 3 | 2° cineast; |
| 8 | 7° restauratievakman meubel; | 8 | 7° restauratievakman meubel; |
| 9 | 8° siersmid/kunstsmid. | 9 | 8° siersmid/kunstsmid. |
| 10 | De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden. | ||
| 10 | § 2. De einddoelen van de eerste, tweede en derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk. | 11 | § 2. De onderwijsdoelen van de eerste, tweede en derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk. |
| 11 | De einddoelen van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend. | 12 | De onderwijsdoelen van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend. |
| 12 | § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste vier wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren. | 13 | § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste vier wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren. |
| 13 | De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad bedraagt ten minste acht wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren. | 14 | De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad bedraagt ten minste acht wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren. |
| 1 | § 1. In het domein dans kan een academie langlopende studierichtingen aanbieden die toeleiden tot de volgende beroepskwalificaties zoals bepaald door de socioculturele sector : | 1 | § 1. In het domein dans kan een academie de volgende langlopende studierichtingen aanbieden die leiden tot een beroepskwalificatie zoals bepaald door de socioculturele sector : |
| 2 | 1° choreograaf; | 2 | 1° choreograaf; |
| 3 | 2° creërend danser; | 3 | 2° creërend danser; |
| 4 | 3° vertolkend danser. | 4 | 3° vertolkend danser. |
| 5 | De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden. | ||
| 5 | § 2. De einddoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk. | 6 | § 2. De onderwijsdoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk. |
| 6 | De einddoelen van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend. | 7 | De oderwijsdoelen van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend. |
| 7 | § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren. | 8 | § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren. |
| 8 | De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad bedraagt ten minste acht wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier of twee leerjaren. | 9 | De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad bedraagt ten minste acht wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier of twee leerjaren. |
| 1 | § 1. In het domein woordkunst-drama kan een academie langlopende studierichtingen aanbieden die toeleiden tot de volgende beroepskwalificaties zoals bepaald door de socioculturele sector : | 1 | § 1. In het domein woordkunst-drama kan een academie de volgende langlopende studierichtingen aanbieden die leiden tot een beroepskwalificatie zoals bepaald door de socioculturele sector : |
| 2 | 1° creërend acteur; | 2 | 1° creërend acteur; |
| 3 | 2° theaterregisseur; | 3 | 2° theaterregisseur; |
| 4 | 3° vertolkend acteur. | 4 | 3° vertolkend acteur. |
| 5 | De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden. | ||
| 5 | § 2. De einddoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk. | 6 | § 2. De onderwijsdoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk. |
| 6 | De einddoelen van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend. | 7 | De onderwijsdoelen van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend. |
| 7 | § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren. | 8 | § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren. |
| 8 | De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad bedraagt ten minste vier wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier of twee leerjaren. | 9 | De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad bedraagt ten minste vier wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier of twee leerjaren. |
| 1 | § 1. In het domein muziek kan een academie langlopende studierichtingen aanbieden die toeleiden tot de volgende beroepskwalificaties zoals bepaald door de socioculturele sector : | 1 | § 1. In het domein muziek kan een academie de volgende langlopende studierichtingen aanbieden die leiden tot een beroepskwalificatie zoals bepaald door de socioculturele sector : |
| 2 | 1° beiaardier; | 2 | 1° beiaardier; |
| 3 | 2° creërend muzikant; | 3 | 2° creërend muzikant; |
| 5 | 4° dj; | 5 | 4° dj; |
| 6 | 5° vertolkend muzikant. | 6 | 5° vertolkend muzikant. |
| 7 | De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden. | ||
| 7 | In afwijking van het eerste lid kan de studierichting beiaardier, vermeld in punt 1°, enkel georganiseerd worden in de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen. | 8 | In afwijking van het eerste lid kan de studierichting beiaardier, vermeld in punt 1°, enkel georganiseerd worden in de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen. |
| 8 | § 2. De einddoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk. | 9 | § 2. De onderwijsdoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk. |
| 9 | De einddoelen van de vierde graad zijn verschillend voor ieder van die studierichtingen. | 10 | De onderwijsdoelen van de vierde graad zijn verschillend voor ieder van die studierichtingen. |
| 10 | § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren. | 11 | § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren. |
| 11 | Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor jongeren ten minste twaalf wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren. | 12 | Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor jongeren ten minste twaalf wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren. |
| 2 | Een leerling met een individueel aangepast curriculum kan afwijken van een of meer van de volgende bepalingen : | 2 | Een leerling met een individueel aangepast curriculum kan afwijken van een of meer van de volgende bepalingen : |
| 3 | 1° de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20; | 3 | 1° de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20; |
| 4 | 2° de bepalingen over de einddoelen en de leerplannen, vermeld in artikel 5 en 8; | 4 | 2° de bepalingen over de onderwijsdoelen en de leerplannen, vermeld in artikel 5 en 8; |
| 5 | 3° de bepalingen over de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29, paragraaf 2 en 3 en artikel 30, tot en met 36; | 5 | 3° de bepalingen over de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29, paragraaf 2 en 3 en artikel 30, tot en met 36; |
| 6 | 4° de bepalingen over de evaluatie en de studiebekrachtiging, vermeld in artikel 59 tot en met 62. | 6 | 4° de bepalingen over de evaluatie en de studiebekrachtiging, vermeld in artikel 59 tot en met 62. |
| 1 | Een regelmatige leerling is verplicht deel te nemen aan alle leeractiviteiten en zich te engageren om de vooropgestelde einddoelen te realiseren, behalve in geval van door het schoolbestuur gewettigde afwezigheid of behalve in geval van vrijstelling van een vak. | 1 | Een regelmatige leerling is verplicht deel te nemen aan alle leeractiviteiten en zich te engageren om de vooropgestelde onderwijsdoelen te realiseren, behalve in geval van door het schoolbestuur gewettigde afwezigheid of behalve in geval van vrijstelling van een vak. |
| 2 | De academie is vrij om de indeling in klasgroepen te bepalen van de leerlingen die een bepaald vak volgen. Daarbij houdt zij rekening met de leeftijdsgebonden cognitieve en psychosociale ontwikkeling van kinderen, jongeren en volwassenen. | 2 | De academie is vrij om de indeling in klasgroepen te bepalen van de leerlingen die een bepaald vak volgen. Daarbij houdt zij rekening met de leeftijdsgebonden cognitieve en psychosociale ontwikkeling van kinderen, jongeren en volwassenen. |
| 1 | De directeur en betrokken leerkrachten bewaken het studierendement van de leerling tijdens de verschillende leerjaren van de opleiding en nemen daartoe de nodige maatregelen voor leerlingenbegeleiding. | 1 | De directeur en betrokken leerkrachten bewaken het studierendement van de leerling tijdens de verschillende leerjaren van de opleiding en nemen daartoe de nodige maatregelen voor leerlingenbegeleiding. |
| 2 | Als de directeur en de betrokken leerkrachten oordelen dat een leerling ondanks de maatregelen voor leerlingenbegeleiding te weinig leerwinst geboekt heeft in relatie tot de einddoelen die hij moet bereiken, kunnen ze oordelen dat de leerling een verlengd leertraject kan krijgen. Per graad van een langlopende studierichting kan het leertraject met een leerjaar verlengd worden. Het leertraject van de kortlopende studierichtingen kan met een leerjaar verlengd worden. | 2 | Als de directeur en de betrokken leerkrachten oordelen dat een leerling ondanks de maatregelen voor leerlingenbegeleiding te weinig leerwinst geboekt heeft in relatie tot de onderwijsdoelen die hij moet bereiken, kunnen ze oordelen dat de leerling een verlengd leertraject kan krijgen. Per graad van een langlopende studierichting kan het leertraject met een leerjaar verlengd worden. Het leertraject van de kortlopende studierichtingen kan met een leerjaar verlengd worden. |
| 2 | § 2. Ongeacht het aantal opleidingen dat hij volgt, is een leerling per domein maar een keer financierbaar. | 2 | § 2. Ongeacht het aantal opleidingen dat hij volgt, is een leerling per domein maar een keer financierbaar. |
| 3 | Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd. | 3 | Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd. |
| 4 | Een leerling die meer dan een derde van de leeractiviteiten georganiseerd tussen de inschrijving en teldag voor de omkaderingberekening ongewettigd afwezig is, is niet financierbaar. | 4 | Een leerling die meer dan een derde van de leeractiviteiten georganiseerd tussen de start van het schooljaar en teldag voor de omkaderingberekening ongewettigd afwezig is, is niet financierbaar. |
| 5 | In afwijking van het eerste lid is een leerling die tegelijkertijd een opleiding volgt in de vierde graad en in een kortlopende studierichting specialisatie financierbaar voor beide opleidingen. | 5 | In afwijking van het eerste lid is een leerling die tegelijkertijd een opleiding volgt in de vierde graad en in een kortlopende studierichting specialisatie financierbaar voor beide opleidingen. |
| 6 | Een leerling die voor 1 november van het betrokken schooljaar geen inschrijvingsgeld heeft betaald, is niet financierbaar. | ||
| 6 | § 3. Elke financierbare leerling telt voor een teleenheid. | 7 | § 3. Elke financierbare leerling telt voor een teleenheid. |
| 7 | In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen met een vrijstelling voor een of meer vakken in het domein beeldende en audiovisuele kunsten gewogen met de coëfficiënt 0,85. | 8 | In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen met een vrijstelling voor een of meer vakken in het domein beeldende en audiovisuele kunsten gewogen met de coëfficiënt 0,85. |
| 14 | De wegingen, vermeld in het vijfde en het zesde lid, zijn niet cumulatief. De weging van het vijfde lid primeert. | 15 | De wegingen, vermeld in het vijfde en het zesde lid, zijn niet cumulatief. De weging van het vijfde lid primeert. |
| 15 | § 4. Voor de toepassing van de bepalingen in afdeling 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk wordt onder "leerlingen" "gewogen financierbare leerlingen" verstaan. | 16 | § 4. Voor de toepassing van de bepalingen in afdeling 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk wordt onder "leerlingen" "gewogen financierbare leerlingen" verstaan. |
| 17 | § 5. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, wordt een leerling die een of meer vakken die tot het lessenrooster van dezelfde opleiding behoren, in verschillende academies volgt, in maximaal twee academies voor 50% in rekening gebracht. De wegingen, vermeld in paragraaf 3, vijfde lid, worden alleen toegepast op de omkaderingsberekening van de academie met een vestigingsplaats in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of in de gemeente Voeren voor zover de leerling alle vakken volgt in een vestigingsplaats gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of in de gemeente Voeren. | ||
| 18 | De wegingen, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, worden alleen toegepast op de omkaderingsberekening van de academie met een vestigingsplaats in een dunbevolkte gemeente voor zover de leerling alle vakken volgt in een vestigingsplaats gelegen in een dunbevolkte gemeente. | ||
| 19 | Een leerling die meer opleidingen van hetzelfde domein in verschillende academies volgt, is maar in één academie financierbaar. Op basis van gegevens die het Agentschap voor Onderwijsdiensten aanreikt, beslissen de directeurs in onderling overleg in welke academie de leerling financierbaar is. Ze melden hun beslissing schriftelijk aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten voor 1 februari. Als de directeurs niet tot een akkoord komen, is de leerling financierbaar voor het schooljaar 2019-2020 in die academie waar hij het eerst zijn inschrijvingsgeld betaald heeft voor dat schooljaar. Vanaf het schooljaar 2020-2021 is de leerling financierbaar in de academie waar zijn inschrijving voor dat schooljaar het eerst is geregistreerd in het elektronisch systeem voor de uitwisseling van leerlingengegevens van het Agentschap voor Onderwijsdiensten. | ||
| 1 | Een schoolbestuur kan tijdens een bepaald schooljaar lestijden die het in een academie niet aanwendt, overdragen naar het volgend schooljaar of naar een ander schoolbestuur als het voldoet aan al de volgende voorwaarden : | 1 | Een schoolbestuur kan tijdens een bepaald schooljaar lestijden die het in een academie niet aanwendt, overdragen naar het volgend schooljaar of naar een andere academie of naar een academie van een ander schoolbestuur als het voldoet aan al de volgende voorwaarden : |
| 2 | 1° het maximaal aantal lestijden van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen wordt uiterlijk op 1 november van dat schooljaar vastgelegd; | 2 | 1° het maximaal aantal lestijden van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen wordt uiterlijk op 1 november van dat schooljaar vastgelegd; |
| 3 | 2° het maximaal aantal lestijden van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen, kan nooit hoger liggen dan 3% van het aantal lestijden van dat schooljaar. Het maximum aantal overgedragen lestijden wordt altijd naar boven afgerond naar een volledige lestijd; | 3 | 2° het maximaal aantal lestijden van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen, kan nooit hoger liggen dan 3% van het aantal lestijden van dat schooljaar. Het maximum aantal overgedragen lestijden wordt altijd naar boven afgerond naar een volledige lestijd; |
| 7 | Als niet aan de voorwaarden voldaan is, vermeld in het eerste lid, en in het geval van een kunstacademie het eerste, tweede en derde lid, heeft een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking ten aanzien van de overheid. | 7 | Als niet aan de voorwaarden voldaan is, vermeld in het eerste lid, en in het geval van een kunstacademie het eerste, tweede en derde lid, heeft een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking ten aanzien van de overheid. |
| 8 | In de overgedragen lestijden, vermeld in het eerste lid, kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. Als niet aan de voormelde voorwaarde voldaan is, hebben de vaste benoemingen geen uitwerking ten aanzien van de overheid. | 8 | In de overgedragen lestijden, vermeld in het eerste lid, kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. Als niet aan de voormelde voorwaarde voldaan is, hebben de vaste benoemingen geen uitwerking ten aanzien van de overheid. |
| 9 | De Vlaamse Regering bepaalt de termijn en de wijze waarop de overgedragen lestijden gemeld worden aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. | ||
| 1 | De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten in middelen voorzien ter ondersteuning van projecten die de onderwijskwaliteit bevorderen, en bepaalt hiervoor de nadere modaliteiten. |
| 7 | 6° elke inbreuk op de verplichting om op de data, bepaald conform artikel 93, de inschrijvingsgelden te betalen; | 7 | 6° elke inbreuk op de verplichting om op de data, bepaald conform artikel 93, de inschrijvingsgelden te betalen; |
| 8 | 7° elke inbreuk op de naleving van de verplichtingen tot behandeling van de leerling en van de personeelsleden met respect voor hun rechten en plichten en de uitvoering van de administratieve en organisatorische opdrachten en bevoegdheden die door dit decreet of door de Vlaamse Regering worden toegewezen aan de academies. | 8 | 7° elke inbreuk op de naleving van de verplichtingen tot behandeling van de leerling en van de personeelsleden met respect voor hun rechten en plichten en de uitvoering van de administratieve en organisatorische opdrachten en bevoegdheden die door dit decreet of door de Vlaamse Regering worden toegewezen aan de academies. |
| 9 | 8° elke inbreuk op artikel 147, tweede lid. | ||
| 9 | § 2. De sanctie, vermeld in paragraaf 1, is een financiële sanctie van ten hoogste 10% van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 of 84. | 10 | § 2. De sanctie, vermeld in paragraaf 1, is een financiële sanctie van ten hoogste 10% van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 of 84. |
| 10 | In afwijking van het eerste lid bedraagt de financiële sanctie voor de inbreuk, vermeld in paragraaf 1, 3°, maximaal 0,75 euro per leerling, gegenereerd door leerlingen over wie de academie de gegevens, conform artikel 49, niet correct en tijdig aangeleverd heeft. | 11 | In afwijking van het eerste lid bedraagt de financiële sanctie voor de inbreuk, vermeld in paragraaf 1, 3°, maximaal 0,75 euro per leerling, gegenereerd door leerlingen over wie de academie de gegevens, conform artikel 49, niet correct en tijdig aangeleverd heeft. |
| 8 | 7° ze maakt de controle van de onderwijsinspectie mogelijk; | 8 | 7° ze maakt de controle van de onderwijsinspectie mogelijk; |
| 9 | 8° ze leeft de reglementering over de organisatie van het schooljaar na; | 9 | 8° ze leeft de reglementering over de organisatie van het schooljaar na; |
| 10 | 9° ze leeft de reglementering betreffende de einddoelen en leerplannen na; | 10 | 9° ze leeft de reglementering betreffende de onderwijsdoelen en leerplannen na; |
| 11 | 10° ze eerbiedigt in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de Rechten van de Mens en van het Kind in het bijzonder; | 11 | 10° ze eerbiedigt in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de Rechten van de Mens en van het Kind in het bijzonder; |
| 12 | 11° ze voert een doeltreffend beleid om het rookverbod, vermeld in artikel 4 van het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, en dat controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid, vermeld in het academie- of arbeidsreglement. | 12 | 11° ze voert een doeltreffend beleid om het rookverbod, vermeld in artikel 4 van het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, en dat controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid, vermeld in het academie- of arbeidsreglement. |
| 1 | Voor het bereiken van de rationalisatie- en programmatienormen worden alleen regelmatige leerlingen geteld. | 1 | Voor het bereiken van de rationalisatie- en programmatienormen worden alleen regelmatige leerlingen geteld. |
| 2 | Elke regelmatige leerling telt in elk domein en in elke vestigingsplaats van een academie voor één teleenheid. | ||
| 2 | Voor de programmatieof rationalisatienormen van een domein telt elke regelmatige leerling in dat domein voor één teleenheid. Voor de programmatieof rationalisatienormen van een structuuronderdeel in een vestigingsplaats telt elke regelmatige leerling in dat structuuronderdeel in die vestigingsplaats voor één teleenheid. | ||
| 3 | In afwijking van het tweede lid wordt het totale aantal dat de domeinoverschrijdende initiatieopleiding volgt in een academie, gedeeld door het aantal domeinen dat de academie organiseert. Het quotiënt telt mee voor het bereiken van de rationalisatieen programmatienormen van elk van die domeinen. | ||
| 3 | De teldag voor de programmatie is 1 oktober van het lopende schooljaar. | 4 | De teldag voor de programmatie is 1 oktober van het lopende schooljaar. |
| 4 | De teldag voor de rationalisatie is 1 februari van het voorgaande schooljaar. | 5 | De teldag voor de rationalisatie is 1 februari van het voorgaande schooljaar. |
| 6 | 2° een twaalfde van de programmatienormen van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, bereiken; | 6 | 2° een twaalfde van de programmatienormen van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, bereiken; |
| 7 | 3° gelegen zijn in een gemeente waar in het schooljaar dat aan het oprichtingsjaar voorafgaat, de opgerichte opleidingen niet georganiseerd werden. | 7 | 3° gelegen zijn in een gemeente waar in het schooljaar dat aan het oprichtingsjaar voorafgaat, de opgerichte opleidingen niet georganiseerd werden. |
| 8 | Het quotiënt van de deling, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 8 | § 3. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal schooljaren dat de nieuwe academie al in oprichting is. | 9 | § 3. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal schooljaren dat de nieuwe academie al in oprichting is. |
| 9 | Als dat niet het geval is, wordt de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd, tenzij de academie op de vorige teldag de programmatienormen gehaald heeft. | 10 | Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, wordt de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd. |
| 10 | § 4. Vanaf het dertiende bestaansjaar gelden de rationalisatienormen. | ||
| 11 | Als de programmatienormen in het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode niet gehaald worden, wordt de oprichtingsperiode met maximaal één schooljaar verlengd, als de academie op de vorige teldag de programmatienormen gehaald heeft. | ||
| 12 | § 4. De rationalisatienorm geldt vanaf het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin het minimale aanbod van de nieuw opgerichte academie volledig is uitgebouwd en de programmatienormen, vermeld in artikel 119 of 120, bereikt worden. Een academie is volledig uitgebouwd op het einde van het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode. | ||
| 3 | Een academie moet dit domein uiterlijk in het achtste schooljaar na de oprichting volledig uitgebouwd hebben. Daarbij kan ze de structuuronderdelen van een domein gelijktijdig oprichten, voor zover ze elk structuuronderdeel leerjaar per leerjaar opricht. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan ze evenwel in één tijd oprichten. | 3 | Een academie moet dit domein uiterlijk in het achtste schooljaar na de oprichting volledig uitgebouwd hebben. Daarbij kan ze de structuuronderdelen van een domein gelijktijdig oprichten, voor zover ze elk structuuronderdeel leerjaar per leerjaar opricht. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan ze evenwel in één tijd oprichten. |
| 4 | Een nieuw domein in een academie kan vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen worden, als het op de teldag van het oprichtingsjaar een achtste van de programmatienormen, vermeld in artikel 119 en 120, bereikt.. | 4 | Een nieuw domein in een academie kan vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen worden, als het op de teldag van het oprichtingsjaar een achtste van de programmatienormen, vermeld in artikel 119 en 120, bereikt.. |
| 5 | § 2. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet het nieuwe domein gedurende zeven schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken, vermeld in artikel 119 en 120, naar rato van het aantal schooljaren dat het nieuwe domein al in oprichting is. | 5 | § 2. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet het nieuwe domein gedurende zeven schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken, vermeld in artikel 119 en 120, naar rato van het aantal schooljaren dat het nieuwe domein al in oprichting is. Het quotiënt van de deling wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. |
| 6 | Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, worden de leerlingen van het domein vanaf dat schooljaar niet meegeteld in de omkaderingsberekening, vermeld in artikel 69 en 70. | ||
| 6 | Als de programmatienorm niet gehaald wordt, wordt het domein in de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd, tenzij het domein op de vorige teldag de programmatienorm gehaald heeft. | 7 | Als de programmatienorm in het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode niet gehaald wordt, wordt de oprichtingsperiode met maximaal één schooljaar verlengd, als het domein op de vorige teldag de programmatienorm gehaald heeft. |
| 7 | § 3. Vanaf het negende bestaansjaar van het nieuw opgerichte domein geldt de rationalisatienorm. | ||
| 8 | § 3. De rationalisatienorm geldt vanaf het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin het minimale aanbod van het nieuw opgerichte domein volledig is uitgebouwd en de programmatienorm, vermeld in artikel 119 of 120, bereikt wordt. Een domein is volledig uitgebouwd op het einde van het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode. | ||
| 1 | Onder de oprichting van een structuuronderdeel, vermeld in het tweede lid en in artikel 117, wordt de oprichting van een nieuw structuuronderdeel van een domein waarvan de academie al een of meer structuuronderdelen organiseert in een bestaande of nieuwe vestigingsplaats verstaan. | 1 | Onder de oprichting van een structuuronderdeel, vermeld in het tweede lid en in artikel 117, wordt de oprichting van een nieuw structuuronderdeel van een domein waarvan de academie al een of meer structuuronderdelen organiseert in een bestaande of nieuwe vestigingsplaats verstaan. |
| 2 | De oprichting van een structuuronderdeel gebeurt leerjaar per leerjaar . De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kunnen evenwel in een tijd opgericht worden. | 2 | Structuuronderdelen worden leerjaar per leerjaar opgericht. De oprichtingsperiode duurt minimaal evenveel schooljaren als het kortste traject en maximaal evenveel schooljaren als het langste traject van het structuuronderdeel dat de academie organiseert. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kunnen evenwel in een tijd opgericht worden. |
| 3 | Voor de structuuronderdelen van een nieuw opgericht domein, conform artikel 115, die in het negende bestaansjaar van het nieuw opgerichte domein nog in oprichting zijn, gelden de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117 en 118 tot de structuuronderdelen volledig zijn opgericht. | 3 | Voor de structuuronderdelen van een nieuw opgericht domein, conform artikel 115, die in het negende bestaansjaar van het nieuw opgerichte domein nog in oprichting zijn, gelden de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117 en 118 tot de structuuronderdelen volledig zijn opgericht. |
| 3 | 2° het domein waarin het structuuronderdeel wordt opgericht in het oprichtingsjaar van het structuuronderdeel organiseren of met de oprichting ervan gestart zijn in het vorige schooljaar; | 3 | 2° het domein waarin het structuuronderdeel wordt opgericht in het oprichtingsjaar van het structuuronderdeel organiseren of met de oprichting ervan gestart zijn in het vorige schooljaar; |
| 4 | 3° voor het opgerichte structuuronderdeel op de teldag van het oprichtingsjaar voldoen aan de programmatienorm, naar rato van het aantal opgerichte leerjaren in het traject met het meeste aantal leerjaren, vermeld in artikel 70. | 4 | 3° voor het opgerichte structuuronderdeel op de teldag van het oprichtingsjaar voldoen aan de programmatienorm, naar rato van het aantal opgerichte leerjaren in het traject met het meeste aantal leerjaren, vermeld in artikel 70. |
| 5 | Het quotiënt van de deling, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 5 | § 2. Tijdens de oprichtingsperiode moet de programmatienorm telkens naar rato van het aantal opgerichte leerjaren bereikt worden. | 6 | § 2. Tijdens de oprichtingsperiode moet de programmatienorm telkens bereikt worden, naar rato van het aantal schooljaren dat het nieuwe structuuronderdeel al in oprichting is. |
| 6 | Het laatste schooljaar waarin de programmatienorm op de teldag bereikt moet worden, is het schooljaar waarin voor het eerst het hoogste leerjaar van het structuuronderdeel georganiseerd wordt. | ||
| 7 | Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, worden de leerlingen van het structuuronderdeel vanaf dat schooljaar niet meegeteld in de omkaderingsberekening, vermeld in artikel 69 en 70. | ||
| 7 | Als de programmatienorm niet gehaald wordt, wordt het structuuronderdeel met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd, tenzij het structuuronderdeel op de vorige teldag de programmatienorm gehaald heeft. | 8 | Als de programmatienorm in het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode niet gehaald wordt, wordt de oprichtingsperiode met maximaal een schooljaar verlengd, als het structuuronderdeel op de vorige teldag de programmatienorm gehaald heeft. |
| 8 | § 3. Vanaf het schooljaar na het laatste schooljaar van de programmatie gelden de rationalisatienormen. | ||
| 9 | § 3. De rationalisatienorm geldt vanaf het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin minstens een traject van het nieuwe structuuronderdeel volledig is uitgebouwd en de programmatienorm, vermeld in artikel 121 of 122, bereikt wordt. Een structuuronderdeel is volledig uitgebouwd op het einde van het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode. | ||
| 9 | § 4. De bepalingen in paragraaf 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op de structuuronderdelen specialisatie. | 10 | § 4. De bepalingen in paragraaf 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op de structuuronderdelen specialisatie. |
| 2 | 1° de academie voldeed in haar geheel aan de voor haar geldende rationalisatienormen; | 2 | 1° de academie voldeed in haar geheel aan de voor haar geldende rationalisatienormen; |
| 3 | 2° alle domeinen en alle structuuronderdelen in de vestigingsplaatsen voldeden aan de voor hen geldende rationalisatienormen. | 3 | 2° alle domeinen en alle structuuronderdelen in de vestigingsplaatsen voldeden aan de voor hen geldende rationalisatienormen. |
| 4 | Als een schoolbestuur overgaat tot de sluiting van een academie, een domein of een structuuronderdeel in een vestigingsplaats dat op een of twee opeenvolgende teldagen niet aan de rationalisatienorm voldoet, kunnen de leerlingen in het schooljaar van de teldag er les blijven volgen. | ||
| 5 | De sluiting houdt in dat alle leerjaren van de academie, het domein in kwestie of het structuuronderdeel in de vestigingsplaats in kwestie gelijktijdig worden stopgezet. De sluiting heeft uitwerking op 1 september. | ||
| 9 | 3° domein woordkunst-drama : 16; | 9 | 3° domein woordkunst-drama : 16; |
| 10 | 4° domein muziek : 60. | 10 | 4° domein muziek : 60. |
| 11 | In afwijking van het eerste lid bedraagt de rationalisatienorm van het domein beeldende en audiovisuele kunsten 42 leerlingen, als het schoolbestuur alleen de structuuronderdelen van de eerste graad, de tweede graad en de derde graad voor jongeren organiseert. | ||
| 12 | §3. De rationalisatienormen, vermeld in paragraaf 1 en 2, zijn niet van toepassing op academies voor deeltijds kunstonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats gevestigd is in de gemeente Voeren. | ||
| 1 | De ondersteuningsaanvraag van het lokaal samenwerkingsinitiatief wordt ingediend uiterlijk 1 maart van het kalenderjaar dat aan de start van het schooljaar waarin de samenwerking begint, voorafgaat. | ||
| 1 | De Vlaamse Regering bepaalt de uiterste indieningsdatum voor de ondersteuningsaanvragen van lokale samenwerkingsinitiatieven. | ||
| 2 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere aanvraag- en gunningsprocedure en houdt daarbij rekening met de doelstellingen en de organisatievoorwaarden, vermeld in artikel 136 tot en met 138. | 2 | De Vlaamse Regering bepaalt de nadere aanvraag- en gunningsprocedure en houdt daarbij rekening met de doelstellingen en de organisatievoorwaarden, vermeld in artikel 136 tot en met 138. |
| 3 | De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop de lokale samenwerkingsinitiatieven rapporteren over de manier waarop de ondersteuning ingezet wordt. De Vlaamse Regering beperkt zich daarbij tot het opvragen van een jaarlijks beknopt verslag en een steekproefsgewijze financiële controle op het einde van de samenwerking. | 3 | De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop de lokale samenwerkingsinitiatieven rapporteren over de manier waarop de ondersteuning ingezet wordt. De Vlaamse Regering beperkt zich daarbij tot het opvragen van een jaarlijks beknopt verslag en een steekproefsgewijze financiële controle op het einde van de samenwerking. |
| 1 | Een schoolbestuur mag informatie verstrekken over het eigen opvoedings- en onderwijsaanbod, maar het mag geen oneerlijke concurrentie voeren. | 1 | Een schoolbestuur mag informatie verstrekken over het eigen opvoedings- en onderwijsaanbod, maar het mag geen oneerlijke concurrentie voeren. |
| 2 | Bij die informatieverstrekking, met inbegrip van studiebekrachtiging, hanteert een academie minstens de benamingen van structuuronderdelen die zijn vastgelegd door of krachtens een decreet. |
| 1 | In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie het structuuronderdeel beeldende en audiovisuele cultuur organiseren in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad beeldende kunst organiseerde. Dit structuuronderdeel dient naargelang van toepassing te voldoen aan de rationalisatienormenvermeld in artikel 127 of 128. | 1 | In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie tot het schooljaar 2020-2021 starten met de organisatie van het structuuronderdeel beeldende en audiovisuele cultuur in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad beeldende kunst organiseerde. Dat structuuronderdeel voldoet naargelang van de toepassing aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 of 128. Vanaf het schooljaar 2021-2022 zijn de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117, 121 en 122, van toepassing. |
| 2 | In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie het structuuronderdeel danscultuur organiseren in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad dans organiseerde. Dit structuuronderdeel dient naargelang van toepassing te voldoen aan de rationalisatienormenvermeld in artikel 127 of 128. | 2 | In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie tot het schooljaar 2020-2021 starten met de organisatie van het structuuronderdeel danscultuur in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad dans organiseerde. Dat structuuronderdeel voldoet naargelang van de toepassing aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 of 128. Vanaf het schooljaar 2021-2022 zijn de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117, 121 en 122, van toepassing. |
| 3 | In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een schoolbestuur het structuuronderdeel woordkunst- en dramacultuur organiseren in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad woordkunst organiseerde. Dit structuuronderdeel dient te voldoen aan de rationalisatienormenvermeld in artikel 127 of 128. | 3 | In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie tot het schooljaar 2020-2021 starten met de organisatie van het structuuronderdeel woordkunsten dramacultuur in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad woordkunst organiseerde. Dat structuuronderdeel voldoet aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 of 128. Vanaf het schooljaar 20212022 zijn de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117, 121 en 122, van toepassing. |
| 4 | In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een schoolbestuur de structuuronderdelen muziekcultuur en muziekgeschiedenis organiseren in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad muziekgeschiedenis organiseerde. Dit structuuronderdeel dient te voldoen aan de rationalisatienormenvermeld in artikel 127 of 128. | 4 | In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie tot het schooljaar 2020-2021 starten met de organisatie van de structuuronderdelen muziekcultuur en muziekgeschiedenis in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad muziekgeschiedenis organiseerde. Dat structuuronderdeel voldoet aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 of 128. Vanaf het schooljaar 2021-2022 zijn de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117, 121 en 122, van toepassing. |
| 5 | In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een schoolbestuur van een academie die het domein beeldende en audiovisuele kunsten organiseert zonder de eerste, tweede en derde graad het structuuronderdeel derde graad voor volwassenen organiseren. Dit structuuronderdeel dient te voldoen aan de rationalisatienormenvermeld in artikel 127 of 128. | 5 | In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie die het domein beeldende en audiovisuele kunsten organiseert zonder de eerste, tweede en derde graad tot het schooljaar 2020-2021 starten met de organisatie van het structuuronderdeel derde graad voor volwassenen. Dat structuuronderdeel voldoet aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 of 128. Vanaf het schooljaar 20212022 zijn de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117, 121 en 122, van toepassing. |
| 2 | Een internaat of tehuis kan eveneens worden opgericht in het kader van een herstructurering, zijnde een fusie van bestaande internaten of tehuizen onmiddellijk gevolgd door een afsplitsing van een of meer internaten of tehuizen, met dien verstande dat het oorspronkelijke aantal internaten of tehuizen niet wordt overschreden. In voorkomend geval bedraagt de oprichtingsnorm 30 regelmatig ingeschreven interne leerlingen op 1 september van het schooljaar van oprichting. Deze norm is van toepassing op alle internaten en tehuizen die uit de herstructurering voortvloeien. | 2 | Een internaat of tehuis kan eveneens worden opgericht in het kader van een herstructurering, zijnde een fusie van bestaande internaten of tehuizen onmiddellijk gevolgd door een afsplitsing van een of meer internaten of tehuizen, met dien verstande dat het oorspronkelijke aantal internaten of tehuizen niet wordt overschreden. In voorkomend geval bedraagt de oprichtingsnorm 30 regelmatig ingeschreven interne leerlingen op 1 september van het schooljaar van oprichting. Deze norm is van toepassing op alle internaten en tehuizen die uit de herstructurering voortvloeien. |
| 3 | Een internaat of tehuis kan eveneens worden opgericht in het kader van een herstructurering, zijnde een afsplitsing van een bestaand internaat of tehuis, al dan niet na fusie, met dien verstande dat het oorspronkelijke aantal internaten of tehuizen wel wordt overschreden. In voorkomend geval bedraagt de oprichtingsnorm 40 regelmatig ingeschreven interne leerlingen op 1 september van het schooljaar van oprichting. Deze norm is van toepassing op alle internaten en tehuizen die uit de herstructurering voortvloeien. | 3 | Een internaat of tehuis kan eveneens worden opgericht in het kader van een herstructurering, zijnde een afsplitsing van een bestaand internaat of tehuis, al dan niet na fusie, met dien verstande dat het oorspronkelijke aantal internaten of tehuizen wel wordt overschreden. In voorkomend geval bedraagt de oprichtingsnorm 40 regelmatig ingeschreven interne leerlingen op 1 september van het schooljaar van oprichting. Deze norm is van toepassing op alle internaten en tehuizen die uit de herstructurering voortvloeien. |
| 4 | §2. De behoudsnorm voor een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd internaat of tehuis bedraagt 30 regelmatig ingeschreven interne leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar. Internaten en tehuizen die niet aan de behoudsnorm voldoen, blijven gefinancierd of gesubsidieerd als het internaat of tehuis op de vorige teldag wel aan de geldende norm voldeed. | 4 | §2. De behoudsnorm voor een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd internaat of tehuis bedraagt 30 regelmatig ingeschreven interne leerlingen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar. Internaten en tehuizen die niet aan de behoudsnorm voldoen, blijven gefinancierd of gesubsidieerd als het internaat of tehuis op de vorige of daaraan voorafgaande teldag wel aan de geldende norm voldeed. |
| 5 | §3. Indien 1 september of 1 februari een lesvrije dag is, dan wordt de eerstvolgende lesdag als teldatum genomen. | 5 | §3. Indien 1 september of 1 februari een lesvrije dag is, dan wordt de eerstvolgende lesdag als teldatum genomen. |
| 1 | §1. Aan cursisten en leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften die een opleiding in het gefinancierd of gesubsidieerd volwassenenonderwijs volgen en daar aan de toelatingsvoorwaarden voldoen, en aan studenten met een functiebeperking die in het gefinancierd of gesubsidieerd hoger onderwijs ingeschreven zijn in een bachelor-, een master-, een bachelor-na-bachelor - of een master-na-masteropleiding, of in een schakel- of voorbereidingsprogramma of in een specifieke lerarenopleiding, kunnen speciale onderwijsleermiddelen ter beschikking worden gesteld. | 1 | §1. Aan cursisten en leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften die een opleiding in het gefinancierd of gesubsidieerd volwassenenonderwijs volgen en daar aan de toelatingsvoorwaarden voldoen, en aan studenten met een functiebeperking die in het gefinancierd of gesubsidieerd hoger onderwijs ingeschreven zijn in een graduaatsopleiding van het hoger beroepsonderwijs, in een bachelor-, een master-, een bachelor-na-bachelor - of een master-na-masteropleiding, of in een schakel- of voorbereidingsprogramma of in een specifieke lerarenopleiding, kunnen speciale onderwijsleermiddelen ter beschikking worden gesteld. |
| 2 | §2. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse Gebarentaal of schrijftolken, dan bepaalt de Vlaamse Regering : | 2 | §2. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse Gebarentaal of een andere gebarentaal of schrijftolken, dan bepaalt de Vlaamse Regering : |
| 3 | 1° de procedure voor de aanvraag en toekenning van de schrijftolken en tolken Vlaamse Gebarentaal bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten; het Agodi zal hiertoe eveneens een intern beroep voorzien; | 3 | 1° de procedure voor de aanvraag en toekenning van de schrijftolken en tolken Vlaamse Gebarentaal of een andere gebarentaal bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten; het Agodi zal hiertoe eveneens een intern beroep voorzien; |
| 4 | 2° de diplomavoorwaarden voor de tolken Vlaamse Gebarentaal en schrijftolken; | 4 | 2° de diplomavoorwaarden voor de tolken Vlaamse Gebarentaal of een andere gebarentaal en schrijftolken; |
| 5 | 3° de te indexeren loonkost voor de tolken Vlaamse Gebarentaal en de loonkost voor de schrijftolken. | 5 | 3° de te indexeren loonkost voor de tolken Vlaamse Gebarentaal of een andere gebarentaal en de loonkost voor de schrijftolken. |
| 6 | 4° de definitie van de doelgroep. | 6 | 4° de definitie van de doelgroep. |
| 7 | §3. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse gebarentaal of schrijftolken, dan verleent de Vlaamse Regering voor de realisatie van deze tolkuren een subsidie aan een centraal tolkenbureau, die bestaat uit enerzijds werkingsbudget voor dit tolkenbureau en anderzijds lonen en verplaatsingskosten voor de tolken. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van dit tolkenbureau. | 7 | §3. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen, vermeld in paragraaf 1, de vorm aannemen van tolken Vlaamse Gebarentaal of een andere gebarentaal of schrijftolken, dan verleent de Vlaamse Regering voor de realisatie van deze tolkuren een subsidie aan een centraal tolkenbureau, die bestaat uit enerzijds werkingsbudget voor dit tolkenbureau en anderzijds lonen en verplaatsingskosten voor de tolken. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden voor de werking van dit tolkenbureau. |
| 8 | §4. De procedure voor de aanvraag en toekenning en het intern beroep en de werking van het door de Vlaamse Regering te bepalen centraal tolkenbureau, worden om de drie jaar geëvalueerd. De eerste evaluatie vindt plaats gedurende het schooljaar 2015-2016. Tijdens deze evaluatie wordt de betrokkenheid van de doelgroep verzekerd. | 8 | §4. De procedure voor de aanvraag en toekenning en het intern beroep en de werking van het door de Vlaamse Regering te bepalen centraal tolkenbureau, worden om de drie jaar geëvalueerd. De eerste evaluatie vindt plaats gedurende het schooljaar 2015-2016. Tijdens deze evaluatie wordt de betrokkenheid van de doelgroep verzekerd. |
| 9 | §5. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen een andere vorm aannemen dan hetgeen vermeld is onder paragraaf 2 tot en met 4, bepaalt de Vlaamse Regering de procedure voor de aanvraag en de criteria voor toekenning van deze middelen. | 9 | §5. Indien deze speciale onderwijsleermiddelen een andere vorm aannemen dan hetgeen vermeld is onder paragraaf 2 tot en met 4, bepaalt de Vlaamse Regering de procedure voor de aanvraag en de criteria voor toekenning van deze middelen. |
| 1 | De regering garandeert de centrale organisatie van het synchroon internetonderwijs, verder in dit hoofdstuk SIO te noemen, zoals vermeld in artikel 36/1 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 117/1 van de Codex Secundair Onderwijs. | 1 | De regering garandeert de centrale organisatie van het synchroon internetonderwijs, verder in dit hoofdstuk SIO te noemen, zoals vermeld in artikel 36/1 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel117/1 van de Codex Secundair Onderwijs. |
| 2 | De regering bepaalt de opdracht van de centrale organisatie en de opdracht van een of meerdere organisatie die een deelopdracht opnemen in een kaderovereenkomst met de centrale organisatie. | ||
| 3 | De regering bepaalt de bouwstenen van het vergoedingsmodel van de centrale organisator. Het vergoedingsmodel kan onder meer gebaseerd worden op: | ||
| 2 | De regering bepaalt de opdracht van de centrale organisator. | 4 | - de algemene werking en deelopdrachten van de centrale organisator, zoals door de regering bepaald; |
| 5 | - de SIO-trajecten die de centrale organisator invult; | ||
| 6 | - specifieke aankopen of vergoedingen die nodig zijn voor de uitvoering van de opdracht en deelopdrachten van de centrale organisator. | ||
| 3 | De subsidieovereenkomst heeft maximaal een duurtijd van vier schooljaren. | 7 | De kaderovereenkomst heeft maximaal een duurtijd van 5 kalenderjaren. |
| 4 | De centrale organisator neemt een vertegenwoordiging van de regering op in zijn bestuursorganen. | 8 | De centrale organisatie neemt een vertegenwoordiging van de regering op in het bestuursorgaan. |
| 1 | §1. De middelen worden toegekend aan iedere school voor gewoon - of buitengewoon basisonderwijs, aan iedere school voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, aan ieder centrum voor volwassenenonderwijs en aan iedere school voor deeltijds kunstonderwijs. De scholenen centra kunnen de middelen alleen aanwenden als ze deel uit maken van : | 1 | §1. De middelen worden toegekend aan iedere school voor gewoon - of buitengewoon basisonderwijs, aan iedere school voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, aan ieder centrum voor volwassenenonderwijs en aan iedere academie. De scholen, academies en centra kunnen de middelen alleen aanwenden als ze deel uit maken van : |
| 2 | 1° een scholengemeenschap in het basis- of het secundair onderwijs, of | 2 | 1° een scholengemeenschap in het basis- of het secundair onderwijs, of |
| 3 | 2° een scholengroep, of | 3 | 2° een scholengroep, of |
| 9 | e) een of meerdere scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, en/of | 9 | e) een of meerdere scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, en/of |
| 10 | f) een of meerdere centra voor volwassenenonderwijs en/of | 10 | f) een of meerdere centra voor volwassenenonderwijs en/of |
| 11 | g) een of meerdere scholen voor deeltijds kunstonderwijs. | 11 | g) een of meerdere academies. |
| 12 | De scholengemeenschap, de scholengroep, of het samenwerkingsplatform maakt afspraken over de aanwending van de middelen. | 12 | De scholengemeenschap, de scholengroep, of het samenwerkingsplatform maakt afspraken over de aanwending van de middelen. |
| 13 | §2. Een overeenkomst houdende oprichting van een in §1, 3°, bedoeld samenwerkingsplatform wordt vanaf 1 september 2005 afgesloten steeds voor de duur van zes schooljaren, met uitzondering van de overeenkomst die in werking treedt op 1 september 2011 en slechts geldt voor de duur van drie schooljaren. | 13 | §2. Een overeenkomst houdende oprichting van een in §1, 3°, bedoeld samenwerkingsplatform wordt vanaf 1 september 2005 afgesloten steeds voor de duur van zes schooljaren, met uitzondering van de overeenkomst die in werking treedt op 1 september 2011 en slechts geldt voor de duur van drie schooljaren. |
| 14 | Tijdens de betrokken periode kan deze overeenkomst worden gewijzigd ten gevolge van toepassing van artikel 125quinquies, § 3 of §6, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, van artikel 51, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs, of van artikel 73 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. | 14 | Tijdens de betrokken periode kan die overeenkomst worden gewijzigd met toepassing van artikel 125quinquies, § 3 of § 4, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs of van artikel 51, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. |
| 15 | Een wijziging van een overeenkomst treedt in werking op dezelfde datum waarop de wijziging in de scholengemeenschap in werking treedt. | 15 | Een wijziging van een overeenkomst treedt in werking op dezelfde datum waarop de wijziging in de scholengemeenschap in werking treedt. |
| 16 | De Vlaamse Regering kan het minimum aantal scholenof centra of leerlingen of lesurencursist bepalen dat bij een samenwerkingsplatform moet worden betrokken. Indien het samenwerkingsplatform een scholengemeenschap en/of een scholengroep omvat, kan van deze regeling worden afgeweken. | 16 | De Vlaamse Regering kan het minimum aantal scholen, academies of centra of leerlingen of lesurencursist bepalen dat bij een samenwerkingsplatform moet worden betrokken. Indien het samenwerkingsplatform een scholengemeenschap en/of een scholengroep omvat, kan van deze regeling worden afgeweken. |
| 17 | Het samenwerkingsplatform wordt door het school- of centrumbestuur in kwestie uiterlijk op 1 mei voorafgaand aan de inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst gemeld aan het betrokken Agentschap van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. | 17 | Het samenwerkingsplatform wordt door het school- of centrumbestuur in kwestie uiterlijk op 1 mei voorafgaand aan de inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst gemeld aan het betrokken Agentschap van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. |
| 1 | De middelen worden berekend door per schoolof centrum, het aantal regelmatige leerlingen/cursisten op de gebruikelijke teldatum, respectievelijk het aantal lesurencursist binnen de referteperiode, te vermenigvuldigen met een coëfficiënt en een wegingsfactor, bepaald door de Vlaamse Regering. | 1 | De middelen worden berekend door per school, academie of centrum, het aantal regelmatige leerlingen/cursisten op de gebruikelijke teldatum, respectievelijk het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-3 tot en met 31 december n-1, te vermenigvuldigen met een coëfficiënt en een wegingsfactor, bepaald door de Vlaamse Regering. |
| 2 | In afwijking van het eerste lid wordt het gemiddelde van het aantal lesurencursist op de volgende wijze berekend: | ||
| 3 | 1° voor het schooljaar 2020-2021 op basis van de lesurencursist gerealiseerd in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019; | ||
| 4 | 2° voor het schooljaar 2021-2022 op basis van de lesurencursist gerealiseerd in de referteperiodes 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020. |
| 1 | §1. De punten van de enveloppe kunnen worden aangewend voor het oprichten van één of meer betrekkingen in ambten van het ondersteunend personeel, het beleids- en ondersteunend personeel, administratief personeel, opvoedend hulppersoneel, onderwijzend en/of bestuurspersoneel met uitzondering van de ambten van adjunct-directeur en directeur, rekening houdend met wat volgt : | 1 | §1. De punten van de enveloppe kunnen worden aangewend voor het oprichten van één of meer betrekkingen in ambten van het ondersteunend personeel, het beleids- en ondersteunend personeel, opvoedend hulppersoneel, onderwijzend en/of bestuurspersoneel met uitzondering van de ambten van adjunct-directeur en directeur, rekening houdend met wat volgt : |
| 2 | 1° als in een school voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel wordt opgericht, gebeurt dat volgens artikel 30 of artikel 31 van de Codex Secundair Onderwijs; | 2 | 1° als in een school voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel wordt opgericht, gebeurt dat volgens artikel 30 of artikel 31 van de Codex Secundair Onderwijs; |
| 3 | 2° als een betrekking in een ambt van het opvoedend hulppersoneel, in een ambt van het administratief personeel of in een ambt van administratief medewerker in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op salarisschaal 200, 201, 202, 203, 122, worden voor een voltijdse betrekking 63 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 31,5 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking in het deeltijds kunstonderwijs en in een centrum voor volwassenenonderwijs, wordt per uur 1,5 punten in rekening gebracht; | 3 | 2° als in een academie van het deeltijds kunstonderwijs een betrekking in een ambt van administratief medewerker of studiemeester-opvoeder wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op salarisschaal 202 of 122, worden voor een voltijdse betrekking 63 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 31,5 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking worden per uur 1,5 punten in rekening gebracht; |
| 4 | 3° als een betrekking in een ambt van het opvoedend hulppersoneel, in een ambt van het administratief personeel of in een ambt van administratief medewerker in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op salarisschaal 158, 106, 163, 164, 100, 208, 104, 123, 126, worden voor een voltijdse betrekking 82 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 41 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking in het deeltijds kunstonderwijs en in een centrum voor volwassenenonderwijs, wordt per uur 2,5 punten in rekening gebracht; | 4 | 3° als in een academie van het deeltijds kunstonderwijs een betrekking in een ambt van studiemeester-opvoeder wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op salarisschaal 158, worden voor een voltijdse betrekking 82 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 41 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking, worden per uur 2,5 punten in rekening gebracht; |
| 5 | 3°/1 als in een centrum voor volwassenenonderwijs een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel wordt opgericht, gebeurt dat conform de puntenwaarde die de Vlaamse Regering voor het overeenkomende ambt vastlegt; | ||
| 5 | 4° voor de betrekkingen die worden opgericht in een ambt van het onderwijzend personeel, het bestuurspersoneel of het beleids- en ondersteunend personeel, legt de Vlaamse Regering het aantal punten vast dat in rekening moet worden gebracht voor een personeelslid dat in dit ambt wordt aangesteld. | 6 | 4° voor de betrekkingen die worden opgericht in een ambt van het onderwijzend personeel, het bestuurspersoneel of het beleids- en ondersteunend personeel, legt de Vlaamse Regering het aantal punten vast dat in rekening moet worden gebracht voor een personeelslid dat in dit ambt wordt aangesteld. |
| 6 | §2. Het personeelslid dat in de betrekking bedoeld in paragraaf 1, wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen : | 7 | §2. Het personeelslid dat in de betrekking bedoeld in paragraaf 1, wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen : |
| 7 | 1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het bestuur van de schoolof het centrum waaraan de betrekking wordt toegewezen, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikkinggestelde personeelslid; | 8 | 1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het bestuur van de school, de academie of het centrum waaraan de betrekking wordt toegewezen, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikkinggestelde personeelslid; |
| 8 | 2° het bestuur van de schoolof het centrum waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat voorrang heeft voor een tijdelijke aanstelling of dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikel 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs; | 9 | 2° het bestuur van de school, de academie of het centrum waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat voorrang heeft voor een tijdelijke aanstelling of dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikel 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs; |
| 9 | 3° de betrekking kan niet worden vacant verklaard. Het school- of centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 10 | 3° de betrekking kan niet worden vacant verklaard. Het school- of centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 10 | §3. In afwijking op de bepalingen van paragraaf 2, zijn voor de personeelsleden van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs alle bepalingen van toepassing van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. | 11 | §3. In afwijking op de bepalingen van paragraaf 2, zijn voor de personeelsleden van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs alle bepalingen van toepassing van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. |
| 5 | 1° hij 150 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 3 jaar bereikt. In afwijking hiervan moet de leerling die pas na 31 december van hetzelfde schooljaar de leeftijd van 3 jaar bereikt, 100 halve schooldagen aanwezig zijn op school; | 5 | 1° hij 150 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 3 jaar bereikt. In afwijking hiervan moet de leerling die pas na 31 december van hetzelfde schooljaar de leeftijd van 3 jaar bereikt, 100 halve schooldagen aanwezig zijn op school; |
| 6 | 2° hij 185 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 4 jaar bereikt; | 6 | 2° hij 185 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 4 jaar bereikt; |
| 7 | 3° hij 250 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 5 jaar bereikt; | 7 | 3° hij 290 halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 5 jaar bereikt; |
| 8 | 4° hij niet meer dan 29 halve schooldagen ongewettigd afwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 6 of 7 jaar bereikt. | 8 | 4° hij niet meer dan 29 halve schooldagen ongewettigd afwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van 6 of 7 jaar bereikt. |
| 9 | § 3. Een kleuter wordt geacht een halve dag aanwezig te zijn als dit blijkt uit de registratie in het aanwezigheidsregister van de school. | 9 | § 3. Een kleuter wordt geacht een halve dag aanwezig te zijn als dit blijkt uit de registratie in het aanwezigheidsregister van de school. |
| 10 | Een leerplichtige kleuter is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs. | 10 | Een leerplichtige kleuter is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs. |
| 11 | § 4. In afwijking van paragraaf 3, bepaalt de Vlaamse Regering wanneer een leerling geacht wordt voldoende aanwezig te zijn, wanneer de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt. | 11 | § 4. In afwijking van paragraaf 2, bepaalt de Vlaamse Regering wanneer een leerling geacht wordt voldoende aanwezig te zijn, wanneer de erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt. |
| 12 | § 5. In afwijking van paragraaf 2 en paragraaf 3, eerste lid, wordt een kleuter tijdens het betrokken schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn, indien een attest van een arts, een paramedicus als vermeld in het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de lijst van de paramedische beroepen, of een houder van een diploma in kinesitherapie als vermeld in artikel 21bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitvoering van de gezondheidsberoepen, voorgelegd wordt. Het attest bevat een verklaring dat de in een school ingeschreven kleuter tijdens het betrokken schooljaar niet of slechts onregelmatig naar school kan gaan. Het attest wordt door de aanvrager of de wettelijke vertegenwoordiger van de leerling bij wie de betrokken leerling zijn hoofdverblijfplaats heeft, teruggestuurd naar de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering. | 12 | § 5. In afwijking van paragraaf 2 en paragraaf 3, eerste lid, wordt een kleuter tijdens het betrokken schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn, indien een attest van een arts, een paramedicus als vermeld in het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de lijst van de paramedische beroepen, of een houder van een diploma in kinesitherapie als vermeld in artikel 21bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitvoering van de gezondheidsberoepen, voorgelegd wordt. Het attest bevat een verklaring dat de in een school ingeschreven kleuter tijdens het betrokken schooljaar niet of slechts onregelmatig naar school kan gaan. Het attest wordt door een ouder of een werkelijke opvoeder van de leerling bij wie de betrokken leerling zijn hoofdverblijfplaats heeft, teruggestuurd naar de uitbetalingsactor. |
| 13 | § 6. In afwijking van paragraaf 3 worden halve dagen aanwezigheid in de rijdende kleuterschool zoals bepaald in artikel 168 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 beschouwd als aanwezigheid in de erkende school waar de leerling ingeschreven is. | 13 | § 6. In afwijking van paragraaf 3 worden halve dagen aanwezigheid in de rijdende kleuterschool zoals bepaald in artikel 168 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 beschouwd als aanwezigheid in de erkende school waar de leerling ingeschreven is. |
| 2 | 1° in het schooljaar in kwestie is hij niet ingeschreven in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 29; | 2 | 1° in het schooljaar in kwestie is hij niet ingeschreven in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 29; |
| 3 | 2° hij is ongewettigd afwezig geweest of niet voldoende aanwezig geweest; | 3 | 2° hij is ongewettigd afwezig geweest of niet voldoende aanwezig geweest; |
| 4 | 3° uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving in het lager onderwijs is hij niet opnieuw in het lager onderwijs ingeschreven. | 4 | 3° tijdens het schooljaar uiterlijk 21 kalenderdagen na de datum van uitschrijving in het lager onderwijs is hij niet opnieuw in het lager onderwijs ingeschreven. |
| 5 | § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest en het daaraan voorafgaande schooljaar hetzij eveneens 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest, hetzij minder dan 250 halve schooldagen aanwezig is geweest indien de leerling toen nog niet onderworpen was aan de leerplicht maar wel ingeschreven was in een kleuterschool. | 5 | § 2. Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht niet voldoende aanwezig te zijn als de leerling gedurende het schooljaar in kwestie 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest en het daaraan voorafgaande schooljaar hetzij eveneens 30 al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest, hetzij minder dan 290 halve schooldagen aanwezig is geweest indien de leerling toen onderworpen was aan de leerplicht en gedurende dat schooljaar ingeschreven was in een kleuterschool, met uitzondering van de leerlingen bedoeld onder 27, § 2, 4° van dit decreet. |
| 6 | § 3. Een leerling in het lager onderwijs wordt geacht aanwezig te zijn als hij niet als ongewettigd afwezig is geregistreerd in het aanwezigheidsregister van de school. | 6 | § 3. Een leerling in het lager onderwijs wordt geacht aanwezig te zijn als hij niet als ongewettigd afwezig is geregistreerd in het aanwezigheidsregister van de school. |
| 7 | Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs. | 7 | Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs. |