§ flandrepo
42 regels · van kracht sinds 30 dec 2022

Artikel 3.6.0.0.6

§ 1. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting in de volgende gevallen op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, dat het hierna vermelde feit aanduidt :

  1. 1°wanneer een akte vals is verklaard of de nietigheid van een overeenkomst is uitgesproken of vastgesteld door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest;
  2. 2°wanneer alle partijen die betrokken zijn bij een overeenkomst waarop het verkooprecht van toepassing is, verklaren deze overeenkomst in der minne te hebben ontbonden of te hebben vernietigd, of verklaren dat een voorwaarde die uitdrukkelijk bedongen is in de overeenkomst, al is vervuld. Die verklaring moet blijken uit een geregistreerde overeenkomst, gedateerd minder dan een jaar na de dagtekening van de eerste overeenkomst.

De teruggave is niet mogelijk voor het verkooprecht, geheven op een overeenkomst die bij authentieke akte is vastgesteld, noch op een inbreng door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap, noch op een overeenkomst die onderworpen is aan het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 1;

  1. 3°wanneer een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest de ontbinding of de herroeping uitspreekt of vaststelt van een overeenkomst, op voorwaarde dat uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst het geding, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingeleid;
  2. 4°wanneer de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 1, § 10, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde op de verrichting van vervreemding onder bezwarende titel van een onroerend goed of van de vestiging, overdracht en wederoverdracht van een zakelijk recht op een onroerend goed;
  3. 5°wanneer een vonnis of een arrest geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd door een andere in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.

De ontheffing, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt toegestaan met voorbehoud van 10 euro op de ontbonden overeenkomst.

Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het bedrag aan registratiebelasting dat te veel is geheven overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1, § 1, derde lid, op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het kind geboren is.

§ 1/1. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, hetzij § 1, hetzij § 3, op voorwaarde dat de bewijsstukken, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 1, worden ingediend uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het vijfde jaar na de datum van de akte van schenking.

§ 1/2. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, hetzij § 2, hetzij § 3, op voorwaarde dat de bewijsstukken vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 2, worden ingediend uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het derde jaar na de datum van de akte van schenking.

§ 1/3. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, hetzij § 1, hetzij § 3, op voorwaarde dat de begiftigden een verzoek tot teruggave indienen uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het vijfde jaar na de datum van de schenkingsakte en een attest verkrijgen waaruit blijkt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, hetzij § 1, hetzij § 3, is voldaan. Het voormelde attest wordt door de bevoegde entiteit van de Vlaamse overheid verkregen van het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.

Het recht op ontheffing vervalt bij elke vervreemding onder de levenden van het beschermde monument binnen vijf jaar na de datum van de schenkingsakte en voordat de beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, zijn beëindigd.

§ 2. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, waarin wordt aangetoond dat een onroerend goed dat door de verkoper of zijn rechtsvoorgangers is verkregen bij een akte waarop het verkooprecht met toepassing van artikel 2.9.4.1.1 is voldaan, wordt wederverkocht. De ontheffing ten voordele van de wederverkoper beperkt zich in dat geval tot drie vijfde van het verkooprecht dat geheven is.

In afwijking van het eerste lid is de ontheffing beperkt tot drie vijfde van het wettelijk aandeel van de wederverkoper in het verkooprecht dat is betaald bij de verkrijging van het onroerend goed met toepassing van artikel 2.9.4.1.1, als de wederverkoper een onroerend goed wederverkoopt dat hij gedeeltelijk heeft verkregen bij een verdeling of een afstand die gelijkstaat met verdeling. De persoon door wie een deel van het onroerend goed aan de wederverkoper is afgestaan bij een verdeling of een afstand die gelijkstaat met verdeling, kan ook ontheffing vragen van drie vijfde van zijn wettelijk aandeel in het verkooprecht dat is betaald bij de verkrijging van het onroerend goed met toepassing van artikel 2.9.4.1.1.

De wederverkoop, vermeld in het eerste lid, moet bij authentieke akte vastgesteld zijn binnen twee jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging.

Als de verkrijging of de wederverkoop heeft plaatsgevonden onder een opschortende voorwaarde, wordt de termijn van wederverkoop berekend op basis van de datum waarop die voorwaarde is vervuld.

De registratiebelasting die betrekking heeft op het gedeelte van de prijs en de lasten van de verkrijging, dat hoger is dan de conform artikel 2.9.3.0.1 bepaalde heffingsgrondslag van de akte van wederverkoop, wordt niet teruggegeven.

In geval van gedeeltelijke wederverkoop wordt in het verzoek tot teruggave het deel van de aanschaffingsprijs dat betrekking heeft op het wederverkochte gedeelte, nader aangegeven onder controle van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

§ 2/1. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het bedrag aan registratiebelasting dat meer bedraagt dan het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, artikel 2.9.4.2.12 en artikel 2.9.4.2.14, op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan. In het verzoek tot teruggave moet worden aangetoond dat de woning of bouwgrond die de toepassing van het verlaagde tarief van artikel 2.9.4.2.11, § 1, artikel 2.9.4.2.12 en artikel 2.9.4.2.14, heeft verhinderd, uiterlijk twee jaar of uiterlijk drie jaar, in geval van toepassing van het verlaagd tarief van artikel 2.9.4.2.12 en 2.9.4.2.14, na de datum van de authentieke akte van verkrijging van de andere woning volledig en ten bezwarende titel is vervreemd, en dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging. Bovendien moet in het verzoek tot teruggave worden voldaan aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3.

§ 3. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, waarin wordt aangetoond dat een zuivere verkoop heeft plaatsgevonden door een natuurlijke persoon van een woning in het Vlaamse Gewest, waarvan de authentieke aankoopakte voor 1 januari 2022 werd verleden, en waarin hij op een ogenblik zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de zuivere aankoop van het onroerend goed dat hij als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt waarvan de akte uiterlijk op 31 december 2023 werd verleden, en, in geval van verdeling van een dergelijke woning, waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan. De ontheffing wordt verleend voor het wettelijk aandeel in de registratiebelasting die geheven is op de aankoop van het onroerend goed dat de natuurlijke persoon als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, op voorwaarde dat de authentieke akte van de verkoop of de verdeling is verleden binnen twee jaar, of vijf jaar in geval van de aankoop van een bouwgrond, na de datum van het verlijden van de authentieke akte van de nieuwe aankoop.

De registratiebelasting, betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest ligt, alsook de aanvullende rechten die om om het even welke reden op een aankoop zijn geheven, zijn uitgesloten van de teruggave, overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf.

De teruggave, overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf, kan in geen geval meer bedragen dan het bedrag van het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting die conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14 verschuldigd was op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht.

Als een verrichting als vermeld in het eerste lid, is voorafgegaan door een of meer van zulke verrichtingen of door een of meer verrichtingen als vermeld in artikel 2.9.5.0.1, eerste lid, wordt, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van deze paragraaf nog niet teruggegeven registratiebelasting of de ingevolge de toepassing van artikel 2.9.5.0.1, derde of vijfde lid, nog niet verrekende registratiebelasting, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14 verschuldigde registratiebelasting op de voorlaatste aankoop, om het teruggeefbare bedrag bij de wederverkoop ervan te bepalen.

Het terug te geven bedrag, dat verkregen is met toepassing van het eerste of het vierde lid, kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2017. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van die coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de lagere vijfhonderd euro. Het toepasbare geïndexeerde maximumbedrag is het bedrag voor het jaar waarin het recht op teruggave ontstaat. Het maximale terug te geven bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon verkrijgt in het nieuw aangekochte goed.

Aan de teruggave zijn de volgende voorwaarden verbonden :

  1. 1°het verzoek tot teruggave, ondertekend door de natuurlijke persoon, wordt gedaan in of onderaan op de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting op de verkoop of de verdeling of in een afzonderlijk verzoek tot teruggave;
  2. 2°de akte of het geschrift, vermeld in punt 1°, bevat :
  3. a)het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting, geheven op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting, geheven op die aankoop;
  4. b)het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting, geheven op de aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting, geheven op die aankoop.

Als de teruggave wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van deze paragraaf, moet de akte of het geschrift, vermeld in punt 1°, bovendien het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting vermelden, aangebracht op de akten of geschriften die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de registratiebelasting, en bij iedere vermelding het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven registratiebelasting vermelden;

  1. 3°in de akte of het geschrift, vermeld in punt 1°, of in een ondertekende en voor waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op die akte of dat geschrift, verklaart de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
  2. a)dat hij op een ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de aankoop van de woning die hij tot zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de wederverkochte of verdeelde woning;
  3. b)dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed heeft gevestigd of zal vestigen :
  4. 1)als het een woning betreft, binnen twee jaar na, ofwel de datum van de registratie van de akte die of het geschrift dat tot de heffing van de registratiebelasting op de aankoop aanleiding geeft, als die akte of dat geschrift binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden, ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de heffing van de registratiebelasting op de aankoop aanleiding geeft, wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
  5. 2)als het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum.

In geval van onjuistheid of niet-nakoming van de vermeldingen, voorgeschreven bij het zesde lid, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de onrechtmatig teruggegeven registratiebelasting.

§ 4. Wat betreft de registratiebelasting verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting van zes procent, geheven overeenkomstig artikel 2.9.4.2.7, als een aangekocht goed wordt wederverkocht bij authentieke akte, verleden binnen tien jaar na de datum van de akte van verkrijging, op voorwaarde dat een aangifte wordt ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, die het hierboven vermelde feit aanduidt.

De bepalingen van paragraaf 2, derde en vierde lid, zijn van toepassing op deze paragraaf.

§ 5. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan het verkooprecht, vermeld in hetzij artikel 2.9.4.2.11, hetzij artikel 2.9.4.2.12, hetzij artikel 2.9.4.2.13, hetzij artikel 2.9.4.2.14, op voorwaarde dat een verklaring, ondertekend door de verkrijger, waarin de bepalingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, die vereist zijn om het verlaagde tarief te verkrijgen, vermeld in hetzij artikel 2.9.4.2.11, hetzij artikel 2.9.4.2.12, hetzij artikel 2.9.4.2.13, hetzij artikel 2.9.2.14, zijn opgenomen, is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting opeisbaar is geworden.

§ 6. ....

§ 7. De bepalingen van artikel 3.6.0.0.2 en 3.6.0.0.3 zijn onverminderd van toepassing op dit artikel.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd