Artikel 22
§1. Bij bemesting mogen de opgebrachte meststoffen niet afspoelen.
Bij bemesting worden dierlijke mest en andere meststoffen emissiearm als
volgt opgebracht:
- 1°op grasland met zode-injectie, zodenbemester of sleufkouter. Op grasland dat gescheurd zal worden, mogen de meststoffen ook via het direct inwerken na spreiden worden opgebracht;
- 2°op beteelde landbouwgronden die geen grasland zijn, met mestinjectie, zodenbemester, sleufkouter of sleepslangtechniek;
- 3°op niet-beteelde landbouwgrond met mestinjectie of via het direct inwerken van de mest na spreiden.
In afwijking van het tweede lid, worden de volgende meststoffen niet-emissiearm opgebracht:
- 1°spuistroom, gft-compost of groencompost;
- 2°vloeibare dierlijke mest en vloeibare andere meststoffen met een drogestofgehalte van maximaal 2 % die een lager gehalte hebben aan ammoniakale stikstof dan 1 kg NH4-N per 1 000 l of 1 kg NH4-N per 1 000 kg;
- 3°stalmest, paardenmest of champost die:
- a)op grasland opgebracht wordt;
- b)gebruikt wordt voor bepaalde houtige teelten;
- c)in het voorjaar opgebracht wordt op landbouwgronden waarop wintergranen geteeld worden;
- 4°vaste dierlijke mest arm aan ammoniakale stikstof en vaste andere meststoffen arm aan ammoniakale stikstof die gebruikt wordt voor bepaalde houtachtige teelten;
- 5°pluimveemest afkomstig van een bedrijf dat de biologische productie toepast voor het houden van pluimvee, en waarbij deze pluimveemest:
- a)opgebracht wordt op grasland;
- b)opgebracht wordt op graan, waarna de opgebrachte meststoffen met gebruik van een wiedeg ingewerkt worden.
In afwijking van het tweede lid, 3°, worden de vaste dierlijke mest en vaste andere meststoffen die arm zijn aan ammoniakale stikstof binnen 24 uur na de opbrenging ingewerkt.
Ureumhoudende kunstmest wordt als volgt opgebracht:
- 1°via directe inwerking na het spreiden;
- 2°via injectie;
- 3°door bij de opbrenging ervan gebruik te maken van ureaseremmers;
- 4°via door de Vlaamse Regering, na advies van de instanties, vermeld in deel 2, hoofdstuk 2.17, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, vast te stellen alternatieve methodes die minstens even efficiënt zijn als de methodes, vermeld in punt 1°, 2° en 3°, voor de emissiearme opbrenging van ureumhoudende kunstmeststoffen.
Het direct inwerken na spreiden als vermeld in het tweede en het vijfde lid wordt op een van de volgende wijzen uitgevoerd:
- 1°het spreiden en inwerken van de meststoffen in één enkele werkgang;
- 2°het spreiden en inwerken van de meststoffen, met verschillende vervoerscombinaties, waarbij voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
- a)bij de start van het spreiden van de meststoffen is op hetzelfde perceel al een tweede vervoerscombinatie aanwezig die de gespreide meststoffen zal inwerken;
- b)uiterlijk onmiddellijk nadat de eerste opslagtank van de vervoerscombinatie die de mest spreidt, leeg is, wordt er gestart met het inwerken van de gespreide meststoffen;
- c)er wordt pas gestopt met het inwerken van de gespreide meststoffen als al de gespreide meststoffen ingewerkt zijn.
Om gebruik te maken van de afwijking, vermeld in het derde lid, 2°, moet het gehalte aan ammoniakale stikstof, vermeld in het derde lid, 2°, bewezen worden volgens een analyse, uitgevoerd door een erkend laboratorium.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen ter uitvoering van dit artikel, kan de bemestingstechnieken, vermeld in deze paragraaf, nader omschrijven, kan de minimale hoeveelheid ureaseremmers die gebruikt moet worden, bepalen, en kan aan het gebruik van de afwijking, vermeld in het derde lid, 2°, extra voorwaarden verbinden.
De Vlaamse Regering kan in afwijking van dit artikel ook andere opbrengingsmethodes toestaan, op voorwaarde dat deze minstens een even grote emissiebeperking realiseren.
§2. Bij het opbrengen van kunstmest moet bij de buitenste werkgang het bemesten gebeuren met een kantenstrooier, voor wat betreft het opbrengen van vaste kunstmest, en met een toestel dat uitgerust is met een driftreducerende techniek, voor wat betreft het opbrengen van vloeibare kunstmest.
De Vlaamse Regering kan nader omschrijven waaraan een kantenstrooier en een driftreducerende techniek als vermeld in het eerste lid moet voldoen en kan in afwijking van het eerste lid ook andere technieken dan een opbrenging met een kantenstrooier of met een toestel met driftreducerende technieken toelaten als deze de opgebrachte kunstmest ook voldoende gericht kunnen opbrengen.
§3. De Vlaamse Regering kan bepalen dat onder welbepaalde voorwaarden voor wetenschappelijke proefnemingen de toelating gegeven kan worden om af te wijken van voorgaande paragrafen.