§ flandrepo

Decreet over het onderwijs XXXVI

Vlaamse Regering #844 Staatsblad 26 augustus 2026 NUMAC 2026005886
107 artikels gewijzigd
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. I.3
28c) het niveau van master;28c) het niveau van master;
29d) een welomschreven opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen;29d) een welomschreven opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen;
3016° bijna-beursstudent: een student die onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische ruimte of voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap en die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar waarvan het referentie-inkomen ten hoogste 3000 euro ligt boven de financiële maximumgrens, bepaald in de regelgeving betreffende de studietoelagen. Het bedrag van 3000 euro wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218;3016° bijna-beursstudent: een student die onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische ruimte of voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar van wie het referentie-inkomen ten hoogste 3900 euro boven de financiële maximumgrens ligt die is bepaald in de regelgeving over de studietoelagen. Het basisbedrag van 3900 euro is het bedrag voor het academiejaar 2024-2025 en wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218, §1, tweede lid;;
3117° creditbewijs : de erkenning van het feit dat een student blijkens een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een document of een registratie. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden aangeduid als “credits”;3117° creditbewijs : de erkenning van het feit dat een student blijkens een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een document of een registratie. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden aangeduid als “credits”;
3218° creditcontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor 1 of meer opleidingsonderdelen;3218° creditcontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor 1 of meer opleidingsonderdelen;
+4 −1 codex-hoger-onderwijs/art. I.3
9250°/1 pesterijen: een onrechtmatig geheel van meerdere, gelijkaardige of uiteenlopende gedragingen buiten of binnen de hogeronderwijsinstelling, die plaatshebben gedurende een bepaalde tijd, die tot doel of gevolg hebben dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een student of een personeelslid wordt aangetast of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;9250°/1 pesterijen: een onrechtmatig geheel van meerdere, gelijkaardige of uiteenlopende gedragingen buiten of binnen de hogeronderwijsinstelling, die plaatshebben gedurende een bepaalde tijd, die tot doel of gevolg hebben dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een student of een personeelslid wordt aangetast of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;
9351° postinitieel onderwijs : de opleidingen die leiden tot een graad van master en waarvoor de inschrijving primair openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een graad van master. Personen die niet in het bezit zijn van een graad van master kunnen toegelaten worden na een intakegesprek waarin de instelling peilt naar de motivatie en de wetenschappelijke affiniteit van de student en naar de aard van de beroepservaring;9351° postinitieel onderwijs: de opleidingen die leiden tot een graad van master en waarvoor de inschrijving primair openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een graad van master. Personen die niet in het bezit zijn van een graad van master kunnen toegelaten worden na een intakegesprek waarin de instelling peilt naar de motivatie en de wetenschappelijke affiniteit van de student en naar de aard van de beroepservaring;
9451°/1 preventieadviseur psychosociale aspecten: de preventieadviseur psychosociale aspecten, vermeld in artikel 32sexies, §1, van de wet van 4 augustus 1996
9452° publiekrechtelijke hogeschool: een hogeschool met een publiekrechtelijk karakter die vanaf 1 oktober 2013 omgevormd of opgericht is bij of krachtens het bijzonder decreet van 13 juli 2012 houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van sommige publiekrechtelijke hogescholen en het bijzonder decreet van 13 juli 2012 houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van twee fusiehogescholen;9552° publiekrechtelijke hogeschool: een hogeschool met een publiekrechtelijk karakter die vanaf 1 oktober 2013 omgevormd of opgericht is bij of krachtens het bijzonder decreet van 13 juli 2012 houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van sommige publiekrechtelijke hogescholen en het bijzonder decreet van 13 juli 2012 houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van twee fusiehogescholen;
9553° raadsman : een advocaat of deskundige;9653° raadsman: een advocaat of deskundige;
12470° toetredingsovereenkomst : de overeenkomst tussen instellingsbestuur en student bedoeld in artikel II.273;12570° toetredingsovereenkomst: de overeenkomst tussen instellingsbestuur en student bedoeld in artikel II.273;
12570°/1: tolerantie: regeling in examenreglement van een instelling hoger onderwijs waarbij de student geen credits verwerft maar voor een beperkt aantal studiepunten toch het vak niet moet hernemen en waarbij de student zelf of de instelling hoger onderwijs beslist voor welke vakken hij dit inzet;12670°/1: tolerantie: regeling in examenreglement van een instelling hoger onderwijs waarbij de student geen credits verwerft maar voor een beperkt aantal studiepunten toch het vak niet moet hernemen en waarbij de student zelf of de instelling hoger onderwijs beslist voor welke vakken hij dit inzet;
12770°/2 vertrouwenspersoon personeel: de vertrouwenspersoon, vermeld in artikel 32sexies, §2 en §2/2, van de wet van 4 augustus 1996;
12671° verworven studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student een creditbewijs heeft ontvangen;12871° verworven studiepunten: studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student een creditbewijs heeft ontvangen;
12772° vestiging van een hogeronderwijsinstelling: het administratief arrondissement, het gerechtelijk arrondissement of de gemeente of een geheel van aan elkaar grenzende gemeenten waar de hogeronderwijsinstelling onderwijsbevoegdheid heeft. Voor de hogescholen die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd als uitsluitend behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, geldt het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad als 1 vestiging;12972° vestiging van een hogeronderwijsinstelling: het administratief arrondissement, het gerechtelijk arrondissement of de gemeente of een geheel van aan elkaar grenzende gemeenten waar de hogeronderwijsinstelling onderwijsbevoegdheid heeft. Voor de hogescholen die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd als uitsluitend behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, geldt het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad als 1 vestiging;
137a) hij is in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van ten minste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk;139a) hij is in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van ten minste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk;
138b) hij is nog niet in het bezit van een tweede cyclusdiploma of masterdiploma;140b) hij is nog niet in het bezit van een tweede cyclusdiploma of masterdiploma;
139c) hij is ingeschreven in een studietraject met specifieke onderwijs- en leervormen en met specifieke modaliteiten van begeleiding en aanbod, dat als zodanig geregistreerd is in het Hogeronderwijsregister. De afzonderlijke registratie in het Hogeronderwijsregister impliceert niet dat het hier een nieuwe opleiding betreft, zoals bepaald in artikel II.150.141c) hij is ingeschreven in een studietraject met specifieke onderwijs- en leervormen en met specifieke modaliteiten van begeleiding en aanbod, dat als zodanig geregistreerd is in het Hogeronderwijsregister. De afzonderlijke registratie in het Hogeronderwijsregister impliceert niet dat het hier een nieuwe opleiding betreft, zoals bepaald in artikel II.150;
14279° wet van 4 augustus 1996: de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.2
75° de "Vrije Universiteit Brussel".75° de "Vrije Universiteit Brussel".
8Onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, worden de Vlerick Business School, de Antwerp Management School en het Instituut voor Tropische Geneeskunde beschouwd als universiteit voor de opdrachten, vermeld in artikel II.19, II.20 en II 21.8Onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, worden de Vlerick Business School, de Antwerp Management School en het Instituut voor Tropische Geneeskunde beschouwd als universiteit voor de opdrachten, vermeld in artikel II.19, II.20 en II 21.
9Onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn op de Hogere Instituten voor Schone Kunsten, wordt het Orpheus Instituut beschouwd als universiteit voor zijn opdracht tot het verstrekken van postinitieel onderwijs, het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verstrekken van wetenschappelijke dienstverlening op het gebied van de kunsten en artistiek onderzoek.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.4
1Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.2, eerste lid kunnen als universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming universiteit en zich als dusdanig doen kennen.1Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.2, eerste lid kunnen als universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming universiteit en zich als dusdanig doen kennen.
2Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.3 kunnen als hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming hogeschool en zich als dusdanig doen kennen. De benaming hogeschool wordt vertaald als University College. 2Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.3 kunnen als hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming hogeschool en zich als dusdanig doen kennen. De benaming hogeschool wordt vertaald als “University of Applied Sciences”. Voor de hogescholen die een School of Arts hebben opgericht of als geheel beschouwd worden als een School of Arts als vermeld in artikel II.7, is de vertaling “University of Applied Sciences and Arts”.
3De Vlaamse Regering past de lijst van de universiteiten en hogescholen aan in geval van fusie, opslorping, opheffing of officiële naamswijziging.3De Vlaamse Regering past de lijst van de universiteiten en hogescholen aan in geval van fusie, opslorping, opheffing of officiële naamswijziging.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.29/2
1De Vlaamse Regering financiert, binnen de perken van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003 en van de Vlaamse begroting, de werking van de accreditatieorganisatie.1De Vlaamse Regering financiert, binnen de perken van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003 en van de Vlaamse begroting, de werking van de accreditatieorganisatie.
2De accreditatieorganisatie kan het gedeelte van de toegekende financiële ondersteuning dat de aanvaarde kosten overschrijdt, aanwenden voor de aanleg van reserves van maximaal 20% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag. De totale gecumuleerde reserves mogen maximaal 50% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag bedragen. De accreditatieorganisatie rapporteert jaarlijks over de reservevorming.2De accreditatieorganisatie kan het gedeelte van de toegekende financiële ondersteuning dat de aanvaarde kosten overschrijdt, aanwenden voor de aanleg van reserves van maximaal 20% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag. De totale gecumuleerde reserves mogen maximaal 50% van het maximale jaarlijkse subsidiebedrag bedragen. De accreditatieorganisatie rapporteert jaarlijks over de reservevorming.
3In het begrotingsjaar 2026 wordt 500.000 euro toegevoegd aan de financiële onder-steuning om de werkingskosten voor het werkingsjaar 2026 te bekostigen.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.29/3 nieuw
1Ter uitvoering van artikel 15, derde lid, van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003, financiert de Vlaamse Regering, binnen de perken van de Vlaamse begroting, de ondersteunende of de aanvullende opdrachten, vermeld in artikel 1, tweede lid, van het voormelde verdrag, die de Vlaamse Regering als enige Verdragsluitende Partij aan de accreditatieorganisatie opdraagt.
2De accreditatieorganisatie rapporteert, inhoudelijk en financieel, over elke aanvullende opdracht die de Vlaamse Regering heeft opgedragen. De accreditatieorganisatie kan het gedeelte van de toegekende financiering voor een aanvullende opdracht dat de aanvaarde kosten overschrijdt, niet aanwenden voor de aanleg van reserves.
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.37
2§2. De VLUHR is bevoegd voor de externe kwaliteitsbeoordelingen in de instellingen zoals bepaald in artikel II.122. De VLUHR kan daartoe een verzelfstandigd orgaan oprichten.2§2. De VLUHR is bevoegd voor de externe kwaliteitsbeoordelingen in de instellingen zoals bepaald in artikel II.122. De VLUHR kan daartoe een verzelfstandigd orgaan oprichten.
3De leden van het verzelfstandigd orgaan, vermeld in het eerste lid, moeten expertise hebben met betrekking tot kwaliteitszorg van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, het hoger professioneel onderwijs en het academisch onderwijs.3De leden van het verzelfstandigd orgaan, vermeld in het eerste lid, moeten expertise hebben met betrekking tot kwaliteitszorg van opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, het hoger professioneel onderwijs en het academisch onderwijs.
4§2/1. De VLUHR richt een expertisecentrum voor inclusief onderwijs met een focus op hoger onderwijs op. Het expertisecentrum heeft als opdracht de instellingen te begeleiden en te ondersteunen bij de ondersteuning van studenten met een inclusienood, met bijzondere aandacht voor de inclusie van studenten met een functiebeperking ter implementatie van de VN-conventie van 13 december 2006 over de rechten van personen met een handicap.
4§3. Op vraag van de Vlaamse Regering en de Commissie Hoger Onderwijs verstrekt de VLUHR adviezen in diverse materies.5§3. Op vraag van de Vlaamse Regering en de Commissie Hoger Onderwijs verstrekt de VLUHR adviezen in diverse materies.
5§4. De VLUHR moet ook aspecten zoals internationalisering, ontwikkelingssamenwerking en wetenschap en innovatie op volwaardige manier aan bod laten komen binnen zijn werking.6§4. De VLUHR moet ook aspecten zoals internationalisering, ontwikkelingssamenwerking, wetenschap, innovatie en de ondersteuning van studenten met een inclusienood op volwaardige manier aan bod laten komen binnen zijn werking.
6§5. De VLUHR fungeert als forum voor interassociatieoverleg.7§5. De VLUHR fungeert als forum voor interassociatieoverleg.
+7 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.38/1 nieuw
1De Vlaamse Regering en de VLUHR sluiten ten aanzien van de organisatie van het expertisecentrum voor inclusief onderwijs vijfjaarlijks een convenant waarin al de volgende elementen zijn opgenomen:
21° de aansturingsmogelijkheden van de Vlaamse Regering en de wijze waarop relevante actoren uit het inclusieveld worden betrokken;
32° de minimale resultaatsverbintenissen van het expertisecentrum voor inclusief onderwijs, met de focus op hoger onderwijs;
43° de minimale behoorlijkheidsvereisten op het vlak van het financieel management, en ook de mogelijkheden om een bepaalde financiële reserve aan te leggen van maximaal 20%per jaar van de werkingsenveloppe die in een bepaald jaar is toegekend. De totale gecumuleerde reserve op basis van de werkingsenveloppe bedraagt maximaal 50% van de jaarlijkse werkingsenveloppe;
54° de rapporterings- en controlemechanismen, in het bijzonder de wijze waarop het expertisecentrum voor inclusief onderwijs wordt geëvalueerd. Deze evaluatie wordt steeds afgerond in de eerste helft van het vijfde kalenderjaar van het lopende convenant;
65° de remediërende en sanctionerende maatregelen in geval van niet-naleving van het convenant;
76° de gevallen waarin en de wijze waarop het convenant tijdens de looptijd ervan kan worden gewijzigd.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.38/2 nieuw
1Als de VLUHR een overeenkomst sluit met de Vlaamse Regering, krijgt ze jaarlijks recht op een werkingsenveloppe voor het expertisecentrum voor inclusief onderwijs.
2De Vlaamse Regering bepaalt, rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten, de grootte van de jaarlijkse werkingsenveloppe van het expertisecentrum, vermeld in artikel II.37, §2/1, en ook de wijze van vereffening ervan. De werkingsenveloppe wordt geïndexeerd volgens de formule vastgesteld om de werkingsuitkering van de universiteiten en hogescholen te indexeren, vermeld in artikel III.5, §9.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.38/3 nieuw
1De hogescholen en de universiteiten kunnen in het kader van de opdracht van de VLUHR, vermeld in artikel II.37, §2/1, personeelsleden met hun instemming belasten met een opdracht bij de VLUHR. De betrokken personeelsleden blijven gedurende de uitoefening van de opdracht bij de VLUHR juridisch en administratief behoren tot de universiteit of hogeschool die hen ter beschikking stelt.
+4 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.65/1 nieuw
1Getuigschriften van micro-credentials kunnen door de hogescholen en universiteiten uitgereikt worden. De micro-credentials zijn het bewijs van de leerresultaten die een lerende heeft behaald na een klein leervolume, met een omvang tussen 0,5 en 59 studiepunten.
2Leerervaringen die leiden tot micro-credentials zijn bedoeld om de lerende te voorzien van specifieke kennis, vaardigheden en competenties die beantwoorden aan maatschappelijke, persoonlijke, culturele of arbeidsmarktbehoeften. De leerresultaten zijn beoordeeld aan de hand van transparante en duidelijk omschreven criteria.
3Micro-credentials zijn eigendom van de lerende, kunnen worden gedeeld en zijn meeneembaar. Zij kunnen op zichzelf staan of tot bredere credentials worden gecombineerd. Zij worden ondersteund door kwaliteitsborging volgens overeengekomen normen in de betrokken sector of het betrokken activiteitengebied.
4Het instellingsbestuur verleent een getuigschrift van een micro-credential aan de student die het opleidingstraject met succes heeft afgerond. De Vlaamse Regering bepaalt de vorm van dat getuigschrift en de inhoud van het bijbehorende supplement. Het getuigschrift vermeldt de naam en de studieomvang van de micro-credential. Het supplement geeft een aanduiding van de leerresultaten van de micro-credential, het niveau van de leerervaring die leidt tot de micro-credential, het soort beoordeling, de vorm van deelname aan de leeractiviteit en de gehanteerde kwaliteitsborging.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.98
25a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;25a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;
26b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.26b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.
27§3. Thomas More Mechelen-Antwerpen kan in de vestiging Mechelen opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in het studiegebied Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.124/2 opgeheven
1§ 1. De accreditatieorganisatie voert systeembrede analyses uit in het hoger onderwijs. Deze analyses brengen goede praktijken inzake onderwijsbeleid en onderwijskwaliteit in beeld en bieden de mogelijkheid om van elkaar te leren.
2§ 2. ...
+3 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.151
1De bacheloren masteropleidingen die worden geselecteerd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel II.150. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen sinds de deelname van de Vlaamse instelling aan die opleiding.1De graduaats-, bachelor- en masteropleidingen die worden geselecteerd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel II.150. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen sinds de deelname van de Vlaamse instelling aan die opleiding.
2Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een bacheloren masteropleiding die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen.2Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een graduaats-, bachelor- en masteropleiding die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen.
3Een bachelor­ of masteropleiding die kadert binnen een ‘European Universities Initiative’ dat als pilootproject in 2019 of 2020 is goedgekeurd, of de verlengingen daarvan, wordt geacht een opleiding te zijn die is geselecteerd conform de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi­ of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld als vermeld in het eerste lid. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. De voormelde opleidingen starten uiterlijk in het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het pilootproject afloopt of waarin de verlengingen van het pilootproject aflopen. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen.3Een graduaats-, bachelor­ of masteropleiding die kadert binnen een ‘European Universities Initiative’ wordt geacht een opleiding te zijn die is geselecteerd conform de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi­ of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld als vermeld in het eerste lid. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. De voormelde opleidingen starten uiterlijk in het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het project afloopt of waarin de verlengingen van het project aflopen. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen.
+7 −4 codex-hoger-onderwijs/art. II.176
2Daarenboven moet de student beschikken over 1 van de volgende studiebewijzen:2Daarenboven moet de student beschikken over 1 van de volgende studiebewijzen:
31° een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, dat minstens 3 jaar behaald is;31° een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, dat minstens 3 jaar behaald is;
41°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het schooljaar 2024-2025;
41°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;51°/2 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf het schooljaar 2027-2028;
52° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025;62° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap tot en met het schooljaar 2024-2025;
62°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;72°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het schooljaar 2024-2025;
72°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2025-2026;82°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2026-2027;
92°/3 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf het schooljaar 2027-2028;
83° een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;103° een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;
94° een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;114° een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;
149° een diploma van bachelor of master;169° een diploma van bachelor of master;
1510° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst wordt erkend als gelijkwaardig met 1 van de diploma’s vermeld in punt 1° tot en met 9°. Bij ontstentenis van een dergelijke erkenning kan het instellingsbestuur personen die in een land buiten de Europese Unie een diploma of een getuigschrift hebben behaald dat toelating geeft tot het hoger onderwijs in dat land, toelaten tot de inschrijving voor een opleiding hoger beroepsonderwijs.1710° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst wordt erkend als gelijkwaardig met 1 van de diploma’s vermeld in punt 1° tot en met 9°. Bij ontstentenis van een dergelijke erkenning kan het instellingsbestuur personen die in een land buiten de Europese Unie een diploma of een getuigschrift hebben behaald dat toelating geeft tot het hoger onderwijs in dat land, toelaten tot de inschrijving voor een opleiding hoger beroepsonderwijs.
18De hogescholen treden, op grond van een taak van algemeen belang, op als verwerkingsverantwoordelijke voor het verwerken van de gegevens voor de toetsing van de algemene toelatingsvoorwaarden tot een opleiding van het hoger beroepsonderwijs. De gegevens worden maximaal 10 jaar bewaard.
+5 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.178
1Als algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding gelden:1Als algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding gelden:
21° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025;21° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap tot en met het schooljaar 2024-2025;
31°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;31°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt door een school voor secundair onderwijs of door de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het schooljaar 2024-2025;
41°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2025-2026;41°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2026-2027;
51°/3 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf het schooljaar 2027-2028;
52° een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;62° een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
63° een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid, of73° een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid, of
95° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met 1 van de voorgaande diploma’s wordt erkend.105° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met 1 van de voorgaande diploma’s wordt erkend.
10Het instellingsbestuur kan personen toelaten die in een land buiten de Europese Unie een diploma of certificaat hebben behaald dat niet als gelijkwaardig is erkend zoals bepaald in punt 5° van lid 1. Dit kan enkel op voorwaarde dat dit document toegang verleent tot een bacheloropleiding in het land waar het is uitgereikt die vergelijkbaar is met een Vlaamse bacheloropleiding én op voorwaarde dat aan de authenticiteitscontrole van de betreffende diploma’s of certificaten is voldaan, voor zover door de Vlaamse overheid maatregelen zijn uitgevaardigd.11Het instellingsbestuur kan personen toelaten die in een land buiten de Europese Unie een diploma of certificaat hebben behaald dat niet als gelijkwaardig is erkend zoals bepaald in punt 5° van lid 1. Dit kan enkel op voorwaarde dat dit document toegang verleent tot een bacheloropleiding in het land waar het is uitgereikt die vergelijkbaar is met een Vlaamse bacheloropleiding én op voorwaarde dat aan de authenticiteitscontrole van de betreffende diploma’s of certificaten is voldaan, voor zover door de Vlaamse overheid maatregelen zijn uitgevaardigd.
12De universiteiten en hogescholen treden, op grond van een taak van algemeen belang, op als verwerkingsverantwoordelijke voor het verwerken van de gegevens voor de toetsing van de algemene toelatingsvoorwaarden tot een bacheloropleiding. De gegevens worden maximaal 10 jaar bewaard.
+3 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.188/1
1§ 1. Met behoud van de toepassing van de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178, wordt de eerste inschrijving voor bepaalde bacheloropleidingen aan de hogescholen of universiteiten afhankelijk gesteld van de verplichte deelname aan een starttoets. Een starttoets is instellingsneutraal, betrouwbaar en valide. Na de afname van de starttoets ontvangen de deelnemers een attest van deelname, dat alleen geldig is voor inschrijving in het lopende academiejaar waarin de test wordt afgenomen of in het academiejaar dat start na de afname van de starttoets.1§ 1. Met behoud van de toepassing van de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178, wordt de eerste inschrijving voor bepaalde bacheloropleidingen aan de hogescholen of universiteiten afhankelijk gesteld van de verplichte deelname aan een starttoets. Een starttoets is instellingsneutraal, betrouwbaar en valide. Na de afname van de starttoets ontvangen de deelnemers een attest van deelname. De geldigheidsduur van het attest van deelname wordt opgenomen in de instellingsoverschrijdende reglementen, vermeld in paragraaf 5.
2Een starttoets test startcompetenties die nodig zijn voor het welslagen in de betrokken opleiding. De deelname aan een starttoets gebeurt onder gecontroleerde omstandigheden. Bij de organisatie van een starttoets wordt voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, tweede lid, in redelijke aanpassingen voorzien.2Een starttoets test startcompetenties die nodig zijn voor het welslagen in de betrokken opleiding. De deelname aan een starttoets gebeurt onder gecontroleerde omstandigheden. Bij de organisatie van een starttoets wordt voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, tweede lid, in redelijke aanpassingen voorzien.
3Na de afname van de starttoets ontvangt iedere deelnemer een individueel feedbackrapport. Iedere deelnemer heeft het recht om op basis van dit feedbackrapport een gesprek aan te gaan met een studie- of trajectbegeleider in de instelling waar hij zich wenst in te schrijven.3Na de afname van de starttoets ontvangt iedere deelnemer een individueel feedbackrapport. Iedere deelnemer heeft het recht om op basis van dit feedbackrapport een gesprek aan te gaan met een studie- of trajectbegeleider in de instelling waar hij zich wenst in te schrijven.
254° de vrijstellingen van de verplichte deelname aan een starttoets en de manier waarop de vrijstelling van deelname wordt verleend;254° de vrijstellingen van de verplichte deelname aan een starttoets en de manier waarop de vrijstelling van deelname wordt verleend;
265° de regels over de beroepsprocedure;265° de regels over de beroepsprocedure;
276° afspraken rond de toekenning van redelijke aanpassingen bij de deelname aan een starttoets voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, tweede lid.276° afspraken rond de toekenning van redelijke aanpassingen bij de deelname aan een starttoets voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, tweede lid;
287° de geldigheidsduur van een attest van deelname en eventuele overgangsbepalingen.
28De instellingsoverschrijdende reglementen worden jaarlijks opgesteld en gevalideerd door respectievelijk de VLHORA en de VLIR volgens hun eigen beslissingsregels. Ze maken deze reglementen over aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 15 maart van het jaar waarin de starttoetsen worden afgenomen. De instellingsoverschrijdende reglementen worden door de instellingen openbaar en makkelijk raadpleegbaar gemaakt.29De instellingsoverschrijdende reglementen worden jaarlijks opgesteld en gevalideerd door respectievelijk de VLHORA en de VLIR volgens hun eigen beslissingsregels. Ze maken deze reglementen over aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 15 maart van het jaar waarin de starttoetsen worden afgenomen. De instellingsoverschrijdende reglementen worden door de instellingen openbaar en makkelijk raadpleegbaar gemaakt.
29§ 6. De deelname aan een starttoets is kosteloos. In voorkomend geval genereert ook de opgelegde verplichte remediëring voor de student geen extra kosten, met uitzondering van verschuldigd studiegeld en kosten voor het gebruikelijke cursusmateriaal.30§ 6. De deelname aan een starttoets is kosteloos. In voorkomend geval genereert ook de opgelegde verplichte remediëring voor de student geen extra kosten, met uitzondering van verschuldigd studiegeld en kosten voor het gebruikelijke cursusmateriaal.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.208
4§2. Het vast gedeelte is slechts eenmaal per academiejaar verschuldigd.4§2. Het vast gedeelte is slechts eenmaal per academiejaar verschuldigd.
5Deze bepaling geldt ongeacht het aantal inschrijvingen dat tijdens dat academiejaar aan dezelfde instelling wordt genomen.5Deze bepaling geldt ongeacht het aantal inschrijvingen dat tijdens dat academiejaar aan dezelfde instelling wordt genomen.
6Als een student is ingeschreven in een gezamenlijk georganiseerde opleiding, geldt de bepaling, vermeld in het eerste lid, ongeacht het aantal inschrijvingen tijdens dat academiejaar aan de hogeronderwijsinstellingen die de gezamenlijke georganiseerde opleiding aanbieden.
6§3. Wanneer een student wordt ingeschreven in een opleiding met het oog op het uitreiken van een diploma in overeenstemming met artikel II.245, §1, eerste lid, of in uitvoering van artikel II.172, §2, gebeurt de registratie zonder heffing van studiegeld, onverminderd de toepassing van artikel II.245, §2.7§3. Wanneer een student wordt ingeschreven in een opleiding met het oog op het uitreiken van een diploma in overeenstemming met artikel II.245, §1, eerste lid, of in uitvoering van artikel II.172, §2, gebeurt de registratie zonder heffing van studiegeld, onverminderd de toepassing van artikel II.245, §2.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.218
1§1. De in deze onderafdeling bedoelde bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2015.1§1. De in deze onderafdeling bedoelde bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2015.
2In afwijking van het eerste lid wordt het basisbedrag, vermeld in artikel I.3, 16°, aangepast overeenkomstig de procentuele stijging van de gezondheidsindex voor de maand december (basis 1996) van het tweede kalenderjaar vóór het jaar waarin het academiejaar in kwestie begint, ten opzichte van de gezondheidsindex voor de maand december (basis 1996) van het derde kalenderjaar vóór het jaar waarin het academiejaar in kwestie begint. De stijging wordt afgerond naar het hogere tiende. Het resultaat van de indexatie van het bedrag, vermeld in artikel I.3, 16°, wordt afgerond op het dichtstbijzijnde geheel getal.
2§2. De bedragen bedoeld in de artikelen II.209 en II.213 worden naar het dichtstbijzijnde decimaal afgerond tot één cijfer na de komma.3§2. De bedragen bedoeld in de artikelen II.209 en II.213 worden naar het dichtstbijzijnde decimaal afgerond tot één cijfer na de komma.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.261
63° de anderstalige opleidingsonderdelen die, op initiatief van de student en met instemming van de instelling, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs;63° de anderstalige opleidingsonderdelen die, op initiatief van de student en met instemming van de instelling, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs;
74° de opleidingsonderdelen waar uit de expliciet gemotiveerde beslissing de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding blijkt.74° de opleidingsonderdelen waar uit de expliciet gemotiveerde beslissing de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding blijkt.
85° de opleidingsonderdelen die deel uitmaken van een bachelorof masteropleiding die kadert binnen een `European Universities Initiative' dat als pilootproject werd goedgekeurd in 2019 of 2020, zoals beschreven in artikel II.151.85° de opleidingsonderdelen die deel uitmaken van een bachelor- of masteropleiding die kadert binnen een `European Universities Initiative', zoals beschreven in artikel II.151.
9§3. Een anderstalige initiële bacheloropleiding is een initiële bacheloropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 18,33% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject.9§3. Een anderstalige initiële bacheloropleiding is een initiële bacheloropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 18,33% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject.
10Een anderstalige intiële masteropleiding is een initiële masteropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 50% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject.10Een anderstalige intiële masteropleiding is een initiële masteropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 50% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.262
83° de gezamenlijk georganiseerde equivalente opleidingen die van de Commissie Hoger Onderwijs de toelating hebben gekregen om het volgen van de onderwijsactiviteiten te spreiden over meer dan 1 vestiging. De aanvragen tot afwijking worden door de Commissie Hoger Onderwijs behandeld overeenkomstig de procedure beschreven in artikel II.263;83° de gezamenlijk georganiseerde equivalente opleidingen die van de Commissie Hoger Onderwijs de toelating hebben gekregen om het volgen van de onderwijsactiviteiten te spreiden over meer dan 1 vestiging. De aanvragen tot afwijking worden door de Commissie Hoger Onderwijs behandeld overeenkomstig de procedure beschreven in artikel II.263;
94° de equivalente opleiding master in de ingenieurswetenschappen : biomedische ingenieurstechnieken, gezamenlijk aangeboden door de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel.94° de equivalente opleiding master in de ingenieurswetenschappen : biomedische ingenieurstechnieken, gezamenlijk aangeboden door de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel.
10§3. Als er door een beslissing van een instelling om een Nederlandstalige opleiding stop te zetten in de Vlaamse Gemeenschap geen Nederlandstalige equivalente opleiding meer wordt aangeboden voor een bepaalde anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding, wordt die anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding afgebouwd. Bij de afbouw neemt het instellingsbestuur de nodige maatregelen zodat de ingeschreven studenten hun opleiding kunnen voltooien binnen een redelijke termijn.
11Als de enige Nederlandstalige equivalente opleiding, vermeld in het eerste lid, door een andere instelling wordt aangeboden dan de instelling die de anderstalige opleiding aanbiedt, dan heeft de instelling die de anderstalige opleiding aanbiedt de mogelijkheid om deze anderstalige opleiding niet af te bouwen maar om voor de Nederlandstalige equivalente opleiding, vermeld in het eerste lid, de erkenning als nieuwe opleiding aan te vragen. Zij dient hiervoor een dossier toets nieuwe opleiding, vermeld in artikel II.153/1, in bij de accreditatieorganisatie. Zij dient deze aanvraag in uiterlijk tijdens het academiejaar dat volgt op de beslissing om de Nederlandstalige equivalente opleiding stop te zetten. Als de accreditatieorganisatie niet tot een positief toetsingsbesluit over deze aanvraag komt, dan bouwt de instelling de anderstalige opleiding af.
+2 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.270
1§1. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, moet de onderwijstaal waarin hij een opleidingsonderdeel doceert op adequate wijze beheersen.1§1. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, moet de onderwijstaal waarin hij een opleidingsonderdeel doceert op adequate wijze beheersen.
2Dit betekent dat het personeelslid die taal moet beheersen op het ERK-niveau C1. Dit vereiste beheersingsniveau van de onderwijstaal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de onderwijstaal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een diploma secundair onderwijsof een bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in de onderwijstaal waarin hij doceert, in een instelling waarin die taal de onderwijstaal is.2Dit betekent dat het personeelslid die taal moet beheersen op het ERK-niveau C1. Dit vereiste beheersingsniveau van de onderwijstaal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de onderwijstaal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een diploma secundair onderwijs, een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, een diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, een diploma van ge-gradueerde of een bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in de onderwijstaal waarin hij doceert, in een instelling waarin die taal de onderwijstaal is.
3In afwijking van het tweede lid is voor een personeelslid dat doceert in een opleiding in het studiegebied Muziek en podiumkunsten of Audiovisuele en beeldende kunst de beheersing van het Frans of Engels op ERK-niveau B1 voldoende.3In afwijking van het tweede lid is voor een personeelslid dat doceert in een opleiding in het studiegebied Muziek en podiumkunsten of Audiovisuele en beeldende kunst de beheersing van het Frans of Engels op ERK-niveau B1 voldoende.
4Aan de voorwaarden vermeld in deze paragraaf moet voldaan zijn vóór 15 februari 2015.4Aan de voorwaarden vermeld in deze paragraaf moet voldaan zijn vóór 15 februari 2015.
5§2. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, dat geen opleidingsonderdelen in het Nederlands doceert, moet de Nederlandse taal beheersen op ERK-niveau B2. Het instellingsbestuur voorziet een verplicht integratietraject dat garandeert dat het personeelslid na twee jaar minstens de Nederlandse taal beheerst op ERK-niveau A2, dat wordt afgesloten met het vereiste beheersingsniveau op ERK-niveau B2, en dat door het betrokken personeelslid wordt afgerond binnen de vijf jaar na zijn aanstelling of op het moment van zijn benoeming. Wanneer een personeelslid al langer dan vijf jaar aangesteld is of al benoemd is op het moment dat het belast wordt met een onderwijsopdracht, moet het op dat moment aan het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoen. Een personeelslid dat niet aan de vereisten voor het beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoet, kan geen onderwijsopdracht uitoefenen. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de Nederlandse taal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een Nederlandstalig bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in een niet-anderstalige opleiding.5§2. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, dat geen opleidingsonderdelen in het Nederlands doceert, moet de Nederlandse taal beheersen op ERK-niveau B2. Het instellingsbestuur voorziet een verplicht integratietraject dat garandeert dat het personeelslid na twee jaar minstens de Nederlandse taal beheerst op ERK-niveau A2, dat wordt afgesloten met het vereiste beheersingsniveau op ERK-niveau B2, en dat door het betrokken personeelslid wordt afgerond binnen de vijf jaar na zijn aanstelling of op het moment van zijn benoeming. Wanneer een personeelslid al langer dan vijf jaar aangesteld is of al benoemd is op het moment dat het belast wordt met een onderwijsopdracht, moet het op dat moment aan het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoen. Een personeelslid dat niet aan de vereisten voor het beheersingsniveau van de Nederlandse taal voldoet, kan geen onderwijsopdracht uitoefenen. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de Nederlandse taal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs, een Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, een Nederlandstalig diploma van secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, een Nederlandstalig diploma van gegradueerde, een Nederlandstalig bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in een niet-anderstalige opleiding.
6§3. De instellingen voorzien voor de leden van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel in aangepaste voorzieningen, waaronder een toegankelijk en behoeftedekkend aanbod van Nederlandstalige en anderstalige taalcursussen en taalbegeleidingsmaatregelen.6§3. De instellingen voorzien voor de leden van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel in aangepaste voorzieningen, waaronder een toegankelijk en behoeftedekkend aanbod van Nederlandstalige en anderstalige taalcursussen en taalbegeleidingsmaatregelen.
+6 −5 codex-hoger-onderwijs/art. II.355/3
1§1. Het bestuur stelt samen met de vertegenwoordigers van de studenten en het personeel een gedragscode op over grensoverschrijdend gedrag. De voormelde gedragscode wordt opgenomen in het arbeidsreglement en in het onderwijs- en examenreglement van de instelling.1§1. Het bestuur stelt samen met de vertegenwoordigers van de studenten en het personeel een gedragscode op over grensoverschrijdend gedrag. De voormelde gedragscode wordt opgenomen in het arbeidsreglement en in het onderwijs- en examenreglement van de instelling.
2Het bestuur werkt samen met de vertegenwoordigers van de studenten en van het personeel een procedure uit voor de meldingen over grensoverschrijdend gedrag en de opvolging ervan binnen de instelling, met inbegrip van de te respecteren termijnen. 2Het bestuur werkt samen met de vertegenwoordigers van de studenten en van het personeel een procedure uit voor de meldingen door studenten en door personeel over grensoverschrijdend gedrag en de opvolging ervan binnen de instelling, met inbegrip van de te respecteren termijnen. De procedure voor de meldingen door personeel wordt conform de wet van 4 augustus 1996 opgemaakt..
3Studenten die een melding doen, kunnen desgewenst gebruikmaken van de mogelijkheid om hun examen te laten bijwonen door een waarnemer als vermeld in artikel II.222, 3°.3Studenten die een melding doen, kunnen desgewenst gebruikmaken van de mogelijkheid om hun examen te laten bijwonen door een waarnemer als vermeld in artikel II.222, 3°.
4§2. Het bestuur richt binnen de instelling minstens één intern meldpunt voor meldingen van grensoverschrijdend gedrag door studenten of personeelsleden op. Dit meldpunt bestaat uit de vertrouwenspersoon voor studenten en de vertrouwenspersoon voor personeel. Het bestuur garandeert de onafhankelijke en toegankelijke werking van het interne meldpunt of de interne meldpunten voor meldingen van grensoverschrijdend gedrag.4§2. Het bestuur richt binnen de instelling minstens één intern meldpunt voor meldingen van grensoverschrijdend gedrag door studenten of personeelsleden op. Dit meldpunt bestaat uit de vertrouwenspersoon voor studenten en de vertrouwenspersoon voor personeel. Het bestuur garandeert de onafhankelijke en toegankelijke werking van het interne meldpunt of de interne meldpunten voor meldingen van grensoverschrijdend gedrag.
5§3. Het bestuur zorgt ervoor dat er per instelling een centraal register bijgehouden wordt waarin alle meldingen van grensoverschrijdend gedrag bij het meldpunt, de vertrouwenspersoon voor studenten en de vertrouwenspersoon personeel zoals bedoeld in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, van de instelling worden geregistreerd. Het doel van dit centrale register bestaat erin om alle meldingen die binnen de instelling worden gedaante verzamelen op één digitale plek. Dit moet de instelling in staat stellen om een beter overzicht te krijgen over meldingen met gemeenschappelijke kenmerken, om deze meldingen beter en accurater op te volgen en om ten aanzien van de betrokken personen sneller en beter gepaste maatregelen uit te werken en te implementeren. Daarnaast stelt het de instellingen in staat om kwaliteitscontrole en opvolging te organiseren rond wat er met de meldingen gebeurt.5§3. Het bestuur zorgt ervoor dat er per instelling een centraal register bijgehouden wordt waarin alle meldingen van grensoverschrijdend gedrag bij de vertrouwenspersoon voor studenten en de vertrouwenspersoon personeel worden geregistreerd. De hogeronderwijsinstelling treedt op als verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens die worden opgenomen in het centrale register. Het doel van het centrale register is om alle meldingen die binnen de instelling worden gedaan, te verzamelen op één digitale plek. Het centrale register stelt de instelling in staat om een beter overzicht te krijgen over meldingen met gemeenschappelijke kenmerken, om die meldingen beter en accurater op te volgen en om ten aanzien van de betrokken personen sneller en beter gepaste maatregelen uit te werken en te implementeren. Daarnaast stelt het centrale register de instellingen in staat om kwaliteitscontrole en opvolging te organiseren rond wat er met de meldingen gebeurt.
6In het centrale register worden met inachtneming van de wetgeving op de bescherming van de persoonsgegevens en met het oog op het bereiken van het doel, vermeld in het eerste lid, volgende gegevens opgenomen per registratie:6In het centrale register worden met inachtneming van de wetgeving op de bescherming van de persoonsgegevens en met het oog op het bereiken van het doel, vermeld in het eerste lid, volgende gegevens opgenomen per registratie:
71° de identificatiegegevens van de melder: naam en voornaam;71° de identificatiegegevens van de melder: naam en voornaam;
82° de identificatiegegevens van iedere persoon die volgens de melder direct of indirect betrokken is bij het grensoverschrijdend gedrag, in welke hoedanigheid dan ook: naam, voornaam, functie en hoedanigheid;82° de identificatiegegevens van iedere persoon die volgens de melder direct of indirect betrokken is bij het grensoverschrijdend gedrag, in welke hoedanigheid dan ook: naam, voornaam, functie en hoedanigheid;
93° een beschrijving van de verklaring van de melder inzake grensoverschrijdend gedrag: de aard van het grensoverschrijdend gedrag, tijdstip van het grensoverschrijdend gedrag, een feitelijke weergave van het grensoverschrijdend gedrag.93° een beschrijving van de verklaring van de melder inzake grensoverschrijdend gedrag: de aard van het grensoverschrijdend gedrag, tijdstip van het grensoverschrijdend gedrag, een feitelijke weergave van het grensoverschrijdend gedrag;
104° de acties, vermeld in artikel II.355/4, §2, die zijn ondernomen.
10Het gaat om meldingen over grensoverschrijdend gedrag tussen studenten, verbonden aan de instelling, onderling binnen de onderwijscontext en tussen studenten en personeel, verbonden aan de instelling binnen de onderwijscontext of buiten de onderwijscontext indien er een hiërarchische relatie bestaat tussen de student en het personeelslid. Ook de meldingen in het kader van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, komen in dit register.11Het gaat om meldingen over grensoverschrijdend gedrag tussen studenten, verbonden aan de instelling, onderling binnen de onderwijscontext en tussen studenten en personeel, verbonden aan de instelling binnen de onderwijscontext of buiten de onderwijscontext indien er een hiërarchische relatie bestaat tussen de student en het personeelslid.
11Alleen de preventieadviseur psychosociale aspecten, de vertrouwenspersonen voor personeel zoals bedoeld in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, en de vertrouwenspersoon voor studenten hebben toegang tot het centrale register. 12Alleen de preventieadviseur psychosociale aspecten, de vertrouwenspersoon personeel en de vertrouwenspersoon voor studenten hebben toegang tot het centrale register. De vertrouwenspersoon personeel en de vertrouwenspersoon voor studenten registreren meldingen over grensoverschrijdend gedrag in het centrale register.
12Indien een melder wenst dat de naam van de melder niet in het register wordt opgenomen, dan zorgt de vertrouwenspersoon waar mogelijk voor een geanonimiseerde registratie. De vertrouwenspersoon informeert de melder dat dit gevolgen heeft voor de opvolging van het dossier.13Indien een melder wenst dat de naam van de melder niet in het register wordt opgenomen, dan zorgt de vertrouwenspersoon waar mogelijk voor een geanonimiseerde registratie. De vertrouwenspersoon informeert de melder dat dit gevolgen heeft voor de opvolging van het dossier.
13De instelling bewaart de verklaringen inzake de feiten die in het register zijn opgenomen gedurende vijf jaar indien de betrokkenen allemaal studenten zijn, tien jaar indien een personeelslid betrokken partij is, dertig jaar indien de melding om strafbare feiten gaat, dit steeds te rekenen vanaf de dag dat het personeelslid of de student deze verklaringen heeft laten optekenen. Indien er een nieuwe melding wordt gedaan omtrent een betrokken partij die eerder in het register werd vermeld, dan wordt de bewaartermijn van de oorspronkelijke verklaring in overeenstemming gebracht met de nieuwe bewaartermijn.14De instelling bewaart de verklaringen inzake de feiten die in het register zijn opgenomen gedurende vijf jaar indien de betrokkenen allemaal studenten zijn, tien jaar indien een personeelslid betrokken partij is, dertig jaar indien de melding om strafbare feiten gaat, dit steeds te rekenen vanaf de dag dat het personeelslid of de student deze verklaringen heeft laten optekenen. Indien er een nieuwe melding wordt gedaan omtrent een betrokken partij die eerder in het register werd vermeld, dan wordt de bewaartermijn van de oorspronkelijke verklaring in overeenstemming gebracht met de nieuwe bewaartermijn.
+14 −8 codex-hoger-onderwijs/art. II.355/4
74° een gerichte doorverwijzing;74° een gerichte doorverwijzing;
85° het in kaart brengen van andere mogelijke interne en externe acties en het ondersteunen bij die acties die de melder kan ondernemen als de melder de acties, vermeld in punt 1° tot en met 4°, als onvoldoende beschouwt.85° het in kaart brengen van andere mogelijke interne en externe acties en het ondersteunen bij die acties die de melder kan ondernemen als de melder de acties, vermeld in punt 1° tot en met 4°, als onvoldoende beschouwt.
9§3. De vertrouwenspersoon voor studenten of de vertrouwenspersoon voor personeel kan, als er ten aanzien van een bepaalde betrokken persoon meerdere meldingen zijn ontvangen, ambtshalve initiatief nemen om vervolgstappen te nemen. Daarbij houdt de vertrouwenspersoon steeds rekening met de eventuele vraag van een of meerdere melders om anoniem te blijven.9§3. De vertrouwenspersoon voor studenten of de vertrouwenspersoon personeel kan, als er ten aanzien van een bepaalde betrokken persoon meerdere meldingen zijn ontvangen, vervolgstappen nemen. Daarbij houdt de vertrouwenspersoon steeds rekening met de eventuele vraag van een of meerdere melders om anoniem te blijven.
10Als er zich een situatie voordoet die een acuut risico inhoudt voor studenten of personeelsleden, neemt de vertrouwenspersoon voor studenten of de vertrouwenspersoon voor personeel een initiatief met inachtneming van de regels van het beroepsgeheim, vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek.10Als er zich een situatie voordoet die een acuut risico of een noodtoestand inhoudt voor studenten of personeelsleden, moet de vertrouwenspersoon voor studenten of de vertrouwenspersoon personeel vervolgstappen nemen.
11Het nemen van initiatief kan bestaan uit de acties opgenomen in paragraaf 2, het op de hoogte brengen van de tuchtoverheid en/of het parket informeren.
11Vervolgstappen als vermeld in het eerste en tweede lid kunnen bestaan uit:
121° de acties, vermeld in paragraaf 2;
132° de tuchtoverheid op de hoogte brengen;
143° het parket informeren.
12De vertrouwenspersoon voor studenten of personeel kan de bevoegde tuchtoverheid op de hoogte brengen van een melding over grensoverschrijdend gedrag als er ten aanzien van een bepaalde persoon meerdere meldingen zijn ontvangen. Hierbij worden in een eerste fase enkel die gegevens doorgegeven die de tuchtoverheid toelaten te beslissen of ze al dan niet een tuchtonderzoek wil opstarten.15Bij het op de hoogte brengen van de tuchtoverheid, vermeld in het derde lid, 2°, worden in een eerste fase alleen die gegevens uit het centrale register doorgegeven die de tuchtoverheid toelaten te beslissen of ze al dan niet een tuchtonderzoek opstart.
13Het tuchtreglement legt procedures vast waaronder vastgelegde termijnen voor het geven van een ontvangstbevestiging en de verschillende stappen die de tuchtoverheid kan ondernemen.16Het tuchtreglement van de instelling legt procedures vast waaronder termijnen om een ontvangstbevestiging te versturen en de verschillende stappen die de tuchtoverheid kan ondernemen
14§4. Het bestuur zorgt ervoor dat de vertrouwenspersoon voor studenten beschikt over de nodige tijd en over de vaardigheden en kennis die nodig zijn voor de uitoefening van de opdracht als vertrouwenspersoon voor studenten.17§4. Het bestuur zorgt ervoor dat de vertrouwenspersoon voor studenten beschikt over de nodige tijd en over de vaardigheden en kennis die nodig zijn voor de uitoefening van de opdracht als vertrouwenspersoon voor studenten.
15Desgevallend zorgt de instelling zo snel mogelijk voor de nodige opleiding en professionalisering. De vertrouwenspersoon voor studenten volgt uiterlijk binnen zes maanden nadat die is aangesteld een basisopleiding van ten minste vijf dagen.18Desgevallend zorgt de instelling zo snel mogelijk voor de nodige opleiding en professionalisering. De vertrouwenspersoon voor studenten volgt uiterlijk binnen zes maanden nadat die is aangesteld een basisopleiding van ten minste vijf dagen.
16De vertrouwenspersoon voor studenten volgt minstens één keer per jaar een intervisie of supervisie voor vertrouwenspersonen voor studenten. Vertrouwenspersonen voor studenten die zonder geldige reden niet jaarlijks een intervisie of supervisie volgen, verliezen het statuut van vertrouwenspersoon voor studenten en kunnen niet meer als vertrouwenspersoon voor studenten functioneren.19De vertrouwenspersoon voor studenten volgt minstens één keer per jaar een intervisie of supervisie voor vertrouwenspersonen voor studenten. Vertrouwenspersonen voor studenten die zonder geldige reden niet jaarlijks een intervisie of supervisie volgen, verliezen het statuut van vertrouwenspersoon voor studenten en kunnen niet meer als vertrouwenspersoon voor studenten functioneren.
17§5. De vertrouwenspersoon voor studenten werkt binnen de regels van het beroepsgeheim, vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek.20§5. De vertrouwenspersoon voor studenten werkt binnen de regels van het beroepsgeheim, vermeld in artikel 352 van het nieuwe Strafwetboek.
18De vertrouwenspersoon voor studenten, de vertrouwenspersoon personeel en de preventieadviseur psychosociale aspecten zoals bedoeld in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, hebben het recht en de plicht om waar nodig contact op te nemen met elkaar zodat het mogelijk wordt om alle meldingen die gedaan worden binnen de instelling op één digitale plek te verzamelen. Zij maken gezamenlijke afspraken over het centraal register en kunnen pertinente informatie uitwisselen met het oog op de uitoefening van hun functie. De verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) wordt hierbij in acht genomen. De persoonsgegevens worden verwerkt op basis van de rechtvaardigheidsgrond in artikel 6.1, c), van de algemene verordening gegevensbescherming.
21In afwijking van de verplichting, vermeld in het eerste lid, gelden de volgende bepalingen:
221° de vertrouwenspersoon voor studenten kan, als er ten aanzien van een bepaalde betrokken persoon meerdere meldingen zijn ontvangen, vervolgstappen nemen;
232° de vertrouwenspersoon voor studenten moet vervolgstappen nemen als er zich een situatie voordoet die een acuut risico of een noodtoestand inhoudt voor studenten of personeelsleden;
243° de vertrouwenspersoon voor studenten wisselt met de vertrouwenspersoon personeel en de preventie adviseur psychosociale aspecten informatie uit die nodig is voor het vervullen van zijn of haar opdracht.
19Vertrouwenspersonen voor studenten houden per melding een individueel dossier bij. Het gaat om een weergave van de gebeurtenissen inzake het grensoverschrijdend gedrag zoals beschreven door de melder en identificatiegegevens van alle personen die volgens de melder direct of indirect zijn betrokken bij het grensoverschrijdend gedrag, in welke hoedanigheid dan ook. In het dossier wordt ook opgenomen welke acties uit paragraaf 2 zijn ondernomen.25Vertrouwenspersonen voor studenten houden per melding een individueel dossier bij. Het gaat om een weergave van de gebeurtenissen inzake het grensoverschrijdend gedrag zoals beschreven door de melder en identificatiegegevens van alle personen die volgens de melder direct of indirect zijn betrokken bij het grensoverschrijdend gedrag, in welke hoedanigheid dan ook. In het dossier wordt ook opgenomen welke acties uit paragraaf 2 zijn ondernomen.
20Indien een melder wenst dat de naam van de melder niet in het individueel dossier wordt opgenomen, dan zorgt de vertrouwenspersoon waar mogelijk voor een geanonimiseerde registratie. De vertrouwenspersoon informeert de melder dat dit gevolgen heeft voor de opvolging van het dossier.26Indien een melder wenst dat de naam van de melder niet in het individueel dossier wordt opgenomen, dan zorgt de vertrouwenspersoon waar mogelijk voor een geanonimiseerde registratie. De vertrouwenspersoon informeert de melder dat dit gevolgen heeft voor de opvolging van het dossier.
22§7. Minstens de helft van de vertrouwenspersonen voor studenten behoort niet tot het zelfstandig academisch personeel of onderwijspersoneel.28§7. Minstens de helft van de vertrouwenspersonen voor studenten behoort niet tot het zelfstandig academisch personeel of onderwijspersoneel.
23§8. Personen die binnen de hogeronderwijsinstelling als vrijwilliger werkzaam zijn, extern gefinancierde onderzoekers en doctoraatsstudenten die werkzaam zijn in een hogeronderwijsinstelling kunnen grensoverschrijdend gedrag melden bij een intern meldpunt als vermeld in artikel II.355/3, §2. Ze worden met betrekking tot de verdere afhandeling van hun melding gelijkgesteld met een personeelslid.29§8. Personen die binnen de hogeronderwijsinstelling als vrijwilliger werkzaam zijn, extern gefinancierde onderzoekers en doctoraatsstudenten die werkzaam zijn in een hogeronderwijsinstelling kunnen grensoverschrijdend gedrag melden bij een intern meldpunt als vermeld in artikel II.355/3, §2. Ze worden met betrekking tot de verdere afhandeling van hun melding gelijkgesteld met een personeelslid.
24§9. De bepalingen van paragraaf 3 tot en met 5 zijn onverminderd de bepalingen van de federale wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk eveneens van toepassing op de vertrouwenspersonen voor personeel.
30§9. ...
+0 −9 codex-hoger-onderwijs/art. III.18 opgeheven
1De totale omvang van de middelen die gegenereerd worden door de toepassing van de voorschriften inzake financieringsboni voor beurstariefstudenten, werkstudenten en studenten met een functiebeperking kan:
21° in het onderwijsvariabel deel voor de professionele opleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 15% van het totaal VOWprof;
32° in het onderwijsvariabel deel voor de academische opleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 10% van het totaal VOWac;
43° in het onderwijsvariabel deel voor de academische opleidingen aan de universiteiten niet meer bedragen dan 10% van het totaal VOWun;
54° in het onderwijsvariabele deel voor de professionele opleidingen, met uitzondering van de professionele kunstopleidingen, aan de hogescholen niet meer bedragen dan 15% van het totaal VOWprof2014;
65° in het onderwijsvariabele deel voor de kunstopleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 10% van het totaal VOWhko2014;
76° in het onderwijsvariabele deel voor de academische opleidingen aan de universiteiten niet meer bedragen dan 10% in het totaal VOWun2014.
8Indien het aandeel van die middelen de in het eerste lid genoemde percentages overschrijdt dan worden de extra puntengewichten proportioneel verminderd voor de berekening van de werkingsuitkeringen van het desbetreffende begrotingsjaar.
9Voor de berekening van de financieringspunten in het kader van de evolutie van de bedragen voor de variabele onderwijsdelen VOWprof, VOWac, VOWun, VOWprof2014, VOWhko2014 en VOWun2014, zoals bedoeld in artikel III.6, is deze proportionele vermindering van de extra puntengewichten niet van toepassing.
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.29
11Een instelling die een studiegebied overdraagt naar een andere instelling verliest de onderwijsbevoegdheid voor het betreffende studiegebied.11Een instelling die een studiegebied overdraagt naar een andere instelling verliest de onderwijsbevoegdheid voor het betreffende studiegebied.
12§3. De hogescholen en universiteiten delen jaarlijks voor 1 mei de opleidingen of studiegebieden die ze het daaropvolgende academiejaar willen overdragen, mee aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.12§3. De hogescholen en universiteiten delen jaarlijks voor 1 mei de opleidingen of studiegebieden die ze het daaropvolgende academiejaar willen overdragen, mee aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.
13§4. In afwijking van paragraaf 2 kan de schrapping van een opleiding uit het Hogeronderwijsregister bij de overdragende instelling worden uitgesteld als de betrokken instellingen hiervoor een overeenkomst afsluiten. Door die overeenkomst gaat de overgedragen opleiding in afbouw parallel met de uitbouw van de overgedragen opleiding aan de ontvangende instelling. De overgedragen opleiding wordt geschrapt in het Hogeronderwijsregister bij de overdragende instelling één academiejaar na de overdracht voor opleidingen met een studieomvang van maximaal 120 studiepunten en twee academiejaren voor opleidingen met een studieomvang van minimaal 120 studiepunten.
14Instellingen die een opleiding overdragen en een overeenkomst als vermeld in het eerste lid afsluiten, kunnen in deze overeenkomst opnemen dat ze afwijken van de bepalingen voor de berekening van de werkingsuitkeringen, vermeld in paragraaf 1, 1° en 2°. Die afwijkingen mogen geen budgettaire meerkosten genereren voor de Vlaamse overheid.
15De instellingen bezorgen de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, voor 1 mei van het academiejaar waarin ze de opleiding willen overdragen aan de Vlaamse minis-ter, bevoegd voor onderwijs en vorming.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/1 opgeheven
1De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd om onder de in volgende artikelen vermelde voorwaarden over te gaan tot erkenning van het door de verenigde associaties opgerichte Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/2 opgeheven
1Het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs heeft als opdracht het begeleiden en ondersteunen van de instellingen bij de implementatie van de VN-conventie van 13 december 2006 over de rechten van personen met een handicap. Centraal bij die implementatie staat het verbeteren van de participatie van studenten met functiebeperkingen in het Vlaams hoger onderwijs.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/3 opgeheven
1§ 1. Het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs bezit geen rechtspersoonlijkheid.
2§ 2. De associaties duiden een administratief coördinerende instelling of instantie aan. De associaties sluiten met de administratief coördinerende instelling of instantie een samenwerkingsovereenkomst waarin de bestuurs- en beheersstructuur wordt bepaald.
+0 −7 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/4 opgeheven
1De Vlaamse Regering en de associaties sluiten ten aanzien van de organisatie van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs vijfjaarlijks een convenant waarin ten minste de volgende elementen zijn opgenomen:
21° de aansturingsmogelijkheden van de Vlaamse Regering;
32° de minimale resultaatsverbintenissen van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs;
43° de minimale behoorlijkheidsvereisten op het vlak van het financieel management, evenals de mogelijkheden om een bepaalde financiële reserve aan te leggen van maximaal 20 procent per jaar van de werkingsenveloppe die in een bepaald jaar is toegekend. De totale gecumuleerde reserve op basis van de werkingsenveloppe mag maximaal 50 procent van de jaarlijkse werkingsenveloppe bedragen;
54° de rapporterings- en controlemechanismen, in het bijzonder de wijze van evaluatie van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs in de tweede helft van het vijfde kalenderjaar van het lopende convenant;
65° de remediërende en sanctionerende maatregelen in geval van niet-naleving van het convenant;
76° de gevallen waarin en de wijze waarop het convenant tijdens de looptijd ervan kan worden gewijzigd.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/5 opgeheven
1De administratief coördinerende instelling of instantie bezorgt met betrekking tot de werking van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs jaarlijks een afzonderlijke begroting, jaarplanning, jaarrekening en jaarverslag aan de Vlaamse Regering.
+0 −2 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/6 opgeheven
1Het sluiten van een convenant met de Vlaamse Regering doet in hoofde van de administratief coördinerende instelling of instantie een recht ontstaan op een jaarlijkse werkingsenveloppe ten behoeve van de werking van het betrokken Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs.
2De Vlaamse Regering bepaalt, rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten, de grootte van de jaarlijkse werkingsenveloppe, evenals de wijze van vereffening ervan. De werkingsenveloppe wordt geïndexeerd volgens de formule vastgesteld voor de indexering van de werkingsuitkering van de universiteiten en hogescholen.
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. III.98/7 opgeheven
1De partners bij de associaties kunnen personeelsleden met hun instemming belasten met een taak bij het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs. De betrokken personeelsleden blijven gedurende de uitoefening van deze taak juridisch en administratief behoren tot de terbeschikkingstellende universiteit of hogeschool.
+4 −0 codex-hoger-onderwijs/art. III.119
7Aan PoPoK wordt voor het begrotingsjaar 2023 een bijkomend transitiebudget van 60.000 euro voor een transitie- en onderzoekscoördinator en 25.000 euro aan werkingsmiddelen toegekend om de gesprekken en onderhandelingen met betrekking tot structurele, inhoudelijke en financiële samenwerkingen verder te zetten, en tegelijkertijd met deze transitie de programma’s van de huidige studenten te bestendigen.7Aan PoPoK wordt voor het begrotingsjaar 2023 een bijkomend transitiebudget van 60.000 euro voor een transitie- en onderzoekscoördinator en 25.000 euro aan werkingsmiddelen toegekend om de gesprekken en onderhandelingen met betrekking tot structurele, inhoudelijke en financiële samenwerkingen verder te zetten, en tegelijkertijd met deze transitie de programma’s van de huidige studenten te bestendigen.
8§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.8§2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.
9§2/1. Naast het doel, vermeld in paragraaf 2, wordt in het kader van deze codificatie als opdracht van het Orpheus Instituut erkend:
101° het verstrekken van postacademisch onderwijs en vorming inzake muziek;
112° het faciliteren en het voeren van onderzoek in het domein van de muziek, met inbegrip van de begeleiding van doctoraatsstudenten met het oog op het behalen van de academische graad van doctor aan een Belgische of buitenlandse universiteit;
123° het verstrekken van maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening die voortvloeit uit zijn specifieke wetenschappelijke en artistieke expertise.
9§3. Om voor de in paragraaf 1 bedoelde subsidiëring in aanmerking te komen, sluiten de instituten een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar met de Vlaamse Regering, waarin ten minste volgende zaken worden afgesproken:13§3. Om voor de in paragraaf 1 bedoelde subsidiëring in aanmerking te komen, sluiten de instituten een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar met de Vlaamse Regering, waarin ten minste volgende zaken worden afgesproken:
101° de onderdelen van het strategisch beleidsplan;141° de onderdelen van het strategisch beleidsplan;
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. IV.28
1§1 Bij het vaststellen van de jaarlijkse personeelsformaties neemt het hogeschoolbestuur met betrekking tot het onderwijzend personeel, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de volgende regels in acht:1§1 Bij het vaststellen van de jaarlijkse personeelsformaties neemt het hogeschoolbestuur met betrekking tot het onderwijzend personeel, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de volgende regels in acht:
21° voor de personeelsformaties die betrekking hebben op de personeelsleden verbonden aan de professionele opleidingenen op de personeelsleden toegewezen aan de Schools of Arts: het aantal vastbenoemde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, bedraagt ten hoogste 72% van het aantal leden van het onderwijzend personeel uitgedrukt in voltijdse eenheden. Hierbij wordt de bevordering of ambtswijziging van een reeds in de hogeschool benoemd personeelslid niet beschouwd als een nieuwe benoeming. De toepassing van de bepalingen van dit punt wordt voor een periode van 8 jaar met ingang van het begrotingsjaar 2014 opgeschort.21° voor de personeelsformaties die betrekking hebben op de personeelsleden verbonden aan de professionele opleidingen, op de personeelsleden van de Hogere Zeevaartschool en op de personeelsleden toegewezen aan de Schools of Arts: het aantal vastbenoemde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, bedraagt ten hoogste 72% van het aantal leden van het onderwijzend personeel uitgedrukt in voltijdse eenheden. Hierbij wordt de bevordering of ambtswijziging van een reeds in de hogeschool benoemd personeelslid niet beschouwd als een nieuwe benoeming. De toepassing van de bepalingen van dit punt wordt voor een periode van 8 jaar met ingang van het begrotingsjaar 2014 opgeschort.
3Een benoeming of aanstelling in een ambt van het onderwijzend personeel is slechts mogelijk met inachtneming van bovenvermelde aantallen.3Een benoeming of aanstelling in een ambt van het onderwijzend personeel is slechts mogelijk met inachtneming van bovenvermelde aantallen.
4§2. In geval van een herstructurering zoals bedoeld in artikel I.3, 34°, kunnen de herstructurerende instellingen op gemotiveerde wijze afwijken van de normen vermeld in paragraaf 1.4§2. In geval van een herstructurering zoals bedoeld in artikel I.3, 34°, kunnen de herstructurerende instellingen op gemotiveerde wijze afwijken van de normen vermeld in paragraaf 1.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. IV.37
1Inzake de salarissen van het onderwijzend, het wetenschappelijk, het academisch personeel, het administratief en het technisch personeel van de universiteiten, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen, als gevolg van onjuiste salarisvaststellingen door de bevoegde overheid of het universiteitsbestuur, definitief vervallen aan hen die ze ontvangen als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van 2 jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, behoudens wanneer de onverschuldigde bedragen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. In deze gevallen geldt een verjaringstermijn van 30 jaar.1Inzake de salarissen van het onderwijzend, het wetenschappelijk, het academisch personeel, het administratief en het technisch personeel van de universiteiten, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen, als gevolg van onjuiste salarisvaststellingen door de bevoegde overheid of het universiteitsbestuur, definitief vervallen aan hen die ze ontvangen als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van 2 jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, behoudens wanneer de onverschuldigde bedragen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. In deze gevallen geldt een verjaringstermijn van 30 jaar.
2In afwijking van het eerste lid zijn de ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen, als de terugbetaling daarvan niet is gevraagd binnen een termijn van één jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, als het salaris foutief berekend werd als gevolg van een administratieve fout van de betalende overheid, waarbij deze laatste tijdig beschikte over alle nodige informatie. Dit lid is enkel van toepassing wanneer er sprake is van foutief berekend salaris. Het is niet van toepassing wanneer het personeelslid ten onrechte een salaris heeft ontvangen voor prestaties die niet werden geleverd, of wanneer het personeelslid voor een onderbreking van zijn opdracht recht heeft op een socialezekerheidsuitkering.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. IV.42
1Als het hogeschoolbestuur of de bevoegde overheid de salarissen van het onderwijzend personeel of van het administratief en technisch personeel verkeerd heeft vastgesteld, moet het de terugbetaling vragen binnen een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van betaling in de vorm zoals bepaald in artikel 16, §2, eerste lid, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. Als de terugbetaling niet gevraagd wordt binnen de gestelde termijn, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen definitief vervallen.1Als het hogeschoolbestuur of de bevoegde overheid de salarissen van het onderwijzend personeel of van het administratief en technisch personeel verkeerd heeft vastgesteld, moet het de terugbetaling vragen binnen een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van betaling in de vorm zoals bepaald in artikel 16, §2, eerste lid, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. Als de terugbetaling niet gevraagd wordt binnen de gestelde termijn, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen definitief vervallen.
2Te rekenen vanaf de vraag bedoeld in het eerste lid kan het onverschuldigde bedrag worden teruggevorderd gedurende de termijn die in artikel 16, §2, tweede lid, van vermelde wet is bepaald.2Te rekenen vanaf de vraag bedoeld in het eerste lid kan het onverschuldigde bedrag worden teruggevorderd gedurende de termijn die in artikel 16, §2, tweede lid, van vermelde wet is bepaald.
3In afwijking van het eerste lid moet de terugbetaling gevraagd worden binnen een termijn van één jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, als het salaris foutief berekend werd als gevolg van een administratieve fout van de betalende overheid, waarbij deze laatste tijdig beschikte over alle nodige informatie. Dit lid is enkel van toepassing wanneer er sprake is van foutief berekend salaris. Het is niet van toepassing wanneer het personeelslid ten onrechte een salaris heeft ontvangen voor prestaties die niet werden geleverd, of wanneer het personeelslid voor een onderbreking van zijn opdracht recht heeft op een socialezekerheidsuitkering. Als de terugbetaling niet gevraagd wordt binnen de gestelde termijn, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen definitief vervallen.
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.1
91°/3 gezinslid: elke persoon die met het personeelslid samenwoont;91°/3 gezinslid: elke persoon die met het personeelslid samenwoont;
101°/4 langdurige pleegzorg: pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleeg-ouders zal verblijven;101°/4 langdurige pleegzorg: pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleeg-ouders zal verblijven;
112° vakgebied: tak van de wetenschap waarover het zelfstandig academisch personeel onderwijs verstrekt, wetenschappelijk onderzoek verricht of wetenschappelijke dienstverlening verleent.112° vakgebied: tak van de wetenschap waarover het zelfstandig academisch personeel onderwijs verstrekt, wetenschappelijk onderzoek verricht of wetenschappelijke dienstverlening verleent;
123° werkdag: elke andere dag dan een zondag en een wettelijke feestdag.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.2
1De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het academisch personeel van de universiteiten bezoldigd ten laste van de werkingsuitkeringen verschaft door de Vlaamse Gemeenschap.1De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het academisch personeel van de universiteiten bezoldigd ten laste van de werkingsuitkeringen verschaft door de Vlaamse Gemeenschap.
2De Vlaamse Regering stelt voor het academisch personeel een regeling vast omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de ambtsbeëindiging en de mandaatsbeëindiging.2De Vlaamse Regering stelt voor het academisch personeel een regeling vast omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de ambtsbeëindiging met inbegrip van het ontslag om dringende redenen, en de mandaatsbeëindiging.
+10 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.44
1§1. In afwijking van artikel 2, §1, van de wet van 4 augustus 1986 tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving kan de benoeming van een in het artikel 1 van de wet van 4 augustus 1986 bedoeld personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum 1 academiejaar en telkens met instemming van het universiteitsbestuur verlengd worden. Het universiteitsbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.
1§1. Het universiteitsbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de tewerkstelling beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de tewerkstelling gaat in op een van de volgende momenten:
21° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
32° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
43° op een door het universiteitsbestuur en het personeelslid overeengekomen moment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
5Het universiteitsbestuur dat de tewerkstelling beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het universiteitsbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift , vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
6Het universiteitsbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
71° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
82° bij aangetekend schrijven;
93° bij deurwaardersexploot.
10Het aangetekend schrijven, vermeld in het derde lid, heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.
2§2. Het universiteitsbestuur kan beslissen dat een lid van het zelfstandig academisch personeel dat met pensioen is een deel van de activiteiten van onderwijs onderzoek of dienstverlening mag voortzetten. Het universiteitsbestuur kan hiervoor een vergoeding ten laste van de werkingsuitkeringen geven. De beslissing geldt voor maximum 1 jaar en kan telkens met maximum 1 jaar verlengd worden.11§2. Het universiteitsbestuur kan beslissen dat een lid van het zelfstandig academisch personeel dat met pensioen is een deel van de activiteiten van onderwijs onderzoek of dienstverlening mag voortzetten. Het universiteitsbestuur kan hiervoor een vergoeding ten laste van de werkingsuitkeringen geven. De beslissing geldt voor maximum 1 jaar en kan telkens met maximum 1 jaar verlengd worden.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.50
3Het universiteitsbestuur kan de omvang van het dienstverband wijzigen met instemming of op verzoek van het personeelslid. In geval van een vermindering van de omvang behoudt het personeelslid gedurende 6 jaar het recht van terugkeer naar de oorspronkelijke omvang.3Het universiteitsbestuur kan de omvang van het dienstverband wijzigen met instemming of op verzoek van het personeelslid. In geval van een vermindering van de omvang behoudt het personeelslid gedurende 6 jaar het recht van terugkeer naar de oorspronkelijke omvang.
4Het universiteitsbestuur kan een deeltijds lid van het administratief en technisch personeel ook tewerkstellen als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. Op deze personeelsleden is de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing.4Het universiteitsbestuur kan een deeltijds lid van het administratief en technisch personeel ook tewerkstellen als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. Op deze personeelsleden is de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing.
5Het universiteitsbestuur kan beslissen dat een lid van het administratief en technisch personeel dat met pensioen is, een deel van de activiteiten kan voortzetten. Het uni-versiteitsbestuur kan daarvoor een vergoeding ten laste van de werkingsuitkeringen geven. De beslissing geldt voor maximaal een jaar en kan telkens met maximaal een jaar worden verlengd.
+10 −2 codex-hoger-onderwijs/art. V.59
1Het universiteitsbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de benoeming beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de tewerkstelling gaat in op een van de volgende momenten:
21° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
1Een benoeming eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of, mits toestemming van het universiteitsbestuur, op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt.32° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
2In afwijking van het eerste lid, kan de benoeming van het personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum 1 jaar en telkens met instemming van het universiteitsbestuur verlengd worden. De definitieve ambtsneerlegging gaat pas in na het einde van de benoeming. Het universiteitsbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.
43° op een door het universiteitsbestuur en het personeelslid overeengekomen mo-ment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
5Het universiteitsbestuur dat de benoeming beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het universiteitsbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift, vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
6Het universiteitsbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
71° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
82° bij aangetekend schrijven;
93° bij deurwaardersexploot.
10Het in het derde lid vermelde aangetekend schrijven heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.80
3425° vacante betrekking : een betrekking die niet toegewezen is aan een titularis door benoeming of aanstelling;3425° vacante betrekking : een betrekking die niet toegewezen is aan een titularis door benoeming of aanstelling;
3526° voltijdse betrekking : een betrekking waaraan een opdracht van 100% verbonden is en die een volledige beschikbaarheid voor de hogeschool inhoudt, gedefinieerd overeenkomstig de gangbare arbeidsduurregeling;3526° voltijdse betrekking : een betrekking waaraan een opdracht van 100% verbonden is en die een volledige beschikbaarheid voor de hogeschool inhoudt, gedefinieerd overeenkomstig de gangbare arbeidsduurregeling;
3626°/1: werkdag: elke andere dag dan een zondag en een wettelijke feestdag.
3627° werving : eerste aanstelling of benoeming tot personeelslid in een ambt voorzien op de personeelsformatie van de hogeschool;3727° werving : eerste aanstelling of benoeming tot personeelslid in een ambt voorzien op de personeelsformatie van de hogeschool;
+10 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.110
98° voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel V.106;98° voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel V.106;
109° wanneer is vastgesteld dat het personeelslid wegens en overeenkomstig de wet, het decreet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen.109° wanneer is vastgesteld dat het personeelslid wegens en overeenkomstig de wet, het decreet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen.
11In afwijking van het eerste lid, punt 5°, kan de aanstelling van het personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum een academiejaar en telkens met instemming van het hogeschoolbestuur verlengd worden. De definitieve ambtsneerlegging gaat pas in na het einde van de aanstelling. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de aanstelling.
12§2. Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling, om andere redenen dan de bepalingen vermeld in paragraaf 1, moet het een opzeggingstermijn in acht nemen, gelijk aan 3 maanden per begonnen schijf van 5 jaar dienstanciënniteit gepresteerd in de betrokken hogeschool of haar rechtsvoorganger. De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving van de opzegging. Op straffe van nietigheid moet de kennisgeving van de opzegging het begin en de duur van de opzeggingstermijn vermelden. De kennisgeving gebeurt door afgifte van een geschrift aan het personeelslid dat tekent voor ontvangst, ofwel bij aangetekend schrijven dat uitwerking heeft de derde werkdag na verzending, ofwel bij deurwaardersexploot.11§2. Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling, om andere redenen dan de bepalingen vermeld in paragraaf 1, moet het een opzeggingstermijn in acht nemen, gelijk aan 3 maanden per begonnen schijf van 5 jaar dienstanciënniteit gepresteerd in de betrokken hogeschool of haar rechtsvoorganger. De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving van de opzegging. Op straffe van nietigheid moet de kennisgeving van de opzegging het begin en de duur van de opzeggingstermijn vermelden. De kennisgeving gebeurt door afgifte van een geschrift aan het personeelslid dat tekent voor ontvangst, ofwel bij aangetekend schrijven dat uitwerking heeft de derde werkdag na verzending, ofwel bij deurwaardersexploot.
13De opzeggingstermijn wordt herleid tot 7 dagen indien het een personeelslid betreft dat is aangesteld voor een periode van minder dan 12 maanden en indien dit personeelslid de evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen voor het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft.12De opzeggingstermijn wordt herleid tot 7 dagen indien het een personeelslid betreft dat is aangesteld voor een periode van minder dan 12 maanden en indien dit personeelslid de evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen voor het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft.
14Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling van een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1 naar de hogeschool overgegaan is, wordt voor het bepalen van de opzeggingstermijn ook rekening gehouden met de dienstanciënniteit die het personeelslid in het hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding aan het centrum voor volwassenenonderwijs opgebouwd heeft.13Wanneer het hogeschoolbestuur een einde maakt aan de aanstelling van een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1 naar de hogeschool overgegaan is, wordt voor het bepalen van de opzeggingstermijn ook rekening gehouden met de dienstanciënniteit die het personeelslid in het hoger beroepsonderwijs of de specifieke lerarenopleiding aan het centrum voor volwassenenonderwijs opgebouwd heeft.
14§2/1. Het hogeschoolbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de aanstelling beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de aanstelling gaat in op een van de volgende momenten:
151° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
162° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
173° op een door het hogeschoolbestuur en het personeelslid overeengekomen moment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
18Het hogeschoolbestuur dat de aanstelling beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het hogeschoolbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift, vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
19Het hogeschoolbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
201° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
212° bij aangetekend schrijven;
223° bij deurwaardersexploot.
23Het in het derde lid vermelde aangetekend schrijven heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.
15§3. Behalve om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening van de volgende rechten mag het hogeschoolbestuur in afwijking van paragraaf 2 geen handelingen stellen die eenzijdig een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat gebruik maakt van een van die rechten:24§3. Behalve om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening van de volgende rechten mag het hogeschoolbestuur in afwijking van paragraaf 2 geen handelingen stellen die eenzijdig een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat gebruik maakt van een van die rechten:
161° het recht op geboorteverlof, vermeld in artikel 7/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool;251° het recht op geboorteverlof, vermeld in artikel 7/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 tot regeling van sommige verloven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de Hogere Zeevaartschool;
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.110
43° op het ogenblik dat het tijdelijk personeelslid wordt benoemd in deze betrekking;43° op het ogenblik dat het tijdelijk personeelslid wordt benoemd in deze betrekking;
54° uiterlijk op het einde van de termijn waarvoor de aanstelling gebeurde;54° uiterlijk op het einde van de termijn waarvoor de aanstelling gebeurde;
65° bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. De leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in hoofdstuk 3, kunnen bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar verder werken tot het einde van het academiejaar wanneer het hogeschoolbestuur hiermee instemt;
65° ...;
76° bij overlijden;76° bij overlijden;
87° bij ontslag wegens dringende redenen;87° bij ontslag wegens dringende redenen;
+1 −2 codex-hoger-onderwijs/art. V.111
43° indien het personeelslid zich bevindt in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;43° indien het personeelslid zich bevindt in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;
54° wanneer is vastgesteld dat het personeelslid wegens en overeenkomstig de wet, het decreet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen;54° wanneer is vastgesteld dat het personeelslid wegens en overeenkomstig de wet, het decreet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen;
65° bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. De leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in hoofdstuk 3, kunnen bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar verder werken tot het einde van het academiejaar wanneer het hogeschoolbestuur hiermee instemt;
76° bij overlijden;
65° ...;
87° bij toepassing van artikel V.87 en V.91;77° bij toepassing van artikel V.87 en V.91;
98° wanneer een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1, eerste lid, 1°, overgekomen is van een centrum voor volwassenenonderwijs naar een centrum terugkeert met toepassing van artikel 31, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 45, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.88° wanneer een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1, eerste lid, 1°, overgekomen is van een centrum voor volwassenenonderwijs naar een centrum terugkeert met toepassing van artikel 31, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 45, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
+10 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.111
87° bij toepassing van artikel V.87 en V.91;87° bij toepassing van artikel V.87 en V.91;
98° wanneer een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1, eerste lid, 1°, overgekomen is van een centrum voor volwassenenonderwijs naar een centrum terugkeert met toepassing van artikel 31, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 45, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.98° wanneer een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1, eerste lid, 1°, overgekomen is van een centrum voor volwassenenonderwijs naar een centrum terugkeert met toepassing van artikel 31, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 45, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
10In afwijking van het eerste lid, punt 5°, kan de benoeming van het personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum 1 academiejaar en telkens met instemming van het hogeschoolbestuur verlengd worden. De definitieve ambtsneerlegging gaat pas in na het einde van de benoeming. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.
11§2. Voor de benoemde personeelsleden geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:10§2. Voor de benoemde personeelsleden geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:
121° het ontslag als gevolg van een tuchtmaatregel;111° het ontslag als gevolg van een tuchtmaatregel;
17Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de hogeschool de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.16Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de hogeschool de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.
18§3. Het hogeschoolbestuur kan de benoeming van een personeelslid eveneens beëindigen bij een ontslag om een dringende reden. In dit geval vindt het ontslag plaats zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding. Het hogeschoolbestuur betaalt evenwel de werkgevers- en werknemersbijdragen nodig voor de opname van het betrokken personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen en de moederschapsbescherming. De duur van de periode gedekt door de betaling van werkgevers- en werknemersbijdragen voor de werkloosheidsverzekering en de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen mag de duur van de benoeming van het ontslagen personeelslid niet overschrijden.17§3. Het hogeschoolbestuur kan de benoeming van een personeelslid eveneens beëindigen bij een ontslag om een dringende reden. In dit geval vindt het ontslag plaats zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding. Het hogeschoolbestuur betaalt evenwel de werkgevers- en werknemersbijdragen nodig voor de opname van het betrokken personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen en de moederschapsbescherming. De duur van de periode gedekt door de betaling van werkgevers- en werknemersbijdragen voor de werkloosheidsverzekering en de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen mag de duur van de benoeming van het ontslagen personeelslid niet overschrijden.
18§4. Het hogeschoolbestuur kan in het kader van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheid tussen generaties de benoeming beëindigen van een personeelslid vanaf het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Het einde van de aanstelling gaat in op een van de volgende momenten:
191° de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
202° op de eerste dag van de maand na het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft;
213° op een door het hogeschoolbestuur en het personeelslid overeengekomen moment dat tussen de momenten, vermeld in punt 1° en 2°, ligt.
22Het hogeschoolbestuur dat de benoeming beëindigt, neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht die gelijk is aan 26 weken. Het hogeschoolbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week waarin het personeelslid op de hoogte gebracht is van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn kan niet geschorst worden. De start- en einddatum van de opzeggingstermijn worden opgenomen in het geschrift, vermeld in het derde lid, dat aan het personeelslid bezorgd wordt.
23Het hogeschoolbestuur brengt het personeelslid op een van de volgende manieren op de hoogte van de opzegging:
241° door afgifte van een geschrift aan het personeelslid, dat tekent voor ontvangst;
252° bij aangetekend schrijven;
263° bij deurwaardersexploot.
27Het in het derde lid vermelde aangetekend schrijven heeft uitwerking op de derde werkdag na de datum van de verzending.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. V.113
1Het hogeschoolbestuur kan elk personeelslid zonder opzegging om dringende redenen ontslaan. Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de aanstelling of benoeming onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.1Het hogeschoolbestuur kan elk personeelslid zonder opzegging om dringende redenen ontslaan. Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de aanstelling of benoeming onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.
2Het hogeschoolbestuur meldt het ontslag en de dringende redenen die er aanleiding toe geven bij een ter post aangetekende brief aan het betrokken personeelslid, binnen 3 werkdagen nadat de feiten bekend werden bij het hogeschoolbestuur.2Het hogeschoolbestuur meldt het ontslag en de dringende redenen die er aanleiding toe geven bij een ter post aangetekende brief aan het betrokken personeelslid, binnen 3 werkdagen nadat de feiten bekend werden bij het hogeschoolbestuur.
3Het betrokken personeelslid kan binnen 3 werkdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de indiening bij de post van bovenvermelde brief, bij aangetekend schrijven een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het college van beroep inzake tucht bedoeld in artikel V.101. Het beroep is niet opschortend. Het college van beroep inzake tucht spreekt zich binnen de 20 werkdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de indiening van het bezwaarschrift bij de post uit over de gegrondheid van het ontslag om dwingende redenen.3Het betrokken personeelslid kan binnen zes werkdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de indiening bij de post van bovenvermelde brief, bij aangetekend schrijven een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het college van beroep inzake tucht bedoeld in artikel V.101. Het beroep is opschortend. Het college van beroep inzake tucht spreekt zich binnen de 20 werkdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de indiening van het bezwaarschrift bij de post uit over de gegrondheid van het ontslag om dwingende redenen.
4Indien het college van beroep inzake tucht het ontslag om dringende redenen van een benoemd personeelslid ongegrond verklaart, kan het beslissen tot een preventieve schorsing van het personeelslid, met een tuchtprocedure tot gevolg. Het personeelslid wordt in dat geval in de administratieve stand geplaatst waarin het zich de dag voor het ontslag bevond.4Indien het college van beroep inzake tucht het ontslag om dringende redenen van een benoemd personeelslid ongegrond verklaart, kan het beslissen tot een preventieve schorsing van het personeelslid, met een tuchtprocedure tot gevolg. Het personeelslid wordt in dat geval in de administratieve stand geplaatst waarin het zich de dag voor het ontslag bevond.
5Voor de berekening van de termijnen vermeld in dit artikel is de poststempel bewijskrachtig.5Voor de berekening van de termijnen vermeld in dit artikel is de poststempel bewijskrachtig.
+4 −3 codex-hoger-onderwijs/art. V.121
1In afwijking van artikel V.120 worden de ambten van het onderwijzend personeel in de studiegebieden Audiovisuele en Beeldende kunst en Muziek en Podiumkunsten en de ambten aan de Hogere Zeevaartschool als volgt ingedeeld:1In afwijking van artikel V.120 worden de ambten van het onderwijzend personeel in de studiegebieden Audiovisuele en Beeldende kunst en Muziek en Podiumkunsten en de ambten aan de Hogere Zeevaartschool als volgt ingedeeld:
21° groep 1 : de praktijklector, de hoofdpraktijklector, de lector en de hoofdlector;21° groep 1 : de praktijklector, de hoofdpraktijklector, de lector en de hoofdlector;
32° groep 2 : het assisterend personeel : de assistent, de doctor-assistent en de werkleider;32° groep 2 : het assisterend personeel : de assistent, de praktijkassistent, de doctor-assistent en de werkleider;
43° groep 3 : de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar.43° groep 3 : de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar.
5De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de graduaatsopleidingen en de professionele bacheloropleidingen. De lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen.5De ambten van groep 1 kunnen uitsluitend worden verleend in de graduaatsopleidingen en de professionele bacheloropleidingen. De praktijklectoren, hoofdpraktijklectoren, lectoren en hoofdlectoren kunnen ook belast worden met praktijkgericht onderwijs in de academische bacheloropleidingen.
6De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. De praktijkassistenten, de benoemde assistenten en de werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen.6De ambten van groep 2 kunnen uitsluitend worden verleend in de academische opleidingen. De praktijkassistenten en de werkleiders kunnen ook belast worden met een opdracht in de professionele bacheloropleidingen.
7De ambten van groep 3 kunnen zowel in de graduaatsopleidingen en de professionele als in de academische opleidingen worden verleend.7De ambten van groep 3 kunnen zowel in de graduaatsopleidingen en de professionele als in de academische opleidingen worden verleend.
8In afwijking van het tweede lid, kan een personeelslid in een ambt van groep 1 dat aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet, aangesteld blijven en in voorkomend geval benoemd worden in de educatieve masteropleiding voor de kunsten:8In afwijking van het tweede lid, kan een personeelslid in een ambt van groep 1 dat aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet, aangesteld blijven en in voorkomend geval benoemd worden in de educatieve masteropleiding voor de kunsten:
121° het personeelslid oefende tot 31 augustus 2021 deze opdracht uit in de professionele bachelor in de scheepswerktuigkunde;121° het personeelslid oefende tot 31 augustus 2021 deze opdracht uit in de professionele bachelor in de scheepswerktuigkunde;
132° het personeelslid is vanaf 1 september 2021 voor het luik onderwijs van zijn opdracht uitsluitend belast met praktijkgebonden opleidingsonderdelen in de academische bachelor van de opleiding scheepswerktuigkunde.132° het personeelslid is vanaf 1 september 2021 voor het luik onderwijs van zijn opdracht uitsluitend belast met praktijkgebonden opleidingsonderdelen in de academische bachelor van de opleiding scheepswerktuigkunde.
14De personeelsleden die op 31 maart 2024 benoemd zijn als assistent, verkrijgen vanaf 1 april 2024 een benoeming als praktijkassistent met behoud van het tewerkstellingspercentage, de anciënniteit en de salarisschaal die ze op 1 april 2024 hadden.
+4 −3 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 3
21° de ARGO: de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs;21° de ARGO: de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs;
32° de centrale raad: de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988;32° de centrale raad: de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988;
43° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de scholengemeenschapsinstellingen de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de leersteuncentra, de onderwijsinternaten, de semi-internaten, de pedagogische begeleidingsdienst en de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel. Voor de personeelsleden die op basis van artikel 32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bij de scholengroep aangesteld zijn, en voor de vastbenoemde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel die bij de scholengroep aangesteld zijn, wordt de scholengroep voor de toepassing van dit decreet beschouwd als een instelling;43° de instelling: de scholen van het basisonderwijs, de scholen en de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs van het secundair onderwijs, de GI-school, de scholengemeenschapsinstellingen de academies voor deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de leersteuncentra, de onderwijsinternaten, de semi-internaten, de pedagogische begeleidingsdienst en de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel. Voor de personeelsleden die op basis van artikel 32 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bij de scholengroep aangesteld zijn, en voor de vastbenoemde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel die bij de scholengroep aangesteld zijn, wordt de scholengroep voor de toepassing van dit decreet beschouwd als een instelling;
54° het schooljaar: de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar;54° het schooljaar: de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar;
65° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt;65° de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt;
3935° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs.3935° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs.
4036° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs;4036° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs;
4137° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
4137° ...
4238° het net :4238° het net :
43- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;43- het gemeenschapsonderwijs : het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;
5043° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;5043° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;
5144° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie;5144° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie;
5245° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20, §1, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun.5245° een leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 20, §1, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun;
5346° GI-school: de school, vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 17 mei 2024 over het onderwijs in de gemeenschapsinstellingen die ter uitvoering van het jeugddelinquentierecht zijn opgericht.
+2 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 4
19§4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker.19§4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker.
20Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.20Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
21Voor de toepassing van hoofdstuk III kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, beschouwen als diensten die gepresteerd zijn in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan daarbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen voor maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
22Voor de toepassing van hoofdstuk III kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, beschouwen als diensten die gepresteerd zijn in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 2, §1. De raad van bestuur kan daarbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen voor maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
21§5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.23§5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.
+7 −2 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 20bis
1§1. Een tijdelijk personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur, tenzij het personeelslid voldoet aan artikel 21, 21bis, 100quater decies of 100quinquies decies.1§1. Een tijdelijk personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur, tenzij het personeelslid voldoet aan artikel 21, 21bis, 100quater decies of 100quinquies decies.
2Tijdens de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft een tijdelijk personeelslid recht op aanvangsbegeleiding. Het tijdelijke personeelslid wordt tijdens de periode van aanvangsbegeleiding gecoacht en ondersteund. De duur en intensiteit van de aanvangsbegeleiding worden bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator en opgenomen in een schriftelijke overeenkomst. De schriftelijke overeenkomst wordt in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator tijdens de periode van de aanvangsbegeleiding aangepast als gevolg van nieuwe afspraken.2Tijdens de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft een tijdelijk personeelslid recht op aanvangsbegeleiding. Het tijdelijke personeelslid wordt tijdens de periode van aanvangsbegeleiding gecoacht en ondersteund. De duur en intensiteit van de aanvangsbegeleiding worden bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator en opgenomen in een schriftelijke overeenkomst. De schriftelijke overeenkomst wordt in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator tijdens de periode van de aanvangsbegeleiding aangepast als gevolg van nieuwe afspraken.
3Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de raad van bestuur, door de afgevaardigd bestuurder in het geval van het vormingscentrum, of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.3Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de raad van bestuur, door de afgevaardigd bestuurder in het geval van het vormingscentrum, of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.
4§2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 55bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.4§2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 55bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.
5§3. Een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, zorgt ervoor dat een startend personeelslid dat in het basis- of secundair onderwijs tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het recht op aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, gedeeltelijk kan uitoefenen in maximum 20% van diens toegekende opdracht, rekening houdend met de afspraken en de criteria die lokaal worden vastgelegd, vermeld in het vierde lid. In dat deel van de aanvangsbegeleiding wordt gewerkt aan het verbeteren van klasmanagement en vakdidactiek, en aan andere aspecten verbonden aan diens aanvangsbegeleiding. Daarbij wordt altijd uitgegaan van een verplichte aanwezigheid op school.
6Daarvoor wendt een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie aan zoals vermeld in artikel 153tricies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. In het schooljaar 2026-2027 kan een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie ook voor andere doelstellingen aanwenden, conform artikel 153tricies, §1, tweede lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3, §1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. Voor die eenheden die voor andere doelstellingen worden aangewend, zijn de bepalingen opgenomen in dit artikel niet van toepassing.
7Scholen kunnen ook organieke omkadering aanwenden voor dat doel zoals vermeld in artikel 163bis van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 212 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
8Over de aanwending van eenheden inductie of organieke omkadering in de vorm van bijzondere pedagogische taken voor dat doel voor de startende personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden in het bevoegde lokaal comité algemene afspraken onderhandeld. Mits een akkoord binnen het bevoegde lokaal comité kunnen er daarbij criteria worden vastgelegd om te bepalen voor welke groepen startende personeelsleden de eenheden inductie prioritair worden aangewend. Een startend personeelslid heeft ook dan recht op een deel van deze eenheden inductie als het aangeeft nood te hebben aan een inductiejaar, tenzij alle eenheden inductie al zijn aangewend. Zonder een akkoord in het lokaal comité over de aanwendingscriteria worden de eenheden inductie in verhouding tot hun opdracht evenredig verdeeld over de startende personeelsleden.
9De opdracht van die startende personeelsleden kan nooit meer dan een voltijdse opdracht zijn.
+7 −10 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 23
1Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg voor het geheel of een deel van de opdracht:1§1. Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg voor het geheel of een deel van de opdracht:
2a) bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;2a) bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;
3b) op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk aangesteld personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een ander personeelslid:3b) op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk aangesteld personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een ander personeelslid:
10d) ...10d) ...
11e) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur;11e) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur;
12f) bij het bereiken van de leeftijdsgrens;
12f) ...;
13g) overeenkomstig artikel 24 voor personeelsleden die aangesteld zijn voor bepaalde duur;13g) overeenkomstig artikel 24 voor personeelsleden die aangesteld zijn voor bepaalde duur;
14h) door afschaffing van de betrekking;14h) door afschaffing van de betrekking;
15i) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 17;15i) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 17;
16j) voor de personeelsleden die werden aangesteld met miskenning van de in de artikel 21 of 21bis bedoelde voorrangsregels;16j) voor de personeelsleden die werden aangesteld met miskenning van de in de artikel 21 of 21bis bedoelde voorrangsregels;
17k) op het ogenblik dat wordt vastgesteld dat de betrekking buiten de reglementaire normen werd opgericht.17k) op het ogenblik dat wordt vastgesteld dat de betrekking buiten de reglementaire normen werd opgericht.
18l) bij de definitieve pensionering;
19m) bij het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel. »;
20In afwijking van punt f) eindigt de aanstelling van een personeelslid niet na het bereiken van de leeftijdsgrens als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
21Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :
221° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;
232° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt' zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.
18l) ...;
19m) ...;
24Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld onder f) als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.20Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.
25De directeur of in voorkomend geval de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.21De directeur of in voorkomend geval de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.
22§2. De directeur of, in voorkomend geval, de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, in geval van een vormingscentrum, en het personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, kunnen in onderling akkoord een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Dat akkoord blijkt uit een geschrift. Het geschrift vermeldt de datum van de beëindiging van de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur en wordt door beide partijen ondertekend.
+14 −9 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 31
1§1. Een personeelslid kan binnen dezelfde scholengroep mits zijn akkoord een nieuwe affectatie krijgen in een vacante betrekking van het ambt waarin het vast benoemd is, voor zover die betrekking, krachtens de reglementering terzake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld. Dat akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds uit één instelling met een tweede en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.1§1. Een personeelslid kan binnen dezelfde scholengroep mits zijn akkoord een nieuwe affectatie krijgen in een vacante betrekking van het ambt waarin het vast benoemd is, voor zover die betrekking, krachtens de reglementering terzake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld. Dat akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds uit één instelling met een tweede en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.
2Een personeelslid kan, op zijn verzoek, worden gemuteerd in een vacante betrekking, voorzover die betrekking, krachtens de reglementering terzake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld.2Een personeelslid kan, op zijn verzoek, worden gemuteerd in een vacante betrekking, voorzover die betrekking, krachtens de reglementering terzake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld.
3De betrekking kan bij wijze van affectatie of mutatie worden toegewezen aan het personeelslid dat in die betrekking werd gereaffecteerd.3De betrekking kan bij wijze van affectatie of mutatie worden toegewezen aan het personeelslid dat in die betrekking werd gereaffecteerd.
4§2. Voor de affectatie of mutatie van een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht is de instemming vereist van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.4§2. Voor de affectatie of mutatie van een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht is de instemming vereist van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.
5§3. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.5§3. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.
6In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.6In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.
7§4. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.7§4. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.
8In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.8In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.
9§4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.9§4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
10In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.10In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
11§ 5. ...
12§ 6. ...
13§ 7. ...
11§5. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in het wervingsambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het ambt van leraar secundair onderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in dat ambt.
12In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 2, §1, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat wervingsambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het wervingsambt van het ondersteunend personeel waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het wervingsambt van affectatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat wervingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het wervingsambt van affectatie.
13In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van affectatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat selectie- of bevorderingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van affectatie.
14§6. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in het wervingsambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een centrum voor volwassenenonderwijs, op diens verzoek op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het ambt van leraar secundair onderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in dat ambt.
15In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 2, §1, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat wervingsambt. Als het personeelslid de mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het wervingsambt van het ondersteunend personeel waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het wervingsambt van mutatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat wervingsambt in een centrum voor volwassenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het wervingsambt van affectatie.
16In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van mutatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat selectie- of bevorderingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van mutatie.
17§7. ...
14§8. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buitengewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, mits zijn akkoord, op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.18§8. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buitengewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, mits zijn akkoord, op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
15In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buiten- gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.19In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buiten- gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
16Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.20Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.
18§9. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.22§9. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
19In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.23In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
24§10. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2026 vastbenoemd is in een ambt en werkt in een gemeenschapsinstelling als vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, op diens verzoek op 1 september 2026 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in de GI-school, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid die mutatie opneemt, aanvaardt het personeelslid de salarisschaal die verbonden is aan dat ambt, tenzij het personeelslid een beroep kan doen op een overgangsmaatregel.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 50
54° in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst.54° in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst.
6Tijdens die periode blijft het personeelslid in voorkomend geval titularis van het ambt waarin het vast benoemd is.6Tijdens die periode blijft het personeelslid in voorkomend geval titularis van het ambt waarin het vast benoemd is.
7§ 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de raad van bestuur na de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 23, f), een definitief gepensioneerde waarnemend aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, 1°, 2° en 4°. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet tot de proeftijd worden toegelaten of vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.7§ 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de raad van bestuur een definitief gepensioneerde waarnemend aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, 1°, 2° en 4°. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet tot de proeftijd worden toegelaten of vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.
8§ 2. Het personeelslid dat wordt aangesteld voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 46, 1° tot en met 4°. De personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst moeten tevens aan de voorwaarden van artikel 46bis voldoen.8§ 2. Het personeelslid dat wordt aangesteld voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 46, 1° tot en met 4°. De personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdienst moeten tevens aan de voorwaarden van artikel 46bis voldoen.
9Wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen:9Wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen:
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 61
76° het ontslag. Naargelang de aard van de redenen waarom een ontslag gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen;76° het ontslag. Naargelang de aard van de redenen waarom een ontslag gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen;
87° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom de afzetting gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen.87° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom de afzetting gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen.
9Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, dan kan de tuchtstraf enkel worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.9Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, dan wordt de tuchtstraf meegedeeld aan de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.
10§ 2. ...10§ 2. ...
+4 −2 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 77quinquies
1Een personeelslid dat met toepassing van artikelen 41 en 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 door de werkgever verwijderd werd uit een risico kan door de bevoegde inrichtende macht belast worden met pedagogische ofadministratieve taken in een nietorganieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum in kwestie en/of voor de scholengemeenschap. Mits onderling akkoord kan het personeelslid deze taken ook uitoefenen in een andere instelling van de scholengemeenschap.1Als een raad van bestuur en, voor het vormingscentrum, de afgevaardigd bestuurder voor een tijdelijk of vastbenoemd personeelslid voor wie volgens artikel 41 van de arbeidswet van 16 maart 1971 een risico is vastgesteld, geen toepassing kunnen maken van de maatregelen, vermeld in artikel 42, §1, eerste lid, 1° of 2°, van de voormelde wet, moeten de raad van bestuur en, voor het vormingscentrum, de afgevaardigd bestuurder dat personeelslid belasten met in haar toestand toelaatbare pedagogische taken of, als het personeelslid niet in het bezit is van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs, met in haar toestand toelaatbare administratieve taken in een niet-organieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld.
2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere administratieve en geldelijke gevolgen van deze maatregel.
2Als de raad van bestuur het personeelslid niet met de hiervoor vermelde taken kan belasten in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld, belast de raad van bestuur het personeelslid met de hiervoor vermelde taken in een andere instelling of een ander centrum van de scholengroep of van de scholengemeenschap. Daarbij geldt steeds dat de afstand over de openbare weg tussen de instelling van aanstelling of affectatie en de instelling waar het personeelslid wordt belast met de hiervoor vermelde taken, nooit meer dan 25 kilometer mag bedragen. Dat geldt niet als het personeelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden.
3In afwijking van het tweede lid belast de raad van bestuur het personeelslid van een centrum voor volwassenenonderwijs met de hiervoor vermelde taken altijd in hetzelfde centrum en dit rekening houdend met artikel 40duodecies.
4Tijdens de periode waarin het personeelslid met een niet-organieke betrekking als vermeld in het eerste lid wordt belast, is het personeelslid in dienstactiviteit. Het personeelslid blijft titularis van haar betrekking, behoudt daarbij haar salaris en kan worden vervangen volgens de gebruikelijke vervangingsregeling.
+12 −8 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 88
1Voor de vastbenoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging :1§1. Voor de vastbenoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging :
21° het vrijwillige ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten met inachtneming van een opzeggingstermijn van21° het vrijwillige ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten met inachtneming van een opzeggingstermijn van
3tenminste vijftien kalenderdagen;3tenminste vijftien kalenderdagen;
42° het bereiken van de leeftijdsgrens;
42° ...;
53° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 61, 6° of 7°;53° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 61, 6° of 7°;
64° bij toepassing van artikel 83, § 1;64° bij toepassing van artikel 83, § 1;
75° de definitieve pensionering;
86° het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel;
75° ...;
86° ...;
97° ...;97° ...;
108° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.108° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.
11In afwijking van punt 2° geeft het bereiken van de leeftijdsgrens geen aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
12Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :
131° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;
142° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt', zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.
11§2. De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, kan een einde maken aan de vaste benoeming of aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van een personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft. De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht, die gelijk is aan drie maanden per begonnen schijf van tien jaar dienstanciënniteit die het personeelslid heeft verworven. De opzegging wordt gemotiveerd.
12Met behoud van de toepassing van het eerste lid, kan het personeelslid bij het voltooien van de opzeggingstermijn voortwerken tot het einde van de maand waarin het personeelslid de opzeggingstermijn volbracht heeft.
13De opzeggingstermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de maandag die volgt op de week waarin de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, in geval van een vormingscentrum, het personeelslid op de hoogte heeft gebracht van het ontslag.
14De kennisgeving gebeurt op straffe van nietigheid op een van de volgende wijzen:
151° met een aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van de verzending ervan;
162° bij deurwaardersexploot.
17Op straffe van nietigheid vermeldt de kennisgeving, vermeld in het vierde lid, het begin en de duur van de opzeggingstermijn.
18In afwijking van het eerste lid kunnen de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, in geval van een vormingscentrum, en het personeelslid in onderling akkoord een einde maken aan de vaste benoeming of aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Dat akkoord blijkt uit een geschrift. Het geschrift vermeldt de datum van de beëindiging van de vaste benoeming of van de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur en wordt door beide partijen ondertekend.
+9 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 88ter nieuw
1De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, mag, met toepassing van artikel 88, §2, alleen eenzijdig een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur of aan de vaste benoeming van een personeelslid om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening door het personeelslid volgens de geldende regelgeving van een van de volgende rechten:
21° het recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling;
32° het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
43° het recht op afwezigheid voor verminderde prestaties voor zorgdoeleinden;
54° het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen;
65° het recht om een nevenactiviteit uit te oefenen binnen de grenzen van de cumulatieregeling en de regeling rond onverenigbaarheden van het schoolbestuur;
76° het recht op een nieuwe affectatie of mutatie of om werk met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden te vragen.
8Het principe, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag van de aanvraag van een van de rechten, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, dat ingaat op de dag van de geboorte van het kind.
9De raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum, deelt het personeelslid schriftelijk mee wat de redenen voor het ontslag zijn. Als de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan de uitoefening van het recht waarvan het personeelslid gebruikmaakt of als er geen reden opgegeven is, betaalt de raad van bestuur aan het personeelslid aanvullend op de opzeggingstermijn een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden. Die vergoeding mag bij het ontslag van een personeelslid niet samen genoten worden met andere vergoedingen die in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag zijn bepaald.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 5
3225° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs.3225° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs.
3326° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs.3326° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs.
3427° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
3427° ...
3528° de inrichtende macht : de schoolbesturen van het basisonderwijs en van het voltijds secundair onderwijs, de besturen van de leersteuncentra, de centrumbesturen van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de rechtspersonen die bevoegdheid dragen voor de scholengemeenschapsinstellingen, de centrumbesturen van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, de schoolbesturen van het deeltijds kunstonderwijs, de besturen van de pedagogische begeleidingsdiensten en de onderwijsinternaatsbesturen van de onderwijsinternaten;3528° de inrichtende macht : de schoolbesturen van het basisonderwijs en van het voltijds secundair onderwijs, de besturen van de leersteuncentra, de centrumbesturen van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de rechtspersonen die bevoegdheid dragen voor de scholengemeenschapsinstellingen, de centrumbesturen van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, de schoolbesturen van het deeltijds kunstonderwijs, de besturen van de pedagogische begeleidingsdiensten en de onderwijsinternaatsbesturen van de onderwijsinternaten;
3629° leerkracht levensbeschouwelijk onderricht: de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer;3629° leerkracht levensbeschouwelijk onderricht: de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer;
+2 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 6
20§4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker.20§4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker.
21Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.21Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
22Voor de toepassing van hoofdstuk III kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, beschouwen als diensten die gepresteerd zijn in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan daarbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen voor maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
23Voor de toepassing van hoofdstuk III kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, beschouwen als diensten die gepresteerd zijn in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 4, §1. De inrichtende macht kan daarbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen voor maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1.
22§5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.24§5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel.
+5 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 20bis
3Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de inrichtende macht of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.3Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de inrichtende macht of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort.
4§ 2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 44bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.4§ 2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 44bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet.
5§3. Een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, zorgt ervoor dat een startend personeelslid dat in het basis- of secundair onderwijs tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het recht op aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, gedeeltelijk kan uitoefenen in maximum 20% van diens toegekende opdracht, rekening houdend met de afspraken en de criteria die lokaal worden vastgelegd, vermeld in het vierde lid. In dat deel van de aanvangsbegeleiding wordt gewerkt aan het verbeteren van klasmanagement en vakdidactiek, en aan andere aspecten verbonden aan diens aanvangsbegeleiding. Daarbij wordt altijd uitgegaan van een verplichte aanwezigheid op school.
6Daarvoor wendt een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie aan zoals vermeld in artikel 153tricies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. In het schooljaar 2026-2027 kan een scholengemeenschap of een school, als die niet tot een scholengemeenschap behoort, de eenheden inductie ook voor andere doelstellingen aanwenden, conform artikel 153tricies, §1, tweede lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 34/3, §1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. Voor die eenheden die voor andere doelstellingen worden aangewend, zijn de bepalingen opgenomen in dit artikel niet van toepassing.
7Scholen kunnen ook organieke omkadering aanwenden voor dat doel zoals vermeld in artikel 163bis van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 212 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
8Over de aanwending van eenheden inductie of organieke omkadering in de vorm van bijzondere pedagogische taken voor dat doel voor de startende personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden in het bevoegde lokaal comité algemene afspraken onderhandeld. Mits een akkoord in het lokaal comité kunnen daarbij criteria worden vastgelegd om te bepalen voor welke groepen startende personeelsleden de eenheden inductie prioritair worden aangewend. Een startend personeelslid heeft ook dan recht op een deel van deze eenheden inductie als het aangeeft nood te hebben aan een inductiejaar, tenzij alle eenheden inductie al zijn aangewend. Zonder een akkoord in het lokaal comité over de aanwendingscriteria worden de eenheden inductie in verhouding tot hun opdracht evenredig verdeeld over de startende personeelsleden.
9De opdracht van die startende personeelsleden kan nooit meer dan een voltijdse opdracht zijn.
+5 −8 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 21
10e) ...10e) ...
11f) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;11f) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
12g) bij het bereiken van de leeftijdsgrens;
12g) ...;
13h) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 19.13h) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 19.
14i) bij de definitieve pensionering;
15j) bij het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van deze paragraaf.
16In afwijking van punt g) eindigt de aanstelling van een personeelslid niet na het bereiken van de leeftijdsgrens als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
17Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :
181° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;
192° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt' zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.
14i) ...;
15j) ...
20Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld onder g) als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.16Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Die aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.
17§1/1. De inrichtende macht en het personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, kunnen in onderling akkoord een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. Dat akkoord blijkt uit een geschrift. Het geschrift vermeldt de datum van de beëindiging van de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur en wordt door beide partijen ondertekend.
21§ 2. De inrichtende macht moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.18§ 2. De inrichtende macht moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.
22§ 3. Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur eindigt eveneens voor het geheel of een deel van de opdracht overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26.19§ 3. Een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur eindigt eveneens voor het geheel of een deel van de opdracht overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 42
82° ...;82° ...;
9d) in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst.9d) in een vacante betrekking in de pedagogische begeleidingsdienst.
10§ 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de inrichtende macht een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 21, § 1, g), tijdelijk aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, a), b) en d). Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.10§ 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de inrichtende macht een definitief gepensioneerde tijdelijk aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, a), b) en d). Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet vast benoemd worden in deze betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden.
11§ 2. Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 40. Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een ambt van de pedagogische begeleidingsdiensten moet bovendien voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 40bis.11§ 2. Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 40. Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een ambt van de pedagogische begeleidingsdiensten moet bovendien voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 40bis.
12In afwijking van artikel 40, 1°, kan een personeelslid met een ander bekwaamheidsbewijs worden aangesteld wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen.12In afwijking van artikel 40, 1°, kan een personeelslid met een ander bekwaamheidsbewijs worden aangesteld wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen.
+13 −9 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 45
1§1. De mutatie bestaat in het toewijzen bij een andere inrichtende macht van een andere betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. Een mutatie geschiedt niet dan op verzoek van een personeelslid.1§1. De mutatie bestaat in het toewijzen bij een andere inrichtende macht van een andere betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. Een mutatie geschiedt niet dan op verzoek van een personeelslid.
2§2. De nieuwe affectatie bestaat in het toewijzen van een personeelslid aan een instelling of centrum ingericht door dezelfde inrichtende macht in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. In de instellingen en centra van het gesubsidieerd vrij onderwijs geschiedt de nieuwe affectatie niet dan met akkoord van het personeelslid. Dit akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds één instelling met een tweede, en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.2§2. De nieuwe affectatie bestaat in het toewijzen van een personeelslid aan een instelling of centrum ingericht door dezelfde inrichtende macht in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. In de instellingen en centra van het gesubsidieerd vrij onderwijs geschiedt de nieuwe affectatie niet dan met akkoord van het personeelslid. Dit akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds één instelling met een tweede, en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.
3§3. In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.3§3. In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.
4In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.4In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.
5§4. In afwijking van paragraaf 2 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.5§4. In afwijking van paragraaf 2 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.
6In afwijking van paragraaf 2 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.6In afwijking van paragraaf 2 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.
7§4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.7§4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
8In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.8In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
9§ 5. ...
10§ 6. ...
11§ 7. ...
9§5. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in het wervingsambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het ambt van leraar secundair onderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in dat ambt.
10In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 4, §1, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat wervingsambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het wervingsambt van het ondersteunend personeel waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het wervingsambt van affectatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat wervingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het wervingsambt van affectatie.
11In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de affectatie vastbenoemd was, in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van affectatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat selectie- of bevorderingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van affectatie.
12§6. In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in het wervingsambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een centrum voor volwassenenonderwijs, op diens verzoek op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het ambt van leraar secundair onderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in dat ambt.
13In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt van het ondersteunend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van een personeelscategorie als vermeld in artikel 4, §1, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat wervingsambt. Als het personeelslid de mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het wervingsambt van het ondersteunend personeel waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het wervingsambt van mutatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat wervingsambt in een centrum voor volwassenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het wervingsambt van affectatie.
14In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht tijdens de schooljaren 2026-2027 tot en met 2030-2031 een personeelslid dat vastbenoemd is in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs, na diens akkoord op 1 september een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid de affectatie aanvaardt, heeft het personeelslid voor het volume van de opdracht in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel in een centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor het personeelslid op 31 augustus voorafgaand aan de mutatie vastbenoemd was, in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van mutatie recht op de salarisschaal die verbonden was aan dat selectie- of bevorderingsambt in een centrum voor volwassenenonderwijs, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid beschikt, recht geeft op een gelijke of hogere salarisschaal in het selectie- of bevorderingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van mutatie.
15§7. ...
12§8. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onder- wijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.16§8. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onder- wijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
13In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervings- ambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitenge- woon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.17In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervings- ambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitenge- woon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
14Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.18Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.
+4 −2 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 51quinquies
1Een personeelslid dat met toepassing van de artikelen 41 en 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 door de werkgever verwijderd werd uit een risico , kan door de bevoegde inrichtende macht belast worden met pedagogische ofadministratieve taken in een niet-organieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum in kwestie en/of voor de scholengemeenschap. Mits onderling akkoord kan het personeelslid deze taken ook uitoefenen in een andere instelling van de scholengemeenschap.1Als een inrichtende macht voor een tijdelijk of vastbenoemd personeelslid voor wie volgens artikel 41 van de arbeidswet van 16 maart 1971 een risico is vastgesteld, geen toepassing kan maken van de maatregelen, vermeld in artikel 42, §1, eerste lid, 1° of 2°, van de voormelde wet, moet de inrichtende macht dat personeelslid belasten met in haar toestand toelaatbare pedagogische taken of, als het personeelslid niet in het bezit is van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs, met in haar toestand toelaatbare administratieve taken in een niet-organieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld.
2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere administratieve en geldelijke gevolgen van deze maatregel.
2Als de inrichtende macht het personeelslid niet met de hiervoor vermelde taken kan belasten in de instelling of het centrum waar het personeelslid is aangesteld, belast de inrichtende macht het personeelslid met de hiervoor vermelde taken in een andere instelling of een ander centrum van de inrichtende macht of van de scholengemeenschap. Daarbij geldt steeds dat de afstand over de openbare weg tussen de instelling van aanstelling of affectatie en de instelling waar het personeelslid wordt belast met de hiervoor vermelde taken, nooit meer dan 25 kilometer mag bedragen. Dat geldt niet als het personeelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden.
3In afwijking van het tweede lid belast de inrichtende macht het personeelslid van een centrum voor volwassenenonderwijs altijd in hetzelfde centrum met de hiervoor vermelde taken en dit rekening houdend met artikel 36novies/2.
4Tijdens de periode waarin het personeelslid met een niet-organieke betrekking als vermeld in het eerste lid wordt belast, is het personeelslid in dienstactiviteit. Het personeelslid blijft titularis van haar betrekking, behoudt daarbij haar salaris en kan worden vervangen volgens de gebruikelijke vervangingsregeling.
+11 −8 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 62
1Voor de vastbenoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:1§1. Voor de vastbenoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:
21° het vrijwillig ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten na inachtneming van een opzeggingstermijn van minstens vijftien kalenderdagen;21° het vrijwillig ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten na inachtneming van een opzeggingstermijn van minstens vijftien kalenderdagen;
32° het bereiken van de leeftijdsgrens;
32° ...;
43° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 64, 6° of 7°;43° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel volgens artikel 64, 6° of 7°;
54° de definitieve pensionering;
65° het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel;
54° ...;
65° ...;
76° ...;76° ...;
87° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.87° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.
9In afwijking van punt 2° geeft het bereiken van de leeftijdsgrens geen aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
10Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :
111° de verlenging geldt telkens voor de duur van maximum één schooljaar;
122° in de instelling waar het personeelslid aangesteld blijft, is of wordt er op dat ogenblik geen personeelslid ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in 'hetzelfde ambt' zoals bepaald in de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling, tenzij dat personeelslid kan worden gereaffecteerd in een vacante betrekking.
9§2. De inrichtende macht kan een einde maken aan de vaste benoeming of aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur van een personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft. De inrichtende macht neemt daarbij een opzeggingstermijn in acht, die gelijk is aan drie maanden per begonnen schijf van tien jaar dienstanciënniteit die het personeelslid heeft verworven. De opzegging wordt gemotiveerd.
10Met behoud van de toepassing van het eerste lid, kan het personeelslid bij het voltooien van de opzeggingstermijn voortwerken tot het einde van de maand waarin het personeelslid de opzeggingstermijn volbracht heeft.
11De opzeggingstermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de maandag die volgt op de week waarin de inrichtende macht het personeelslid op de hoogte heeft gebracht van het ontslag.
12De kennisgeving gebeurt op straffe van nietigheid op een van de volgende wijzen:
131° met een aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van de verzending ervan;
142° bij deurwaardersexploot.Op straffe van nietigheid vermeldt de kennisgeving, vermeld in het vierde lid, het begin en de duur van de opzeggingstermijn.
15In afwijking van het eerste lid kunnen de inrichtende macht en het personeelslid in onderling akkoord een einde maken aan de vaste benoeming of aan de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. Dat akkoord blijkt uit een geschrift. Het geschrift vermeldt de datum van de beëindiging van de vaste benoeming of van de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur en wordt door beide partijen ondertekend.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 64
87° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom tot afzetting wordt overgegaan, kan de inrichtende macht beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen of centra.87° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom tot afzetting wordt overgegaan, kan de inrichtende macht beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen of centra.
9Een tuchtmaatregel is definitief indien de termijn waarin is voorzien voor het instellen van een beroep is verstreken of nadat in beroep een definitieve beslissing werd genomen.9Een tuchtmaatregel is definitief indien de termijn waarin is voorzien voor het instellen van een beroep is verstreken of nadat in beroep een definitieve beslissing werd genomen.
10Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht dan kan de tuchtstraf enkel worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.10Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht dan wordt de tuchtstraf meegedeeld aan de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.
+1 −1 decreet-2007-06-15/art. 14
5§3. Om het studiepeil te waarborgen, ontwikkelt het centrumbestuur leerplannen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7 of 10, die beperkt zijn in omvang.5§3. Om het studiepeil te waarborgen, ontwikkelt het centrumbestuur leerplannen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7 of 10, die beperkt zijn in omvang.
6Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de eindtermen en de basiscompetenties, zoals vermeld in artikel 24, volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de vastgestelde eindtermen en basiscompetenties.6Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de eindtermen en de basiscompetenties, zoals vermeld in artikel 24, volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de vastgestelde eindtermen en basiscompetenties.
7De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een centrum te kaderen. 7De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een centrum te kaderen. De Vlaamse Regering bepaalt de beroepsprocedure voor een beslissing die de indiener betwist.
+0 −23 decreet-2007-06-15/art. 72octies opgeheven
1§1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt de Vlaamse Regering op basis van de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°, jaarlijks een subsidie ter beschikking aan Vocvo vzw voor de uitvoering van volgende opdrachten:
21° ...
32° ...
43° de opdrachten in uitvoering van het strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden:
5a) de coördinatie en ondersteuning van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie bij de uitwerking van een onderwijs- en vormingsbeleid voor gedetineerden, de organisatie van het detecteren van de onderwijs- en vormingsbehoeften van gedetineerden en de coördinatie van de begeleiding van het onderwijstraject van gedetineerden;
6b) de ondersteuning van de onderwijscoördinatoren bij enerzijds de uitbouw van een behoeftedekkend en aangepast aanbod voor onderwijs aan gedetineerden en anderzijds de coördinatie van het onderwijsaanbod in de gevangenis.
7Voor de uitvoering van de opdracht, vermeld in het eerste lid, 3°, beantwoordt Vocvo vzw ten minste aan volgende voorwaarden:
81° Vocvo vzw voert de opdracht in elke penitentiaire inrichting gelegen in de werkingsgebieden van de centra voor basiseducatie en de vestigingsplaatsen van de centra voor volwassenenonderwijs op een efficiënte wijze uit en toont dit aan op basis van de resultaatsverbintenissen uit de beheersovereenkomst, vermeld in paragraaf 2, 2°;
92° Vocvo vzw vindt een draagvlak bij de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs en toont dit aan door middel van een stuurgroep samengesteld door vertegenwoordigers van de aanbodverstrekkers en andere stakeholders;
103° Vocvo vzw organiseert minstens tweemaal per jaar een gezamenlijk overleg van de stuurgroep onderwijs aan gedetineerden met de overheid.
11§2. Vocvo vzw kan enkel in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als:
121° in de algemene vergadering een afgevaardigde opgenomen wordt van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten;
132° Vocvo vzw met de Vlaamse Regering een vierjaarlijkse beheersovereenkomst afsluit over de uitvoering van de opdrachten en de aanwending van de toegekende middelen, vermeld in paragraaf 1. Deze beheersovereenkomst bevat ten minste per opdracht, vermeld in paragraaf 1:
14a) het aandeel van de toegekende subsidie, vermeld in paragraaf 1;
15b) de doelstellingen en bijhorende resultaatsverbintenissen;
16c) de planning bestaande uit een vierjarig werkingsprogramma en een jaarlijks actieplan met telkens een overeenstemmende begroting. Het vierjarig werkingsprogramma is maximaal afgestemd op de strategische doelstellingen uit de beheersovereenkomst;
17d) rapportering en opvolging van de werkzaamheden bestaande uit een jaarlijks activiteitenverslag, een jaarlijks financieel rapport en, na de volledige periode van vier kalenderjaren, een afsluitend rapport over de activiteiten van de volledige periode. De rapportering motiveert telkens minstens welke doelstellingen en bijhorende resultaatsverbintenissen al dan niet behaald werden.
18§3. Voor de aanwending van de subsidie, vermeld in paragraaf 1, gelden volgende regels:
191° de subsidie kan enkel worden aangewend voor het dekken van werkingskosten en personeelskosten;
202° van de subsidie kunnen geen andere reserves worden aangelegd dan voor het sociaal passief ter bezoldiging van prestaties, gerelateerd aan deze subsidies, van personeelsleden;
213° de subsidies kunnen geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden, indien blijkt dat deze middelen niet worden aangewend voor de realisatie van de opdrachten bepaald in paragraaf 1;
224° de stukken ter verantwoording van de ingezette middelen worden op de zetel van Vocvo vzw bewaard, waar ze voor controle ter beschikking staan van de bevoegde administratie;
235° de voorziene subsidie volgt de gezondheidsindex.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 8
7§2. Om de kwaliteit van het deeltijds kunstonderwijs te waarborgen, ontwikkelt het schoolbestuur in omvang beperkte leerplannen die voldoende ruimte laten voor de inbreng van academies, leraren, lerarenteams of leerlingen.7§2. Om de kwaliteit van het deeltijds kunstonderwijs te waarborgen, ontwikkelt het schoolbestuur in omvang beperkte leerplannen die voldoende ruimte laten voor de inbreng van academies, leraren, lerarenteams of leerlingen.
8Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de basiscompetenties, de beroepskwalificaties en de specifieke eindtermen volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de vastgestelde minimumdoelen.8Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de basiscompetenties, de beroepskwalificaties en de specifieke eindtermen volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de vastgestelde minimumdoelen.
9De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een academie te kaderen. 9De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een academie te kaderen. De Vlaamse Regering bepaalt de beroepsprocedure voor een beslissing die de indiener betwist.
+6 −0 decreet-2018-03-09/art. 9
1Het schoolbestuur bepaalt vrij de organisatie van zijn deeltijds kunstonderwijs en zijn artistiek-pedagogische visie. Het legt die organisatie en visie vast in het artistiek-pedagogische project.1Het schoolbestuur bepaalt vrij de organisatie van zijn deeltijds kunstonderwijs en zijn artistiek-pedagogische visie. Het legt die organisatie en visie vast in het artistiek-pedagogische project.
2De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen bepaalt in een schoolwerkplan de volgende organisatorische aspecten van de opleiding:
31° de doelstellingen en de inhoud van de opleiding, het opleidingsprogramma en de studieomvang;
42° de organisatie van het schooljaar;
53° de mogelijkheid om de opleiding te volgen in intensieve lessenpakketten als vermeld in artikel 18, §4;
64° de gehanteerde onderwijs-, werk- en evaluatievormen;
75° de toelatingsvoorwaarden, die betrekking hebben op artistieke vooropleiding of competenties.
+5 −4 decreet-2018-03-09/art. 18
7De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden.7De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden.
8In afwijking van het eerste lid kan de studierichting beiaardier, vermeld in punt 1°, enkel georganiseerd worden in de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen.8In afwijking van het eerste lid kan de studierichting beiaardier, vermeld in punt 1°, enkel georganiseerd worden in de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen.
9De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen kan alleen een langlopende studierichting beiaardier en een kortlopende studierichting specialisatie: optie beiaardier als vermeld in artikel 19, §2, tweede lid, van dit decreet en artikel 3, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2018 betreffende het opleidingsaanbod, de structuur, organisatie en financiering van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen organiseren.
9§ 2. De onderwijsdoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.10§ 2. De onderwijsdoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.
10De onderwijsdoelen van de vierde graad zijn verschillend voor ieder van die studierichtingen.11De onderwijsdoelen van de vierde graad zijn verschillend voor ieder van die studierichtingen.
11§ 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.12§ 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.
12Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor jongeren ten minste twaalf wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren.13Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor jongeren ten minste twaalf wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren.
13Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor volwassenen ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren. 14Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor volwassenen ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren. De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor volwassenen in de studierichting beiaardier bedraagt ten minste veertien lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren.
14Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie of vier leerjaren. 15Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie of vier leerjaren. De som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad in de studierichting beiaardier bedraagt ten minste twaalf lestijden, gespreid over een traject van drie of vier leerjaren.
15Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad ten minste zes wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren. 16Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad ten minste zes wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren. De som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad in de studierichting beiaardier bedraagt ten minste vijftien lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.
16De Vlaamse Regering bepaalt de studieomvang en de trajecten van de tweede, derde en vierde graad van de studierichting beiaardier.
17§4. In afwijking van paragraaf 3 kan de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen de studierichtingen organiseren in intensievere lessenpakketten op een kortere termijn dan een leerjaar in het lineaire traject. In dat geval is de totale studieomvang dezelfde als die van een leerjaar in het lineaire traject.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 19
43° specialisatie muziek.43° specialisatie muziek.
5§ 2. De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichtingen muziekgeschiedenis en muziekcultuur bedraagt elk zes wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.5§ 2. De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichtingen muziekgeschiedenis en muziekcultuur bedraagt elk zes wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.
6De som van de studieomvang van de leerjaren van de specialisatie muziekbedraagt vier wekelijkse lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.6De som van de studieomvang van de leerjaren van de specialisatie muziek, inclusief de specialisatie: optie beiaardier, bedraagt vier wekelijkse lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.
+2 −2 decreet-2018-03-09/art. 26
1De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen wordt als academie deeltijds kunstonderwijs erkend en gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering kan specifieke normen, structuren, vakken en bekwaamheidsbewijzen voor die academie vastleggen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop die instelling gesubsidieerd wordt, de wijze waarop die academie rapporteert aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en welk statuut op het personeel van toepassing is.1De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen wordt als academie deeltijds kunstonderwijs erkend en gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering kan specifieke vakken en bekwaamheidsbewijzen voor die academie vastleggen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop die academie rapporteert aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en welk statuut op het personeel van toepassing is.
2Het besluit van de Vlaamse Regering over de aangelegenheden in het eerste lid wordt decretaal bekrachtigd.
2De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2018 betreffende het opleidingsaanbod, de structuur, organisatie en financiering van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen, zoals bekrachtigd bij het decreet van 15 juni 2018, en gewijzigd door het programmadecreet van 20 december 2019, en de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 juli 2023 en 21 juni 2024, zoals gedeeltelijk bekrachtigd bij het decreet van [datum onderwijsdecreet XXXVI], te wijzigen, aan te vullen of op te heffen, teneinde dit besluit in overeenstemming te brengen met dit decreet.
+0 −4 decreet-2018-03-09/art. 33
1§ 1. Om toegelaten te worden tot een studierichting in de vierde graad van de domeinen dans, woordkunst-drama of muziek moet de leerling de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben.1§ 1. Om toegelaten te worden tot een studierichting in de vierde graad van de domeinen dans, woordkunst-drama of muziek moet de leerling de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben.
2In afwijking van het eerste lid kan de directeur op advies van de betrokken leerkrachten een leerling die de instrumenttechnische competenties van de derde graad muziek niet volledig verworven heeft toch toelaten tot de vierde graad muziek onder de volgende voorwaarden:
31° de leerling heeft alle overige competenties verworven;
42° de leerling volgt een instrumentvak in de derde graad;
53° de leerling is vrijgesteld voor het instrumentvak in de vierde graad.
6§ 2. Om toegelaten te worden tot een studierichting van de vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden :2§ 2. Om toegelaten te worden tot een studierichting van de vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden :
71° de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben;31° de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben;
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 67
2§ 2. Ongeacht het aantal opleidingen dat hij volgt, is een leerling per domein maar een keer financierbaar.2§ 2. Ongeacht het aantal opleidingen dat hij volgt, is een leerling per domein maar een keer financierbaar.
3Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd.3Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd.
4Een leerling die meer dan een derde van de leeractiviteiten georganiseerd tussen 1 oktober en de teldag voor de omkaderingberekening ongewettigd afwezig is, is niet financierbaar.4Een leerling die meer dan een derde van de leeractiviteiten van een vak georganiseerd tussen 1 oktober en de teldag voor de omkaderingberekening ongewettigd afwezig is, is niet financierbaar.
5In afwijking van het eerste lid is een leerling die tegelijkertijd een opleiding volgt in de vierde graad en in een kortlopende studierichting specialisatie financierbaar voor beide opleidingen.5In afwijking van het eerste lid is een leerling die tegelijkertijd een opleiding volgt in de vierde graad en in een kortlopende studierichting specialisatie financierbaar voor beide opleidingen.
6Een leerling die voor 1 november van het betrokken schooljaar geen inschrijvingsgeld heeft betaald, is niet regelmatig en niet financierbaar.6Een leerling die voor 1 november van het betrokken schooljaar geen inschrijvingsgeld heeft betaald, is niet regelmatig en niet financierbaar.
+2 −1 decreet-2018-03-09/art. 69
14In het geval van de oprichting van een academie geldt die teldag voor de hele academie vanaf het schooljaar van oprichting tot en met de elf daaropvolgende schooljaren.14In het geval van de oprichting van een academie geldt die teldag voor de hele academie vanaf het schooljaar van oprichting tot en met de elf daaropvolgende schooljaren.
15In het geval van de oprichting van een domein waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 geldt die teldag enkel voor het domein in kwestie tot en met het schooljaar waarin alle leerjaren van de verschillende graden van het domein zijn uitgebouwd conform artikel 157.15In het geval van de oprichting van een domein waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 geldt die teldag enkel voor het domein in kwestie tot en met het schooljaar waarin alle leerjaren van de verschillende graden van het domein zijn uitgebouwd conform artikel 157.
16§4/1. In afwijking van paragraaf 1, 2, 3 en 4 ontvangt de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen op basis van het aantal financierbare leerlingen jaarlijks een pakket lestijden, dat per ingeschreven leerling twee lestijden b-draagt. De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen kan dat urenpakket vrij aanwenden.
16§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de salarisschalen waarin een academie met de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2en 4, betrekkingen kan organiseren en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2en 4, naar die betrekkingen worden omgerekend.17§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de salarisschalen waarin een academie met de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2, 4 en 4/1, betrekkingen kan organiseren en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2, 4 en 4/1, naar die betrekkingen worden omgerekend.
+6 −0 decreet-2018-03-09/art. 84/1 nieuw
1De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen ontvangt voor het schooljaar X/X+1 een werkingsbudget van 25.606 euro.
2Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden de bedragen van het voorgaande schooljaar jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt met de volgende formule: A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
31° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
42° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2;
53° de A-coëfficiënt voor 100% in rekening wordt gebracht.
6Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag, vermeld in het eerste lid, verminderd met 2000 euro.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 85
1Een schoolbestuur dat werken, leveringen of diensten aanneemt die geheel of gedeeltelijk betaald worden met de middelen, vermeld in artikel 83 en 84, sluit een overeenkomst volgens de toepasselijke procedure en onder de toepasselijke voorwaarden die voor het Rijk gelden.1Een schoolbestuur dat werken, leveringen of diensten aanneemt die geheel of gedeeltelijk betaald worden met de middelen, vermeld in artikel 83, 84en 84/1, sluit een overeenkomst volgens de toepasselijke procedure en onder de toepasselijke voorwaarden die voor het Rijk gelden.
+1 −0 decreet-2018-03-09/art. 114
101° er is op het grondgebied van de gemeente nog geen hoofdvestigingsplaats van een academie gevestigd;101° er is op het grondgebied van de gemeente nog geen hoofdvestigingsplaats van een academie gevestigd;
112° gedurende drie opeenvolgende schooljaren draagt het schoolbestuur de financiering van het directeursambt, vermeld in artikel 77, en in voorkomend geval van de lestijden voor beleidsondersteuning, vermeld in artikel 76, op basis van artikel 82. In het gemeenschapsonderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, tweede lid. In het gesubsidieerd onderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, derde lid.112° gedurende drie opeenvolgende schooljaren draagt het schoolbestuur de financiering van het directeursambt, vermeld in artikel 77, en in voorkomend geval van de lestijden voor beleidsondersteuning, vermeld in artikel 76, op basis van artikel 82. In het gemeenschapsonderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, tweede lid. In het gesubsidieerd onderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, derde lid.
12Als de nieuwe academie bij de oprichting een of meer bestaande structuuronderdelen in vestigingsplaatsen op het grondgebied van de gemeente overneemt, gebeurt de overname conform de voorwaarde en modaliteiten voor overheveling, vermeld in artikel 131, met dien verstande dat de overname uitwerking heeft op 1 september van het oprichtingsjaar en dat het schoolbestuur van de nieuwe academie voor de voorafgaande procedure als schoolbestuur wordt beschouwd.
12§ 3. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal schooljaren dat de nieuwe academie al in oprichting is.13§ 3. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal schooljaren dat de nieuwe academie al in oprichting is.
13Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, wordt de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd.14Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, wordt de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd.
+1 −0 decreet-2018-03-09/art. 120/1 nieuw
1Op de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen zijn geen programmatienormen van toepassing.
+2 −0 decreet-2018-03-09/art. 126
11In afwijking van het eerste lid bedraagt de rationalisatienorm van het domein beeldende en audiovisuele kunsten 42 leerlingen, als het schoolbestuur alleen de structuuronderdelen van de eerste graad, de tweede graad en de derde graad voor jongeren organiseert.11In afwijking van het eerste lid bedraagt de rationalisatienorm van het domein beeldende en audiovisuele kunsten 42 leerlingen, als het schoolbestuur alleen de structuuronderdelen van de eerste graad, de tweede graad en de derde graad voor jongeren organiseert.
12§3. De rationalisatienormen, vermeld in paragraaf 1 en 2, zijn niet van toepassing op academies voor deeltijds kunstonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats gevestigd is in de gemeente Voeren.12§3. De rationalisatienormen, vermeld in paragraaf 1 en 2, zijn niet van toepassing op academies voor deeltijds kunstonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats gevestigd is in de gemeente Voeren.
13§4. Als de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen het aantal van vijf leerlingen niet bereikt, gaat ze over tot de geleidelijke sluiting van iedere graad, leerjaar per leerjaar, te beginnen met het laagste, tenzij ze op de vorige teldag voldeed aan de voorwaarden, vermeld in artikel 125. In dat aantal zijn ook de studenten inbegrepen die de intensievere lessenpakketten, vermeld in artikel 18, §4, volgen. In dat geval worden de werkingsmiddelen en het aantal lestijden proportioneel aangepast.
14Behalve de norm, vermeld in het eerste lid, zijn geen rationalisatienormen van toepassing op de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen.
+2 −2 decreet-2018-03-09/art. 136
1Vanaf het schooljaar 2019-2020 kunnen lokale samenwerkingsinitiatieven georganiseerd worden tussen academies en scholen voor basisonderwijs, secundair of hoger onderwijs. Die samenwerkingsinitiatieven realiseren de volgende doelstellingen :1Vanaf het schooljaar 2019-2020 kunnen lokale samenwerkingsinitiatieven georganiseerd worden tussen academies en scholen voor basisonderwijs, secundair of hoger onderwijs. Die samenwerkingsinitiatieven realiseren de volgende doelstellingen :
21° het cultureel bewustzijn en de culturele expressie van de betrokken leerlingen basisonderwijs of secundair onderwijs versterken;21° bijdragen tot de realisatie van de minimumdoelen muzische vorming van het basisonderwijs of de sleutelcompetentie cultureel bewustzijn en culturele expressie van het secundair onderwijs in relatie tot andere minimumdoelen of sleutelcompetenties;
32° het cultureel bewustzijn en de culturele expressie van de studenten hoger onderwijs versterken met het oog op hun latere professionele activiteiten;32° bijdragen tot de vakbekwaamheid van studenten hoger onderwijs in de realisatie van de minimumdoelen muzische vorming van het basisonderwijs of de sleutelcompetentie cultureel bewustzijn en culturele expressie van het secundair onderwijs met het oog op hun latere professionele onderwijspraktijk;
43° een duurzaam delend netwerk tussen leerkrachten basisonderwijs, secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs voor het organiseren van culturele leeractiviteiten tot stand brengen;43° een duurzaam delend netwerk tussen leerkrachten basisonderwijs, secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs voor het organiseren van culturele leeractiviteiten tot stand brengen;
54° het toeleiden van leerlingen basisonderwijs of secundair onderwijs die blijk geven van artistieke interesse en aanleg naar het deeltijds kunstonderwijs bevorderen, in het bijzonder leerlingen uit scholen met een meerderheid van leerlingen die beantwoorden aan de leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de gelijkekansenindicatoren, vermeld in artikel 225, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs.54° het toeleiden van leerlingen basisonderwijs of secundair onderwijs die blijk geven van artistieke interesse en aanleg naar het deeltijds kunstonderwijs bevorderen, in het bijzonder leerlingen uit scholen met een meerderheid van leerlingen die beantwoorden aan de leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de gelijkekansenindicatoren, vermeld in artikel 225, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 145
1De Vlaamse Regering bepaalt de uiterste indieningsdatum voor de ondersteuningsaanvragen van lokale samenwerkingsinitiatieven.1De Vlaamse Regering bepaalt de uiterste indieningsdatum voor de ondersteuningsaanvragen van lokale samenwerkingsinitiatieven.
2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere aanvraag- en gunningsprocedure en houdt daarbij rekening met de doelstellingen en de organisatievoorwaarden, vermeld in artikel 136 tot en met 138.2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere aanvraag- en gunningsprocedure en houdt daarbij rekening met de doelstellingen en de organisatievoorwaarden, vermeld in artikel 136 tot en met 138.
3De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop de lokale samenwerkingsinitiatieven rapporteren over de manier waarop de ondersteuning ingezet wordt. De Vlaamse Regering beperkt zich daarbij tot het opvragen van een jaarlijks beknopt verslag en een steekproefsgewijze financiële controle op het einde van de samenwerking.3De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop de lokale samenwerkingsinitiatieven rapporteren over de manier waarop de ondersteuning ingezet wordt. De Vlaamse Regering kan daarvoor op het einde van de samenwerking maximaal een eindverslag opvragen en kan een methode bepalen die toelaat om een globaal zicht te krijgen op de besteding van de werkingsmiddelen.
+2 −1 decreet-2018-03-09/art. 146
1De lokale samenwerkingsinitiatieven laten de controle door de onderwijsinspectie toe, zoals bepaald in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.
1De academie en de scholen, de instellingen voor hoger onderwijs en, in voorkomend geval, externe partners zijn samen verantwoordelijk voor de kwaliteit van het lokale samenwerkingsinitiatief.
2De onderwijsinspectie kan de kwaliteit van de lokale samenwerkingsinitiatieven in de betrokken basis- en secundaire scholen en academies beoordelen.
+2 −0 decreet-2018-03-09/art. 150
43° de sponsoring en de voormelde mededelingen niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de academie;43° de sponsoring en de voormelde mededelingen niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de academie;
54° de sponsoring en de voormelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de academie niet in het gedrang brengen.54° de sponsoring en de voormelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de academie niet in het gedrang brengen.
6In het kader van de toepassing van het eerste lid, 3°, zijn sponsoring en bedoelde mededelingen die betrekking hebben op betalende bijlessen niet verenigbaar met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de academie.
7In dit artikel wordt verstaan onder bijlessen: lessen die niet door de school geor-ganiseerd worden en die de realisatie van onderwijsinhouden van het structuuronder-deel van de leerling beogen. Therapeutische tussenkomsten worden niet beschouwd als bijlessen.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. IV.35/1
19Het werkplan, vermeld in het eerste en tweede lid, is minstens één schooljaar geldig. Als de Vlaamse Regering of een van de regio's, vermeld in paragraaf 1, elementen in het werkplan wil wijzigen voor het daaropvolgende schooljaar, kan dat alleen in onderling overleg. Het werkplan wordt bij wijziging opnieuw voorgelegd aan de Vlaamse Regering.19Het werkplan, vermeld in het eerste en tweede lid, is minstens één schooljaar geldig. Als de Vlaamse Regering of een van de regio's, vermeld in paragraaf 1, elementen in het werkplan wil wijzigen voor het daaropvolgende schooljaar, kan dat alleen in onderling overleg. Het werkplan wordt bij wijziging opnieuw voorgelegd aan de Vlaamse Regering.
20§ 4. De werking van het leerlingenvervoer in de regio's, vermeld in paragraaf 1, wordt gemonitord door de Vlaamse Regering.20§ 4. De werking van het leerlingenvervoer in de regio's, vermeld in paragraaf 1, wordt gemonitord door de Vlaamse Regering.
21§ 5. De overgangsregeling zoals omschreven in dit artikel zal vier schooljaren gelden vanaf het schooljaar 2022-2023 .21§ 5. De overgangsregeling zoals omschreven in dit artikel zal vier schooljaren gelden vanaf het schooljaar 2022-2023 en wordt voor twee schooljaren verlengd vanaf het schooljaar 2026-2027.
22De overgangsregeling kan eerder beëindigd worden door de Vlaamse Regering indien er een nieuw regelgevend kader voor het leerlingenvervoer in werking treedt.22De overgangsregeling kan eerder beëindigd worden door de Vlaamse Regering indien er een nieuw regelgevend kader voor het leerlingenvervoer in werking treedt.
+19 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. IV.55/1 nieuw
1De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de begrotingskredieten die daarvoor zijn voorzien, en na een oproep naar respectievelijk scholen en consortia, middelen toekennen in het kader van het project pioniersscholen met het oog op een evolutie naar meer inclusief onderwijs.
2De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag en voor de toekenning van de middelen, vermeld in het eerste lid, voor:
31° de projecten die pioniersscholen vormgeven en dit binnen het kader van het decreet betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs van 9 december 2005;
42° de begeleiding van de pioniersscholen door een consortium;
53° onderzoek ter evaluatie van het project;
6Bij de selectie van de pioniersscholen, vermeld in het tweede lid, 1°, houdt de Vlaamse Regering ten minste rekening met:
71° de kwaliteit en haalbaarheid van de voorgestelde organisatie en werking van de pioniersschool of pioniersscholen, waarbij de kwaliteit en de haalbaarheid min-stens door de volgende elementen wordt aangetoond:
8a) het functioneren van het multidisciplinair team;
9b) het werken richting een evidence informed inclusieve leeromgeving;
10c) de samenwerking met de centra voor leerlingenbegeleiding en de leersteuncentra;
112° de wijze waarop interne kwaliteitszorg wordt georganiseerd, met inbegrip van duidelijke en meetbare doelstellingen;
123° de spreiding van types en opleidingsvormen buitengewoon onderwijs over de pro-jecten heen;
134° de spreiding van projecten op vlak van onderwijsniveaus en regio’s;
145° de spreiding van projecten op het vlak van onderwijsnetten;
156° voor wat het secundair onderwijs betreft: de spreiding van projecten over finaliteiten en domeinen.
16Bij de selectie van het consortium voor de begeleiding, vermeld in het tweede lid, 2°, houdt de Vlaamse Regering ten minste rekening met:
171° de mate waarin de begeleiding blijk geeft van aantoonbare expertise inzake veranderingsmanagement en evidence informed inclusief onderwijs;
182° de mate waarin de begeleiding blijk geeft de pioniersscholen op kwaliteitsvolle wijze te kunnen ondersteunen in hun specifieke opdracht als pioniersschool;
193° de mate waarin het consortium ervaring kan aantonen in de werking met zowel het vrij als het officieel onderwijs.
+1 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. V.65
1Inzake toegekende salarissen, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de salarissen vormen of ermee gelijkstaan, zijn de door de Vlaamse Gemeenschap ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen, als de terugbetaling daarvan niet is gevraagd aan de schoolbesturen of hun personeelsleden binnen een termijn van twee jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, in de vorm zoals bepaald in artikel 16, §2, eerste lid, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.1Inzake toegekende salarissen, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de salarissen vormen of ermee gelijkstaan, zijn de door de Vlaamse Gemeenschap ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen, als de terugbetaling daarvan niet is gevraagd aan de schoolbesturen of hun personeelsleden binnen een termijn van twee jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, in de vorm zoals bepaald in artikel 16, §2, eerste lid, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.
2In afwijking van het eerste lid zijn de ten onrechte uitbetaalde sommen voorgoed vervallen, als de terugbetaling daarvan niet is gevraagd aan de schoolbesturen of hun personeelsleden binnen een termijn van één jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, als het salaris foutief berekend werd als gevolg van een administratieve fout van de betalende overheid, waarbij deze laatste tijdig beschikte over alle nodige informatie. Dit lid is enkel van toepassing wanneer er sprake is van foutief berekend salaris. Het is niet van toepassing wanneer het personeelslid ten onrechte een salaris heeft ontvangen voor prestaties die niet werden geleverd, of wanneer het personeelslid voor een onderbreking van zijn opdracht recht heeft op een socialezekerheidsuitkering.
2Te rekenen vanaf de vraag bedoeld in het eerste lid kan het onverschuldigde bedrag worden teruggevorderd gedurende de termijn die in artikel 16, §2, tweede lid, van vermelde wet is bepaald.3Te rekenen vanaf de vraag bedoeld in het eerste lid kan het onverschuldigde bedrag worden teruggevorderd gedurende de termijn die in artikel 16, §2, tweede lid, van vermelde wet is bepaald.
3Inzake toegekende salarissen, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de salarissen vormen of ermee gelijkstaan wordt van de schoolbesturen of hun personeelsleden geen terugbetaling gevorderd van de door de Vlaamse Gemeenschap ten onrechte uitbetaalde sommen, waarvan het totale bedrag 25 euro niet overschrijdt.4Inzake toegekende salarissen, voorschotten daarop en vergoedingen, toelagen of uitkeringen, die een toebehoren van de salarissen vormen of ermee gelijkstaan wordt van de schoolbesturen of hun personeelsleden geen terugbetaling gevorderd van de door de Vlaamse Gemeenschap ten onrechte uitbetaalde sommen, waarvan het totale bedrag 25 euro niet overschrijdt.
+2 −2 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VI.10
1§1. De Vlaamse Regering biedt een informaticatoepassing aan, die tot doel heeft dat leerlingen zich kunnen identificeren om digitale leermiddelen en toepassingen te gebruiken waarvoor identificatie nodig is. Via de voormelde informaticatoepassing melden leerlingen zich aan bij verschillende dienstenleveranciers met hetzelfde account. De school bepaalt welke leermiddelen of toepassingen de leerling gebruikt. De dienstenleveranciers vragen het gebruik van de informaticatoepassing aan bij de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2. Tijdens die aanvraagprocedure en tijdens de uitvoering worden de verwerkingen beoordeeld die de dienstenleveranciers beogen of uitvoeren.1§1. De Vlaamse Regering biedt een informaticatoepassing aan, die tot doel heeft dat leerlingen zich kunnen identificeren om digitale leermiddelen en toepassingen te gebruiken waarvoor identificatie nodig is. Via de voormelde informaticatoepassing melden leerlingen zich aan bij verschillende dienstenleveranciers met hetzelfde account. De informaticatoepassing voorziet ook in de mogelijkheid om leerlinggegevens te delen met verschillende applicaties via een Application Programming Interface, afgekort API. Per applicatie geeft het schoolbestuur, of de instelling daartoe ge-machtigd, zijn toestemming voor welke leerlingen de gegevens gedeeld kunnen worden. De school bepaalt welke leermiddelen of toepassingen de leerling gebruikt. De dienstenleveranciers vragen het gebruik van de informaticatoepassing aan bij de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2. Tijdens die aanvraagprocedure en tijdens de uitvoering worden de verwerkingen beoordeeld die de dienstenleveranciers beogen of uitvoeren.
2§2. De entiteit die door de Vlaamse Regering wordt belast met de voorbereiding van het Vlaamse onderwijsbeleid, is verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). De voormelde verwerkingsverantwoordelijke verwerkt de gegevens om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust.2§2. De entiteit die door de Vlaamse Regering wordt belast met de voorbereiding van het Vlaamse onderwijsbeleid, is verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). De voormelde verwerkingsverantwoordelijke verwerkt de gegevens om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust.
3§3. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, gebruikt in de informaticatoepassing, vermeld in paragraaf 1, administratieve gegevens die beschikbaar zijn bij de entiteiten van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, conform de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd.3§3. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, gebruikt in de informaticatoepassing, vermeld in paragraaf 1, administratieve gegevens die beschikbaar zijn bij de entiteiten van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, conform de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd.
117° de gegevens waarmee de leerling bij de dienstenleverancier inlogt.117° de gegevens waarmee de leerling bij de dienstenleverancier inlogt.
12De gegevens van de auditlogs en technische logs worden beheerd door de instantie die instaat voor het Vlaamse toegangsen gebruikersbeheer, als verwerker.12De gegevens van de auditlogs en technische logs worden beheerd door de instantie die instaat voor het Vlaamse toegangsen gebruikersbeheer, als verwerker.
13§5. De betrokkenen zijn de leerlingen die het leermiddel of de toepassing moeten gebruiken in het kader van hun onderwijs. De dienstenleveranciers zijn de ontvangers van de gegevens die noodzakelijk zijn voor het doel van de identificatie van de gebruikers of de controle van de gebruiksvoorwaarden . De dienstenleveranciers ontvangen de voor­ en achternaam en de unieke identificator voor de informaticatoepassing, tenzij ze tijdens de aanvraagprocedure aantonen dat ze gerechtigd zijn om ook andere gegevens te ontvangen.13§5. De betrokkenen zijn de leerlingen die het leermiddel of de toepassing moeten gebruiken in het kader van hun onderwijs. De dienstenleveranciers zijn de ontvangers van de gegevens die noodzakelijk zijn om de gebruikers te identificeren, om de gebruiksvoorwaarden te controleren of voor enkel de leerlinggegevensdeling. De dienstenleveranciers ontvangen de voor­ en achternaam en de unieke identificator voor de informaticatoepassing, tenzij ze tijdens de aanvraagprocedure aantonen dat ze gerechtigd zijn om ook andere gegevens te ontvangen.
14§6. De gegevens worden door de verwerkingsverantwoordelijke niet langer bewaard dan twaalf jaar nadat het leerlingenaccount is aangemaakt. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, neemt de nodige maatregelen om de juistheid van de persoonsgegevens te garanderen. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, verduidelijkt in een privacyverklaring welke verwerkingen er gebeuren en neemt met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van de betrokkenen, vermeld in paragraaf 5, in de communicatie met de voormelde betrokkenen of hun onderwijsinstelling een verwijzing op naar de vindplaats van de privacyverklaring.14§6. De gegevens worden door de verwerkingsverantwoordelijke niet langer bewaard dan twaalf jaar nadat het leerlingenaccount is aangemaakt. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, neemt de nodige maatregelen om de juistheid van de persoonsgegevens te garanderen. De verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in paragraaf 2, verduidelijkt in een privacyverklaring welke verwerkingen er gebeuren en neemt met het oog op transparantie en de garantie van de rechten van de betrokkenen, vermeld in paragraaf 5, in de communicatie met de voormelde betrokkenen of hun onderwijsinstelling een verwijzing op naar de vindplaats van de privacyverklaring.
+2 −2 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VIII.4
128° een vertegenwoordiger van de integratiedienst;128° een vertegenwoordiger van de integratiedienst;
139° een vertegenwoordiger van het schoolopbouwwerk;139° een vertegenwoordiger van het schoolopbouwwerk;
1410° een vertegenwoordiger van het betrokken gemeentebestuur of de betrokken gemeentebesturen-in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad: van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Deze persoon treedt niet op in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gemeente, respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie als schoolbestuur.1410° een vertegenwoordiger van het betrokken college van burgemeester en schepenen of de colleges van burgemeester en schepenen of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad: van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Deze persoon treedt niet op in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gemeente, respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie als schoolbestuur.
15De Vlaamse Regering bepaalt welke organen worden belast met de coördinatie van het aanduiden van de in het eerste lid, 4°, 5°, 6°, b) en c), en 7°, bedoelde participanten. De in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 7°, 8° en 10°, bedoelde participanten duiden bij een eerste samenkomst de in het eerste lid, 6°, a), b) en c), en 9°, bedoelde participanten aan. Zij worden daartoe samengeroepen door de in paragraaf 3 bedoelde deskundige.15De Vlaamse Regering bepaalt welke organen worden belast met de coördinatie van het aanduiden van de in het eerste lid, 4°, 5°, 6°, b) en c), en 7°, bedoelde participanten. De in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 7°, 8° en 10°, bedoelde participanten duiden bij een eerste samenkomst de in het eerste lid, 6°, a), b) en c), en 9°, bedoelde participanten aan. Zij worden daartoe samengeroepen door de in paragraaf 3 bedoelde deskundige.
16Het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 10°, is steeds kleiner dan het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°.16Het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 10°, is steeds kleiner dan het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°.
17§ 2. De Vlaamse Regering stelt na overleg met het lokaal overlegplatform een voorzitter aan, die vertrouwd is met het ruime onderwijsveld. De voorzitter zetelt niet in een schoolbestuur en is geen personeelslid van één van de betrokken scholen, scholengroepen, scholengemeenschappen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de vertegenwoordiger van het betrokken lokaal bestuur, of in voorkomend geval, de betrokken lokale besturen.17§ 2. De Vlaamse Regering stelt na overleg met het lokaal overlegplatform een voorzitter aan, die vertrouwd is met het ruime onderwijsveld. De voorzitter zetelt niet in een schoolbestuur en is geen personeelslid van één van de betrokken scholen, scholengroepen, scholengemeenschappen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de vertegenwoordiger van het betrokken lokaal bestuur, of in voorkomend geval, de betrokken lokale besturen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 10°.
18De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de voorzitter wordt vergoed.18De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de voorzitter wordt vergoed.
19§ 3. De Vlaamse Regering voorziet, rekening houdend met artikel VIII.3, § 2, eerste lid, in de subsidiëring van een deskundige die de inhoudelijke en organisatorische ondersteuning van het lokaal overlegplatform waarneemt. Zij bepaalt de nadere aanwervings- en functioneringsvoorwaarden van de deskundige.19§ 3. De Vlaamse Regering voorziet, rekening houdend met artikel VIII.3, § 2, eerste lid, in de subsidiëring van een deskundige die de inhoudelijke en organisatorische ondersteuning van het lokaal overlegplatform waarneemt. Zij bepaalt de nadere aanwervings- en functioneringsvoorwaarden van de deskundige.
+2 −2 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VIII.4/1
139° een vertegenwoordiger van de integratiedienst;139° een vertegenwoordiger van de integratiedienst;
1410° een vertegenwoordiger van het schoolopbouwwerk;1410° een vertegenwoordiger van het schoolopbouwwerk;
1511° een vertegenwoordiger van het betrokken gemeentebestuur of de betrokken gemeentebesturen - in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad: van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Deze persoon treedt niet op in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gemeente, respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie als schoolbestuur.1511° een vertegenwoordiger van het betrokken college van burgemeester en schepenen of de colleges van burgemeester en schepenen of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad: van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Deze persoon treedt niet op in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gemeente, respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie als schoolbestuur.
16De Vlaamse Regering bepaalt welke organen worden belast met de coördinatie van het aanduiden van de in het eerste lid, 4°, 5°, 6°, 7°, b) en c), en 8°, bedoelde participanten.16De Vlaamse Regering bepaalt welke organen worden belast met de coördinatie van het aanduiden van de in het eerste lid, 4°, 5°, 6°, 7°, b) en c), en 8°, bedoelde participanten.
17De in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 8°, 9° en 11°, bedoelde participanten duiden bij een eerste samenkomst de in het eerste lid, 7°, a), b) en c), en 10°, bedoelde participanten aan. Zij worden daartoe samengeroepen door de in paragraaf 3 bedoelde deskundige.17De in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 8°, 9° en 11°, bedoelde participanten duiden bij een eerste samenkomst de in het eerste lid, 7°, a), b) en c), en 10°, bedoelde participanten aan. Zij worden daartoe samengeroepen door de in paragraaf 3 bedoelde deskundige.
18Het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 11°, is steeds kleiner dan het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°.18Het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 11°, is steeds kleiner dan het totaal aantal participanten, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°.
19§ 2. De Vlaamse Regering stelt na overleg met het lokaal overlegplatform een voorzitter aan, die vertrouwd is met het ruime onderwijsveld. De voorzitter zetelt niet in een schoolbestuur en is geen personeelslid van één van de betrokken scholen, scholengroepen, scholengemeenschappen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de vertegenwoordiger van het betrokken lokaal bestuur, of in voorkomend geval, de betrokken lokale besturen.19§ 2. De Vlaamse Regering stelt na overleg met het lokaal overlegplatform een voorzitter aan, die vertrouwd is met het ruime onderwijsveld. De voorzitter zetelt niet in een schoolbestuur en is geen personeelslid van één van de betrokken scholen, scholengroepen, scholengemeenschappen of centra voor leerlingenbegeleiding, met uitzondering van de vertegenwoordiger van het betrokken lokaal bestuur, of in voorkomend geval, de betrokken lokale besturen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 11°.
20De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de voorzitter wordt vergoed.20De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de voorzitter wordt vergoed.
21§ 3. De Vlaamse Regering voorziet, rekening houdend met artikel VIII.3, § 2, eerste lid, in de subsidiëring van een deskundige die de inhoudelijke en organisatorische ondersteuning van het lokaal overlegplatform waarneemt. Zij bepaalt de nadere aanwervings- en functioneringsvoorwaarden van de deskundige.21§ 3. De Vlaamse Regering voorziet, rekening houdend met artikel VIII.3, § 2, eerste lid, in de subsidiëring van een deskundige die de inhoudelijke en organisatorische ondersteuning van het lokaal overlegplatform waarneemt. Zij bepaalt de nadere aanwervings- en functioneringsvoorwaarden van de deskundige.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VIII.9
1De Commissie adviseert en oordeelt naar recht over het recht op inschrijving voor inschrijvingen tot en met het schooljaar 2022-2023 in het gewoon onderwijs en tot en met het schooljaar 2026-2027 in het buitengewoon onderwijs conform artikel 37quater decies en 37sedecies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 110/14 en 110/16 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. De Commissie adviseert en oordeelt naar recht over het recht op inschrijving voor inschrijvingen voor het schooljaar 2023-2024 en verder in het gewoon onderwijs en voor het schooljaar 2027-2028 en verder in het buitengewoon onderwijs conform artikel 37/14, 37/33, 37/34, 37/68, 37/69 en 37/70 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 253/10, 253/28, 253/30, 253/31, 235/59, 253/60 en 253/61 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, en ook bij een weigering of een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school conform artikel 37/43/4 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 295/15 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.1De Commissie adviseert en oordeelt naar recht over het recht op inschrijving voor inschrijvingen tot en met het schooljaar 2022-2023 in het gewoon onderwijs en tot en met het schooljaar 2028-2029 in het buitengewoon onderwijs conform artikel 35, 37quater decies en 37sedecies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 110/14, 110/16 en 118 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010. De Commissie adviseert en oordeelt naar recht over het recht op inschrijving voor inschrijvingen voor het schooljaar 2023-2024 en verder in het gewoon onderwijs en voor het schooljaar 2029-2030 en verder in het buitengewoon onderwijs conform artikel 37/14, 37/33, 37/34, 37/68, 37/69 en 37/70 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 253/10, 253/28, 253/30, 253/31, 235/59, 253/60 en 253/61 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, en ook bij een weigering of een uitschrijving op basis van een inschrijving in een andere school conform artikel 37/43/4 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 295/15 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
2Tegen een uitspraak van de Commissie staat geen beroep open bij de Vlaamse Regering.2Tegen een uitspraak van de Commissie staat geen beroep open bij de Vlaamse Regering.
+11 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. X/4.1 nieuw
1§1. Vanaf het begrotingsjaar 20TT, dat start in 2026, wordt er jaarlijks een extra werkingsbudget toegekend aan scholen voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, en aan scholen voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT, dat start in 2026-2027, die op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 voldoen aan de volgende voorwaarden:
21° de school van gewoon of buitengewoon basisonderwijs of de school van gewoon of buitengewoon secundair onderwijs heeft op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten minste zeven regelmatige leerlingen meer dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 met een IAC-verslag type 2 in het basison-derwijs of een IAC-verslag opleidingsvorm 1, type 2 of opleidingsvorm 2, type 2 in het secundair onderwijs, waarbij de extra leerlingen van beide opleidingsvor-men per school samen worden geteld;
32° de hoofdvestigingsplaats van de school ligt in een onderwijszone waar in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs samen het aantal regelmatige leerlingen met een IAC-verslag type 2 en een IAC-verslag opleidingsvorm 1, type 2 en opleidingsvorm 2, type 2, op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 hoger is dan op de eerste schooldag van februari van 20TT-1;
43° er is geen gelijktijdige daling van leerlingen met een IAC-verslag type 2 en een IAC-verslag type 2, opleidingsvorm 1, en een IAC-verslag type 2, opleidingsvorm 2, in een of meer andere scholen van hetzelfde onderwijsniveau en hetzelfde schoolbestuur die in dezelfde gemeente liggen als de hoofdvestigingsplaats van de begunstigde school, waarbij de omvang van de daling toelaat aan laatstgenoemde school om de norm, vermeld in 1°, te bereiken.
5§2. Voor de maatregel, vermeld in paragraaf 1, wordt vanaf 2026 jaarlijks in een bedrag van 6 miljoen euro voorzien. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2027 geïndexeerd volgens artikel 85bis, §3, tweede lid, 2°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten het bedrag verhogen.
6Het extra werkingsbudget per school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs en per school voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs voor het schooljaar in kwestie is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal bijkomende regelmatige leerlingen met een IAC-verslag type 2 en een IAC-verslag opleidingsvorm 1, type 2 of opleidingsvorm 2, type 2, in de school op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen in de school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs en in de school voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs met een IAC-verslag type 2 en een IAC-verslag opleidingsvorm 1, type 2 of opleidingsvorm 2, type 2 op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 met het werkingsbudget waarin is voorzien binnen de begroting, vermeld in dit artikel, gedeeld door het totale aantal bijkomende regelmatige leerlingen met een IAC-verslag type 2 en een IAC-verslag opleidingsvorm 1, type 2 of opleidingsvorm 2, type 2, op de eerste schooldag van oktober van 20TT-1 in alle scholen voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs en in alle scholen voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, ten opzichte van het aantal regelmatige leerlingen met een IAC-verslag type 2 en een IAC-verslag opleidingsvorm 1, type 2 of opleidingsvorm 2, type 2, op de eerste schooldag van februari van 20TT-1 in alle scholen voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs en in alle scholen voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.
7Het bedrag dat een school voor buitengewoon basisonderwijs of gewoon basisonderwijs per bijkomende regelmatige leerling ontvangt, kan niet hoger zijn dan 19.278 euro. Het bedrag dat een school voor buitengewoon secundair onderwijs of gewoon secundair onderwijs per bijkomende regelmatige leerling ontvangt, kan niet hoger zijn dan 26.234 euro.
8De bedragen, vermeld in het derde lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2027 geïndexeerd, voor het basisonderwijs conform artikel 85bis, §3, tweede lid, 2°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en voor het secundair onderwijs conform artikel 324, §3, tweede lid, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
9Scholen van gewoon en buitengewoon basisonderwijs en gewoon en buitengewoon secundair onderwijs die voor het schooljaar 20TT-1 – 20TT die tellen of hertellen op de eerste schooldag van oktober komen voor het schooljaar in kwestie niet in aanmerking voor het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel.
10Leerlingen die permanent onderwijs aan huis volgen als vermeld in artikel 35 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 118 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, komen niet in aanmerking voor het extra werkingsbudget, vermeld in dit artikel.
11Het extra werkingsbudget voor het schooljaar in kwestie wordt aan de schoolbesturen vóór 1 februari van het schooljaar in kwestie betaald.
+0 −27 decreet-2023-06-30/art. 20 opgeheven
1§1. Vanaf het begrotingsjaar 2023 kan de Vlaamse Regering jaarlijks per schooljaar, startend met het schooljaar 2023-2024, binnen de beschikbare begrotingskredieten een extra werkingsbudget toekennen aan gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor gewoon en buitengewoon basisonderwijs en secundair onderwijs die extra capaciteit inrichten voor regelmatige leerlingen met een verslag, IAC-verslag of OV4-verslag. De toekenning gebeurt onder de volgende voorwaarden:
21° de scholen voor buitengewoon onderwijs richten het betreffende type of de betreffende combinatie van type en opleidingsvorm in hun aanbod in op het moment van de aanvraag;
32° de scholen van het gewoon of het buitengewoon onderwijs die extra capaciteit creëren voor leerlingen met een verslag, IAC-verslag of OV4-verslag hebben per type voor het basisonderwijs en per combinatie van type en opleidingsvorm, waarbij de leerlingen per type worden samengeteld over de in aanmerking komende opleidingsvormen heen, in het secundair onderwijs, ten minste 7 regelmatige leerlingen met een verslag, IAC-verslag of OV4-verslag meer op de eerste schooldag van februari van het jaar X, startend in 2024, in vergelijking met het aantal regelmatige leerlingen met een verslag, IAC-verslag of OV4-verslag van het betreffende type op de eerste schooldag van februari van het jaar X-1.
4Voor het schooljaar 2023-2024 kunnen scholen extra werkingsbudget ontvangen als ze extra capaciteit creëren voor leerlingen met een verslag of IAC-verslag van type 2 of 3 van het buitengewoon basisonderwijs en opleidingsvorm 1, type 2 of type 3 en opleidingsvorm 2, type 2 of 3 van het buitengewoon secundair onderwijs.
5De Vlaamse Regering bepaalt vanaf het schooljaar 2024-2025, in functie van de bestaande capaciteitstekorten voor leerlingen met een verslag, IAC- verslag of een OV4-verslag, welke types en welke combinaties van types en opleidingsvormen in aanmerking komen voor extra werkingsbudget.
6De Vlaamse Regering kan, in functie van de bestaande capaciteitstekorten voor leerlingen met een verslag, IAC-verslag of een OV4-verslag, een prioritering tussen de types en de combinaties van types en opleidingsvormen bepalen, alsook een prioritering voor een onderwijsniveau;
73° de scholen die tellen of hertellen op de eerste schooldag van oktober van het jaar X-1 komen niet in aanmerking voor extra werkingsbudget;
84° de leerlingen die permanent onderwijs aan huis volgen op de eerste schooldag van februari van het jaar X kunnen niet meegeteld worden voor het bekomen van het vereiste aantal van minimum 7 bijkomende leerlingen per type of combinatie van type en opleidingsvorm in vergelijking met het aantal op de eerste schooldag van februari van het schooljaar X-1;
95° de scholen dienen tegen uiterlijk 15 juni of op de eerstvolgende werkdag als 15 juni in een weekend valt, van het jaar X-1 een aanvraag in waarin de beoogde bijkomende capaciteit wordt vermeld die zal worden ingericht vanaf de eerste schooldag van september van het jaar X-1. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap stellen daarvoor een digitaal aanvraagformulier ter beschikking;
106° in voorkomend geval, worden de scholen conform de aanvraag, vermeld in punt 5°, gerangschikt volgens de prioritering van de types en de combinaties van types en opleidingsvormen, alsook volgens de prioritering van een onderwijsniveau als vermeld in punt 2°;
117° de school is gelegen in een onderwijszone als vermeld in artikel 53 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 waar zich een capaciteitstekort voordoet voor leerlingen met een verslag, IAC-verslag of OV4-verslag voor de in aanmerking komende types of combinaties van types en opleidingsvormen, vermeld in punt 2°. De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap bepalen jaarlijks voor de in aanmerking komende types of combinaties van types en opleidingsvormen een rangorde per type, van de onderwijszones waarin zich een capaciteitstekort stelt door rekening te houden met ontbrekend of ontoereikend aanbod voor de in aanmerking komende types of combinaties van types en opleidingsvormen, op basis van de volgende criteria. Hierbij worden voor het secundair onderwijs de leerlingen per type samengeteld, over de in aanmerking komende opleidingsvormen heen:
12a) eerst de mismatch in absolute cijfers tussen het aantal leerlingen dat ingeschreven is in het buitengewoon onderwijs en woonachtig is in de betreffende onderwijszone (a) en het aantal leerlingen dat ingeschreven is in het buitengewoon onderwijs in een vestigingsplaats voor buitengewoon onderwijs gelegen in de betreffende onderwijszone (b), waarbij het resultaat van (b) min (a) altijd negatief moet zijn;
13b) vervolgens, bij een ex aequo van a), de procentuele uitgaande pendel tussen de woonplaats en de onderwijsplaats voor de leerlingen woonachtig in de betrokken zone, waarbij een hogere pendel tot een hogere rangschikking leidt;
148° binnen de gerangschikte onderwijszones, vermeld in punt 7°, en rekening houdend met het bepaalde in punt 6°, worden de scholen die een aanvraag indienden op hun beurt gerangschikt op basis van het beoogde aantal bijkomende inschrijvingen in verhouding tot het absoluut tekort, vermeld in punt 7°, a), in de onderwijszone voor dat type, waarbij een school die meer extra inschrijvingen realiseert gunstiger wordt gerangschikt dan een school die minder extra inschrijvingen realiseert;
159° in afwijking van punt 7° en 8° en indien er nog te besteden werkingsbudget over is nadat alle aanvragen uit zones met tekorten gehonoreerd zijn, kunnen scholen met aanvragen uit andere onderwijszones gerangschikt worden. Deze scholen worden gerangschikt op basis van de afstand, vermeld in artikel 3, 4°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, van de vestigingsplaats waar extra inschrijvingen gerealiseerd zullen worden tot de grens van de onderwijszone met tekorten. Een school met een vestigingsplaats waar extra inschrijvingen gerealiseerd zullen worden die dichter gelegen is, wordt gunstiger gerangschikt dan een school met een vestigingsplaats die verderaf gelegen is tot de grens van de onderwijszone met tekorten. Bij een ex aequo in afstand wordt de school die meer extra leerlingen inschrijft gunstiger gerangschikt dan een school die minder extra leerlingen inschrijft.
16De scholen die, rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten, gunstig gerangschikt zijn, komen in aanmerking voor extra werkingsbudget. De toewijzing van extra werkingsbudget gebeurt telkens aan de hoogst gerangschikte onderwijszone voor elk type van de hoogst gerangschikte zones tot de laagst gerangschikte zones en daarbinnen van de hoogst naar de laagst gerangschikte scholen. De scholen die niet gunstig gerangschikt zijn, krijgen een brief met de motivering waarom ze niet gunstig gerangschikt werden.
17Het extra werkingsbudget bedraagt voor het schooljaar 2023-2024 18.000 euro per extra leerling met een verslag, IAC-verslag in het basisonderwijs en
1824.00 euro per extra leerling met een verslag, IAC-verslag of OV4-verslag in het secundair onderwijs. Deze bedragen worden jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die berekend wordt conform de volgende formule:
19A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
201° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
212° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
22§2. Het extra werkingsbudget wordt aangewend voor de personeels- en werkingskosten die verbonden zijn aan de inrichting van extra capaciteit.
23§3. Een eerste schijf van 60% wordt, uiterlijk op 31 december van het jaar X-1, uitbetaald op basis van het beoogde aantal leerlingen die per type bijkomend zullen worden ingeschreven, vermeld in paragraaf 1, 5°. Het saldo van maximaal 40% wordt uiterlijk op 30 juni van het jaar X uitbetaald na verificatie van het werkelijke aantal bijkomende inschrijvingen per type op de eerste schooldag van februari van het jaar X in vergelijking met de eerste schooldag van februari van het jaar X-1.
24Indien het vooropgestelde minimum van 7 leerlingen niet wordt gehaald, wordt alle extra werkingsbudget teruggevorderd, behalve in geval van overmacht. Indien door overmacht het vooropgestelde minimum van 7 leerlingen niet wordt gehaald, wordt er uitbetaald voor het aantal leerlingen dat effectief extra is ingeschreven.
25Indien evenveel leerlingen werden ingeschreven als vooropgesteld in de aanvraag, krijgt de school het saldo volledig uitbetaald.
26Indien er meer leerlingen werden ingeschreven dan vooropgesteld in de aanvraag, wordt er uitbetaald tot het aantal leerlingen uit de aanvraag.
27Indien er minder leerlingen werden ingeschreven dan vooropgesteld in de aanvraag, maar het vooropgestelde minimum van 7 leerlingen werd bereikt, wordt berekend hoeveel de school nog als saldo moet ontvangen of hoeveel er teruggevorderd zal worden van de eerste schijf van 60%. De berekening gebeurt op basis van het aantal extra leerlingen dat daadwerkelijk extra werd ingeschreven.
+1 −1 decreet-2017-07-07/art. 5
107° Federatie Centra voor Basiseducatie: de belangenorganisatie van de centra voor basiseducatie;107° Federatie Centra voor Basiseducatie: de belangenorganisatie van de centra voor basiseducatie;
118° kamer van beroep: de kamer van beroep, vermeld in artikel 69 van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs;118° kamer van beroep: de kamer van beroep, vermeld in artikel 69 van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs;
129° leeftijdsgrens: het einde van het schooljaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd bereikt;
129° ...;
1310° lokaal onderhandelingscomité: het lokale overleg- of onderhandelingsorgaan dat bevoegd is op het vlak van arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden;1310° lokaal onderhandelingscomité: het lokale overleg- of onderhandelingsorgaan dat bevoegd is op het vlak van arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden;
1411° Medex: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen;1411° Medex: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen;
+2 −0 decreet-2017-07-07/art. 17/1 nieuw
1Als het centrumbestuur voor een tijdelijk of vastbenoemd personeelslid voor wie volgens artikel 41 van de arbeidswet van 16 maart 1971 een risico is vastgesteld, geen toepassing kan maken van de maatregelen, vermeld in artikel 42, §1, eerste lid, 1° of 2°, van de voormelde wet, moet het centrumbestuur dat personeelslid belasten met in haar toestand toelaatbare pedagogische taken of, als het personeelslid niet in het bezit is van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs, met in haar toestand toelaatbare administratieve taken in een niet-organieke betrekking in haar ambt in het centrum waar het personeelslid is aangesteld. Daarbij geldt steeds dat de afstand over de openbare weg tussen de standplaats als vermeld in artikel 31, §3 en artikel 40, §3 en de plaats van tewerkstelling waar het personeelslid wordt belast met de hiervoor vermelde taken, nooit meer dan 25 kilometer mag bedragen. Dat geldt niet als het per-soneelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden.
2Tijdens de periode waarin het personeelslid met een niet-organieke betrekking als vermeld in het eerste lid wordt belast, is het personeelslid in dienstactiviteit. Het personeelslid blijft titularis van haar betrekking, behoudt daarbij haar salaris en kan worden vervangen hetzij volgens artikel 128ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs voor de vervanging van een leraar basiseducatie, hetzij volgens de gebruikelijke vervangingsregeling voor de vervanging van ande-re ambten dan de leraar basiseducatie.
+2 −2 decreet-2017-07-07/art. 32
76° als het personeelslid zonder geldige reden zijn betrekking verlaat en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft;76° als het personeelslid zonder geldige reden zijn betrekking verlaat en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft;
87° als het personeelslid zich bevindt in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;87° als het personeelslid zich bevindt in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;
98° als het personeelslid met rustpensioen gaat wegens het bereiken van de leeftijdsgrens, tenzij het betrokken personeelslid en het centrumbestuur overeenkomen de aanstelling te verlengen, telkens met maximaal één schooljaar;
98° ...;
109° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;109° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;
1110° bij ontslag wegens dringende reden;1110° bij ontslag wegens dringende reden;
1312° als het personeelslid wordt toegelaten tot het definitieve vroegtijdige pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;1312° als het personeelslid wordt toegelaten tot het definitieve vroegtijdige pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;
1413° uiterlijk op het einde van het schooljaar. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor onbepaalde duur.1413° uiterlijk op het einde van het schooljaar. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor onbepaalde duur.
15Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens, vermeld in het eerste lid, 8°, als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Die aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 van dit decreet. Het personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur.15Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief gepensioneerde als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt kan worden aangesteld. Die aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 van dit decreet. Het personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur.
+1 −1 decreet-2017-07-07/art. 41
65° hij wordt toegelaten tot het definitieve vroegtijdige pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;65° hij wordt toegelaten tot het definitieve vroegtijdige pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;
76° hij na terugroeping in actieve dienst zonder gegronde redenen weigert de door het centrumbestuur aangewezen betrekking te bekleden;76° hij na terugroeping in actieve dienst zonder gegronde redenen weigert de door het centrumbestuur aangewezen betrekking te bekleden;
87° hij met rustpensioen gaat wegens het bereiken van de leeftijdsgrens, tenzij het betrokken personeelslid en het centrumbestuur overeenkomen de aanstelling te verlengen, telkens met maximaal één schooljaar.
87° ...
9Het ontslag wordt ter kennis gebracht van het personeelslid. Die kennisgeving kan op straffe van nietigheid alleen gebeuren hetzij met een aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van de verzending ervan, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.9Het ontslag wordt ter kennis gebracht van het personeelslid. Die kennisgeving kan op straffe van nietigheid alleen gebeuren hetzij met een aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van de verzending ervan, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.
10Het centrumbestuur motiveert het ontslag.10Het centrumbestuur motiveert het ontslag.
+1 −1 decreet-2017-07-07/art. 58
65° hij wordt toegelaten tot het definitieve vroegtijdige pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;65° hij wordt toegelaten tot het definitieve vroegtijdige pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;
76° hij na terugroeping in actieve dienst zonder gegronde redenen weigert de door het centrumbestuur aangewezen betrekking te bekleden;76° hij na terugroeping in actieve dienst zonder gegronde redenen weigert de door het centrumbestuur aangewezen betrekking te bekleden;
87° hij met rustpensioen gaat wegens het bereiken van de leeftijdsgrens, tenzij het betrokken personeelslid en het centrumbestuur overeenkomen de aanstelling te verlengen, telkens met maximaal één schooljaar.
87° ...
9Deze beëindiging wordt ter kennis gebracht van de directeur. Die kennisgeving kan op straffe van nietigheid alleen gedaan worden met een aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van de verzending ervan, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.9Deze beëindiging wordt ter kennis gebracht van de directeur. Die kennisgeving kan op straffe van nietigheid alleen gedaan worden met een aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde werkdag na de datum van de verzending ervan, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat het personeelslid die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.
10Het centrumbestuur motiveert het ontslag.10Het centrumbestuur motiveert het ontslag.
+5 −0 decreet-2017-07-07/art. 88/1 nieuw
1In afwijking van artikel 86, § 1, kan het centrumbestuur de aanstelling of benoeming beëindigen van een personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft. In afwijking van artikel 88, § 1 neemt het centrumbestuur daarbij een opzeggingstermijn in acht die maximaal 26 weken bedraagt. Het centrumbestuur en het personeelslid kunnen een kortere opzeggingstermijn overeenkomen. De opzegging wordt gemotiveerd.
2Met behoud van de toepassing van het eerste lid, kan het personeelslid bij het voltooien van de opzeggingstermijn voortwerken tot het einde van de maand waarin het personeelslid de opzeggingstermijn volbracht heeft.
3De opzeggingstermijn, vermeld in het eerste lid, gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending.
4Het centrumbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het centrumbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn.
5Artikel 88, § 5 is niet van toepassing op een ontslag van een personeelslid dat de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt.
+10 −0 decreet-2017-07-07/art. 88/2 nieuw
1Het centrumbestuur mag de tijdelijke aanstelling of vaste benoeming van een personeelslid, met toepassing van artikel 88/1 van dit decreet, niet eenzijdig beëindigen om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening door het personeelslid volgens de geldende regelgeving van een van de volgende rechten:
21° het recht op omstandigheidsverlof naar aanleiding van de bevalling;
32° het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
43° het recht op afwezigheid voor verminderde prestaties voor zorgdoeleinden;
54° het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen;
65° het recht om een nevenactiviteit uit te oefenen, binnen de grenzen van de cumulatieregeling en de regeling rond onverenigbaarheden van het centrumbestuur;
76° het recht op een ambtswijziging of om werk met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden te vragen.
8Het verbod, vermeld in het eerste lid, gaat in op de dag van de aanvraag van een van de rechten, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van het recht op loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof dat ingaat op de dag van de geboorte van het kind.
9Het centrumbestuur deelt het personeelslid schriftelijk mee wat de redenen voor het ontslag zijn.
10Als de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan de uitoefening van een recht, als vermeld in het eerste lid, waarvan het personeelslid gebruik maakt of als er geen reden voor het ontslag is opgegeven, als vermeld in het derde lid, betaalt het centrumbestuur aan het personeelslid aanvullend op de opzegtermijn of -vergoeding een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden. Die forfaitaire vergoeding kan bij het ontslag van een personeelslid niet samen genoten worden met andere vergoedingen die in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag zijn bepaald.
+1 −5 decreet-2022-06-03-1037193/art. 24
1In afwijking van artikel 26bis/1 van hetzelfde decreet geldt de termijn voor het indienen van een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap niet voor het huisonderwijs dat wordt georganiseerd voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan . Voor die kinderen kan dus op elk moment een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.1In afwijking van artikel 26bis/1 van hetzelfde decreet geldt de termijn voor het indienen van een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap niet voor het huisonderwijs dat wordt georganiseerd voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan als die kinderen bij de start van het schooljaar minder dan één jaar geleden voor het eerst zijn gedomicilieerd in België of als die kinderen voor 1 januari 2027 twaalf jaar of ouder zijn. Voor die kinderen kan dus op elk moment een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
2Met behoud van de toepassing van het eerste lid en in afwijking van artikel 26bis/1 van hetzelfde decreet geldt voor het huisonderwijs dat gefaciliteerd en ondersteund wordt door het lokaal bestuur, vermeld in artikel 2, dat:
31° de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs ook wordt ingediend voor nog niet leerplichtige kinderen;
42° het lokaal bestuur de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs indient voor elk kind waarvoor het lokaal bestuur subsidies als vermeld in artikel 2 ontvangt om het huisonderwijs te ondersteunen en te faciliteren;
53° de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie alleen de bijhorende informatie over het huisonderwijs, vermeld in artikel 26bis/1, § 1, tweede lid, 1°, van hetzelfde decreet bevat, met uitzondering van de persoonsgegevens van de ouders, alsook de bijhorende informatie, vermeld in artikel 26bis/1, § 1, tweede lid, 4°, van hetzelfde decreet bevat.
+1 −1 decreet-2022-06-03-1037193/art. 25
1Artikel 26bis/2 tot en met 26quater van hetzelfde decreet zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat georganiseerd wordt voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan .1Artikel 26bis/2 tot en met 26quater van hetzelfde decreet zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat georganiseerd wordt voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan als die kinderen bij de start van het schooljaar minder dan één jaar geleden voor het eerst zijn gedomicilieerd in België of voor zover die kinderen voor 1 januari 2027 twaalf jaar of ouder zijn.
+1 −5 decreet-2022-06-03-1037193/art. 38
1In afwijking van artikel 110/29, § 1, van dezelfde codex geldt de termijn voor het indienen van een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap niet voor het huisonderwijs dat wordt georganiseerd voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan . Voor die kinderen kan dus op elk moment een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.1In afwijking van artikel 110/29, § 1, van dezelfde codex geldt de termijn voor het indienen van een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap niet voor het huisonderwijs dat wordt georganiseerd voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan als die kinderen bij de start van het schooljaar minder dan één jaar geleden voor het eerst zijn gedomicilieerd in België of voor zover die kinderen voor 1 januari 2027 zestien jaar of ouder zijn. Voor die kinderen kan dus op elk moment een verklaring van rechten en plichten inzake huisonderwijs ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.
2Met behoud van de toepassing van het eerste lid en in afwijking van artikel 110/29 van dezelfde codex geldt voor het huisonderwijs, vermeld in artikel 2, dat gefaciliteerd en ondersteund wordt door het lokaal bestuur dat:
31° de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over huisonderwijs ook wordt ingediend voor nog niet leerplichtige kinderen;
42° het lokaal bestuur de verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs indient voor elk kind waarvoor een lokaal bestuur subsidies als vermeld in artikel 2 ontvangt om het huisonderwijs te ondersteunen en te faciliteren;
53° de verklaring van huisonderwijs alleen de bijhorende informatie over het huisonderwijs, vermeld in artikel 110/29, § 1, eerste lid, 1°, van dezelfde codex bevat, met uitzondering van de persoonsgegevens van de ouders, alsook de bijhorende informatie, vermeld in artikel 110/29, § 1, eerste lid, 4°, van dezelfde codex.
+1 −1 decreet-2022-06-03-1037193/art. 39
1Artikel 110/30 tot en met 110/32 van dezelfde codex zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat georganiseerd wordt voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan .1Artikel 110/30 tot en met 110/32 van dezelfde codex zijn niet van toepassing op het huisonderwijs dat georganiseerd wordt voor kinderen die ressorteren onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan voor zover die kinderen bij de start van het schooljaar minder dan één jaar geleden voor het eerst gedomicilieerd waren in België of voor zover die kinderen voor 1 janu-ari 2027 de leeftijd van 16 jaar of ouder bereikt hebben.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd