§ flandrepo

Decreet over het onderwijs XXXV

Vlaamse Regering #270 Staatsblad 9 juli 2025 NUMAC 2025004955
57 artikels gewijzigd
+2 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.24
4b) nieuwe bachelor- of masteropleidingen overeenkomstig artikel II.153, §3;4b) nieuwe bachelor- of masteropleidingen overeenkomstig artikel II.153, §3;
52° een oordeel uit te brengen over het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.263;52° een oordeel uit te brengen over het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.263;
63° een oordeel uit te brengen over een vrijstelling van een equivalentievoorwaarde voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.264;
74° een oordeel uit te brengen over een afwijking op de voorwaarde tot het aanbieden van een equivalente opleiding overeenkomstig artikel II.268;
63° ...;
74° ...;
85° ...;85° ...;
96° ...;96° ...;
+2 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.151
1De bacheloren masteropleidingen die worden geselecteerd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel II.150. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Deze worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar volgend op het laatste academiejaar van de Europese erkenning of tot en met het einde van het tweede academiejaar na de verlenging van de Europese erkenning. De duur van de overgangsaccreditatie kan nooit meer dan 7 academiejaren zijn.1De bacheloren masteropleidingen die worden geselecteerd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel II.150. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen sinds de deelname van de Vlaamse instelling aan die opleiding.
2Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een bacheloren masteropleiding die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen.2Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een bacheloren masteropleiding die geselecteerd werd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multiof gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen.
3Een bachelor­ of masteropleiding die kadert binnen een ‘European Universities Initiative’ dat als pilootproject in 2019 of 2020 is goedgekeurd, of de verlengingen daarvan, wordt geacht een opleiding te zijn die is geselecteerd conform de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi­ of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld als vermeld in het eerste lid. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. De voormelde opleidingen starten uiterlijk in het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het pilootproject afloopt of waarin de verlengingen van het pilootproject aflopen. In afwijking van het eerste lid, worden deze opleidingen geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang bepaald voor de desbetreffende opleiding voor de eerste keer geheel doorlopen werd.3Een bachelor­ of masteropleiding die kadert binnen een ‘European Universities Initiative’ dat als pilootproject in 2019 of 2020 is goedgekeurd, of de verlengingen daarvan, wordt geacht een opleiding te zijn die is geselecteerd conform de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi­ of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld als vermeld in het eerste lid. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. De voormelde opleidingen starten uiterlijk in het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het pilootproject afloopt of waarin de verlengingen van het pilootproject aflopen. Die opleidingen worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang die voor de opleiding in kwestie is bepaald, voor de eerste keer volledig is doorlopen.
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.170
446° in voorkomend geval de specificatie van de graad, vermeld in artikel II.77;446° in voorkomend geval de specificatie van de graad, vermeld in artikel II.77;
457° in voorkomend geval de bijkomende titel die de houder van het diploma kan voeren, vermeld in artikel II.76;457° in voorkomend geval de bijkomende titel die de houder van het diploma kan voeren, vermeld in artikel II.76;
468° de vermelding van de onderwijstaal van de opleiding.468° de vermelding van de onderwijstaal van de opleiding;
479° in voorkomend geval de afstudeerrichtingen binnen de opleiding.
47Voor de bachelor- en de masteropleidingen geeft de eerste lijst de situatie weer van het academiejaar 2018-2019, voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs de situatie van het academiejaar 2019-2020.48Voor de bachelor- en de masteropleidingen geeft de eerste lijst de situatie weer van het academiejaar 2018-2019, voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs de situatie van het academiejaar 2019-2020.
48De Vlaamse Regering past als een gevolg van de volgende beslissingen of besluiten de lijst met de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de bachelor- en masteropleidingen die de universiteiten en hogescholen aanbieden, jaarlijks aan:49De Vlaamse Regering past als een gevolg van de volgende beslissingen of besluiten de lijst met de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de bachelor- en masteropleidingen die de universiteiten en hogescholen aanbieden, jaarlijks aan:
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.176
52° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025;52° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025;
62°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;62°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;
72°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2025-2026;
73° een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;83° een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;
84° een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;94° een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.178
21° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025;21° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025;
31°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;31°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025;
41°/2 een diploma van secundair onderwijs uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs tot en met het schooljaar 2025-2026;
42° een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;52° een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
53° een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid, of63° een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid, of
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.262
83° de gezamenlijk georganiseerde equivalente opleidingen die van de Commissie Hoger Onderwijs de toelating hebben gekregen om het volgen van de onderwijsactiviteiten te spreiden over meer dan 1 vestiging. De aanvragen tot afwijking worden door de Commissie Hoger Onderwijs behandeld overeenkomstig de procedure beschreven in artikel II.263;83° de gezamenlijk georganiseerde equivalente opleidingen die van de Commissie Hoger Onderwijs de toelating hebben gekregen om het volgen van de onderwijsactiviteiten te spreiden over meer dan 1 vestiging. De aanvragen tot afwijking worden door de Commissie Hoger Onderwijs behandeld overeenkomstig de procedure beschreven in artikel II.263;
94° de equivalente opleiding master in de ingenieurswetenschappen : biomedische ingenieurstechnieken, gezamenlijk aangeboden door de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel.94° de equivalente opleiding master in de ingenieurswetenschappen : biomedische ingenieurstechnieken, gezamenlijk aangeboden door de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel.
10De instelling kan in het kader van de procedure, vermeld in artikel II.264, een vrijstelling van de equivalentievoorwaarde aanvragen.
+1 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.263
42° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft zoals vermeld in artikel II.150, samen met het aanvraagdossier macrodoelmatigheid nieuwe opleiding zoals vermeld in artikel II.153, § 2.42° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft zoals vermeld in artikel II.150, samen met het aanvraagdossier macrodoelmatigheid nieuwe opleiding zoals vermeld in artikel II.153, § 2.
5§2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit op basis van de volgende criteria waaraan cumulatief voldaan moet worden :5§2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit op basis van de volgende criteria waaraan cumulatief voldaan moet worden :
61° binnen de Vlaamse Gemeenschap wordt een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aangeboden als vermeld in artikel II.262, § 2, tenzij er een positief oordeel is van de Commissie Hoger Onderwijs of een positieve beslissing van de Vlaamse Regering over de vrijstelling van de equivalentievoorwaarde, vermeld in artikel II.264;61° binnen de Vlaamse Gemeenschap wordt een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aangeboden als vermeld in artikel II.262, § 2;
72° de aanwezigheid van voldoende garanties inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271;72° de aanwezigheid van voldoende garanties inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271;
83° de aanwezigheid van een verantwoording die de meerwaarde voor de student en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding aantoont;83° de aanwezigheid van een verantwoording die de meerwaarde voor de student en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding aantoont;
+0 −22 codex-hoger-onderwijs/art. II.264 opgeheven
1§ 1. Een instelling of meerdere instellingen samen kan/kunnen bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde indienen voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding. Deze aanvraag, samen met het bijhorende dossier, wordt bij de Commissie Hoger Onderwijs ingediend:
21° samen met de aanvraag voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig de voorschriften vastgelegd in artikel II.263; ofwel
32° in het geval van een bestaande equivalente opleiding uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarop de instelling(en) de betrokken equivalente opleiding wil(len) stopzetten. Het aanvraagdossier stelt de Commissie Hoger Onderwijs in staat de toetsing aan de criteria, vermeld in paragraaf 2, uit te voeren.
4Samen met het aanvraagdossier wordt aan de Commissie Hoger Onderwijs een advies bezorgd van de VLIR, voor de aanvragen van de universiteiten, of de VLHORA, voor de aanvragen van de hogescholen, over de gevraagde vrijstelling van de equivalentievoorwaarde. Als het advies van de VLIR of de VLHORA niet opgenomen is in het aanvraagdossier dat aan de Commissie Hoger Onderwijs wordt bezorgd, verklaart de Commissie Hoger Onderwijs de aanvraag voor de opleiding in kwestie onontvankelijk. De Commissie Hoger Onderwijs kan binnen een termijn van 15 dagen aan de VLIR of de VLHORA verduidelijkingen vragen over het door hen geleverde advies.
5§ 2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit over de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde op basis van de volgende criteria, waaraan cumulatief voldaan moet worden :
61° de anderstalige opleiding is internationaal georiënteerd, doordat :
7a) het beheersen van algemene en specifieke beroepsgerichte competenties, samen met de vakinhoudelijke competenties niet kan worden bereikt in een Nederlandstalige opleiding;
8b) de afgestudeerden in hoofdzaak op de internationale arbeidsmarkt terechtkomen;
92° de opleiding heeft geen betrekking op het erfgoed van de Nederlandse taal of cultuur, of de afgestudeerden van de opleiding komen niet in hoge mate in aanraking met Nederlandstalige burgers;
103° de aanwezige expertise en capaciteit in Vlaanderen is te beperkt om een dubbel aanbod te creëren.
11In het geval het een aanvraag als vermeld in artikel II.264, § 1, eerste lid, 2°, betreft, geldt naast de criteria, vermeld in het eerste lid, als bijkomend criterium dat het aantal studenten in de Nederlandstalige opleiding onvoldoende is om een dubbel aanbod te creëren.
12De Commissie Hoger Onderwijs onderzoekt expliciet alle criteria, omschrijft per criterium haar bevindingen, antwoordt op alle argumenten die worden aangebracht in het aanvraagdossier en in het advies van de VLIR de VLHORA, en motiveert haar positieve of negatieve oordeel over het ingediende dossier.
13§ 3. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel uit :
141° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag van een anderstalige opleiding voor een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding : samen met het oordeel, vermeld in artikel II.263, § 3, eerste lid, 1° ;
152° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag van een anderstalige opleiding voor een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding : samen met het oordeel, vermeld in artikel II.263, § 3, eerste lid, 2° ;
163° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde betrekking heeft op de afbouw of stopzetting van een bestaande equivalente opleiding : uiterlijk op 31 januari van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de equivalente opleiding wordt afgebouwd of stopgezet.
17De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt haar oordeel aan het instellingsbestuur en aan de Vlaamse Regering.
18Bij een negatief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs kan de instelling binnen een vervaltermijn van 15 dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de beslissing van de Commissie Hoger Onderwijs, beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen een vervaltermijn van 30 dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het beroepschrift.
19Bij een positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs, tenzij de Vlaamse Regering binnen een vervaltermijn van 45 dagen, die ingaat op de dag waarop de Commissie Hoger Onderwijs haar oordeel aan de Vlaamse Regering bezorgt, alsnog negatief oordeelt, of bij een positieve beslissing van de Vlaamse Regering, wordt voor de anderstalige bachelor- of masteropleiding die in het aanvraagdossier is vermeld, van rechtswege een vrijstelling van equivalentie verleend :
201° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft : na het positief doorlopen van de procedure, vermeld in artikel II.263;
212° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft : na het positief doorlopen van de programmatieprocedure, vermeld in artikel II.153.
22Als de Commissie Hoger Onderwijs geen oordeel velt uiterlijk op de data, vermeld in deze paragraaf, of als de Vlaamse Regering geen beslissing neemt naar aanleiding van een beroepschrift op de momenten, vermeld in deze paragraaf, wordt het oordeel of de beslissing geacht negatief te zijn.
+2 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.265
43° onderzoeksmasters, vermeld in artikel II.157.43° onderzoeksmasters, vermeld in artikel II.157.
5Voor de opleidingen, vermeld in punt 1° en 2°, loopt deze afwijking door wanneer de opleiding na afloop van de erkenning wordt voortgezet.5Voor de opleidingen, vermeld in punt 1° en 2°, loopt deze afwijking door wanneer de opleiding na afloop van de erkenning wordt voortgezet.
6§2. In afwijking van artikel II.262, §2, kan de Vlaamse Regering een lijst opstellen van anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen of van anderstalige afstudeerrichtingen van initiële bachelor- of masteropleidingen die in het kader van een School of Arts worden aangeboden, waarbij niet moet voorzien worden in een equivalente opleiding.
7§3. In afwijking van artikel II.262, §2, kan een instelling voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding die gezamenlijk wordt georganiseerd met een instelling buiten de Vlaamse Gemeenschap een afwijking van de equivalentieregel vragen bij de Vlaamse Regering. De instelling dient daartoe een aanvraag in uiterlijk op 1 maart van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar dat de instelling de gezamenlijke anderstalige opleiding voor het eerst wil organiseren. In het aanvraagdossier geeft de instelling duidelijk aan dat de gezamenlijke anderstalige opleiding een gezamenlijk programma bevat, bekrachtigd wordt met een gezamenlijk diploma en dat de expertise van de opleidingsonderdelen die buiten de Vlaamse Gemeenschap georganiseerd worden, niet in Vlaamse Gemeenschap aanwezig is. De Vlaamse Regering neemt een beslissing uiterlijk op 1 juni van hetzelfde academiejaar.
6§2. ...
7§3. ...
+0 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.268
6Voor de berekening van de grenzen van 18,33% c.q. 50% worden de opleidingsonderdelen vermeld in artikel II.261, §2, 1° en 3°, niet meegerekend.6Voor de berekening van de grenzen van 18,33% c.q. 50% worden de opleidingsonderdelen vermeld in artikel II.261, §2, 1° en 3°, niet meegerekend.
7§3. Vanaf het academiejaar volgend op het academiejaar waarin de resultaten van de evaluatie beschikbaar zijn, moet de instelling een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden. Deze equivalente opleiding komt gedurende 3 academiejaren niet in aanmerking als enige equivalente opleiding in de Vlaamse Gemeenschap, als vermeld in artikel II.262.7§3. Vanaf het academiejaar volgend op het academiejaar waarin de resultaten van de evaluatie beschikbaar zijn, moet de instelling een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden. Deze equivalente opleiding komt gedurende 3 academiejaren niet in aanmerking als enige equivalente opleiding in de Vlaamse Gemeenschap, als vermeld in artikel II.262.
8Van deze voorwaarde kan afgeweken worden als de Commissie Hoger Onderwijs, op basis van een aanvraag van de instelling, oordeelt dat een dergelijke curriculumopbouw in de toekomst niet langer mogelijk is
9De eerste evaluatie heeft betrekking op de afgestudeerden in het academiejaar 2013-2014 voor de masteropleidingen met een studieomvang van 60 studiepunten en op de afgestudeerden in het academiejaar 2014-2015 voor de masteropleidingen met een studieomvang van meer dan 60 studiepunten. Voor de bacheloropleidingen heeft de eerste evaluatie betrekking op de afgestudeerden in het academiejaar 2015-2016.8De eerste evaluatie heeft betrekking op de afgestudeerden in het academiejaar 2013-2014 voor de masteropleidingen met een studieomvang van 60 studiepunten en op de afgestudeerden in het academiejaar 2014-2015 voor de masteropleidingen met een studieomvang van meer dan 60 studiepunten. Voor de bacheloropleidingen heeft de eerste evaluatie betrekking op de afgestudeerden in het academiejaar 2015-2016.
+3 −3 codex-hoger-onderwijs/art. II.355/1
1Indien de student-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij, met behoud van toepassing van artikel 1384, derde tot en met het vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de student-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.1Indien de student-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de student-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.
2De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek geldt enkel wanneer een minderjarige student-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.
2De aansprakelijkheid van titularissen van het gezag over de persoon van minderjarigen, vermeld in artikel 6.12 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als een minderjarige student-stagiair conform de gevallen, vermeld in het eerste lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. De aansprakelijkheid van personen belast met het toezicht op anderen, vermeld in artikel 6.13 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de student-stagiair conform de gevallen, vermeld in het eerste lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.
3De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.3De stagegever is een aansteller als vermeld in artikel 6.14, §1, van het Burgerlijk Wetboek.
4Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.4Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.397
3De inhoudelijk coördinerende instelling heeft als taak om de gezamenlijke organisatie van de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs in een samenwerkingsverband te coördineren. In het samenwerkingsverband wordt afgesproken welke onderwijsinstellingen een deel of het geheel van de gemeenschappelijk georganiseerde opleidingen aanbieden.3De inhoudelijk coördinerende instelling heeft als taak om de gezamenlijke organisatie van de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs in een samenwerkingsverband te coördineren. In het samenwerkingsverband wordt afgesproken welke onderwijsinstellingen een deel of het geheel van de gemeenschappelijk georganiseerde opleidingen aanbieden.
4De administratief beherende instelling is altijd een secundaire school. De cursist schrijft zich in aan de administratief beherende instelling voor de volledige opleiding. Voor de financiering, de subsidiëring en het inschrijvingsgeld gelden de vigerende decretale en regelgevende bepalingen van de administratief beherende instelling.4De administratief beherende instelling is altijd een secundaire school. De cursist schrijft zich in aan de administratief beherende instelling voor de volledige opleiding. Voor de financiering, de subsidiëring en het inschrijvingsgeld gelden de vigerende decretale en regelgevende bepalingen van de administratief beherende instelling.
5In een samenwerkingsverband tussen één hogeschool en meer scholen van het voltijds secundair onderwijs heeft de toepassing van deze paragraaf betrekking op die hogeschool en elke secundaire school afzonderlijk.
5§ 3. Binnen het samenwerkingsverband reiken de onderwijsinstellingen gezamenlijk het diploma van gegradueerde met bijbehorende kwalificatie en de deelcertificaten uit.6§ 3. Binnen het samenwerkingsverband reiken de onderwijsinstellingen gezamenlijk het diploma van gegradueerde met bijbehorende kwalificatie en de deelcertificaten uit.
7In een samenwerkingsverband tussen één hogeschool en meer scholen van het voltijds secundair onderwijs heeft de toepassing van deze paragraaf betrekking op die hogeschool en elke secundaire school afzonderlijk.
6§ 4. Een samenwerkingsverband kan samenwerken met :8§ 4. Een samenwerkingsverband kan samenwerken met :
71° een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;91° een of meer publieke verstrekkers van beroepsopleidingen voor volwassenen;
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.398
1312° het uitwerken van de communicatie(strategie) over het aanbod van de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs;1312° het uitwerken van de communicatie(strategie) over het aanbod van de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs;
1413° de organisatie van de toelatingsproef, vermeld in artikel 163, § 2, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.1413° de organisatie van de toelatingsproef, vermeld in artikel 163, § 2, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
15In een samenwerkingsverband tussen één hogeschool en meerdere scholen van het voltijds secundair onderwijs kan de vervulling van elke opdracht, vermeld in het eerste lid, betrekking hebben op elke secundaire school afzonderlijk of op meerdere secundaire scholen samen.
15De inspectie, vermeld in titel IV van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, beoordeelt in samenwerking met de accreditatieorganisatie de kwaliteit van de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs georganiseerd door het samenwerkingsverband.16De inspectie, vermeld in titel IV van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, beoordeelt in samenwerking met de accreditatieorganisatie de kwaliteit van de opleidingen Verpleegkunde en Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs georganiseerd door het samenwerkingsverband.
16De inspectie en de accreditatieorganisatie leggen hiervoor een beoordelingskader vast. Dit beoordelingskader is gebaseerd op de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1 en het referentiekader onderwijskwaliteit, vermeld in artikel 2, 16° /1, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.17De inspectie en de accreditatieorganisatie leggen hiervoor een beoordelingskader vast. Dit beoordelingskader is gebaseerd op de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1 en het referentiekader onderwijskwaliteit, vermeld in artikel 2, 16° /1, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.
+9 −6 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 17
1§1. Om als tijdelijk personeelslid te kunnen worden aangesteld moet het personeelslid op het ogenblik van de aanstelling voldoen aan volgende voorwaarden:1§1. Om als tijdelijk personeelslid te kunnen worden aangesteld moet het personeelslid op het ogenblik van de aanstelling voldoen aan volgende voorwaarden:
21° onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie is, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;21° onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie is, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;
32° de burgerlijke en politieke rechten geniet, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;32° de burgerlijke en politieke rechten geniet, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;
76°...;76°...;
87° zich kandidaat hebben gesteld op een wijze bepaald door de het college van directeurs.87° zich kandidaat hebben gesteld op een wijze bepaald door de het college van directeurs.
9§ 2. ...
9§2. In afwijking van paragraaf 1, 3°, kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
10De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, is niet mogelijk in een ambt dat of in een functie die ressorteert onder de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015.
11De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 23, eerste lid, i), vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt.
12Tijdens de voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, heeft het personeelslid recht op een salaris op basis van de laagste salarisschaal die van toepassing is voor het ambt in kwestie.
10§3. Niemand kan als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling.13§3. Niemand kan als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling.
11§4. Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur of raad van bestuur al naar gelang het geval afwijken van de in § 1, 7°, genoemde verplichting.14§4. Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur of raad van bestuur al naar gelang het geval afwijken van de in § 1, 7°, genoemde verplichting.
12§5. Onverminderd de bepalingen van dit decreet worden de leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht door de directeur geworven, op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.15§5. Onverminderd de bepalingen van dit decreet worden de leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht door de directeur geworven, op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.
13§6. Een tijdelijke aanstelling van een personeelslid dat houder is van een "ander bekwaamheidsbewijs" is in duur beperkt tot het lopende schooljaar.16§6. Een tijdelijke aanstelling van een personeelslid dat houder is van een "ander bekwaamheidsbewijs" is in duur beperkt tot het lopende schooljaar.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 4
24De bepalingen van deze titel die specifiek van toepassing zijn op een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, zijn alleen van toepassing op de personeelsleden die hun leeropdracht in die hoedanigheid uitoefenen.24De bepalingen van deze titel die specifiek van toepassing zijn op een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, zijn alleen van toepassing op de personeelsleden die hun leeropdracht in die hoedanigheid uitoefenen.
25§ 4. ...25§ 4. ...
26§ 5. In het gesubsidieerd officieel onderwijs ingericht door de gemeenten gelegen in het Vlaamse Gewest is het college van burgemeester en schepenen bevoegd voor de aanstelling, vaste benoeming, ontslag en afzetting van personeelsleden evenals voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een affectatie, een zorgkrediet en een loopbaanonderbreking. In afwijking op artikelen 58, 86 en 106 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 kunnen deze bevoegdheden niet uitgeoefend worden door de secretaris.26§ 5. In het gesubsidieerd officieel onderwijs ingericht door de gemeenten gelegen in het Vlaamse Gewest is het college van burgemeester en schepenen bevoegd voor de aanstelling, vaste benoeming, ontslag en afzetting van personeelsleden evenals voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een affectatie, een zorgkrediet en een loopbaanonderbreking. In afwijking van artikel 57 en 170 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur kunnen die bevoegdheden niet uitgeoefend worden door de algemeen directeur.
27In het gesubsidieerd officieel onderwijs ingericht door de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is het college van burgemeester en schepenen bevoegd voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een tijdelijke aanstelling, een affectatie, een zorgkrediet en een loopbaanonderbreking, voor zover die de duur van maximaal twaalf maanden niet overschrijdt.27In het gesubsidieerd officieel onderwijs ingericht door de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is het college van burgemeester en schepenen bevoegd voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een tijdelijke aanstelling, een affectatie, een zorgkrediet en een loopbaanonderbreking, voor zover die de duur van maximaal twaalf maanden niet overschrijdt.
28In afwijking van het eerste en tweede lid is de rechtspersoon die bevoegdheid draagt voor de scholengemeenschapsinstelling bevoegd voor de aanstelling en vaste benoeming van de personeelsleden van deze instelling, evenals voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een affectatie, een zorgkrediet en een loopbaanonderbreking.28In afwijking van het eerste en tweede lid is de rechtspersoon die bevoegdheid draagt voor de scholengemeenschapsinstelling bevoegd voor de aanstelling en vaste benoeming van de personeelsleden van deze instelling, evenals voor het toekennen van een afwezigheid, een verlof, een terbeschikkingstelling, een affectatie, een zorgkrediet en een loopbaanonderbreking.
+6 −3 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 19
1§1. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld, als hij op het ogenblik van de aanstelling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel V.45, 1° en 2°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, artikel 18, §1, 1° en 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 73, §1, 1° en 2°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, artikel 35, §1, 1° en 2°, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten, artikel 66, 1°, 2° en 6°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 33, eerste lid, 1°, a) en b), van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, artikel 24 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding of van artikel 106, §1, 1°, a) en b), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en daarenboven :1§1. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld, als hij op het ogenblik van de aanstelling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel V.45, 1° en 2°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, artikel 18, §1, 1° en 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 73, §1, 1° en 2°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, artikel 35, §1, 1° en 2°, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten, artikel 66, 1°, 2° en 6°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 33, eerste lid, 1°, a) en b), van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, artikel 24 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding of van artikel 106, §1, 1°, a) en b), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en daarenboven :
21° houder is van een bekwaamheidsbewijs voor het ambt, zoals bedoeld in artikel 5, 8°;21° houder is van een bekwaamheidsbewijs voor het ambt, zoals bedoeld in artikel 5, 8°;
32° voldoet aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 19bis tot en met 19quinquies;32° voldoet aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 19bis tot en met 19quinquies;
43° van onberispelijk gedrag is, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan een maand tevoren werd afgegeven.43° van onberispelijk gedrag is, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan een maand tevoren werd afgegeven.
5§2. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling.5§2. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling.
6§ 3. ...
6§3. In afwijking van paragraaf 1, 1°, kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
7De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, is niet mogelijk in een ambt dat of in een functie die ressorteert onder de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015.
8De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 21, §1, eerste lid, h), vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt.
9Tijdens de voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, heeft het personeelslid recht op een salaris op basis van de laagste salarisschaal die van toepassing is voor het ambt in kwestie.
+1 −1 decreet-2007-06-15/art. 65
4§ 2. In de overeenkomst van een overheveling van een structuuronderdeel die door beide centrumbesturen moet worden ondertekend, wordt de overdracht van leraarsuren en/of punten geregeld.4§ 2. In de overeenkomst van een overheveling van een structuuronderdeel die door beide centrumbesturen moet worden ondertekend, wordt de overdracht van leraarsuren en/of punten geregeld.
5§ 3. Elke overheveling zal het voorwerp uitmaken van onderhandeling in het lokaal comité van zowel het overhevelende als het ontvangende centrum voor volwassenenonderwijs.5§ 3. Elke overheveling zal het voorwerp uitmaken van onderhandeling in het lokaal comité van zowel het overhevelende als het ontvangende centrum voor volwassenenonderwijs.
6§ 4. Voor de subsidiëring of financiering wordt de overdracht van leraarsuren en/of punten, zoals bedoeld in paragraaf 2, geacht reeds tijdens de voorgaande referteperiode te hebben plaatsgevonden.
6§ 4. ...
+2 −2 decreet-2007-06-15/art. 85
19Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij :19Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij :
201° FP = ongewogen financieringspunt;201° FP = ongewogen financieringspunt;
212° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs ;212° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4;
223° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist.223° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist.
23De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50.23De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 is 2,50.
24De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50.24De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50.
25De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat.25De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat.
+2 −2 decreet-2007-06-15/art. 87
19De coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting is 1,40.19De coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting is 1,40.
20Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij :20Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij :
211° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs ;211° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4;
222° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist.222° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist.
23De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50.23De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 is 2,50.
24De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50.24De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50.
25De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat.25De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat.
+2 −2 decreet-2007-06-15/art. 98
78Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij :78Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij :
791° FP = het ongewogen financieringspunt;791° FP = het ongewogen financieringspunt;
802° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs ;802° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4;
813° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist.813° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist.
82De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50.82De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 is 2,50.
83De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50.83De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50.
84De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat of diploma.84De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat of diploma.
+1 −1 decreet-2007-06-15/art. 100
7De 130 punten, vermeld in het eerste lid, worden over die volumes, vermeld in het eerste lid, verdeeld op basis van het aandeel aan gewogen financieringspunten dat per volume gemiddeld in de referteperiodes n-3 tot en met n-1 in de totaliteit van beide volumes is bereikt.7De 130 punten, vermeld in het eerste lid, worden over die volumes, vermeld in het eerste lid, verdeeld op basis van het aandeel aan gewogen financieringspunten dat per volume gemiddeld in de referteperiodes n-3 tot en met n-1 in de totaliteit van beide volumes is bereikt.
8§ 5. Een personeelslid dat op het ogenblik van de fusie tot de proeftijd is toegelaten in het ambt van directeur, wordt, na twaalf maanden effectieve prestaties vanaf zijn toelating tot de proeftijd, vastbenoemd in het ambt van directeur of in het ambt van adjunctdirecteur, naargelang hij bij de fusie al dan niet het ambt van directeur van het centrum heeft toegewezen gekregen.8§ 5. Een personeelslid dat op het ogenblik van de fusie tot de proeftijd is toegelaten in het ambt van directeur, wordt, na twaalf maanden effectieve prestaties vanaf zijn toelating tot de proeftijd, vastbenoemd in het ambt van directeur of in het ambt van adjunctdirecteur, naargelang hij bij de fusie al dan niet het ambt van directeur van het centrum heeft toegewezen gekregen.
9§ 6. Een centrum dat in de periode van 1 september 1999 tot en met 31 augustus 2007 tot stand is gekomen door fusie, behoudt, in afwijking van § 3 en § 4, jaarlijks ten minste het aantal punten dat nodig is om het volume aan betrekkingen in de ambten van bestuurs- en ondersteunend personeel, toegekend aan de betrokken centra op de vooravond van de fusie, in stand te houden.
9§ 6. ...
+2 −2 decreet-2007-06-15/art. 105
83Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij :83Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij :
841° FP = ongewogen financieringspunt;841° FP = ongewogen financieringspunt;
852° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs ;852° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4;
863° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist.863° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist.
87De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50.87De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 is 2,50.
88De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50.88De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50.
89De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat of diploma.89De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat of diploma.
+1 −1 decreet-2007-06-15/art. 113novies
142° een in het eerste lid vermelde opleiding waarvoor de cursist niet bij aanvang van zijn opleiding ingeschreven was maar waarnaar hij in de loop van zijn opleiding geheroriënteerd wordt.142° een in het eerste lid vermelde opleiding waarvoor de cursist niet bij aanvang van zijn opleiding ingeschreven was maar waarnaar hij in de loop van zijn opleiding geheroriënteerd wordt.
15§ 4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die :15§ 4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die :
161° geen houder zijn van een diploma van het secundair onderwijs en ingeschreven zijn voor geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren of Regie over het Eigen Leren, een opleiding in de leergebieden van de basiseducatie of een opleiding in de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming;161° geen houder zijn van een diploma secundair onderwijs of diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4 en ingeschreven zijn voor geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren of Regie over het Eigen Leren, een opleiding in de leergebieden van de basiseducatie of een opleiding in de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming;
172° ingeschreven zijn voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting;172° ingeschreven zijn voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting;
183° op het moment van hun inschrijving materiële hulp genieten zoals bedoeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen;183° op het moment van hun inschrijving materiële hulp genieten zoals bedoeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen;
+3 −3 decreet-2007-06-15/art. 126bis
1Voor een cursistenstage wordt een overeenkomst afgesloten tussen de onderwijsinstelling, de stagegever en de cursist-stagiair. Een cursistenstage is een vorm van opleiding buiten een lesplaats van een centrum, in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever, onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever waarbij effectieve arbeid wordt verricht met de bedoeling beroepservaring op te doen.1Voor een cursistenstage wordt een overeenkomst afgesloten tussen de onderwijsinstelling, de stagegever en de cursist-stagiair. Een cursistenstage is een vorm van opleiding buiten een lesplaats van een centrum, in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever, onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever waarbij effectieve arbeid wordt verricht met de bedoeling beroepservaring op te doen.
2Indien de cursist-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij, met behoud van toepassing van artikel 1384, derde tot en met het vijfde lid van het Burgerlijk Wetboek, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de cursist-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.2Indien de cursist-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de cursist-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.
3De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek geldt enkel wanneer een minderjarige cursist-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.
3De aansprakelijkheid van titularissen van het gezag over de persoon van minderjarigen, vermeld in artikel 6.12 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als een minderjarige cursist-stagiair conform de gevallen, vermeld in het tweede lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. De aansprakelijkheid van personen belast met het toezicht op anderen, vermeld in artikel 6.13 van het Burgerlijk Wetboek, geldt alleen als de cursist-stagiair conform de gevallen, vermeld in het tweede lid, persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.
4De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.4De stagegever is een aansteller als vermeld in artikel 6.14, §1, van het Burgerlijk Wetboek.
5Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.5Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.
+2 −1 decreet-2007-06-15/art. 128bis/1
1Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 89, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie, of met andere middelen, personeel aanwerven. Het centrumbestuur kan het voormelde principe aanwenden voor het personeel, vermeld in artikel 3 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017.1Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 89, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie, of met andere middelen, personeel aanwerven. Het centrumbestuur kan het voormelde principe aanwenden voor het personeel, vermeld in artikel 3 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017.
2De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt georganiseerd, kan niet vacant worden verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen of muteren in die betrekking.2De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt georganiseerd, kan niet vacant worden verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen of muteren in die betrekking.
3Het personeelslid dat door een centrum voor basiseducatie wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld mits toepassing van hoofdstuk 9 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. Het decreet Rechtspositie Basiseducatie is op hem van toepassing.3Het personeelslid dat door een centrum voor basiseducatie wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld mits toepassing van hoofdstuk 9 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. Het decreet Rechtspositie Basiseducatie is op hem van toepassing.
4Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen betaalt het salaris of de salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Die dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, de bijslagen, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de werkgeversbijdrage, van het centrumbestuur terug.4Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen betaalt het salaris of de salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Die dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, de bijslagen, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de werkgeversbijdrage, van het centrumbestuur terug.
5In het eerste lid wordt verstaan onder Stichting Leerpunt: de private stichting opgericht door de Vlaamse Regering bij beslissing van 16 december 2022, met ondernemingsnummer 0795.192.043.
+2 −1 decreet-2007-06-15/art. 130ter
1Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 108, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie of van andere middelen, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het meesters-, vak en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.1Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 108, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie of van andere middelen, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het meesters-, vak en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
2De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.2De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
3Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.3Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing.
4Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.4Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.
5Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het centrumbestuur terug.5Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde dienst vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het centrumbestuur terug.
6In het eerste lid wordt verstaan onder Stichting Leerpunt: de private stichting opgericht door de Vlaamse Regering bij beslissing van 16 december 2022, met ondernemingsnummer 0795.192.043.
+2 −1 decreet-2018-03-09/art. 16
21° creërend acteur;21° creërend acteur;
32° theaterregisseur;32° theaterregisseur;
43° vertolkend acteur.43° vertolkend acteur;
54° Audiomaker.
5De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden.6De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden.
6§ 2. De onderwijsdoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.7§ 2. De onderwijsdoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.
+2 −2 decreet-2018-03-09/art. 52
1Een leerling kan een individueel aangepast curriculum volgen als de directeur en de betrokken leerkrachten na overleg met de leerling en de betrokken personen motiveren dat de leerling ondanks redelijke aanpassingen onvoldoende leerwinst kan boeken in het gemeenschappelijke curriculum, als de leerling voldoet aan een van de volgende voorwaarden:1Een leerling kan een individueel aangepast curriculum volgen als de directeur en de betrokken leerkrachten na overleg met de leerling en de betrokken personen motiveren dat de leerling ondanks redelijke aanpassingen onvoldoende leerwinst kan boeken in het gemeenschappelijke curriculum, als de leerling voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
21° beschikken over een IAC-verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;21° beschikken over een IAC-verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
32° beschikken over een IACverslag als vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs ;32° beschikken over een IACverslag als vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of beschikken over een OV4-verslag als vermeld in artikel 294, §2, 2°, van de voormelde codex;
43° erkend zijn als persoon met een handicap met toepassing van een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving;43° erkend zijn als persoon met een handicap met toepassing van een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving;
54° een medisch attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de leerling een aandoening heeft die de leerling verhindert om alle leeractiviteiten in het lessenrooster te volgen. Het attest is ondertekend door een arts, psycholoog of lid van een multidisciplinair team dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.54° een medisch attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de leerling een aandoening heeft die de leerling verhindert om alle leeractiviteiten in het lessenrooster te volgen. Het attest is ondertekend door een arts, psycholoog of lid van een multidisciplinair team dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
104° de bepalingen over de evaluatie en de studiebekrachtiging, vermeld in artikel 59 tot en met 62.104° de bepalingen over de evaluatie en de studiebekrachtiging, vermeld in artikel 59 tot en met 62.
11De directeur en de betrokken leerkrachten ontwikkelen het individueel aangepast curriculum in samenspraak met de leerling en de betrokken personen, bewaken de ontwikkelingsgerichtheid en nemen de nodige pedagogische, didactische en organisatorische maatregelen. De directeur en betrokken leerkrachten kunnen een beroep doen op externe deskundigen of op de pedagogische begeleidingsdienst.11De directeur en de betrokken leerkrachten ontwikkelen het individueel aangepast curriculum in samenspraak met de leerling en de betrokken personen, bewaken de ontwikkelingsgerichtheid en nemen de nodige pedagogische, didactische en organisatorische maatregelen. De directeur en betrokken leerkrachten kunnen een beroep doen op externe deskundigen of op de pedagogische begeleidingsdienst.
12Een individueel aangepast curriculum duurt maximaal een leerjaar langer dan de graad waarin de leerling is ingeschreven. De leerling kan het leertraject niet verlengen. Bij het beëindigen van de graad reikt de academie aan de leerling een leerbewijs uit.12Een individueel aangepast curriculum duurt maximaal een leerjaar langer dan de graad of de kortlopende studierichting waarin de leerling is ingeschreven. De leerling kan het leertraject niet verlengen. Bij het beëindigen van de graad of de kortlopende studierichting reikt de academie aan de leerling een leerbewijs uit.
13De onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen het individueel aangepast curriculum op elk moment inkijken in de academie. De coëfficiënten, vermeld in artikel 67, § 3, eerste en tweede lid, zijn van toepassing als de academie het individueel aangepast curriculum niet kan voorleggen en de leerling een lessenrooster volgt dat afwijkt van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20.13De onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen het individueel aangepast curriculum op elk moment inkijken in de academie. De coëfficiënten, vermeld in artikel 67, § 3, eerste en tweede lid, zijn van toepassing als de academie het individueel aangepast curriculum niet kan voorleggen en de leerling een lessenrooster volgt dat afwijkt van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 73
1§ 1. Het schoolbestuur beslist, met toepassing van de reglementering over overleg en onderhandeling, over de aanwending van de lestijden.1§ 1. Het schoolbestuur beslist, met toepassing van de reglementering over overleg en onderhandeling, over de aanwending van de lestijden.
2Het schoolbestuur kan het totale aantal toegekende lestijden aanwenden voor de organisatie van leeractiviteiten, muzikaal begeleiden en leeractiviteiten op maat. Het schoolbestuur kan maximaal 5 % van het aantal toegekende lestijden aanwenden voor pedagogische coördinatie. 2Het schoolbestuur kan het totale aantal toegekende lestijden aanwenden voor de organisatie van leeractiviteiten, muzikaal begeleiden en leeractiviteiten op maat. Het schoolbestuur kan maximaal 5 % van het aantal toegekende lestijden aanwenden voor pedagogische coördinatie. Het resultaat van de berekening van dat percentage wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier.
3§ 2. Elke lestijd die voor leeractiviteiten aangewend wordt resulteert elke week van het schooljaar in een leeractiviteit van minstens vijftig minuten voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en ministens zestig minuten voor de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek, of minstens vijftig of zestig minuten voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding, rekening houdend met de bepalingen over de organisatie van het schooljaar, vermeld in artikel 63 en 64.3§ 2. Elke lestijd die voor leeractiviteiten aangewend wordt resulteert elke week van het schooljaar in een leeractiviteit van minstens vijftig minuten voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en ministens zestig minuten voor de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek, of minstens vijftig of zestig minuten voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding, rekening houdend met de bepalingen over de organisatie van het schooljaar, vermeld in artikel 63 en 64.
4In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen, verplaatsen of vervangen door extra-murosactiviteiten.4In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen, verplaatsen of vervangen door extra-murosactiviteiten.
+2 −1 decreet-2018-03-09/art. 82
1Het schoolbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 en 84, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie, of ten laste van de eigen middelen, personeel aanwerven.1Het schoolbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 en 84, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie, of ten laste van de eigen middelen, personeel aanwerven.
2In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel.2In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel.
3In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs.3In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs.
6Het personeelslid dat door een schoolbestuur van een academie van het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven conform het derde lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.6Het personeelslid dat door een schoolbestuur van een academie van het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven conform het derde lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.
7Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.7Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.
8In het eerste lid wordt verstaan onder Stichting Leerpunt: de private stichting opgericht door de Vlaamse Regering bij beslissing van 16 december 2022, met ondernemingsnummer 0795.192.043.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 91
1Voor het schooljaar 2018-2019 bedraagt het inschrijvingsgeld :1Voor het schooljaar 2018-2019 bedraagt het inschrijvingsgeld :
21° 307 euro;21° 307 euro;
32° 129 euro als de leerling de leeftijd van 25 jaar niet heeft bereikt of voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92, § 1 of § 2;32° 129 euro als de leerling de leeftijd van 25 jaar niet heeft bereikt op 31 december van het schooljaar in kwestie of voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92, § 1 of § 2;
43° 65 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie;43° 65 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie;
54° 42 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het betrokken schooljaar en voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92.54° 42 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het betrokken schooljaar en voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. V.79
3In afwijking van voorgaand lid, kan een personeelslid er echter toe gemachtigd worden een hem aangeboden betrekking te weigeren met behoud van het voordeel van de bepalingen van dit decreet en van de besluiten van de Vlaamse Regering getroffen ter uitvoering ervan, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden.3In afwijking van voorgaand lid, kan een personeelslid er echter toe gemachtigd worden een hem aangeboden betrekking te weigeren met behoud van het voordeel van de bepalingen van dit decreet en van de besluiten van de Vlaamse Regering getroffen ter uitvoering ervan, onder de door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden.
4§3. De hierna vermelde personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking, blijven, in afwachting van reaffectatie en wedertewerkstelling, ten bedrage van het maximum aantal uren waarvoor zij ter beschikking gesteld zijn, beschikbaar voor het uitoefenen van pedagogische taken:4§3. De hierna vermelde personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking, blijven, in afwachting van reaffectatie en wedertewerkstelling, ten bedrage van het maximum aantal uren waarvoor zij ter beschikking gesteld zijn, beschikbaar voor het uitoefenen van pedagogische taken:
5- diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens volledige ontstentenis van betrekking, indien zij de voordelen genieten die werden toegekend in het kader van rationalisatie- en programmatiemaatregelen;5- diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens volledige ontstentenis van betrekking;
6- diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens volledige ontstentenis van betrekking en een reaffectatie of wedertewerkstelling hebben aanvaard voor een gedeelte van de opdracht waarvoor zij werden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking;6- diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens volledige ontstentenis van betrekking en een reaffectatie of wedertewerkstelling hebben aanvaard voor een gedeelte van de opdracht waarvoor zij werden ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking;
7- diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking.7- diegenen die ter beschikking gesteld zijn wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking.
+0 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VII.5
+3 −1 decreet-2017-07-07/art. 27
1Een centrumbestuur kan een personeelslid tijdelijk aanstellen als het personeelslid voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 88, § 1, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, en daarenboven:1§1. Een centrumbestuur kan een personeelslid tijdelijk aanstellen als het personeelslid voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 88, § 1, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, en daarenboven:
21° van onberispelijk gedrag is, zoals blijkt uit een uittreksel van het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren is afgegeven;21° van onberispelijk gedrag is, zoals blijkt uit een uittreksel van het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren is afgegeven;
32° ...32° ...
43° voldoet aan de taalvereisten, vermeld in artikel 28 tot en met 30 van dit decreet.43° voldoet aan de taalvereisten, vermeld in artikel 28 tot en met 30 van dit decreet.
5§2. In afwijking van artikel 88, §1, 1°, c), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC). Tijdens de voorlopige tijdelijke aanstelling heeft het personeelslid recht op een salaris op basis van de laagste salarisschaal die van toepassing is voor het ambt in kwestie.
6De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 32, 1°, vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt.
+8 −7 decreet-2017-07-07/art. 76
1De ontwikkelcyclus heeft de volgende doelstellingen:1De begeleiding van de personeelsleden heeft de volgende doelstellingen:
21° het ontwikkelen van de competenties van personeelsleden ;21° de competenties van personeelsleden ontwikkelen;
32° het bereiken van de doelstellingen van het centrum ;32° de doelstellingen van het centrum bereiken;
43° het stimuleren van de jobtevredenheid van de personeelsleden;43° de jobtevredenheid van de personeelsleden stimuleren.
54° het evalueren van de prestaties van de personeelsleden.
6De ontwikkelcyclus komt tot stand door gesprekken te voeren tussen het personeelslid en de coach-evaluator, die gebaseerd zijn op het competentieprofiel en het functieprofiel.
7De Federatie Centra voor Basiseducatie maakt samen met de representatieve vakorganisaties de nodige afspraken op sectorniveau voor de organisatie van planningsgesprekken, evolutiegesprekken en evaluatiegesprekken die gebaseerd zijn op het competentie- en het functieprofiel.
5Het centrumbestuur legt regels vast voor de begeleiding van de personeelsleden. De regels waarborgen de rechten van het personeelslid.
6Op basis van de functiebeschrijving voorziet de evaluator in coaching en begeleiding voor de personeelsleden waarbij ook externen ingeschakeld kunnen worden, als dat nodig is.
7Ieder personeelslid heeft het recht om een opvolgingsgesprek aan te vragen. Van een opvolgingsgesprek kan op verzoek van zowel het personeelslid als de evaluator een verslag worden opgemaakt waarin eventueel persoons– en ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden opgenomen. Wanneer of het personeelslid of de evaluator expliciet om een opvolgingsgesprek vraagt, moet een verslag opgemaakt worden.
8Als uit de begeleiding blijkt dat er nood is aan striktere begeleiding, legt de evaluator een remediëringstraject als vermeld in artikel 81 en 83 vast.
+8 −7 decreet-2017-07-07/art. 77
1De volgende actoren spelen een rol in de ontwikkelcyclus, vermeld in artikel 80:
21° de coach-evaluator;
32° de kwaliteitsbewaker;
43° de tweede evaluator.
5De coach-evaluator werkt in het centrum waar de desbetreffende personeelsleden worden gecoacht en geëvalueerd. De planningsgesprekken, de evolutiegesprekken en de evaluatiegesprekken worden gehouden tussen het personeelslid en de coach-evaluator.1§1. De evaluator werkt in het centrum waar de personeelsleden worden geëvalueerd.
6De kwaliteitsbewaker draagt geen eindverantwoordelijkheid voor de ontwikkelcyclus, maar bewaakt de correcte opvolging van het hele proces. De kwaliteitsbewaker is een bestuurslid van het centrum. De kwaliteitsbewaker kan ook de tweede evaluator zijn.
7De tweede evaluator is de hiërarchische meerdere van de coach-evaluator. De tweede evaluator draagt de eindverantwoordelijkheid voor de bijsturingscyclus.
2Het eerste lid is niet van toepassing op de evaluator van de directeur van het centrum.
3De evaluator beschikt over de nodige competenties en vaardigheden om de evaluatieprocedure naar behoren te kunnen verzekeren.
4De evaluator van een leraar basiseducatie is in het bezit van een bewijs pedagogische bekwaamheid conform het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vaststelling van de ambten, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen in de centra voor basiseducatie.
5Voor een personeelslid dat aangesteld is in een wervingsambt met uitzondering van de stafmedewerker, is de evaluator de stafmedewerker, de adjunct-directeur of de directeur. Voor de stafmedewerker is de evaluator de adjunct-directeur of de directeur. Voor de adjunct-directeur is de evaluator de directeur en voor de directeur is de evaluator een bestuurslid van het centrum.
6De evaluatiegesprekken worden gehouden tussen het personeelslid en de evaluator.
7De evaluator draagt de eindverantwoordelijkheid van het hele proces van begeleiding, remediëring en evaluatie.
8§2. Het centrumbestuur bewaakt het correcte verloop van het hele proces van begeleiding, remediëring en evaluatie.
+0 −8 decreet-2017-07-07/art. 78 opgeheven
1§ 1. Voor de coach-evaluator gelden de volgende bepalingen:
21° de coach-evaluator is een personeelslid van het centrumbestuur waar het betrokken personeelslid werkt. Deze bepaling geldt niet voor de coach-evaluator van de directeur van het centrum;
32° de coach-evaluator van een leraar basiseducatie moet in het bezit zijn van een bewijs pedagogische bekwaamheid conform het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vaststelling van de ambten, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen in de centra voor basiseducatie.
4§ 2. Voor een personeelslid dat aangesteld is in een wervingsambt met uitzondering van de stafmedewerker, is de coach-evaluator de stafmedewerker, de adjunct-directeur of de directeur. Voor de stafmedewerker is de coach-evaluator de adjunct-directeur of de directeur. Voor de adjunct-directeur is de coach-evaluator de directeur en voor de directeur is de coach-evaluator een bestuurslid van het centrum.
5§ 3. Voor de tweede evaluator gelden de volgende bepalingen:
61° als de coach-evaluator aangesteld is in het ambt van stafmedewerker, is de tweede evaluator aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt;
72° als de coach-evaluator aangesteld is in een selectie-ambt, is de tweede evaluator aangesteld in een bevorderingsambt;
83° als de coach-evaluator aangesteld is in een bevorderingsambt, is de tweede evaluator een bestuurslid van het centrum.
+13 −6 decreet-2017-07-07/art. 79
1§ 1. De coach-evaluator en het personeelslid leggen per ambt en per centrumbestuur waar het personeelslid werkt, een geïndividualiseerde functiebeschrijving vast. Daarbij houden ze rekening met de algemene afspraken die ter uitvoering van paragraaf 3 zijn vastgelegd, met de bepalingen van het arbeidsreglement en met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst.
2De coach-evaluator is verantwoordelijk voor het opstellen of het wijzigen van een geïndividualiseerde functiebeschrijving voor ieder personeelslid. De geïndividualiseerde functiebeschrijving is gebaseerd op het functieprofiel en het competentieprofiel.1§1. De evaluator is verantwoordelijk voor het opstellen of het wijzigen van een functiebeschrijving. In de functiebeschrijving wordt rekening gehouden met al de volgende elementen:
3§ 2. De geïndividualiseerde functiebeschrijving omvat de taakdoelstellingen en de ontwikkelingsdoelstellingen. In de functiebeschrijving worden ook de centrumspecifieke doelstellingen opgenomen.
21° de algemene afspraken die ter uitvoering van paragraaf 3 zijn vastgelegd;
32° de bepalingen van het arbeidsreglement;
43° de bepalingen van de arbeidsovereenkomst.
5§2. De functiebeschrijving omvat de kerntaken en de centrumspecifieke doelststellingen.
6De kerntaken, vermeld in het eerste lid, omvatten al de volgende elementen:
71° de taken die eigen zijn aan de functie;
82° de professionalisering;
93° het overleg en de samenwerking met directie en collega’s.
4De functiebeschrijving bevat ook de rechten en plichten voor de permanente vorming. Als het personeelslid professionalisering wordt opgelegd, zijn de kosten ten laste van het centrumbestuur.10Als het personeelslid professionalisering wordt opgelegd, zijn de kosten ten laste van het centrumbestuur.
5§3. Het centrumbestuur onderhandelt over de algemene afspraken over de functiebeschrijvingen in het lokaal onderhandelingscomité. Daarbij wordt rekening gehouden met de principes, vermeld in dit hoofdstuk.11§3. Het centrumbestuur onderhandelt over de algemene afspraken over de functiebeschrijvingen in het lokaal onderhandelingscomité. In die algemene afspraken wordt rekening gehouden met de principes, vermeld in dit hoofdstuk.
6§ 4. Een opleiding tot coach-evaluator is wenselijk voor wie als coach-evaluator wordt aangesteld.
12§4. Zowel het personeelslid als de evaluator ontvangen een schriftelijk of elektronisch exemplaar van de functiebeschrijving op een manier waarbij de ontvangstdatum duidelijk is.
13§5. Als een personeelslid geen functiebeschrijving ontvangen heeft, kan het personeelslid niet geëvalueerd worden.
+0 −4 decreet-2017-07-07/art. 80 opgeheven
1§ 1. De ontwikkelcyclus kan opgedeeld worden in de volgende drie cycli:
21° de eerste ontwikkelcyclus duurt maximaal 12 maanden. Alle personeelsleden die op 1 september van een schooljaar minder dan 1 jaar dienstanciënniteit in het centrum hebben, behoren tot deze cyclus;
32° de tweede ontwikkelcyclus duurt maximaal 24 maanden. Alle personeelsleden die op 1 september van een schooljaar meer dan 12 maanden en minder dan 36 maanden dienstanciënniteit in het centrum hebben, behoren tot deze cyclus;
43° de derde ontwikkelcyclus duurt maximaal 48 maanden. Alle personeelsleden die op 1 september van een schooljaar meer dan 36 maanden dienstanciënniteit in het centrum hebben, behoren tot deze cyclus.
+7 −2 decreet-2017-07-07/art. 81
1Nadat de coach-evaluator aan een personeelslid een eerste evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft toegekend, start het centrumbestuur een bijsturingscyclus op.
2De bijsturingscyclus duurt maximaal zes maanden.
1§1. Als op basis van opvolgingsgesprekken blijkt dat er problemen zijn met de prestaties of de wijze van functioneren van een personeelslid, kan de evaluator een eerste remediëringstraject voor het personeelslid opstarten. De termijn van het eerste remediëringstraject duurt minimaal negen maanden.
2De evaluator kan de termijn, vermeld in het eerste lid, bij een tussentijdse beoordeling vroegtijdig stopzetten of verlengen.
3§2. Om het eerste remediëringstraject op te starten, wordt een document opgemaakt waarin duidelijke afspraken opgenomen zijn over de noodzakelijke persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen, de termijn van het traject en een eventuele verlenging van de termijn. De beslissing over de werkpunten en over de termijn wordt gemotiveerd. Zowel het personeelslid als de evaluator ontvangen een schriftelijk of elektronisch exemplaar van dit document op een manier waarbij de ontvangstdatum duidelijk is. De ontvangstdatum van dit document is de start van het eerste remediëringstraject.
4§3. Het eerste remediëringstraject wordt afgesloten met een evaluatiedocument dat binnen de vijftien dagen na het evaluatiegesprek aan de geëvalueerde bezorgd wordt. De evaluatie leidt tot een gemotiveerde conclusie ‘gunstig’ of ‘ongunstig’. Zowel het personeelslid als de evaluator ontvangen een schriftelijk of elektronisch exemplaar van het evaluatiedocument op een manier waarbij de ontvangstdatum duidelijk is.
5De conclusie ‘gunstig’ betekent dat de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid aan de vereisten voldoen die aan de functie verbonden zijn, en dat het remediëringstraject eindigt. De conclusie ‘ongunstig’ betekent dat de prestaties of de wijze van functioneren van het personeelslid niet aan alle vereisten voldoen die aan de functie verbonden zijn en dat er een tweede remediëringstraject nodig is.
6Tegen de conclusie ‘ongunstig’ kan een personeelslid beroep aantekenen bij de kamer van het college van beroep, vermeld in artikel 84. Dat beroep werkt niet opschortend.
7Als de kamer van het college van beroep de conclusie ‘ongunstig’ vernietigt, wordt het remediëringstraject van het personeelslid beëindigd en worden de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid geacht te voldoen aan de vereisten die aan de functie verbonden zijn. Als de kamer van het college van beroep de conclusie ‘ongunstig’ niet vernietigt, loopt het tweede remediëringstraject, vermeld in artikel 83, verder.
+0 −3 decreet-2017-07-07/art. 82 opgeheven
1Een personeelslid wordt minstens op de volgende tijdstippen geëvalueerd:
21° op het einde van de eerste en tweede ontwikkelcyclus;
32° op het einde van de bijsturingscyclus.
+6 −8 decreet-2017-07-07/art. 83
1Er wordt een evaluatiegesprek gehouden tussen het personeelslid en de coach-evaluator.
2Het evaluatiegesprek leidt altijd tot een evaluatieverslag en bevat een eindconclusie.
3Het evaluatieverslag wordt opgesteld door de coach-evaluator en ondertekend door de coach-evaluator, de kwaliteitsbewaker en het personeelslid.
4In geval van een bijsturingscyclus stelt de tweede evaluator het verslag op en wordt het verslag ondertekend door het personeelslid, de kwaliteitsbewaker en de tweede evaluator.
1§1. Als na het eerste remediëringstraject, vermeld in artikel 81, het personeelslid de conclusie ‘ongunstig’ krijgt, wordt een tweede remediëringstraject opgestart. De termijn van het tweede remediëringstraject bedraagt minimaal drie maanden.
2De termijn, vermeld in het eerste lid, kan bij een gunstige tussentijdse beoordeling vroegtijdig stopgezet worden.
3§2. Om het tweede remediëringstraject op te starten, wordt een document opgemaakt waarin duidelijke afspraken opgenomen worden over de noodzakelijke werkpunten, de acties tot verbetering en de termijn van het traject. De beslissing over de werkpunten en over de termijn wordt gemotiveerd. Zowel het personeelslid als de evaluator ontvangen daar een schriftelijk of elektronisch exemplaar van op een manier waarop de ontvangstdatum duidelijk is. De ontvangstdatum van dit document is de start van het tweede remediëringstraject.
4§3. Het tweede remediëringstraject wordt afgesloten met een evaluatie. Die evaluatie leidt tot een gemotiveerde eindconclusie ‘gunstig’ of ‘onvoldoende’. De eindconclusie ‘gunstig’ betekent dat de prestaties en de wijze van functioneren van het personeelslid aan de vereisten voldoen die aan de functie verbonden zijn en dat het remediëringstraject eindigt. De eindconclusie ‘onvoldoende’ betekent dat de prestaties of de wijze van functioneren van het personeelslid niet aan de vereisten voldoen die aan de functie verbonden zijn.
5De coach-evaluator bezorgt het evaluatieverslag aan de geëvalueerde binnen vijftien kalenderdagen na het evaluatiegesprek.5De evaluator bezorgt de eindconclusie na het tweede remediëringstraject aan de geëvalueerde binnen vijftien dagen na het evaluatiegesprek.
6Het personeelslid kan opmerkingen toevoegen aan het definitieve beschrijvende evaluatieverslag. Het personeelslid bezorgt het evaluatieverslag met zijn eventuele opmerkingen terug aan de coach-evaluator en de kwaliteitsbewaker binnen zeven kalenderdagen nadat hij het heeft ontvangen.
7Als het evaluatieverslag de eindconclusie `onvoldoende' bevat, zijn op straffe van nietigheid altijd de beroepsmogelijkheden vermeld.6Tegen de conclusie ‘onvoldoende’ kan een personeelslid beroep aantekenen bij de kamer van het college van beroep, vermeld in artikel 84. Als het evaluatieverslag de eindconclusie ‘onvoldoende’ bevat, zijn op straffe van nietigheid altijd de beroepsmogelijkheden vermeld.
8Als de kwaliteitsbewaker bij een evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' vaststelt dat de procedure niet correct verlopen is, is de evaluatie ongeldig.
+6 −5 decreet-2017-07-07/art. 84
1Tegen een evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' kan het personeelslid beroep aantekenen bij de kamer van het college van beroep.1Zowel tegen een evaluatie met conclusie ‘ongunstig’ als tegen een evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ kan het personeelslid beroep aantekenen bij de kamer van het college van beroep.
2De kamer van het college van beroep doet uitspraak over de evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' door enerzijds na te gaan of de evaluatie op een zorgvuldige en kwaliteitsvolle manier is uitgevoerd, en door anderzijds de redelijkheid van de sanctie te beoordelen.2De kamer van het college van beroep doet uitspraak over de evaluatie met conclusie ‘ongunstig’ en over de evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' door enerzijds na te gaan of de evaluatie op een zorgvuldige en kwaliteitsvolle manier is uitgevoerd, en door anderzijds de redelijkheid van de sanctie te beoordelen.
3De kamer van het college van beroep heeft de volgende bevoegdheden:3De kamer van het college van beroep heeft de volgende bevoegdheden:
41° nagaan of de procedureregels op het niveau van het centrum zijn nageleefd;41° nagaan of de procedureregels op het niveau van het centrum zijn nageleefd;
52° nagaan of de evaluatie is uitgevoerd volgens de regels en in de geest van de functiebeschrijvingen en de evaluatie;52° nagaan of de evaluatie is uitgevoerd volgens de regels en in de geest van de functiebeschrijvingen en de evaluatie;
63° oordelen of de beslissing afdoende is gemotiveerd. Dat houdt in dat de motieven de beslissing in rechte en in feite aanvaardbaar maken;63° oordelen of de beslissing afdoende is gemotiveerd. Dat houdt in dat de motieven de beslissing in rechte en in feite aanvaardbaar maken;
74° oordelen of er een redelijke verhouding bestaat tussen de feiten en de uiteindelijke beslissing om een evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' te geven;74° oordelen of er een redelijke verhouding bestaat tussen de feiten en de uiteindelijke beslissing om een evaluatie met conclusie ‘ongunstig’ of een evaluatie met eindconclusie onvoldoende’ te geven;
85° de beslissing om een evaluatie met conclusie ‘ongunstig’ te geven vernietigen;
85° de beslissing om een evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' te geven vernietigen.96° de beslissing om een evaluatie met eindconclusie `onvoldoende’ te geven vernietigen.
9De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen voor de samenstelling en de uitoefening van het mandaat van de leden van het college van beroep met dien verstande dat:10De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen voor de samenstelling en de uitoefening van het mandaat van de leden van het college van beroep met dien verstande dat:
101° de kamer wordt voorgezeten door een onafhankelijke persoon;111° de kamer wordt voorgezeten door een onafhankelijke persoon;
16De Vlaamse Regering benoemt de voorzitter en bepaalt de vergoedingen waarop hij recht heeft en bepaalt de nadere regelen voor het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep.17De Vlaamse Regering benoemt de voorzitter en bepaalt de vergoedingen waarop hij recht heeft en bepaalt de nadere regelen voor het secretariaat en de werkingskosten van het college van beroep.
17De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen voor de beroepsprocedure en voor de werking van de kamer van het college van beroep in het procedurereglement, met dien verstande dat:18De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen voor de beroepsprocedure en voor de werking van de kamer van het college van beroep in het procedurereglement, met dien verstande dat:
181° op straffe van verval het beroep ingesteld wordt binnen een termijn van twintig kalenderdagen die volgen op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag met eindconclusie `onvoldoende' door de coach-evaluator. Die termijn kan worden geschorst tijdens een vakantieperiode;191° op straffe van verval het beroep ingesteld wordt binnen een termijn van twintig kalenderdagen die volgen op de overhandiging van de kopie van het evaluatieverslag hetzij met de conclusie ‘ongunstig’, hetzij met de eindconclusie ‘onvoldoende’ door de evaluator. Die termijn kan worden geschorst tijdens een vakantieperiode;
192° het beroep de evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' opschort;202° het beroep de evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' opschort;
203° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek;213° voor het vaststellen van de redenen tot wraking van de voorzitter en de leden zal worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek;
+3 −3 decreet-2017-07-07/art. 86
1§1. Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is , kan door het centrumbestuur ontslagen worden als het in het centrum een evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen tijdens de bijsturingscyclus.1§1. Zowel het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is als dat vastbenoemd is, kan door het centrumbestuur ontslagen worden als het na het tweede remediëringstraject in het centrum een evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ heeft gekregen.
2§ 2. Het centrumbestuur ontslaat een vastbenoemd personeelslid als het in hetzelfde centrum twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie `onvoldoende', ofwel drie definitieve evaluaties met eindconclusie `onvoldoende' voor het ambt in kwestie in zijn loopbaan heeft gekregen.
2§2. ...
3§ 3. Een centrumbestuur kan een personeelslid dat vastbenoemd is in het ambt van directeur en dat voorheen vastbenoemd was in een ander ambt, na één definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' uit het ambt van directeur verwijderen.3§ 3. Een centrumbestuur kan een personeelslid dat vastbenoemd is in het ambt van directeur en dat voorheen vastbenoemd was in een ander ambt, na de definitieve evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ na het tweede remediëringstraject uit het ambt van directeur verwijderen.
4Als het personeelslid voorheen vastbenoemd was in een ambt in dat centrum, kan het zijn ambt in dat centrum opnieuw opnemen na zijn verwijdering uit het ambt van directeur. In dat geval bestaat de mogelijkheid tot afwijking van het maximumpercentage voor de vaste benoeming, vermeld in artikel 39, § 3.4Als het personeelslid voorheen vastbenoemd was in een ambt in dat centrum, kan het zijn ambt in dat centrum opnieuw opnemen na zijn verwijdering uit het ambt van directeur. In dat geval bestaat de mogelijkheid tot afwijking van het maximumpercentage voor de vaste benoeming, vermeld in artikel 39, § 3.
+0 −1 decreet-2022-06-03-1037193/art. 17 opgeheven
1In afwijking van artikel 17, § 1, 3°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 kan een personeelslid dat ressorteert onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan, ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC).
+0 −1 decreet-2022-06-03-1037193/art. 18 opgeheven
1De inrichtende macht kan het personeelslid dat ressorteert onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan, vragen aan te tonen dat het van onberispelijk gedrag is. Het personeelslid staaft dat met alle mogelijke middelen.
+0 −4 decreet-2022-06-03-1037193/art. 19 opgeheven
1De voorlopig tijdelijke aanstelling, vermeld in artikel 17, van een personeelslid voldoet aan de volgende voorwaarden:
21° de aanstelling is alleen mogelijk in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het beleids- en ondersteunend personeel, van het ondersteunend en technisch personeel en in het ambt van kinderverzorger;
32° de aanstelling is niet mogelijk in een ambt dat of in een functie die ressorteert onder de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015;
43° de aanstelling eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 23, eerste lid, i), van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt of als blijkt dat het personeelslid niet van onberispelijk gedrag is.
+0 −1 decreet-2022-06-03-1037193/art. 20 opgeheven
1In afwijking van artikel 19, § 1, 1°, van het decreet personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 kan een personeelslid dat ressorteert onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan, ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij NARIC.
+0 −1 decreet-2022-06-03-1037193/art. 21 opgeheven
1De inrichtende macht kan het personeelslid dat ressorteert onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming, naar aanleiding daarvan vragen aan te tonen dat het van onberispelijk gedrag is. Het personeelslid staaft dat met alle mogelijke middelen.
+0 −4 decreet-2022-06-03-1037193/art. 22 opgeheven
1De voorlopig tijdelijke aanstelling van een personeelslid als vermeld in artikel 20 voldoet aan de volgende voorwaarden:
21° de aanstelling is alleen mogelijk in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het beleids- en ondersteunend personeel, van het ondersteunend of technisch personeel, of in het ambt van kinderverzorger;
32° de aanstelling is niet mogelijk in een ambt dat of in een functie die ressorteert onder de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015;
43° de aanstelling eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 21, § 1, eerste lid, h), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt of als blijkt dat het personeelslid niet van onberispelijk gedrag is.
+0 −3 decreet-2022-06-03-1037193/art. 27 opgeheven
1In afwijking van artikel 73, § 1, 3°, van hetzelfde decreet heeft een schoolbestuur recht op een salaris voor het personeelslid dat in een wervingsambt voorlopig als tijdelijk personeelslid als vermeld in artikel 17 en 20 wordt aangesteld. Daarbij geldt dat:
21° voor een aanstelling in een wervingsambt van het beleids- en ondersteunend personeel de geldende regelgeving betreffende de bekwaamheidsbewijzen en de daarbij behorende salarisschalen voor het ambt in kwestie van toepassing is;
32° voor een aanstelling in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel of in het ambt van kinderverzorger de salarisschalen die verbonden zijn aan een bekwaamheidsbewijs andere, van toepassing zijn conform de geldende regelgeving voor het ambt in kwestie.
+0 −5 decreet-2022-06-03-1037193/art. 29 opgeheven
1In afwijking van artikel 88, § 1, 1°, c), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs kan een personeelslid dat ressorteert onder een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van de richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan, voorlopig tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij NARIC.
2Voor de voorlopig tijdelijke aanstelling van een personeelslid als vermeld in het eerste lid gelden de volgende bepalingen:
31° een aanstelling in de basiseducatie is alleen mogelijk in een wervingsambt als vermeld in artikel 2, 3°, b) tot en met f), van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vaststelling van de ambten, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen in de Centra voor Basiseducatie;
42° de voorlopig tijdelijke aanstelling van het personeelslid in een ambt als vermeld in het eerste lid eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 32 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt of als blijkt dat het personeelslid niet van onberispelijk gedrag is.
5Het centrumbestuur kan het personeelslid vragen aan te tonen dat het van onberispelijk gedrag is. Het personeelslid staaft dit met alle mogelijke middelen.
+0 −3 decreet-2022-06-03-1037193/art. 30 opgeheven
1In afwijking van artikel 88, § 1, 1°, c), van hetzelfde decreet heeft een centrumbestuur recht op een salaristoelage voor een personeelslid dat voorlopig als tijdelijk personeelslid als vermeld in artikel 29 wordt aangesteld. Daarbij zijn de volgende bepalingen van toepassing:
21° voor een aanstelling in een wervingsambt van de basiseducatie als vermeld in artikel 2, 3°, c) tot en met f), van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vaststelling van de ambten, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen in de Centra voor Basiseducatie is de geldende regelgeving over de bekwaamheidsbewijzen en de daarbij behorende salarisschalen voor het ambt in kwestie van toepassing;
32° voor een aanstelling in een wervingsambt als vermeld in artikel 2, 3°, b), van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering is de salarisschaal die verbonden is aan een bekwaamheidsbewijs andere van toepassing conform de geldende regelgeving voor het ambt in kwestie.
+0 −3 decreet-2022-06-03-1037193/art. 31 opgeheven
1In afwijking van artikel 106, § 1, 1°, c), van hetzelfde decreet heeft een centrumbestuur recht op een salaris of een salaristoelage voor een personeelslid dat in een wervingsambt voorlopig als tijdelijk personeelslid als vermeld in artikel 17 en 20 wordt aangesteld. Daarbij zijn de volgende bepalingen van toepassing:
21° voor een aanstelling in een wervingsambt van het ondersteunend personeel is de geldende regelgeving over de bekwaamheidsbewijzen en de daarbij behorende salarisschalen voor het ambt in kwestie van toepassing;
32° voor een aanstelling in een wervingsambt van het bestuurs -en onderwijzend personeel zijn de salarisschalen die verbonden zijn aan een bekwaamheidsbewijs andere van toepassing conform de geldende regelgeving voor het ambt in kwestie.
+0 −3 decreet-2022-06-03-1037193/art. 36 opgeheven
1In afwijking van artikel 18, § 1, 3°, van dezelfde codex heeft een schoolbestuur recht op een salaris of een salaristoelage voor een personeelslid dat in een wervingsambt voorlopig als tijdelijk personeelslid als vermeld in artikel 17 en 20 wordt aangesteld. Daarbij zijn de volgende bepalingen van toepassing:
21° voor een aanstelling in een wervingsambt van het ondersteunend personeel is de geldende regelgeving over de bekwaamheidsbewijzen en de daarbij behorende salarisschalen voor het ambt in kwestie van toepassing;
32° voor een aanstelling in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel zijn de salarisschalen die verbonden zijn aan een bekwaamheidsbewijs andere van toepassing conform de geldende regelgeving voor het ambt in kwestie.
+0 −3 decreet-2022-06-03-1037193/art. 42 opgeheven
1In afwijking van artikel 66, 3°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs heeft een schoolbestuur recht op een salaris voor het personeelslid dat in een wervingsambt voorlopig als tijdelijk personeelslid als vermeld in artikel 17 en 20 wordt aangesteld. Daarbij zijn de volgende bepalingen van toepassing:
21° voor een aanstelling in een wervingsambt van het ondersteunend personeel is de geldende regelgeving over de bekwaamheidsbewijzen en de daarbij behorende salarisschalen voor het ambt in kwestie van toepassing;
32° voor een aanstelling in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel zijn de salarisschalen die verbonden zijn aan een bekwaamheidsbewijs andere van toepassing conform de geldende regelgeving voor het ambt in kwestie.
+0 −2 decreet-2022-06-03-1037193/art. 43 opgeheven
1In afwijking van artikel 24, 1°, c), van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding heeft een bestuur recht op een salaris voor het personeelslid dat in een wervingsambt voorlopig als tijdelijk personeelslid als vermeld in artikel 17 en 20 wordt aangesteld.
2Voor een aanstelling in een wervingsambt van het technisch personeel gelden de salarisschalen die verbonden zijn aan een bekwaamheidsbewijs andere.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd