Decreet over het onderwijs XXXIV
93 artikels gewijzigd
| 1 | §1. Deze codificatie is van toepassing op de universiteiten en hogescholen. | 1 | §1. Deze codificatie is van toepassing op de universiteiten en hogescholen. |
| 2 | §2. De artikelen I.3, 4°, 6°, 7°, 11°, 14°, 15°, 16°, 17°, 18°, 19°, 20°, 22°, 23°, 24°, 25°, 46°, 48°, 49°, 56°, 64°, 66°, 67°, 68°, 70°, 74°, 76° en 78°, II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.66, II.67, II.68, II.69, II.70, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.107, II.108, II.109, II.110, II.111, II.114, II.124/1, II.133, II.141, II.143, II.150, II.152, II.153, II.153/1, II.153/2, II.153/3, II.153/4, II.153/5, II.153/6, II.154, II.170, II.170/1, II.170/14, II.170/15, II.170/16, II.170/17, II.170/18, II.172, II.174, II.176, II.177, II.178, II.179, II.180, II.181, II.182, II.183, II.184, II.185, II.189, II.190, II.191, II.192, II.193, II.194, II.195, II.196, II.197, II.198, II.199, II.200, II.201, II.202, II.207, II.208, II.209, II.210, II.211, II.212, II.213, II.214, II.215, II.216, II.217, II.218, II.219, II.223, II.224, II.225, II.226, II.227, II.228, II.229, II.230, II.231, II.232, II.233, II.234, II.235, II.236, II.237, II.238, II.239, II.240, II.241, II.242, II.243, II.244, II.245, II.246, II.247, II.251, II.252, II.377, II.390, IV.84 en IV.92 zijn van toepassing op de andere ambtshalve geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is. | 2 | §2. De artikelen I.3, 4°, 6°, 7°, 11°, 14°, 15°, 16°, 17°, 18°, 19°, 20°, 22°, 23°, 24°, 25°, 46°, 48°, 49°, 56°, 64°, 66°, 67°, 68°, 70°, 74°, 76° en 78°, II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.66, II.67, II.68, II.69, II.70, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.107, II.108, II.109, II.110, II.111, II.114, II.124/1, II.133, II.141, II.143, II.150, II.152, II.153, II.153/1, II.153/2, II.153/3, II.153/4, II.153/5, II.153/6, II.154, II.170, II.170/1, II.170/14, II.170/15, II.170/16, II.170/17, II.170/18, II.172, II.174, II.176, II.177, II.178, II.179, II.180, II.181, II.182, II.183, II.184, II.185, II.189, II.190, II.191, II.192, II.193, II.194, II.195, II.196, II.197, II.198, II.199, II.200, II.201, II.202, II.207, II.211, II.212, II.213, II.214, II.215, II.216, II.217, II.218, II.219, II.223, II.224, II.225, II.226, II.227, II.228, II.229, II.230, II.231, II.232, II.233, II.234, II.235, II.236, II.237, II.238, II.239, II.240, II.241, II.242, II.243, II.244, II.245, II.246, II.247, II.251, II.252, II.377, II.390, IV.84 en IV.92 zijn van toepassing op de andere ambtshalve geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is. |
| 3 | De bepalingen van deel 2, titel 5, hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de Vlerick Business School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de Antwerp Management School . | 3 | De bepalingen van deel 2, titel 5, hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de Vlerick Business School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de Antwerp Management School en Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.). |
| 4 | § 3. De artikelen II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.124/1, II.133, II.141, II.143, II.150, II.152, II.153, II.153/1, II.153/2, II.153/3, II.153/4, II.153/5, II.153/6, II.154, II.170, II.170/1, II.170/14, II.170/15, II.170/16, II.170/17, II.170/18, II.172, II.247, II.251, II.252 en II.377 zijn van toepassing op de geregistreerde instellingen. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is. | 4 | § 3. De artikelen II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.124/1, II.133, II.141, II.143, II.150, II.152, II.153, II.153/1, II.153/2, II.153/3, II.153/4, II.153/5, II.153/6, II.154, II.170, II.170/1, II.170/14, II.170/15, II.170/16, II.170/17, II.170/18, II.172, II.247, II.251, II.252 en II.377 zijn van toepassing op de geregistreerde instellingen. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is. |
| 5 | §4. De bepalingen van artikel I.3, 4°, 5°, 6°, 7°, 9°, 11°, 12°, 14°, 15°, 16°, 17°, 18°, 19°, 20°, 22°, 23°, 24°, 25°, 43°, 46°, 48°, 49°, 50°, 55°, 56°, 59°, 64°, 66°, 67°, 68°, 69° 70°, 74°, 75, 76° en 78°, deel 2, titel 3, hoofdstuk 3, van artikel II.174, van deel 2, titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 2, van artikel II.189, II.190, II.191 en II.192, deel 2, titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 4, deel 2, titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 1, 2 en 4, deel 2, titel 4, hoofdstuk 4, deel 2, titel 5, hoofdstuk 4, met uitzondering van artikel II.335, deel 2, titel 5, hoofdstuk 5, 6 en 7 deel 2, titel 8, hoofdstuk 5, deel 3, titel 2, hoofdstuk 7, artikel IV.84 en IV.92 deel 5, titel 4, hoofdstuk 1 zijn van toepassing op de associaties. | 5 | §4. De bepalingen van artikel I.3, 4°, 5°, 6°, 7°, 9°, 11°, 12°, 14°, 15°, 16°, 17°, 18°, 19°, 20°, 22°, 23°, 24°, 25°, 43°, 46°, 48°, 49°, 50°, 55°, 56°, 59°, 64°, 66°, 67°, 68°, 69° 70°, 74°, 75, 76° en 78°, deel 2, titel 3, hoofdstuk 3, van artikel II.174, van deel 2, titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 2, van artikel II.189, II.190, II.191 en II.192, deel 2, titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 4, deel 2, titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 1, 2 en 4, deel 2, titel 4, hoofdstuk 4, deel 2, titel 5, hoofdstuk 4, met uitzondering van artikel II.335, deel 2, titel 5, hoofdstuk 5, 6 en 7 deel 2, titel 8, hoofdstuk 5, deel 3, titel 2, hoofdstuk 7, artikel IV.84 en IV.92 deel 5, titel 4, hoofdstuk 1 zijn van toepassing op de associaties. |
| 68 | 39° kwalificatie van een graad : toevoeging die verwijst naar de voltooide opleiding of voor wat de graad van 'doctor' betreft, naar een vakgebied; | 68 | 39° kwalificatie van een graad : toevoeging die verwijst naar de voltooide opleiding of voor wat de graad van 'doctor' betreft, naar een vakgebied; |
| 69 | 40° leerkrediet : het totale pakket van studiepunten dat een student gedurende zijn studieloopbaan kan inzetten voor een inschrijving onder diplomacontract in een initiële bachelor- of masteropleiding of een opleidingsonderdeel onder creditcontract en dat naargelang het aantal studiepunten waarvoor de student zich inschrijft en welke hij verwerft, kan evolueren; | 69 | 40° leerkrediet : het totale pakket van studiepunten dat een student gedurende zijn studieloopbaan kan inzetten voor een inschrijving onder diplomacontract in een initiële bachelor- of masteropleiding of een opleidingsonderdeel onder creditcontract en dat naargelang het aantal studiepunten waarvoor de student zich inschrijft en welke hij verwerft, kan evolueren; |
| 70 | 40°/1 masterpraktijkproef: een masterproef in het verkorte traject of consecutieve traject van een educatieve masteropleiding die een meerwaarde is voor de klas- en onderwijspraktijk; | ||
| 70 | 41° masterproef : werkstuk waarmee een masteropleiding wordt voltooid. Daardoor geeft een student blijk van een analytisch en synthetisch vermogen of van een zelfstandig probleemoplossend vermogen op academisch niveau of van het vermogen tot kunstzinnige schepping. Het werkstuk weerspiegelt de algemeen kritisch-reflecterende ingesteldheid of de onderzoeksingesteldheid van de student; | 71 | 41° masterproef : werkstuk waarmee een masteropleiding wordt voltooid. Daardoor geeft een student blijk van een analytisch en synthetisch vermogen of van een zelfstandig probleemoplossend vermogen op academisch niveau of van het vermogen tot kunstzinnige schepping. Het werkstuk weerspiegelt de algemeen kritisch-reflecterende ingesteldheid of de onderzoeksingesteldheid van de student; |
| 71 | 42° onderwijsbevoegdheid : | 72 | 42° onderwijsbevoegdheid : |
| 1 | Voor de toepassing van deze codificatie wordt verstaan onder ambtshalve geregistreerde instellingen de hogescholen en de universiteiten, de instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening, bedoeld in artikel II.19, II.20 en II.21 en de erkende faculteiten der protestantse godgeleerdheid bedoeld in artikel 1, III, c), van de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van hoger onderwijs . | 1 | Voor de toepassing van deze codificatie wordt verstaan onder ambtshalve geregistreerde instellingen de hogescholen en de universiteiten, de instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening, bedoeld in artikel II.19, II.20 en II.21 en de erkende faculteiten der protestantse godgeleerdheid bedoeld in artikel 1, III, c), van de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van hoger onderwijs en Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.), vermeld in artikel III.119/1. |
| 12 | j) het Instituut voor Tropische Geneeskunde; | 12 | j) het Instituut voor Tropische Geneeskunde; |
| 13 | k) de Antwerp Management School; | 13 | k) de Antwerp Management School; |
| 14 | l) de Evangelische Theologische Faculteit in Heverlee; | 14 | l) de Evangelische Theologische Faculteit Leuven; |
| 15 | m) de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies in Brussel; | 15 | m) de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies in Brussel; |
| 16 | n) de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad; | 16 | n) de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad; |
| 1 | De Vlaamse Interuniversitaire Raad bestaat uit de volgende leden die de universiteiten vertegenwoordigen: | 1 | De Vlaamse Interuniversitaire Raad bestaat uit de volgende leden die de universiteiten vertegenwoordigen: |
| 2 | 1° de Universiteit Gent, de Katholieke Universiteit Leuven, de Vrije Universiteit Brussel, en de Universiteit Antwerpen, worden ieder vertegenwoordigd door 2 leden : de rector en een ander lid, dat door de raad van beheer of de Raad van de universiteit wordt afgevaardigd; | 2 | 1° de Universiteit Gent, de Katholieke Universiteit Leuven, de Vrije Universiteit Brussel, en de Universiteit Antwerpen, worden ieder vertegenwoordigd door 2 stemgerechtigde leden : de rector en een ander lid, dat door de raad van beheer of de Raad van de universiteit wordt afgevaardigd; |
| 3 | 2° de Universiteit Hasselt wordt vertegenwoordigd door 1 lid : de rector. | 3 | 2° de Universiteit Hasselt wordt vertegenwoordigd door 1 stemgerecht lid : de rector. |
| 4 | De universiteiten kunnen beslissen om de Raad uit te breiden met niet-stemgerechtigde leden. | ||
| 4 | De leden niet-rectoren worden aangesteld voor een periode van 4 jaar. Zij zijn herbenoembaar. Hun mandaat eindigt door de herroeping van hun voordracht door de instelling die zij vertegenwoordigen. | 5 | Het mandaat van de stemgerechtigde en niet-stemgerechtigde leden eindigt door de herroeping van hun voordracht door de instelling die zij vertegenwoordigen. |
| 1 | In de schoot van de Vlaamse Interuniversitaire Raad kiezen de leden, voor de duur van 2 jaar, 1 voorzitter, 3 ondervoorzitters en 1 secretaris. Zij zijn herkiesbaar. | 1 | In de schoot van de Vlaamse Interuniversitaire Raad kiezen de leden, voor de duur van 2 jaar, onder de leden-rectoren één voorzitter en één ondervoorzitter. |
| 2 | Vier van deze personen moeten respectievelijk de in artikel II.41, 1° genoemde instellingen vertegenwoordigen. De vijfde persoon vertegenwoordigt de in artikel II.41, 2°, genoemde instelling. |
| 1 | De Raad kan slechts beraadslagen, indien ten minste 5 van de 8 in artikel II.41 genoemde instellingen vertegenwoordigd en ten minste 6 leden van de Raad aanwezig zijn. | 1 | De Raad kan slechts beraadslagen, indien ten minste 4 van de 5 in artikel II.41 genoemde instellingen vertegenwoordigd en ten minste 6 stemgerechtigde leden van de Raad aanwezig zijn. |
| 2 | Beslissingen worden genomen met een meerderheid gevormd door twee derde van het aantal stemmen van de aanwezige leden. | 2 | Beslissingen worden genomen met een meerderheid gevormd door twee derde van het aantal stemmen van de aanwezige leden. |
| 3 | Aan voorstellen of adviezen van de Raad kunnen minderheidsnota's worden toegevoegd. | 3 | Aan voorstellen of adviezen van de Raad kunnen minderheidsnota's worden toegevoegd. |
| 1 | De Vlaamse Interuniversitaire Raad bepaalt zijn reglement van orde en zijn vestigingsplaats. De Vlaamse Regering keurt ze goed. | 1 | De Vlaamse Interuniversitaire Raad bepaalt zijn reglement van orde en zijn vestigingsplaats. |
| 1 | §1. De universiteiten, bedoeld in artikel II.2, sluiten een overeenkomst, waarbij bepaald wordt dat de werking van de Vlaamse Interuniversitaire Raad zal mogelijk gemaakt worden door jaarlijkse eigen bedragen waarvan de bedragen proportioneel zullen zijn met de door de Staat verleende werkingstoelagen. | 1 | §1. De universiteiten, bedoeld in artikel II.2, sluiten een overeenkomst, waarbij bepaald wordt dat de werking van de Vlaamse Interuniversitaire Raad zal mogelijk gemaakt worden door jaarlijkse eigen bedragen waarvan de bedragen proportioneel zullen zijn met de door de Staat verleende werkingstoelagen. |
| 2 | De overeenkomst dient gesloten voor een periode van 9 jaar. Zij wordt na deze periode telkens met 3 jaar verlengd. Ter gelegenheid van de verlenging is zij voor wijzigingen vatbaar. | ||
| 3 | De overeenkomst, alsook alle wijzigingen ervan, worden goedgekeurd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs en voor wetenschap en innovatie. | ||
| 4 | §2. De werkingsmiddelen van de Vlaamse Interuniversitaire Raad kunnen verhoogd worden door toelagen vanwege de overheid, door schenkingen en giften en door welkdanige inkomsten voortkomend uit zijn werking of zijn patrimonium. | 2 | §2. De werkingsmiddelen van de Vlaamse Interuniversitaire Raad kunnen verhoogd worden door toelagen vanwege de overheid, door schenkingen en giften en door welkdanige inkomsten voortkomend uit zijn werking of zijn patrimonium. |
| 1 | Als ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs kan de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee in het studiegebied godsdienstwetenschappen en godgeleerdheid de graden van bachelor, master en doctor verlenen. | 1 | Als ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs kan de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven in het studiegebied godsdienstwetenschappen en godgeleerdheid de graden van bachelor, master en doctor verlenen. |
| 1 | Onverminderd het aanbieden van de lerarenopleidingen, vermeld in artikel II.111, hebben de hogescholen en universiteiten die lerarenopleidingen aanbieden, en de Evangelische Theologische Faculteit, de volgende opdrachten : | 1 | Onverminderd het aanbieden van de lerarenopleidingen, vermeld in artikel II.111, hebben de hogescholen en universiteiten die lerarenopleidingen aanbieden, en de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven, de volgende opdrachten : |
| 2 | 1° mee instaan voor de verdere ontwikkeling in het professionele continuüm en de ontwikkeling van het reflectieve vermogen bij aspirant-leraren; | 2 | 1° mee instaan voor de verdere ontwikkeling in het professionele continuüm en de ontwikkeling van het reflectieve vermogen bij aspirant-leraren; |
| 3 | 2° een aanbod ontwikkelen voor professionalisering en permanente vorming, met een kwaliteitsvol en complementair team van lerarenopleiders, zeker ook op het vlak van het hebben van voldoende ervaring in het lesgeven zelf, en zo de brug slaan tussen de lerarenopleidingen, de pedagogische begeleidingsdiensten en de andere aanbieders van professionalisering voor leraren; | 3 | 2° een aanbod ontwikkelen voor professionalisering en permanente vorming, met een kwaliteitsvol en complementair team van lerarenopleiders, zeker ook op het vlak van het hebben van voldoende ervaring in het lesgeven zelf, en zo de brug slaan tussen de lerarenopleidingen, de pedagogische begeleidingsdiensten en de andere aanbieders van professionalisering voor leraren; |
| 1 | § 1. De hogescholen en/of universiteiten en/of de Evangelische Theologische Faculteitkunnen een overeenkomst sluiten over de organisatie van de lerarenopleidingen, namelijk over de onderwijs- en studieactiviteiten, de kwaliteitszorg en het gebruik van infrastructuur, zoals voorzien in artikel II.173. | 1 | § 1. De hogescholen en/of universiteiten en/of de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven kunnen een overeenkomst sluiten over de organisatie van de lerarenopleidingen, namelijk over de onderwijs- en studieactiviteiten, de kwaliteitszorg en het gebruik van infrastructuur, zoals voorzien in artikel II.173. |
| 2 | § 2. De Vlaamse Regering kan middelen toekennen voor initiatieven die de kwaliteit van de lerarenopleidingen verbeteren en/of de samenwerking tussen lerarenopleidingen bevorderen. Hiertoe zal ze ten minste om de vijf jaar de beleidsprioriteiten vastleggen. | 2 | § 2. De Vlaamse Regering kan middelen toekennen voor initiatieven die de kwaliteit van de lerarenopleidingen verbeteren en/of de samenwerking tussen lerarenopleidingen bevorderen. Hiertoe zal ze ten minste om de vijf jaar de beleidsprioriteiten vastleggen. |
| 3 | Die initiatieven kunnen georganiseerd worden door hogescholen en/of universiteiten en/of de Evangelische Theologische Faculteitdie een of meer lerarenopleidingen organiseren. | 3 | Die initiatieven kunnen georganiseerd worden door hogescholen en/of universiteiten en/of de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven die een of meer lerarenopleidingen organiseren. |
| 4 | De Vlaamse Regering stelt nadere inhoudelijke, organisatorische en procedurele regels vast voor de toekenning van de middelen. | 4 | De Vlaamse Regering stelt nadere inhoudelijke, organisatorische en procedurele regels vast voor de toekenning van de middelen. |
| 23 | Als toelatingsvoorwaarde voor een educatieve masteropleiding voor kunstvakken waarvoor de hogeschool enkel het consecutieve traject organiseert, geldt dat de student moet beschikken over een masterdiploma in het studiegebied waartoe de educatieve masteropleiding behoort. | 23 | Als toelatingsvoorwaarde voor een educatieve masteropleiding voor kunstvakken waarvoor de hogeschool enkel het consecutieve traject organiseert, geldt dat de student moet beschikken over een masterdiploma in het studiegebied waartoe de educatieve masteropleiding behoort. |
| 24 | § 6. In afwijking van paragraaf 4 kan een universiteit een educatieve masteropleiding organiseren in de vorm van een consecutief traject, als het gaat om een educatieve masteropleiding binnen het studiegebied Biomedische wetenschappen, Geneeskunde, of Sociale gezondheidswetenschappen, of als de educatieve masteropleiding volgt op een masteropleiding die een bacheloropleiding in het hoger professioneel onderwijs als algemene toelatingsvoorwaarde heeft, met toepassing van artikel II.182, § 2/1. | 24 | § 6. In afwijking van paragraaf 4 kan een universiteit een educatieve masteropleiding organiseren in de vorm van een consecutief traject, als het gaat om een educatieve masteropleiding binnen het studiegebied Biomedische wetenschappen, Geneeskunde, of Sociale gezondheidswetenschappen, of als de educatieve masteropleiding volgt op een masteropleiding die een bacheloropleiding in het hoger professioneel onderwijs als algemene toelatingsvoorwaarde heeft, met toepassing van artikel II.182, § 2/1. |
| 25 | § 7. De Evangelische Theologische Faculteit in Heverlee kan een educatieve masteropleiding voor secundair onderwijs aanbieden overeenkomstig de bepalingen, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4 van dit artikel. | 25 | § 7. De Evangelische Theologische Faculteit, Leuven kan een educatieve masteropleiding voor secundair onderwijs aanbieden overeenkomstig de bepalingen, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4 van dit artikel. |
| 1 | Vanaf het academiejaar 2025-2026 kan een masteropleiding voor basisonderwijs aangeboden worden, die gericht is op het lesgeven in het basisonderwijs en op het uitbouwen van wetenschappelijke expertise die kan worden ingezet in het basisonderwijs ter versterking van de eigen klaspraktijk, het schoolbeleid en de schoolontwikkeling. | ||
| 2 | In toepassing van artikel II.68 worden de domeinspecifieke leerresultaten van deze opleiding gezamenlijk opgesteld door de betrokken universiteiten en hogescholen en gevalideerd door de accreditatieorganisatie. | ||
| 3 | In afwijking van artikel II.59 en II.71 wordt de masteropleiding voor basisonderwijs gezamenlijk aangeboden door een universiteit en een of meer hogescholen. | ||
| 4 | De betrokken universiteit reikt het diploma en de graad van master uit in het studiegebied psychologie en pedagogische wetenschappen en in het studiegebied onderwijs. De betrokken hogeronderwijsinstellingen vragen hiervoor gezamenlijk een ‘toets nieuwe opleiding’ aan bij de accreditatieorganisatie volgens de procedure, vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3/1. De accreditatieorganisatie gaat na of er effectief sprake is van een structurele en duurzame samenwerking tussen de hogescholen en de universiteiten. De accreditatieorganisatie kan enkel een positief accreditatiebesluit verlenen als er effectief sprake is van een structurele en duurzame samenwerking. Een tweede voorwaarde is een ruime betrokkenheid van het afnemend veld bij de opmaak van het curriculum. De bepalingen in artikel II.153, §2 tot en met §6, zijn niet van toepassing op de masteropleiding voor basisonderwijs. | ||
| 5 | De Vlaamse Regering kan maximaal vijf masteropleidingen voor basisonderwijs erkennen. Elke opleiding kan op slechts één vestiging worden aangeboden én in West-Vlaanderen voor de universiteiten die daar een vestigingsplaats hebben. Bovendien hebben de hogeronderwijsinstellingen de mogelijkheid om maximaal een derde van de studiepunten van de masteropleiding in co-creatie te organiseren op de vestigingsplaatsen van de hogescholen waarmee de universiteit de masteropleiding gezamenlijk aanbiedt. | ||
| 6 | Deel 2, titel 3, hoofdstuk 5, is voor deze erkenning niet van toepassing. | ||
| 7 | De Vlaamse Regering kan een masteropleiding voor basisonderwijs erkennen na ontvangst van een positief toetsingsbesluit van de accreditatieorganisatie, vermeld in deel 2, titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3/1, onderafdeling 4. De Vlaamse Regering neemt het besluit tot erkenning van de nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van dertig dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positief toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. De opleiding krijgt een erkenning als nieuwe opleiding tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de studieomvang van de masteropleiding voor basisonderwijs voor de eerste keer geheel doorlopen werd. | ||
| 8 | De hogescholen en de universiteiten die de gezamenlijk georganiseerde masteropleiding voor basisonderwijs aanbieden, sluiten een overeenkomst die afspraken bevat omtrent het opleidingsprogramma, de wijze van administratie van de studenten en de financiële transacties tussen de instellingen. De financiering vanuit de werkingsenveloppe wordt als volgt verdeeld: de opgenomen studiepunten in een master basisonderwijs worden naar rato van de werklast verdeeld over de verschillende aanbieders, met minstens 30% voor de deelnemende hogescholen. |
| 41 | De Vlaamse Regering kan op basis van een advies van de accreditatieorganisatie de geldigheidsduur van een positief besluit over de aanvraag van een opleiding verlengen ter vrijwaring van de gelijktijdige en geclusterde organisatie van externe beoordelingen. De totale duur van de erkenning als nieuwe opleiding kan nooit meer dan acht academiejaren zijn. | 41 | De Vlaamse Regering kan op basis van een advies van de accreditatieorganisatie de geldigheidsduur van een positief besluit over de aanvraag van een opleiding verlengen ter vrijwaring van de gelijktijdige en geclusterde organisatie van externe beoordelingen. De totale duur van de erkenning als nieuwe opleiding kan nooit meer dan acht academiejaren zijn. |
| 42 | In afwijking van het derde lid bedraagt de geldigheidsduur van de positieve besluiten over de aanvragen van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die zijn verleend tijdens het academiejaar 2014-2015, zes jaar vanaf het academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur. | 42 | In afwijking van het derde lid bedraagt de geldigheidsduur van de positieve besluiten over de aanvragen van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die zijn verleend tijdens het academiejaar 2014-2015, zes jaar vanaf het academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur. |
| 43 | Een besluit van de Vlaamse Regering over de erkenning van een nieuwe bachelor of masteropleiding vervalt automatisch als het instellingsbestuur de opleiding niet start in het derde academiejaar dat volgt op de bekendmaking aan het instellingsbestuur. | ||
| 43 | § 9. Aanvragen voor nieuwe opleidingen ingediend voor 1 maart 2017 bij de Commissie Hoger Onderwijs worden erkend volgens de vereisten van artikels II.152 en II.153 zoals van toepassing voor 1 januari 2018. | 44 | § 9. Aanvragen voor nieuwe opleidingen ingediend voor 1 maart 2017 bij de Commissie Hoger Onderwijs worden erkend volgens de vereisten van artikels II.152 en II.153 zoals van toepassing voor 1 januari 2018. |
| 44 | § 10. Een universiteit die in overeenstemming met paragraaf 1 van dit artikel vóór 15 oktober 2018 een dossier ingediend heeft bij de accreditatieorganisatie voor een consecutief traject van een educatieve masteropleiding op een vestigingsplaats van een centrum voor volwassenenonderwijs kan in 2020 opnieuw een dossier indienen voor deze opleiding op de vestigingsplaats van het centrum voor volwassenenonderwijs bij de accreditatieorganisatie. | 45 | § 10. Een universiteit die in overeenstemming met paragraaf 1 van dit artikel vóór 15 oktober 2018 een dossier ingediend heeft bij de accreditatieorganisatie voor een consecutief traject van een educatieve masteropleiding op een vestigingsplaats van een centrum voor volwassenenonderwijs kan in 2020 opnieuw een dossier indienen voor deze opleiding op de vestigingsplaats van het centrum voor volwassenenonderwijs bij de accreditatieorganisatie. |
| 7 | 5° na een negatief besluit instellingsreview, voor de opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt, vermeld in artikel II.170/8, § 1, 3° ; | 7 | 5° na een negatief besluit instellingsreview, voor de opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt, vermeld in artikel II.170/8, § 1, 3° ; |
| 8 | 6° voor de graduaatsopleidingen die zijn omgevormd en erkend als nieuwe opleiding conform de procedure, vermeld in artikel II.395. | 8 | 6° voor de graduaatsopleidingen die zijn omgevormd en erkend als nieuwe opleiding conform de procedure, vermeld in artikel II.395. |
| 9 | 7° voor de anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen die de toelating kregen om georganiseerd te worden conform artikel II.263, §3, vierde lid, 1°, als de aanvraag bij de Commissie Hoger Onderwijs gebeurde na 1 september 2024. | ||
| 9 | De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma als vermeld in artikel II.171, wordt verleend op gezamenlijke aanvraag van de betrokken Vlaamse instellingsbesturen. | 10 | De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma als vermeld in artikel II.171, wordt verleend op gezamenlijke aanvraag van de betrokken Vlaamse instellingsbesturen. |
| 10 | De accreditatieaanvraag wordt ingediend uiterlijk acht maanden voor de lopende accreditatie of de erkenning als nieuwe opleiding verstrijkt. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In die termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen. | 11 | De accreditatieaanvraag wordt ingediend uiterlijk acht maanden voor de lopende accreditatie of de erkenning als nieuwe opleiding verstrijkt. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In die termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen. |
| 12 | In afwijking van het tweede lid dient er voor het gezamenlijk organiseren door meerdere hogeronderwijsinstellingen van een verkort traject van opleidingen die geaccrediteerd zijn bij elk van de betrokken instellingen geen accreditatieaanvraag te worden ingediend. | ||
| 11 | § 2. Als een instelling een negatief besluit instellingsreview heeft, dan kan de accreditatieorganisatie, in overleg met de betrokken instelling, de accreditatietermijn van de opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in de geldigheidsduur van het negatief besluit, aanpassen. In dat geval wordt ervoor gezorgd dat alle opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in deze geldigheidsduur van het negatieve besluit een nieuwe accreditatie aanvragen binnen de geldigheidsduur van dit negatief besluit. | 13 | § 2. Als een instelling een negatief besluit instellingsreview heeft, dan kan de accreditatieorganisatie, in overleg met de betrokken instelling, de accreditatietermijn van de opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in de geldigheidsduur van het negatief besluit, aanpassen. In dat geval wordt ervoor gezorgd dat alle opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in deze geldigheidsduur van het negatieve besluit een nieuwe accreditatie aanvragen binnen de geldigheidsduur van dit negatief besluit. |
| 12 | § 3. In het beoordelingskader, vermeld in artikel II.170/12, worden de vorm en de inhoud van het dossier vastgelegd dat bij de aanvraag moet worden gevoegd. | 14 | § 3. In het beoordelingskader, vermeld in artikel II.170/12, worden de vorm en de inhoud van het dossier vastgelegd dat bij de aanvraag moet worden gevoegd. |
| 7 | 5° na een negatief besluit instellingsreview, voor de opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt, vermeld in artikel II.170/8, § 1, 3° ; | 7 | 5° na een negatief besluit instellingsreview, voor de opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt, vermeld in artikel II.170/8, § 1, 3° ; |
| 8 | 6° voor de graduaatsopleidingen die zijn omgevormd en erkend als nieuwe opleiding conform de procedure, vermeld in artikel II.395. | 8 | 6° voor de graduaatsopleidingen die zijn omgevormd en erkend als nieuwe opleiding conform de procedure, vermeld in artikel II.395. |
| 9 | 7° voor de anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen die de toelating kregen om georganiseerd te worden conform artikel II.263, §3, vierde lid, 1°, als de aanvraag bij de Commissie Hoger Onderwijs gebeurde na 1 september 2024. | ||
| 9 | De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma als vermeld in artikel II.171, wordt verleend op gezamenlijke aanvraag van de betrokken Vlaamse instellingsbesturen. | 10 | De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma als vermeld in artikel II.171, wordt verleend op gezamenlijke aanvraag van de betrokken Vlaamse instellingsbesturen. |
| 10 | De accreditatieaanvraag wordt ingediend uiterlijk acht maanden voor de lopende accreditatie of de erkenning als nieuwe opleiding verstrijkt. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In die termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen. | 11 | De accreditatieaanvraag wordt ingediend uiterlijk acht maanden voor de lopende accreditatie of de erkenning als nieuwe opleiding verstrijkt. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In die termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen. |
| 12 | In afwijking van het tweede lid dient er voor het gezamenlijk organiseren door meerdere hogeronderwijsinstellingen van een verkort traject van opleidingen die geaccrediteerd zijn bij elk van de betrokken instellingen geen accreditatieaanvraag te worden ingediend. | ||
| 11 | § 2. Als een instelling een negatief besluit instellingsreview heeft, dan kan de accreditatieorganisatie, in overleg met de betrokken instelling, de accreditatietermijn van de opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in de geldigheidsduur van het negatief besluit, aanpassen. In dat geval wordt ervoor gezorgd dat alle opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in deze geldigheidsduur van het negatieve besluit een nieuwe accreditatie aanvragen binnen de geldigheidsduur van dit negatief besluit. | 13 | § 2. Als een instelling een negatief besluit instellingsreview heeft, dan kan de accreditatieorganisatie, in overleg met de betrokken instelling, de accreditatietermijn van de opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in de geldigheidsduur van het negatief besluit, aanpassen. In dat geval wordt ervoor gezorgd dat alle opleidingen waarvan de accreditatietermijn vervalt in deze geldigheidsduur van het negatieve besluit een nieuwe accreditatie aanvragen binnen de geldigheidsduur van dit negatief besluit. |
| 12 | § 3. In het beoordelingskader, vermeld in artikel II.170/12, worden de vorm en de inhoud van het dossier vastgelegd dat bij de aanvraag moet worden gevoegd. | 14 | § 3. In het beoordelingskader, vermeld in artikel II.170/12, worden de vorm en de inhoud van het dossier vastgelegd dat bij de aanvraag moet worden gevoegd. |
| 1 | § 1. De instellingen, vermeld in artikel II.19, II.20, II.21, II.105 en II.106, en de geregistreerde instellingen, vermeld in artikel II.6, vragen de accreditatie van hun opleidingen aan bij de accreditatieorganisatie. | 1 | § 1. De instellingen, vermeld in artikel II.19, II.20, II.21, II.105 en II.106, en de geregistreerde instellingen, vermeld in artikel II.6, vragen de accreditatie van hun opleidingen aan bij de accreditatieorganisatie. |
| 2 | De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma wordt verleend op gezamenlijke aanvraag van de betrokken instellingsbesturen. | 2 | De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma wordt verleend op gezamenlijke aanvraag van de betrokken instellingsbesturen. |
| 3 | De accreditatieaanvraag wordt ingediend uiterlijk vier maanden voor de geldigheid van de lopende accreditatie of de erkenning als nieuwe opleiding verstrijkt. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In de termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen. | 3 | De accreditatieaanvraag wordt ingediend uiterlijk zes maanden voor de geldigheid van de lopende accreditatie of de erkenning als nieuwe opleiding verstrijkt. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In de termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen. |
| 4 | Het instellingsbestuur vraagt een accreditatie aan binnen twee maanden na de publicatie van de externe beoordeling, vermeld in artikel II.170/17, § 1. | 4 | Het instellingsbestuur vraagt een accreditatie aan binnen twee maanden na de publicatie van de externe beoordeling, vermeld in artikel II.170/17, § 1. |
| 5 | § 2. In het beoordelingskader, vermeld in artikel II.170/17, § 1, wordt de vorm en de inhoud van het dossier vastgelegd dat bij de aanvraag moet worden gevoegd. | 5 | § 2. In het beoordelingskader, vermeld in artikel II.170/17, § 1, wordt de vorm en de inhoud van het dossier vastgelegd dat bij de aanvraag moet worden gevoegd. |
| 7 | §4. De hogescholen of de universiteiten die een gezamenlijk georganiseerde opleiding zoals bedoeld in paragraaf 1 en paragraaf 2 aanbieden, sluiten een overeenkomst die afspraken bevat omtrent het opleidingsprogramma, de wijze van administratie van de studenten en de financiële transacties tussen de instellingen. | 7 | §4. De hogescholen of de universiteiten die een gezamenlijk georganiseerde opleiding zoals bedoeld in paragraaf 1 en paragraaf 2 aanbieden, sluiten een overeenkomst die afspraken bevat omtrent het opleidingsprogramma, de wijze van administratie van de studenten en de financiële transacties tussen de instellingen. |
| 8 | §5. Universiteiten of hogescholen kunnen voor de toepassing van dit artikel besluiten de uitreiking van gezamenlijke diploma’s te differentiëren per afstudeerrichting. | 8 | §5. Universiteiten of hogescholen kunnen voor de toepassing van dit artikel besluiten de uitreiking van gezamenlijke diploma’s te differentiëren per afstudeerrichting. |
| 9 | §6. Als de aanvangsdatum van de erkenningen als nieuwe opleiding of van de accreditatie van de opleidingen die als een gezamenlijk verkort traject worden georganiseerd als vermeld in artikel II.170/9, §1, vierde lid, verschillend is, dan geldt als aanvangsdatum van de erkenning als nieuwe opleiding of van de accreditatie van dit gezamenlijk georganiseerd verkort traject de vroegste aanvangsdatum van de apart georganiseerde opleidingen van de betrokken instellingen. | ||
| 7 | De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. | 7 | De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. |
| 8 | De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met de quota, vermeld in paragraaf 4. | 8 | De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met de quota, vermeld in paragraaf 4. |
| 9 | Dubbel gerangschikte kandidaten die voor beide toelatingsexamens in aanmerking komen voor een gunstige rangschikking, worden uitsluitend gunstig gerangschikt voor de opleiding van hun keuze, vermeld in paragraaf 8. | 9 | Kandidaten die voor meerdere toelatingsexamens in aanmerking komen voor een gunstige rangschikking, worden uitsluitend gunstig gerangschikt voor de opleiding met de hoogste voorkeur, vermeld in paragraaf 8. |
| 10 | De lijst met de gunstig gerangschikte kandidaten wordt definitief bekendgemaakt uiterlijk vóór 1 augustus van het lopende jaar. | 10 | De lijst met de gunstig gerangschikte kandidaten wordt definitief bekendgemaakt uiterlijk vóór 1 augustus van het lopende jaar. |
| 11 | § 4. De startquota voor de gunstig gerangschikte kandidaten worden afzonderlijk bepaald voor de opleiding arts en tandarts op basis van beroeps- en opleidingsgerelateerde parameters. | 11 | § 4. De startquota voor de gunstig gerangschikte kandidaten worden afzonderlijk bepaald voor de opleiding arts en tandarts op basis van beroeps- en opleidingsgerelateerde parameters. |
| 39 | De examencommissie telt, voorzitter en secretaris uitgezonderd, minimaal tien en maximaal twintig leden. | 39 | De examencommissie telt, voorzitter en secretaris uitgezonderd, minimaal tien en maximaal twintig leden. |
| 40 | De leden van de examencommissie worden op zodanige wijze aangeduid uit de leden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten dat de nodige expertise aanwezig is op het vlak van de medische, de tandheelkundige en de diergeneeskundige praktijk, de inhoud van de vakken, de onderwijskunde en de psychologie | 40 | De leden van de examencommissie worden op zodanige wijze aangeduid uit de leden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten dat de nodige expertise aanwezig is op het vlak van de medische, de tandheelkundige en de diergeneeskundige praktijk, de inhoud van de vakken, de onderwijskunde en de psychologie |
| 41 | . | ||
| 42 | § 8. De examens worden op zodanige wijze georganiseerd dat studenten per academiejaar aan de toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1 en 2, en in artikel II.187/1, kunnen deelnemen. | 41 | § 8. De examens worden op zodanige wijze georganiseerd dat studenten per academiejaar aan de toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1 en 2, en in artikel II.187/1, kunnen deelnemen. |
| 43 | Kandidaten voor beide toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1 en 2, melden bij hun inschrijving uitdrukkelijk voor welke opleiding ze een voorkeur hebben. | 42 | Kandidaten voor meerdere toelatingsexamens als vermeld in paragraaf 1 en 2, en in artikel II.187/1, melden bij hun inschrijving uitdrukkelijk hun voorkeursvolgorde van de opleidingen. |
| 44 | De keuze, vermeld in het tweede lid, is bindend. Door die keuze worden kandidaten als ze voor een dubbele gunstige rangschikking in aanmerking komen, alleen opgenomen als gunstig gerangschikte kandidaat op de lijst, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, voor de opleiding van hun keuze. | 43 | De volgorde, vermeld in het tweede lid, is bindend. Door die volgorde worden kandidaten als ze voor meerdere rangschikkingen in aanmerking komen, alleen opgenomen als gunstig gerangschikte kandidaat op de lijst, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, voor de opleiding met de hoogste voorkeur. |
| 45 | § 9. Het slagen voor het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt alleen aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde als de student uiterlijk op 30 september van dat burgerlijk jaar voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178. | 44 | § 9. Het slagen voor het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt alleen aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde als de student uiterlijk op 30 september van dat burgerlijk jaar voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178. |
| 46 | § 10. De bijkomende toelatingsvoorwaarde gunstig gerangschikt zijn voor het toelatingsexamen arts of het toelatingsexamen tandarts, vermeld in paragraaf 1 en 2, geldt ook voor de inschrijving in een bachelor- of masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tand-heelkunde als de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen, of vermindering van de studieomvang, op grond van een diploma dat behaald is na een opleiding waarvoor de voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde niet van toepassing is. De voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde geldt ook in geval van een rechtstreekse diplomering als vermeld in artikel II.245. | 45 | § 10. De bijkomende toelatingsvoorwaarde gunstig gerangschikt zijn voor het toelatingsexamen arts of het toelatingsexamen tandarts, vermeld in paragraaf 1 en 2, geldt ook voor de inschrijving in een bachelor- of masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tand-heelkunde als de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen, of vermindering van de studieomvang, op grond van een diploma dat behaald is na een opleiding waarvoor de voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde niet van toepassing is. De voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde geldt ook in geval van een rechtstreekse diplomering als vermeld in artikel II.245. |
| 3 | § 2. Het toelatingsexamen dierenarts is vergelijkend van aard. | 3 | § 2. Het toelatingsexamen dierenarts is vergelijkend van aard. |
| 4 | De kandidaten die ten minste de helft van de punten behalen op elk examenonderdeel, voldoen aan de voorwaarde voor rangschikking. Kandidaten die aan deze voorwaarde voldoen, worden gerangschikt in de volgorde van de behaalde numerieke totaalscore. | 4 | De kandidaten die ten minste de helft van de punten behalen op elk examenonderdeel, voldoen aan de voorwaarde voor rangschikking. Kandidaten die aan deze voorwaarde voldoen, worden gerangschikt in de volgorde van de behaalde numerieke totaalscore. |
| 5 | De gerangschikte kandidaten met de hoogst behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het startquotum, vermeld in paragraaf 3. | 5 | De gerangschikte kandidaten met de hoogst behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het startquotum, vermeld in paragraaf 3. Kandidaten die voor meerdere toelatingsexamens in aanmerking komen voor een gunstige rangschikking, worden uitsluitend gunstig gerangschikt voor de opleiding met de hoogste voorkeur, vermeld in paragraaf 7. |
| 6 | De lijst met de gunstig gerangschikte kandidaten wordt definitief bekendgemaakt uiterlijk vóór 1 augustus van het jaar waarin het toelatingsexamen dierenarts is georganiseerd. | 6 | De lijst met de gunstig gerangschikte kandidaten wordt definitief bekendgemaakt uiterlijk vóór 1 augustus van het jaar waarin het toelatingsexamen dierenarts is georganiseerd. |
| 7 | § 3. Het startquotum voor de bacheloropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde bedraagt 240 kandidaten en is gebaseerd op beroeps- en opleidingsgerelateerde parameters. | 7 | § 3. Het startquotum voor de bacheloropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde bedraagt 240 kandidaten en is gebaseerd op beroeps- en opleidingsgerelateerde parameters. |
| 31 | § 6. De toelatingsexamens, vermeld in dit artikel en in artikel II.187, worden georganiseerd door dezelfde examencommissie, zoals omschreven in artikel II.187, § 7. | 31 | § 6. De toelatingsexamens, vermeld in dit artikel en in artikel II.187, worden georganiseerd door dezelfde examencommissie, zoals omschreven in artikel II.187, § 7. |
| 32 | § 7. De toelatingsexamens worden op zodanige wijze georganiseerd dat studenten per academiejaar aan de toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1, en in artikel II.187, §1 en §2, kunnen deelnemen. | 32 | § 7. De toelatingsexamens worden op zodanige wijze georganiseerd dat studenten per academiejaar aan de toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1, en in artikel II.187, §1 en §2, kunnen deelnemen. |
| 33 | Kandidaten voor meerdere toelatingsexamens als vermeld in paragraaf 1 en 2 en in artikel II.187/1, melden bij hun inschrijving uitdrukkelijk hun voorkeursvolgorde van de opleidingen. | ||
| 34 | De volgorde, vermeld in het tweede lid, is bindend. Door die volgorde worden kandidaten als ze voor meerdere gunstige rangschikkingen in aanmerking komen, alleen opgenomen als gunstig gerangschikte kandidaat op de lijst, vermeld in paragraaf 2, vijfde lid, voor de opleiding met de hoogste voorkeur. | ||
| 33 | § 8. De gunstige rangschikking voor het toelatingsexamen dierenarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt alleen aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde als de student uiterlijk op 30 september van dat burgerlijk jaar voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178. | 35 | § 8. De gunstige rangschikking voor het toelatingsexamen dierenarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt alleen aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde als de student uiterlijk op 30 september van dat burgerlijk jaar voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178. |
| 34 | § 9. De bijkomende toelatingsvoorwaarde van gunstige rangschikking voor het toelatingsexamen dierenarts, vermeld in paragraaf 1, geldt ook: | 36 | § 9. De bijkomende toelatingsvoorwaarde van gunstige rangschikking voor het toelatingsexamen dierenarts, vermeld in paragraaf 1, geldt ook: |
| 17 | Onverminderd de regels rond het leerkrediet heeft een student aan wie in het kader van een bepaalde opleiding geen bindende voorwaarde als vermeld in artikel II.246, §1, derde lid, §3, tweede lid, en §4, tweede en derde lid, wordt opgelegd en die in een vorig academiejaar niet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen een creditbewijs of een deliberatiecijfer heeft verworven of een tolerantie heeft ingezet, het recht om jaarlijks 72 studiepunten in die opleiding op te nemen, tenzij volgtijdelijkheid als vermeld in paragraaf 5, dat niet toelaat. | 17 | Onverminderd de regels rond het leerkrediet heeft een student aan wie in het kader van een bepaalde opleiding geen bindende voorwaarde als vermeld in artikel II.246, §1, derde lid, §3, tweede lid, en §4, tweede en derde lid, wordt opgelegd en die in een vorig academiejaar niet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen een creditbewijs of een deliberatiecijfer heeft verworven of een tolerantie heeft ingezet, het recht om jaarlijks 72 studiepunten in die opleiding op te nemen, tenzij volgtijdelijkheid als vermeld in paragraaf 5, dat niet toelaat. |
| 18 | § 7. Een student die niet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen een creditbewijs of deliberatiecijfer heeft verworven of een tolerantie heeft ingezet, schrijft zich bij een volgende inschrijving in die opleiding ten minste opnieuw in voor alle opleidingsonderdelen waarvoor hij geen creditbewijs of deliberatiecijfer heeft verworven of geen tolerantie heeft ingezet. Als het gaat om een keuzeopleidingsonderdeel of om de opleidingsonderdelen van een bepaalde afstudeerrichting of van een onderwijsvak als vermeld in artikel II.113, kan de student opteren voor een vervangend keuzeopleidingsonderdeel of voor de opleidingsonderdelen van een andere afstudeerrichting of de opleidingsonderdelen van een ander onderwijsvak, binnen de geldende afspraken van de instelling in kwestie. | 18 | § 7. Een student die niet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen een creditbewijs of deliberatiecijfer heeft verworven of een tolerantie heeft ingezet, schrijft zich bij een volgende inschrijving in die opleiding ten minste opnieuw in voor alle opleidingsonderdelen waarvoor hij geen creditbewijs of deliberatiecijfer heeft verworven of geen tolerantie heeft ingezet. Als het gaat om een keuzeopleidingsonderdeel of om de opleidingsonderdelen van een bepaalde afstudeerrichting of van een onderwijsvak als vermeld in artikel II.113, kan de student opteren voor een vervangend keuzeopleidingsonderdeel of voor de opleidingsonderdelen van een andere afstudeerrichting of de opleidingsonderdelen van een ander onderwijsvak, binnen de geldende afspraken van de instelling in kwestie. |
| 19 | Van de verplichting, vermeld in het eerste lid, kan worden afgeweken als de student kan aantonen dat er sprake is van overmacht of bijzondere individuele omstandigheden. | ||
| 56 | 20° in voorkomend geval: de bijkomende inschrijvingsvoorwaarde van het afleggen van een starttoets en de verplichte remediëring, vermeld in artikel II.188/1, die wordt opgelegd met verwijzing naar het geldende instellingsoverschrijdend reglement; | 56 | 20° in voorkomend geval: de bijkomende inschrijvingsvoorwaarde van het afleggen van een starttoets en de verplichte remediëring, vermeld in artikel II.188/1, die wordt opgelegd met verwijzing naar het geldende instellingsoverschrijdend reglement; |
| 57 | 21° de maatregelen van studievoortgangsbewaking die kunnen worden opgelegd conform artikel II.246; | 57 | 21° de maatregelen van studievoortgangsbewaking die kunnen worden opgelegd conform artikel II.246; |
| 58 | 22° de wijze waarop omgegaan wordt met overmacht en bijzondere individuele omstandigheden in het kader van de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in artikel II.246 ; | 58 | 22° de wijze waarop omgegaan wordt met overmacht en bijzondere individuele omstandigheden in het kader van de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in artikel II.246 en in artikel II.200, §7, tweede lid; |
| 59 | 23° de grens vanaf wanneer een inschrijving kan geweigerd worden in eenzelfde initiële bacheloropleiding, vermeld in artikel II.246, § 3, vierde lid; | 59 | 23° de grens vanaf wanneer een inschrijving kan geweigerd worden in eenzelfde initiële bacheloropleiding, vermeld in artikel II.246, § 3, vierde lid; |
| 60 | 24° de grens vanaf wanneer een instelling studieadvies geeft, vermeld in artikel II.246, § 10; | 60 | 24° de grens vanaf wanneer een instelling studieadvies geeft, vermeld in artikel II.246, § 10; |
| 6 | 2° 180 euro voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van het buitenlands studiebewijs uitgereikt in het hoger onderwijs; | 6 | 2° 180 euro voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van het buitenlands studiebewijs uitgereikt in het hoger onderwijs; |
| 7 | 3° 90 euro voor een onderzoek met betrekking tot de niveaugelijkwaardigheid. | 7 | 3° 90 euro voor een onderzoek met betrekking tot de niveaugelijkwaardigheid. |
| 8 | De in het vierde lid vermelde bedragen worden aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan het bedrag verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen, vreemdelingen die tijdelijke bescherming genieten op basis van de richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen en subsidiair beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag vermeerderen tot maximaal 500 euro, indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure. | 8 | De in het vierde lid vermelde bedragen worden aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan het bedrag verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen, vreemdelingen die tijdelijke bescherming genieten op basis van de richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen en subsidiair beschermden is de behandeling van de eerste erkenningsaanvraag voor een welbepaald buitenlands studiebewijs gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag vermeerderen tot maximaal 500 euro, indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure. |
| 1 | §1. Een instelling kan enkel een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden als het om opleidingsprogramma's gaat die specifiek voor buitenlandse studenten zijn ontworpen of als de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding op voldoende wijze aangetoond kunnen worden. | 1 | §1. Een instelling kan enkel een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden als het om opleidingsprogramma's gaat die specifiek voor buitenlandse studenten zijn ontworpen of als de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding op voldoende wijze aangetoond kunnen worden. |
| 2 | §2. De instelling kan een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden op voorwaarde dat er in de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding wordt aangeboden waarbij de student een opleidingstraject volledig in het Nederlands kan volgen.De opleidingsonderdelen, vermeld in artikel II.261, §2, 1° en 3°, worden hierbij buiten beschouwing gelaten. | 2 | §2. De instelling kan een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden op voorwaarde dat er in de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding wordt aangeboden waarvan de percentages van de opleidingsonderdelen die worden aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands, vermeld in artikel II.261, §3, niet worden overschreden. De opleidingsonderdelen, vermeld in artikel II.261, §2, 1° en 3°, worden niet meegeteld voor de berekening van deze grenzen. |
| 3 | Behoudens in de gevallen dat er een vrijstelling van de equivalentievoorwaarde werd verleend, moeten de studenten op elk moment de garantie hebben dat er binnen de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor-of masteropleiding wordt aangeboden. | 3 | Behoudens in de gevallen dat er een vrijstelling van de equivalentievoorwaarde werd verleend, moeten de studenten op elk moment de garantie hebben dat er binnen de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor-of masteropleiding wordt aangeboden. |
| 4 | De instellingen kunnen de equivalente initiële bachelor-of masteropleiding aanbieden als een gezamenlijk georganiseerde opleiding. Alle opleidingsonderdelen van deze gezamenlijk georganiseerde equivalente bachelor- of masteropleiding worden door de studenten op 1 vestiging gevolgd. | 4 | De instellingen kunnen de equivalente initiële bachelor-of masteropleiding aanbieden als een gezamenlijk georganiseerde opleiding. Alle opleidingsonderdelen van deze gezamenlijk georganiseerde equivalente bachelor- of masteropleiding worden door de studenten op 1 vestiging gevolgd. |
| 1 | De volgende diploma's en graden in het hoger onderwijs worden geacht rechtmatig te zijn uitgereikt door de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee (voorheen het Bijbelinstituut) of door de Universitaire Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel: | 1 | De volgende diploma's en graden in het hoger onderwijs worden geacht rechtmatig te zijn uitgereikt door de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven (voorheen het Bijbelinstituut) of door de Universitaire Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel: |
| 2 | 1° getuigschrift van studiën gedaan met het oog op het godsdienstonderricht uitgereikt na 4 jaar studie; | 2 | 1° getuigschrift van studiën gedaan met het oog op het godsdienstonderricht uitgereikt na 4 jaar studie; |
| 3 | 2° diploma voor het protestants godsdienstonderricht in de lagere graad; | 3 | 2° diploma voor het protestants godsdienstonderricht in de lagere graad; |
| 1 | § 1. Vanaf het academiejaar 2019-2020 worden de specifieke lerarenopleidingen, die georganiseerd werden aan een centrum voor volwassenenonderwijs overgedragen aan een hogeschool of universiteit. | 1 | § 1. Vanaf het academiejaar 2019-2020 worden de specifieke lerarenopleidingen, die georganiseerd werden aan een centrum voor volwassenenonderwijs overgedragen aan een hogeschool of universiteit. |
| 2 | § 2. ... | 2 | § 2. ... |
| 3 | § 3. Vanaf het academiejaar dat de Evangelische Theologische Faculteit in Heverlee een educatieve masteropleiding aanbiedt, bouwt deze instelling de specifieke lerarenopleiding die ze tot dan aangeboden heeft, af. Vanaf dat academiejaar kunnen er geen nieuwe studenten meer worden ingeschreven in de specifieke lerarenopleiding. Studenten die bij de aanvang van het academiejaar dat de Evangelische Theologische Faculteiteen educatieve masteropleiding organiseert, reeds vijftien studiepunten in de specifieke lerarenopleiding verworven hebben, hebben het recht om hun opleiding af te werken tot en met het daaropvolgend academiejaar. | 3 | § 3. Vanaf het academiejaar dat de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven een educatieve masteropleiding aanbiedt, bouwt deze instelling de specifieke lerarenopleiding die ze tot dan aangeboden heeft, af. Vanaf dat academiejaar kunnen er geen nieuwe studenten meer worden ingeschreven in de specifieke lerarenopleiding. Studenten die bij de aanvang van het academiejaar dat de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven een educatieve masteropleiding organiseert, reeds vijftien studiepunten in de specifieke lerarenopleiding verworven hebben, hebben het recht om hun opleiding af te werken tot en met het daaropvolgend academiejaar. |
| 1 | §1. Aan de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven en aan de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies te Brussel, wordt jaarlijks een subsidie toegekend voor de organisatie van de graden die zij kunnen verlenen in overeenstemming met artikel II.105 en II.106. De subsidie is een bijdrage in de dekking van de gewone uitgaven voor onderwijs, onderzoek, maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening, de financiering van investeringen, de afbetaling van leningen en voor de administratie van de faculteit, met inbegrip van de roerende uitrustingen. | 1 | §1. Aan de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven en aan de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies te Brussel, wordt jaarlijks een subsidie toegekend voor de organisatie van de graden die zij kunnen verlenen in overeenstemming met artikel II.105 en II.106. De subsidie is een bijdrage in de dekking van de gewone uitgaven voor onderwijs, onderzoek, maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening, de financiering van investeringen, de afbetaling van leningen en voor de administratie van de faculteit, met inbegrip van de roerende uitrustingen. |
| 2 | Het totale bedrag van de subsidie voor de beide instellingen bedraagt 574.000 euro. Dit bedrag wordt verhoogd met: | 2 | Het totale bedrag van de subsidie voor de beide instellingen bedraagt 574.000 euro. Dit bedrag wordt verhoogd met: |
| 3 | 1° 100.000 euro in het begrotingsjaar 2012; | 3 | 1° 100.000 euro in het begrotingsjaar 2012; |
| 5 | 3° 300.000 euro vanaf het begrotingsjaar 2014. | 5 | 3° 300.000 euro vanaf het begrotingsjaar 2014. |
| 6 | §2. In het begrotingsjaar 2012 wordt het bedrag van 574.000 euro als volgt verdeeld: | 6 | §2. In het begrotingsjaar 2012 wordt het bedrag van 574.000 euro als volgt verdeeld: |
| 7 | 1° de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven ontvangt 446.000 euro; | 7 | 1° de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven ontvangt 446.000 euro; |
| 8 | 2° de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel ontvangt 128.000 euro. | 8 | 2° de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel ontvangt 128.000 euro. |
| 9 | Het bijkomend bedrag van 100.000 euro wordt verdeeld onder de beide instellingen naar rato van het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2010-2011. Het gaat om de studiepunten opgenomen in een bacheloropleiding, een initiële masteropleiding of een specifieke lerarenopleiding die de faculteit bij of krachtens een decreet mag aanbieden. | 9 | Het bijkomend bedrag van 100.000 euro wordt verdeeld onder de beide instellingen naar rato van het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2010-2011. Het gaat om de studiepunten opgenomen in een bacheloropleiding, een initiële masteropleiding of een specifieke lerarenopleiding die de faculteit bij of krachtens een decreet mag aanbieden. |
| 10 | §3. Vanaf het begrotingsjaar 2013 bestaan de totale bedragen, vermeld in paragraaf 1, uit een sokkel, een variabel onderwijsdeel en een variabel onderzoeksdeel. | 10 | §3. Vanaf het begrotingsjaar 2013 bestaan de totale bedragen, vermeld in paragraaf 1, uit een sokkel, een variabel onderwijsdeel en een variabel onderzoeksdeel. |
| 11 | In de begrotingsjaren 2013 en 2014 bedraagt de sokkel 160.000 euro. Vanaf het begrotingsjaar 2015 bedraagt de sokkel 100.000 euro. Deze bedragen worden verdeeld onder de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee en de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies te Brussel naar rato van 50%. | 11 | In de begrotingsjaren 2013 en 2014 bedraagt de sokkel 160.000 euro. Vanaf het begrotingsjaar 2015 bedraagt de sokkel 100.000 euro. Deze bedragen worden verdeeld onder de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven en de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies te Brussel naar rato van 50%. |
| 12 | Het variabel onderwijsdeel bedraagt: | 12 | Het variabel onderwijsdeel bedraagt: |
| 13 | 1° 337.700 euro in het begrotingsjaar 2013; | 13 | 1° 337.700 euro in het begrotingsjaar 2013; |
| 14 | 2° 392.700 euro in het begrotingsjaar 2014; | 14 | 2° 392.700 euro in het begrotingsjaar 2014; |
| 15 | 3° 425.700 euro vanaf het begrotingsjaar 2015. | 15 | 3° 425.700 euro vanaf het begrotingsjaar 2015. |
| 16 | Deze bedragen worden verdeeld onder de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee en de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel op basis van het aantal financieringspunten berekend in beide instellingen. | 16 | Deze bedragen worden verdeeld onder de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven en de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel op basis van het aantal financieringspunten berekend in beide instellingen. |
| 17 | Het aantal financieringspunten is gelijk aan de som van: | 17 | Het aantal financieringspunten is gelijk aan de som van: |
| 18 | 1° het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten in de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 voorafgaand aan het begrotingsjaar t in een initiële bacheloropleiding, een initiële masteropleiding en een specifieke lerarenopleiding die de desbetreffende instellingen bij of krachtens een decreet mogen aanbieden; en | 18 | 1° het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten in de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 voorafgaand aan het begrotingsjaar t in een initiële bacheloropleiding, een initiële masteropleiding en een specifieke lerarenopleiding die de desbetreffende instellingen bij of krachtens een decreet mogen aanbieden; en |
| 22 | 2° 321.300 euro in het begrotingsjaar 2014; | 22 | 2° 321.300 euro in het begrotingsjaar 2014; |
| 23 | 3° 348.300 euro vanaf het begrotingsjaar 2015. | 23 | 3° 348.300 euro vanaf het begrotingsjaar 2015. |
| 24 | Dit variabel onderzoeksdeel wordt toegekend op voorwaarde dat de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee en de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel een gezamenlijk onderzoeksplan hebben ingediend bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. | 24 | Dit variabel onderzoeksdeel wordt toegekend op voorwaarde dat de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven en de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel een gezamenlijk onderzoeksplan hebben ingediend bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. |
| 25 | Het onderzoeksplan tekent het gezamenlijk onderzoeksbeleid uit betreffende het onderzoek in de protestantse godgeleerdheid en heeft een looptijd van 5 jaar. Het bevat ten minste de volgende elementen: | 25 | Het onderzoeksplan tekent het gezamenlijk onderzoeksbeleid uit betreffende het onderzoek in de protestantse godgeleerdheid en heeft een looptijd van 5 jaar. Het bevat ten minste de volgende elementen: |
| 26 | 1° de strategische en operationele doelstellingen betreffende het onderzoeksbeleid voor de beschouwde periode; | 26 | 1° de strategische en operationele doelstellingen betreffende het onderzoeksbeleid voor de beschouwde periode; |
| 32 | In het geval de instelling geen of een ondermaats verslag heeft bezorgd voor 31 maart wordt het variabel onderzoeksdeel niet toegekend in het betrokken begrotingsjaar. | 32 | In het geval de instelling geen of een ondermaats verslag heeft bezorgd voor 31 maart wordt het variabel onderzoeksdeel niet toegekend in het betrokken begrotingsjaar. |
| 33 | §4. De bedragen vermeld in paragraaf 3 worden vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel III.5, §9. | 33 | §4. De bedragen vermeld in paragraaf 3 worden vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel III.5, §9. |
| 34 | §5. De Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee en de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies te Brussel leggen jaarlijks een begroting, een jaarrekening en een jaarverslag voor aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan nadere voorschriften opleggen betreffende de inhoud en het opstellen van de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag en kan ter plaatse de nodige verificaties laten uitvoeren. | 34 | §5. De Evangelische Theologische Faculteit, Leuven en de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies te Brussel leggen jaarlijks een begroting, een jaarrekening en een jaarverslag voor aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan nadere voorschriften opleggen betreffende de inhoud en het opstellen van de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag en kan ter plaatse de nodige verificaties laten uitvoeren. |
| 35 | §6. ... | 35 | §6. ... |
| 36 | § 7. De bedragen voor de Evangelische Theologische Faculteiten de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. | 36 | § 7. De bedragen voor de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven en de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. |
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering kan in de vorm van een jaarlijkse toelage bijdragen in de financiering van de Hogere Instituten voor Schone Kunsten en van instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren. | 1 | § 1. De Vlaamse Regering kan in de vorm van een jaarlijkse toelage bijdragen in de financiering van de Hogere Instituten voor Schone Kunsten. |
| 2 | De toelage aan P.A.R.T.S. (Performing Arts Research and Training Studios) wordt vanaf het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 1.309.000 euro. | ||
| 3 | De toelage aan het Orpheus Instituut wordt vanaf het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 757.000 euro. | 2 | De toelage aan het Orpheus Instituut wordt vanaf het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 757.000 euro. |
| 4 | De toelage aan de IOA (International Opera Academy) wordt vanaf het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 576.000 euro. | 3 | De toelage aan de IOA (International Opera Academy) wordt vanaf het begrotingsjaar 2022 vastgesteld op 576.000 euro. |
| 8 | Aan PoPoK wordt voor het begrotingsjaar 2023 een bijkomend transitiebudget van 60.000 euro voor een transitie- en onderzoekscoördinator en 25.000 euro aan werkingsmiddelen toegekend om de gesprekken en onderhandelingen met betrekking tot structurele, inhoudelijke en financiële samenwerkingen verder te zetten, en tegelijkertijd met deze transitie de programma’s van de huidige studenten te bestendigen. | 7 | Aan PoPoK wordt voor het begrotingsjaar 2023 een bijkomend transitiebudget van 60.000 euro voor een transitie- en onderzoekscoördinator en 25.000 euro aan werkingsmiddelen toegekend om de gesprekken en onderhandelingen met betrekking tot structurele, inhoudelijke en financiële samenwerkingen verder te zetten, en tegelijkertijd met deze transitie de programma’s van de huidige studenten te bestendigen. |
| 9 | §2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren. | 8 | §2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren. |
| 10 | De in paragraaf 1 bedoelde andere instellingen zijn instellingen die excellente hogere kunstopleidingen organiseren, doch krachtens artikel II.3 niet als hogescholen kunnen beschouwd worden. | ||
| 11 | §3. Om voor de in paragraaf 1 bedoelde subsidiëring in aanmerking te komen, sluiten de instituten en instellingen een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar met de Vlaamse Regering, waarin ten minste volgende zaken worden afgesproken: | 9 | §3. Om voor de in paragraaf 1 bedoelde subsidiëring in aanmerking te komen, sluiten de instituten een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar met de Vlaamse Regering, waarin ten minste volgende zaken worden afgesproken: |
| 12 | 1° de onderdelen van het strategisch beleidsplan; | 10 | 1° de onderdelen van het strategisch beleidsplan; |
| 13 | 2° de organisatie van de interne en externe kwaliteitszorg, met inbegrip van de wijze waarop het instituut of de instelling omgaat met de uitkomsten van de externe kwaliteitszorg. Daartoe organiseert het instituut of de instelling ten minste om de 5 jaar een externe visitatie waaraan onder meer buitenlandse instellingen deelnemen; | 11 | 2° de organisatie van de interne en externe kwaliteitszorg, met inbegrip van de wijze waarop het instituut omgaat met de uitkomsten van de externe kwaliteitszorg. Daartoe organiseert het instituut ten minste om de 5 jaar een externe visitatie waaraan onder meer buitenlandse instellingen deelnemen; |
| 14 | 3° het instroomniveau, de wijze van selectie van de studenten en de inschrijvingsgelden; | 12 | 3° het instroomniveau, de wijze van selectie van de studenten en de inschrijvingsgelden; |
| 15 | 4° de minimale kwalificaties van de ingezette personeelsleden en de arbeidsvoorwaarden; | 13 | 4° de minimale kwalificaties van de ingezette personeelsleden en de arbeidsvoorwaarden; |
| 16 | 5° het afsluiten van een samenwerkingsakkoord met andere Vlaamse hogescholen die het betrokken studiegebied aanbieden, en eventueel met Belgische en buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs en derden. De samenwerkingsovereenkomst vermeldt ten minste de voorwaarden van samenwerking en de financiële vergoeding die in voorkomend geval voor de dienstverlening zal worden betaald; | 14 | 5° het afsluiten van een samenwerkingsakkoord met andere Vlaamse hogescholen die het betrokken studiegebied aanbieden, en eventueel met Belgische en buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs en derden. De samenwerkingsovereenkomst vermeldt ten minste de voorwaarden van samenwerking en de financiële vergoeding die in voorkomend geval voor de dienstverlening zal worden betaald; |
| 17 | 6° ... | 15 | 6° ... |
| 18 | De besluiten die de Vlaamse Regering neemt in uitvoering van de bepalingen van deze codificatie met betrekking tot de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen en betreffende de algemene boekhouding, de jaarrekening en het rekeningstelsel voor de hogescholen zijn van overeenkomstige toepassing op de instituten voor schone kunsten en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren. | 16 | De besluiten die de Vlaamse Regering neemt in uitvoering van de bepalingen van deze codificatie met betrekking tot de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen en betreffende de algemene boekhouding, de jaarrekening en het rekeningstelsel voor de hogescholen zijn van overeenkomstige toepassing op de instituten voor schone kunsten. |
| 19 | § 3/1. Het rapport van deze interne en externe kwaliteitszorg, vermeld in paragraaf 3, 2°, van hetzelfde artikel, is publiek en bevat een beoordeling van de onderwijskwaliteit van de door deze instituten of instellingen aangeboden opleidingen die leiden tot de titel van laureaat van een hoger instituut in de kunsten. | 17 | § 3/1. Het rapport van deze interne en externe kwaliteitszorg, vermeld in paragraaf 3, 2°, van hetzelfde artikel, is publiek en bevat een beoordeling van de onderwijskwaliteit van de door deze instituten aangeboden opleidingen die leiden tot de titel van laureaat van een hoger instituut in de kunsten. |
| 20 | §4. De Vlaamse Regering kan de subsidiëring van een instituut of instelling verminderen, doch slechts jaarlijks en naar evenredigheid van de vastgestelde tekortkomingen op de in de beheersovereenkomst bezegelde afspraken. | 18 | §4. De Vlaamse Regering kan de subsidiëring van een instituut verminderen, doch slechts jaarlijks en naar evenredigheid van de vastgestelde tekortkomingen op de in de beheersovereenkomst bezegelde afspraken. |
| 21 | §5. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 3 kunnen lopende beheersovereenkomsten maximaal 2 keer met ten hoogste 1 jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar af te sluiten. Indien na deze verlenging(en) naar het oordeel van de Vlaamse Regering de betrokken instelling een deugdelijk beleidsplan heeft voorgelegd, kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal 4 jaar worden gesloten. | 19 | §5. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 3 kunnen lopende beheersovereenkomsten maximaal 2 keer met ten hoogste 1 jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar af te sluiten. Indien na deze verlenging(en) naar het oordeel van de Vlaamse Regering de betrokken instelling een deugdelijk beleidsplan heeft voorgelegd, kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal 4 jaar worden gesloten. |
| 22 | § 6. .... | 20 | § 6. .... |
| 1 | §1. De Vlaamse Regering kan in de vorm van een jaarlijkse toelage bijdragen in de financiering van Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.). | ||
| 2 | De toelage aan Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) wordt vanaf het begrotingsjaar 2024 vastgesteld op 1.446.413 euro. | ||
| 3 | Het bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule, vermeld in artikel III.5, §9. | ||
| 4 | §2. Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) is een ambtshalve geregistreerde instelling en heeft als doel het verstrekken van onderwijs, het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verstrekken van wetenschappelijke dienstverlening op het gebied van dans. Het onderwijs dat binnen Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) wordt verstrekt, wordt door het betrokken bestuur bekrachtigd met een graad van bachelor of master na het succesvol voltooien van de desbetreffende opleiding. | ||
| 5 | Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) kan krachtens artikel II.3 niet als hogeschool worden beschouwd. | ||
| 6 | §3. Om voor de subsidiëring, vermeld in paragraaf 1, in aanmerking te komen, sluit Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar met de Vlaamse Regering. In deze beheersovereenkomst worden doelstellingen opgenomen die betrekking hebben op de volgende domeinen: | ||
| 7 | 1° onderwijs en studenten; 2° onderzoek; | ||
| 8 | 3° dienstverlening; | ||
| 9 | 4° samenwerkingsverbanden; | ||
| 10 | 5° infrastructurele voorzieningen; 6° financiën en personeel; | ||
| 11 | 7° organisatie. | ||
| 12 | §4. De besluiten die de Vlaamse Regering neemt in uitvoering van de bepalingen van deze codificatie met betrekking tot de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen en betreffende de algemene boekhouding, de jaarrekening en het rekeningstelsel voor de hogescholen zijn van overeenkomstige toepassing op de Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.). | ||
| 13 | §5. De Vlaamse Regering kan de subsidiëring van Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) verminderen, doch slechts jaarlijks en naar evenredigheid van de vastgestelde tekortkomingen op de in de beheersovereenkomst bezegelde afspraken. | ||
| 14 | §6. Lopende beheersovereenkomsten kunnen maximaal twee keer met ten hoogste een jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar af te sluiten. Na deze verlenging(en) kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal vier jaar worden gesloten na goedkeuring door de Vlaamse Regering van een nieuw door Performing Arts Research and Training Studios (P.A.R.T.S.) opgesteld beleidsplan dat tegemoetkomt aan de vastgestelde tekortkomingen. |
| 1 | De Vlaamse Regering benoemt een commissaris bij de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven en de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies te Brussel. | 1 | De Vlaamse Regering benoemt een commissaris bij de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven en de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies te Brussel. |
| 2 | De commissaris oefent het toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 1. | 2 | De commissaris oefent het toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 1. |
| 1 | Naast het academisch personeel kan het universiteitsbestuur contractueel en buiten de personeelsformatie voltijdse en deeltijdse gastprofessoren aanstellen voor een periode van maximum 5 jaar. Opeenvolgende aanstellingen van voltijdse gastprofessoren mogen in ieder geval de totale duur van 5 opeenvolgende jaren niet overschrijden. Aanstellingen van deeltijdse gastprofessoren zijn hernieuwbaar. | 1 | Naast het academisch personeel kan het universiteitsbestuur contractueel en buiten de personeelsformatie voltijdse en deeltijdse gastprofessoren aanstellen voor een periode van maximum 5 jaar. Opeenvolgende aanstellingen van voltijdse gastprofessoren mogen in ieder geval de totale duur van 5 opeenvolgende jaren niet overschrijden. Aanstellingen van deeltijdse gastprofessoren zijn hernieuwbaar. |
| 2 | Deeltijdse gastprofessoren kunnen ook tewerkgesteld worden als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. In afwijking van het eerste lid, zijn artikel 10 en 10bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing op opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van een gastprofessor als flexi-jobwerknemer. |
| 1 | Voltijdse en deeltijdse praktijkassistenten worden aangesteld voor een periode van maximum 5 jaar. Opeenvolgende aanstellingen van voltijdse praktijkassistenten mogen de totale duur van 5 opeenvolgende jaren niet overschrijden. Aanstellingen van deeltijdse praktijkassistenten zijn onbeperkt hernieuwbaar. | 1 | Voltijdse en deeltijdse praktijkassistenten worden aangesteld voor een periode van maximum 5 jaar. Opeenvolgende aanstellingen van voltijdse praktijkassistenten mogen de totale duur van 5 opeenvolgende jaren niet overschrijden. Aanstellingen van deeltijdse praktijkassistenten zijn onbeperkt hernieuwbaar. |
| 2 | Deeltijdse praktijkassistenten kunnen ook tewerkgesteld worden als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. In afwijking van het eerste lid, zijn artikel 10 en 10bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing op opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van een praktijkassistent als flexi-jobwerknemer. |
| 2 | De benoemingen of aanstellingen vinden in principe plaats in een voltijds of deeltijds vast dienstverband. De omvang van een deeltijds dienstverband wordt uitgedrukt in een procentueel aandeel van een voltijds dienstverband. Het procentueel dienstverband moet ten minste 10% van een voltijdse aanstelling omvatten en wordt als een veelvoud van 5 uitgedrukt. Een halve dag per week komt overeen met 10%. De betrokkenen verkrijgen hetzelfde procentueel aandeel van het salaris dat zij zouden genieten in een voltijds dienstverband. Om te voorzien in tijdelijke personeelsbehoeften of in tijdelijke vervangingen van personeelsleden, kan het universiteitsbestuur personeel aanwerven, doch enkel op contractuele basis. De duur van de waarneming van vacante betrekkingen in afwachting van de definitieve opvulling ervan kan ten hoogste 2 jaar bedragen. | 2 | De benoemingen of aanstellingen vinden in principe plaats in een voltijds of deeltijds vast dienstverband. De omvang van een deeltijds dienstverband wordt uitgedrukt in een procentueel aandeel van een voltijds dienstverband. Het procentueel dienstverband moet ten minste 10% van een voltijdse aanstelling omvatten en wordt als een veelvoud van 5 uitgedrukt. Een halve dag per week komt overeen met 10%. De betrokkenen verkrijgen hetzelfde procentueel aandeel van het salaris dat zij zouden genieten in een voltijds dienstverband. Om te voorzien in tijdelijke personeelsbehoeften of in tijdelijke vervangingen van personeelsleden, kan het universiteitsbestuur personeel aanwerven, doch enkel op contractuele basis. De duur van de waarneming van vacante betrekkingen in afwachting van de definitieve opvulling ervan kan ten hoogste 2 jaar bedragen. |
| 3 | Het universiteitsbestuur kan de omvang van het dienstverband wijzigen met instemming of op verzoek van het personeelslid. In geval van een vermindering van de omvang behoudt het personeelslid gedurende 6 jaar het recht van terugkeer naar de oorspronkelijke omvang. | 3 | Het universiteitsbestuur kan de omvang van het dienstverband wijzigen met instemming of op verzoek van het personeelslid. In geval van een vermindering van de omvang behoudt het personeelslid gedurende 6 jaar het recht van terugkeer naar de oorspronkelijke omvang. |
| 4 | Het universiteitsbestuur kan een deeltijds lid van het administratief en technisch personeel ook tewerkstellen als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. Op deze personeelsleden is de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing. | ||
| 1 | Het hogeschoolbestuur kan contractueel buiten de personeelsformatie voltijdse en deeltijdse gastprofessoren tewerkstellen voor een periode van maximum 5 jaar. Opeenvolgende aanstellingen van voltijdse gastprofessoren mogen in ieder geval de totale duur van 5 opeenvolgende jaren niet overschrijden. Aanstellingen van deeltijdse gastprofessoren zijn hernieuwbaar. | ||
| 2 | In afwijking van het vorige lid kan het hogeschoolbestuur in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten, contractueel buiten de personeelsformatie voltijdse en deeltijdse gastprofessoren tewerkstellen voor een periode van onbepaalde duur. | ||
| 1 | Het hogeschoolbestuur kan contractueel buiten de personeelsformatie gastdocenten tewerkstellen. | ||
| 2 | Gastdocenten met een opdracht van ten minste 50 procent van een voltijdse opdracht die bezoldigd worden met een salarisschaal, de daaraan verbonden anciënniteitsopbouw, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage kunnen tewerkgesteld worden voor een periode van onbepaalde duur. Opeenvolgende tewerkstellingen voor een bepaalde duur zijn vanaf het derde jaar van onbepaalde duur. | ||
| 3 | Gastdocenten met een opdracht van minder dan 50 procent van een voltijdse opdracht, ongeacht hoe deze bezoldigd worden, kunnen tewerkgesteld worden voor een periode van onbepaalde duur. Opeenvolgende tewerkstellingen voor een bepaalde duur zijn vanaf het derde jaar van onbepaalde duur. | ||
| 4 | Gastdocenten met een opdracht van ten minste 50 procent van een voltijdse opdracht die bezoldigd worden met een bedrag, worden tewerkgesteld voor een periode van maximum vijf jaar. Opeenvolgende tewerkstellingen mogen de totale duur van vijf jaar niet overschrijden. | ||
| 5 | In de opleidingen van een School of Arts bedraagt het tewerkstellingspercentage, vermeld in het tweede en het derde lid, 70 procent van een voltijdse opdracht. Met ingang van 2025 wordt het percentage van 70 procent gedurende vijf jaar lineair afgebouwd tot 50 procent. Het hogeschoolbestuur kan bij reglement, afgesloten met een protocol van akkoord, een ander afbouwschema vastleggen binnen dezelfde termijn van vijf jaar. | ||
| 6 | Voor de toepassing van dit artikel wordt onder opeenvolgende tewerkstellingen de tewerkstellingen begrepen die elkaar zonder onderbreking opvolgen of waarvan de onderbreking tussen twee tewerkstellingen kleiner is dan drie maanden. | ||
| 7 | [nvdr: zie tab info] | ||
| 8 | In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het hogeschoolbestuur contractueel buiten de personeelsformatie deeltijdse gastprofessoren tewerkstellen als flexi-jobwerknemer als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. De gastprofessoren kunnen niet ten laste van de werkingsuitkeringen bezoldigd worden. De gastprofessoren mogen geen andere tewerkstelling aan de hogeschool hebben. Op deze personeelsleden is de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing. |
| 1 | §1. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit in het [gemeenschapsonderwijs: | 1 | §1. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit in het [gemeenschapsonderwijs: |
| 2 | a) bestaat het aantal dagen, gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden met uitzondering van de zomervakantie, als ze in die activiteitsperiode vallen. Dat aantal wordt vermenigvuldigd met 1,2. | 2 | a) bestaat het aantal dagen, gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden met uitzondering van de zomervakantie, als ze in die activiteitsperiode vallen. Dat aantal wordt vermenigvuldigd met 1,2. |
| 3 | In afwijking hiervan bestaat voor het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en voor de personeelsleden van de CLB's, de semi-internaten en de internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien, het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen van het begin tot het einde van een ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden. Dit aantal wordt niet vermenigvuldigd met 1,2. | 3 | In afwijking hiervan bestaat voor het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en voor de personeelsleden van de CLB's en de semi-internaten het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen van het begin tot het einde van een ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden. Dit aantal wordt niet vermenigvuldigd met 1,2. |
| 4 | De dagen, gepresteerd in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijk personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, worden gerekend vanaf het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van alle vakantieperioden; | 4 | De dagen, gepresteerd in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijk personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, worden gerekend vanaf het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van alle vakantieperioden; |
| 5 | b) worden de dagen gepresteerd in een betrekking met onvolledige dienstprestaties, die tenminste de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor de betrekking met volledige dienstprestaties, op dezelfde grond in aanmerking genomen als de dagen gepresteerd in een betrekking met volledige dienstprestaties. Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties wordt met de helft verminderd; | 5 | b) worden de dagen gepresteerd in een betrekking met onvolledige dienstprestaties, die tenminste de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor de betrekking met volledige dienstprestaties, op dezelfde grond in aanmerking genomen als de dagen gepresteerd in een betrekking met volledige dienstprestaties. Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties wordt met de helft verminderd; |
| 9 | Eveneens als diensten worden beschouwd de perioden tijdens welke het personeelslid zich in de administratieve stand van terbeschikkingstelling bevindt zoals bepaald in artikel 82, a) en b); | 9 | Eveneens als diensten worden beschouwd de perioden tijdens welke het personeelslid zich in de administratieve stand van terbeschikkingstelling bevindt zoals bepaald in artikel 82, a) en b); |
| 10 | f) komen de dagen gepresteerd in een ambt van godsdienstleerkracht slechts in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in datzelfde ambt. De diensten die - zowel in het gemeenschaps als in het gesubsidieerd onderwijs - gepresteerd werden tussen 1 september 1975 en 31 augustus 2001 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst en die in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt; De diensten die - zowel in het gemeenschaps- als in het gesubsidieerd onderwijs - gepresteerd werden tot en met 31 augustus 2013 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met anglicaanse godsdienst en die in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt. | 10 | f) komen de dagen gepresteerd in een ambt van godsdienstleerkracht slechts in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in datzelfde ambt. De diensten die - zowel in het gemeenschaps als in het gesubsidieerd onderwijs - gepresteerd werden tussen 1 september 1975 en 31 augustus 2001 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst en die in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt; De diensten die - zowel in het gemeenschaps- als in het gesubsidieerd onderwijs - gepresteerd werden tot en met 31 augustus 2013 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met anglicaanse godsdienst en die in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt. |
| 11 | g) kan gedurende een schooljaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven. | 11 | g) kan gedurende een schooljaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven; |
| 12 | h) tellen de kalenderdagen die gepresteerd zijn als tijdelijk personeelslid tussen 1 juli en 31 augustus in een betrekking van het zomeraanbod, vermeld in artikel 130quater van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, mee om de dienstanciënniteit te berekenen, vermeld in punt a), eerste lid. | ||
| 12 | §2. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen de hiervoor bedoelde diensten enkel in aanmerking indien ze gepresteerd werden in hoofdambt. | 13 | §2. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen de hiervoor bedoelde diensten enkel in aanmerking indien ze gepresteerd werden in hoofdambt. |
| 13 | §3. De regering bepaalt op welke wijze de volgende diensten mee in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de dienstanciënniteit in de centra voor leerlingenbegeleiding in het gemeenschapsonderwijs: | 14 | §3. De regering bepaalt op welke wijze de volgende diensten mee in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de dienstanciënniteit in de centra voor leerlingenbegeleiding in het gemeenschapsonderwijs: |
| 14 | 1° contractueel personeelslid bij een PMS-centrum van het gemeenschapsonderwijs; | 15 | 1° contractueel personeelslid bij een PMS-centrum van het gemeenschapsonderwijs; |
| 15 | 2° contractueel personeelslid bij een equipe voor medisch schooltoezicht; | 16 | 2° contractueel personeelslid bij een equipe voor medisch schooltoezicht; |
| 16 | 3° klerk, gepresteerd vóór de overdracht naar het gemeenschapsonderwijs en tijdens de wettelijke vooropzegperiode na de overdracht; | 17 | 3° klerk, gepresteerd vóór de overdracht naar het gemeenschapsonderwijs en tijdens de wettelijke vooropzegperiode na de overdracht; |
| 17 | 4° gesubsidieerd contractueel personeelslid. | 18 | 4° gesubsidieerd contractueel personeelslid. |
| 18 | §4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker. | 19 | §4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker. |
| 19 | Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1. | 20 | Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1. |
| 20 | §5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of artikel 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs en artikel III.36 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel. | 21 | §5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel. |
| 1 | §1. Om als tijdelijk personeelslid te kunnen worden aangesteld moet het personeelslid op het ogenblik van de aanstelling voldoen aan volgende voorwaarden: | 1 | §1. Om als tijdelijk personeelslid te kunnen worden aangesteld moet het personeelslid op het ogenblik van de aanstelling voldoen aan volgende voorwaarden: |
| 2 | 1° onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie is, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling; | 2 | 1° onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie is, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling; |
| 3 | 2° de burgerlijke en politieke rechten geniet, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°; | 3 | 2° de burgerlijke en politieke rechten geniet, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°; |
| 7 | 6°...; | 7 | 6°...; |
| 8 | 7° zich kandidaat hebben gesteld op een wijze bepaald door de het college van directeurs. | 8 | 7° zich kandidaat hebben gesteld op een wijze bepaald door de het college van directeurs. |
| 9 | § 2. ... | ||
| 9 | §2. In afwijking van paragraaf 1, 3°, kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC). | ||
| 10 | De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, is niet mogelijk in een ambt dat of in een functie die ressorteert onder de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015. | ||
| 11 | De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 23, eerste lid, i), vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt. | ||
| 12 | Tijdens de voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, heeft het personeelslid recht op een salaris op basis van de laagste salarisschaal die van toepassing is voor het ambt in kwestie. | ||
| 10 | §3. Niemand kan als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. | 13 | §3. Niemand kan als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. |
| 11 | §4. Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur of raad van bestuur al naar gelang het geval afwijken van de in § 1, 7°, genoemde verplichting. | 14 | §4. Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur of raad van bestuur al naar gelang het geval afwijken van de in § 1, 7°, genoemde verplichting. |
| 12 | §5. Onverminderd de bepalingen van dit decreet worden de leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht door de directeur geworven, op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer. | 15 | §5. Onverminderd de bepalingen van dit decreet worden de leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht door de directeur geworven, op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer. |
| 13 | §6. Een tijdelijke aanstelling van een personeelslid dat houder is van een "ander bekwaamheidsbewijs" is in duur beperkt tot het lopende schooljaar. | 16 | §6. Een tijdelijke aanstelling van een personeelslid dat houder is van een "ander bekwaamheidsbewijs" is in duur beperkt tot het lopende schooljaar. |
| 1 | §1. Dit artikel is van toepassing op een vastbenoemde directeur die titularis is van een volledige betrekking en die gedurende minstens drie opeenvolgende schooljaren voor zijn volledige betrekking gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. | 1 | §1. Dit artikel is van toepassing op een vastbenoemde directeur die titularis is van een volledige betrekking en die gedurende minstens drie opeenvolgende schooljaren voor zijn volledige betrekking gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. |
| 2 | §2. Als een vastbenoemde directeur gebruik maakt van een verlofstelsel zoals vermeld in § 4, dan moet de raad van bestuur vóór de aanvang van dat verlofstelsel aan de vastbenoemde directeur meedelen of hij de volledige betrekking waarvan hij titularis is, in de loop van zijn verlof al dan niet zal vacant verklaren en, desgevallend, na welke tijdsspanne dat zal gebeuren. | 2 | §2. Als een vastbenoemde directeur gebruik maakt van een verlofstelsel zoals vermeld in § 4, dan moet de raad van bestuur vóór de aanvang van dat verlofstelsel aan de vastbenoemde directeur meedelen of hij de volledige betrekking waarvan hij titularis is, in de loop van zijn verlof al dan niet zal vacant verklaren en, desgevallend, na welke tijdsspanne dat zal gebeuren. |
| 3 | Met de aanvang van een verlofstelsel wordt zowel de aanvang van de eerste aanvraag van een verlofstelsel als de aanvang van een verlenging bedoeld. | 3 | Met de aanvang van een verlofstelsel wordt zowel de aanvang van de eerste aanvraag van een verlofstelsel als de aanvang van een verlenging bedoeld. |
| 4 | Deze mededeling moet schriftelijk gebeuren en minstens voor kennisneming ondertekend worden door de betrokken directeur. Als de betrokken directeur weigert voor kennisname te tekenen, bezorgt de raad van bestuur zijn beslissing aan de directeur met een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft vanaf de dag van verzending. Deze brief wordt voor de verdere procedure beschouwd als de voor kennisgeving ondertekende mededeling. Deze kennisgeving kan niet meer gewijzigd worden, tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de betrokken directeur. | 4 | Deze mededeling moet schriftelijk gebeuren en minstens voor kennisneming ondertekend worden door de betrokken directeur. Als de betrokken directeur weigert voor kennisname te tekenen, bezorgt de raad van bestuur zijn beslissing aan de directeur met een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft vanaf de dag van verzending. Deze brief wordt voor de verdere procedure beschouwd als de voor kennisgeving ondertekende mededeling. Deze kennisgeving kan niet meer gewijzigd worden, tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de betrokken directeur. |
| 5 | Bij gebrek aan schriftelijke mededeling kan de raad van bestuur de volledige betrekking niet vacant verklaren tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de vastbenoemde directeur. | 5 | Bij gebrek aan schriftelijke mededeling kan de raad van bestuur de volledige betrekking niet vacant verklaren tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de vastbenoemde directeur. |
| 6 | De vacantverklaring bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden als de betrokken directeur voor een periode van minstens drie opeenvolgende schooljaren voltijds afwezig is geweest omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. Om de duur van de betrokken periode te bepalen, wordt alleen rekening gehouden met ononderbroken perioden van afwezigheid vanaf de voor kennisgeving ondertekende mededeling. | 6 | De vacantverklaring bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden als de betrokken directeur voor een periode van minstens drie opeenvolgende schooljaren voltijds afwezig is geweest omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. Om de duur van de betrokken periode te bepalen, wordt alleen rekening gehouden met ononderbroken perioden van afwezigheid vanaf de voor kennisgeving ondertekende mededeling. |
| 7 | § 3. In afwijking op § 2, en tot en met 1 september 2012, gelden volgende bepalingen voor de vastbenoemde directeur die op 1 september 2009 al afwezig is, omdat hij gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. | ||
| 8 | Als een vastbenoemde directeur op 1 september 2009 minstens gedurende de twee voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was, omdat hij gebruik maakte van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 5 en hij ook gedurende het volledige schooljaar 2009-2010 ononderbroken gebruikt maakt van één of meerdere verlofstelsels vermeld in § 4, dan kan de raad van bestuur zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2010 in aanmerking nemen voor vacantverklaring, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt. | ||
| 9 | Als een directeur op 1 september 2009 slechts gedurende het volledige voorgaande schooljaar ononderbroken afwezig was omdat hij gebruik maakte van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4 en hij ook gedurende de volledige schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 ononderbroken gebruikt maakt van één of meerdere verlofstelsels vermeld in § 4, dan kan de raad van bestuur zijn volledige betrekking in aanmerking nemen voor vacantverklaring vanaf 1 september 2011 maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt. | ||
| 10 | Als de in deze paragraaf bedoelde vastbenoemde directeur ook op 1 september 2012 afwezig is of blijft omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4, dan kan de raad van bestuur vanaf dat ogenblik gebruik maken van de bepalingen van § 2. | ||
| 7 | §3. ... | ||
| 11 | §4. De in § 1 bedoelde verlofstelsels zijn : | 8 | §4. De in § 1 bedoelde verlofstelsels zijn : |
| 12 | a) verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vastbenoemd zijn; | 9 | a) verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vastbenoemd zijn; |
| 13 | b) verlof voor het uitoefenen van een mandaat dat toegekend wordt aan de algemeen directeur of coördinerend directeur vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2001 betreffende de mandaten van directeur, algemeen directeur en coördinerend directeur in het niet-tertiair onderwijs; | 10 | b) verlof voor het uitoefenen van een mandaat dat toegekend wordt aan de algemeen directeur of coördinerend directeur vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2001 betreffende de mandaten van directeur, algemeen directeur en coördinerend directeur in het niet-tertiair onderwijs; |
| 20 | i) verlof toegekend aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld zoals bepaald in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen; | 17 | i) verlof toegekend aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld zoals bepaald in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen; |
| 21 | j) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties; | 18 | j) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties; |
| 22 | k) een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009 betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voor de personeelsleden van het onderwijs, die een personeelslid tot en met 31 augustus 2017 heeft opgenomen. | ||
| 19 | k) ... | ||
| 23 | §5. De directeur wiens betrekking in toepassing van dit artikel vacant werd verklaard, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of terbeschikkingstelling. | 20 | §5. De directeur wiens betrekking in toepassing van dit artikel vacant werd verklaard, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of terbeschikkingstelling. |
| 24 | Op het ogenblik dat de betrokken directeur geen gebruik meer maakt van de in § 4 bedoelde verlofstelsels, wordt hij ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was nog niet werd ingenomen door een andere vastbenoemde titularis. In dat geval wordt hij opnieuw titularis van de betrokken betrekking. | 21 | Op het ogenblik dat de betrokken directeur geen gebruik meer maakt van de in § 4 bedoelde verlofstelsels, wordt hij ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was nog niet werd ingenomen door een andere vastbenoemde titularis. In dat geval wordt hij opnieuw titularis van de betrokken betrekking. |
| 22 | §6. In afwijking van paragraaf 2 geldt volgende bepaling voor de vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat. Als een vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat op 1 september 2023 minstens gedurende de drie voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was in het ambt van beheerder in een internaat, omdat hij gebruikmaakte van een of meerdere verlofstelsels als vermeld in paragraaf 4, kan de raad van bestuur zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2023 in aanmerking nemen voor vacantverklaring, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt. | ||
| 1 | §1. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit: | 1 | §1. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit: |
| 2 | a) bestaat het aantal dagen, gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden met uitzondering van de zomervakantie, als ze in die activiteitsperiode vallen. Dat aantal wordt vermenigvuldigd met 1,2. In afwijking hiervan bestaat voor het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en voor de personeelsleden van de CLB's, de semi-internaten en de opvangcentra, het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen van het begin tot het einde van een ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden. Dit aantal wordt niet vermenigvuldigd met 1,2. | 2 | a) bestaat het aantal dagen, gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden met uitzondering van de zomervakantie, als ze in die activiteitsperiode vallen. Dat aantal wordt vermenigvuldigd met 1,2. In afwijking hiervan bestaat voor het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en voor de personeelsleden van de CLB's het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen van het begin tot het einde van een ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden. Dit aantal wordt niet vermenigvuldigd met 1,2. |
| 3 | De dagen, gepresteerd in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijk personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, worden gerekend vanaf het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van alle vakantieperioden; | 3 | De dagen, gepresteerd in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijk personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, worden gerekend vanaf het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van alle vakantieperioden; |
| 4 | b) worden de dagen gepresteerd in een betrekking met onvolledige dienstprestaties, die tenminste de helft bedragen van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige dienstprestaties, op dezelfde grond in acht genomen als de dagen gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties. Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties, wordt met de helft verminderd; | 4 | b) worden de dagen gepresteerd in een betrekking met onvolledige dienstprestaties, die tenminste de helft bedragen van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige dienstprestaties, op dezelfde grond in acht genomen als de dagen gepresteerd in een ambt met volledige dienstprestaties. Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties, wordt met de helft verminderd; |
| 10 | f) worden als diensten in het gesubsidieerd onderwijs en de centra beschouwd, de gesubsidieerde diensten door het personeelslid gepresteerd in de stand dienstactiviteit, als ook het verlof dat hem is toegekend overeenkomstig artikel 51 | 10 | f) worden als diensten in het gesubsidieerd onderwijs en de centra beschouwd, de gesubsidieerde diensten door het personeelslid gepresteerd in de stand dienstactiviteit, als ook het verlof dat hem is toegekend overeenkomstig artikel 51 |
| 11 | Als diensten worden eveneens beschouwd, de perioden tijdens dewelke het personeelslid zich in de administratieve stand van terbeschikkingstelling bevindt zoals bepaald in artikel 56, a en b; | 11 | Als diensten worden eveneens beschouwd, de perioden tijdens dewelke het personeelslid zich in de administratieve stand van terbeschikkingstelling bevindt zoals bepaald in artikel 56, a en b; |
| 12 | g) kan gedurende een schooljaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven. | 12 | g) kan gedurende een schooljaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven; |
| 13 | h) tellen de kalenderdagen die gepresteerd zijn als tijdelijk personeelslid tussen 1 juli en 31 augustus in een betrekking van het zomeraanbod, vermeld in artikel 130quater van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, mee om de dienstanciënniteit te berekenen, vermeld in punt a), eerste lid. | ||
| 13 | §2. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen de hiervoor bedoelde diensten enkel in aanmerking indien ze gepresteerd werden in hoofdambt. | 14 | §2. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen de hiervoor bedoelde diensten enkel in aanmerking indien ze gepresteerd werden in hoofdambt. |
| 14 | §3. De regering bepaalt op welke wijze de volgende diensten mee in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de dienstanciënniteit in de CLB's in het gesubsidieerd onderwijs: | 15 | §3. De regering bepaalt op welke wijze de volgende diensten mee in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de dienstanciënniteit in de CLB's in het gesubsidieerd onderwijs: |
| 15 | 1° contractueel personeelslid bij een PMS-centrum; | 16 | 1° contractueel personeelslid bij een PMS-centrum; |
| 16 | 2° contractueel personeelslid bij een equipe voor medisch schooltoezicht; | 17 | 2° contractueel personeelslid bij een equipe voor medisch schooltoezicht; |
| 17 | 3° gesubsidieerde contractueel; | 18 | 3° gesubsidieerde contractueel; |
| 18 | 4° personeelslid bij een consultatiebureau voor gehandicapten. | 19 | 4° personeelslid bij een consultatiebureau voor gehandicapten. |
| 19 | §4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker. | 20 | §4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker. |
| 20 | Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1. | 21 | Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 290 dagen, berekend volgens paragraaf 1. |
| 21 | §5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of artikel 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs en artikel III.36 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel. | 22 | §5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, §2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, §2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 52, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun en artikel 43, §2, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel. |
| 1 | §1. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld, als hij op het ogenblik van de aanstelling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel V.45, 1° en 2°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, artikel 18, §1, 1° en 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 73, §1, 1° en 2°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, artikel 35, §1, 1° en 2°, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten, artikel 66, 1°, 2° en 6°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 33, eerste lid, 1°, a) en b), van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, artikel 24 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding of van artikel 106, §1, 1°, a) en b), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en daarenboven : | 1 | §1. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld, als hij op het ogenblik van de aanstelling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel V.45, 1° en 2°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, artikel 18, §1, 1° en 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 73, §1, 1° en 2°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, artikel 35, §1, 1° en 2°, van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten, artikel 66, 1°, 2° en 6°, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikel 33, eerste lid, 1°, a) en b), van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, artikel 24 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding of van artikel 106, §1, 1°, a) en b), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en daarenboven : |
| 2 | 1° houder is van een bekwaamheidsbewijs voor het ambt, zoals bedoeld in artikel 5, 8°; | 2 | 1° houder is van een bekwaamheidsbewijs voor het ambt, zoals bedoeld in artikel 5, 8°; |
| 3 | 2° voldoet aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 19bis tot en met 19quinquies; | 3 | 2° voldoet aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 19bis tot en met 19quinquies; |
| 4 | 3° van onberispelijk gedrag is, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan een maand tevoren werd afgegeven. | 4 | 3° van onberispelijk gedrag is, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan een maand tevoren werd afgegeven. |
| 5 | §2. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. | 5 | §2. Niemand kan door een inrichtende macht als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. |
| 6 | § 3. ... | ||
| 6 | §3. In afwijking van paragraaf 1, 1°, kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC). | ||
| 7 | De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, is niet mogelijk in een ambt dat of in een functie die ressorteert onder de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015. | ||
| 8 | De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 21, §1, eerste lid, h), vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt. | ||
| 9 | Tijdens de voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, heeft het personeelslid recht op een salaris op basis van de laagste salarisschaal die van toepassing is voor het ambt in kwestie. |
| 1 | §1. Dit artikel is van toepassing op een vastbenoemde directeur die titularis is van een volledige betrekking en die gedurende minstens drie opeenvolgende schooljaren voor zijn volledige betrekking gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. | 1 | §1. Dit artikel is van toepassing op een vastbenoemde directeur die titularis is van een volledige betrekking en die gedurende minstens drie opeenvolgende schooljaren voor zijn volledige betrekking gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. |
| 2 | §2. Als een vastbenoemde directeur gebruik maakt van een verlofstelsel zoals vermeld in § 4, dan moet de inrichtende macht vóór de aanvang van dat verlofstelsel aan de vastbenoemde directeur meedelen of zij de volledige betrekking waarvan hij titularis is, in de loop van zijn verlof al dan niet als een vacante betrekking zal beschouwen en, desgevallend, na welke tijdsspanne dat zal gebeuren. | 2 | §2. Als een vastbenoemde directeur gebruik maakt van een verlofstelsel zoals vermeld in § 4, dan moet de inrichtende macht vóór de aanvang van dat verlofstelsel aan de vastbenoemde directeur meedelen of zij de volledige betrekking waarvan hij titularis is, in de loop van zijn verlof al dan niet als een vacante betrekking zal beschouwen en, desgevallend, na welke tijdsspanne dat zal gebeuren. |
| 3 | Met de aanvang van een verlofstelsel wordt zowel de aanvang van de eerste aanvraag van een verlofstelsel als de aanvang van een verlenging bedoeld. | 3 | Met de aanvang van een verlofstelsel wordt zowel de aanvang van de eerste aanvraag van een verlofstelsel als de aanvang van een verlenging bedoeld. |
| 4 | Deze mededeling moet schriftelijk gebeuren en minstens voor kennisneming ondertekend worden door de betrokken directeur. Als de betrokken directeur weigert voor kennisname te tekenen, bezorgt de inrichtende macht zijn beslissing aan de directeur met een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft vanaf de dag van verzending. Deze brief wordt voor de verdere procedure beschouwd als de voor kennisgeving ondertekende mededeling. Deze kennisgeving kan niet meer gewijzigd worden, tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de betrokken directeur. | 4 | Deze mededeling moet schriftelijk gebeuren en minstens voor kennisneming ondertekend worden door de betrokken directeur. Als de betrokken directeur weigert voor kennisname te tekenen, bezorgt de inrichtende macht zijn beslissing aan de directeur met een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft vanaf de dag van verzending. Deze brief wordt voor de verdere procedure beschouwd als de voor kennisgeving ondertekende mededeling. Deze kennisgeving kan niet meer gewijzigd worden, tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de betrokken directeur. |
| 5 | Bij gebrek aan schriftelijke mededeling kan de inrichtende macht de volledige betrekking niet als een vacante betrekking beschouwen, tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de vastbenoemde directeur. | 5 | Bij gebrek aan schriftelijke mededeling kan de inrichtende macht de volledige betrekking niet als een vacante betrekking beschouwen, tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de vastbenoemde directeur. |
| 6 | Het beschouwen als een vacante betrekking bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden als de betrokken directeur voor een periode van minstens drie opeenvolgende schooljaren voltijds afwezig is geweest omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. Om de duur van de betrokken periode te bepalen, wordt alleen rekening gehouden met ononderbroken perioden van afwezigheid vanaf de voor kennisgeving ondertekende mededeling. | 6 | Het beschouwen als een vacante betrekking bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden als de betrokken directeur voor een periode van minstens drie opeenvolgende schooljaren voltijds afwezig is geweest omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. Om de duur van de betrokken periode te bepalen, wordt alleen rekening gehouden met ononderbroken perioden van afwezigheid vanaf de voor kennisgeving ondertekende mededeling. |
| 7 | § 3. In afwijking op § 2, en tot en met 1 september 2012, gelden volgende bepalingen voor de vastbenoemde directeur die op 1 september 2009 al afwezig is, omdat hij gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. | ||
| 8 | Als een vastbenoemde directeur op 1 september 2009 minstens gedurende de twee voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was, omdat hij gebruik maakte van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4 en hij ook gedurende het volledige schooljaar 2009-2010 ononderbroken gebruikt maakt van één of meerdere verlofstelsels vermeld in § 4, dan kan de inrichtende macht zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2010 als een vacante betrekking beschouwen, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt. | ||
| 9 | Als een directeur op 1 september 2009 slechts gedurende het volledige voorgaande schooljaar ononderbroken afwezig was omdat hij gebruik maakte van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4 en hij ook gedurende de volledige schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 ononderbroken gebruikt maakt van een of meerdere verlofstelsels vermeld in § 4, dan kan de inrichtende macht zijn volledige betrekking als een vacante betrekking beschouwen vanaf 1 september 2011 maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt. | ||
| 10 | Als de in deze paragraaf bedoelde vastbenoemde directeur ook op 1 september 2012 afwezig is of blijft omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4, dan kan de inrichtende macht vanaf dat ogenblik gebruik maken van de bepalingen van § 2. | ||
| 7 | §3. ... | ||
| 11 | §4. De in § 1 bedoelde verlofstelsels zijn : | 8 | §4. De in § 1 bedoelde verlofstelsels zijn : |
| 12 | a) verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vastbenoemd zijn; | 9 | a) verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vastbenoemd zijn; |
| 13 | b) verlof voor het uitoefenen van een mandaat dat toegekend wordt aan de algemeen directeur of coördinerend directeur vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2001 betreffende de mandaten van directeur, algemeen directeur en coördinerend directeur in het niet-tertiair onderwijs; | 10 | b) verlof voor het uitoefenen van een mandaat dat toegekend wordt aan de algemeen directeur of coördinerend directeur vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2001 betreffende de mandaten van directeur, algemeen directeur en coördinerend directeur in het niet-tertiair onderwijs; |
| 19 | h) politiek verlof zoals bepaald in artikel V.29 en volgende van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs; | 16 | h) politiek verlof zoals bepaald in artikel V.29 en volgende van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs; |
| 20 | i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties; | 17 | i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties; |
| 21 | j) een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009 betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voor de personeelsleden van het onderwijs, die een personeelslid tot en met 31 augustus 2017 heeft opgenomen. | ||
| 18 | j) ... | ||
| 22 | §5. De directeur wiens betrekking in toepassing van dit artikel als vacant werd beschouwd, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of terbeschikkingstelling. | 19 | §5. De directeur wiens betrekking in toepassing van dit artikel als vacant werd beschouwd, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of terbeschikkingstelling. |
| 23 | Op het ogenblik dat de betrokken directeur geen gebruik meer maakt van de in § 4 bedoelde verlofstelsels, wordt hij ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was nog niet werd ingenomen door een andere vastbenoemde titularis. In dat geval wordt hij opnieuw titularis van de betrokken betrekking. | 20 | Op het ogenblik dat de betrokken directeur geen gebruik meer maakt van de in § 4 bedoelde verlofstelsels, wordt hij ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was nog niet werd ingenomen door een andere vastbenoemde titularis. In dat geval wordt hij opnieuw titularis van de betrokken betrekking. |
| 21 | §6. In afwijking van paragraaf 2 geldt volgende bepaling voor de vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat. Als een vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat op 1 september 2023 minstens gedurende de drie voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was in het ambt van beheerder in een internaat, omdat hij gebruikmaakte van een of meerdere verlofstelsels als vermeld in paragraaf 4, kan de inrichtende macht zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2023 als een vacante betrekking beschouwen, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt. | ||
| 8 | 5° centrumbestuur : de inrichtende macht die ten aanzien van het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden; | 8 | 5° centrumbestuur : de inrichtende macht die ten aanzien van het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden; |
| 9 | 6° centrumreglement : door het centrumbestuur goedgekeurd document dat de betrekkingen regelt tussen het centrumbestuur en de cursisten; | 9 | 6° centrumreglement : door het centrumbestuur goedgekeurd document dat de betrekkingen regelt tussen het centrumbestuur en de cursisten; |
| 10 | 7° certificaat : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die met goed gevolg een opleiding heeft beëindigd ; | 10 | 7° certificaat : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die met goed gevolg een opleiding heeft beëindigd of aan een voormalige cursist die in het centrum maximaal vijf schooljaren eerder een deelcertificaat van de opleiding behaald heeft en heeft aangetoond dat hij alle competenties bereikt heeft; |
| 11 | 8° ...; | 11 | 8° ...; |
| 12 | 9° contactonderwijs : onderwijs in een rechtstreeks contact tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de cursist, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking; | 12 | 9° contactonderwijs : onderwijs in een rechtstreeks contact tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de cursist, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking; |
| 13 | 10° cursist : een deelnemer aan het volwassenenonderwijs die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en ingeschreven is; | 13 | 10° cursist : een deelnemer aan het volwassenenonderwijs die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en ingeschreven is; |
| 14 | 11° deelcertificaat : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die een module in de basiseducatie of het secundair volwassenenonderwijs met goed gevolg heeft beëindigd; | 14 | 11° deelcertificaat : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die een module in de basiseducatie of het secundair volwassenenonderwijs met goed gevolg heeft beëindigd; |
| 15 | 12° diploma : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die met goed gevolg het secundair onderwijs heeft beëindigd ; | 15 | 12° diploma : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die met goed gevolg het secundair onderwijs heeft beëindigd of aan een voormalige cursist die in het centrum maximaal vijf schooljaren eerder een deelcertificaat van de opleiding behaald heeft en heeft aangetoond dat hij alle competenties bereikt heeft; |
| 16 | 12° bis duale opleiding: een beroepsopleiding van het secundair volwassenenonderwijs waarin cursisten de competenties die tot een beroepskwalificatie leiden, deels verwerven in het CVO als onderwijsinstellingscomponent en deels op de werkplek, vermeld in artikel 2, 13°, van het decreet van 25 maart 2022 tot regeling van bepaalde aspecten van duale opleidingen in het volwassenenonderwijs, als werkplekcomponent; | 16 | 12° bis duale opleiding: een beroepsopleiding van het secundair volwassenenonderwijs waarin cursisten de competenties die tot een beroepskwalificatie leiden, deels verwerven in het CVO als onderwijsinstellingscomponent en deels op de werkplek, vermeld in artikel 2, 13°, van het decreet van 25 maart 2022 tot regeling van bepaalde aspecten van duale opleidingen in het volwassenenonderwijs, als werkplekcomponent; |
| 17 | 13° eindtermen : minimumdoelen op het gebied van kennis, vaardigheden, inzicht en attitudes die de Vlaamse Gemeenschap noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde cursistenpopulatie; | 17 | 13° eindtermen : minimumdoelen op het gebied van kennis, vaardigheden, inzicht en attitudes die de Vlaamse Gemeenschap noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde cursistenpopulatie; |
| 1 | De Vlaamse Regering kan hetzij op eigen initiatief hetzij op voordracht van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten experimenteel nieuwe leergebieden voor de basiseducatie of nieuwe studiegebieden voor het secundair volwassenenonderwijs erkennen. | 1 | De Vlaamse Regering kan hetzij op eigen initiatief hetzij op voordracht van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten experimenteel nieuwe leergebieden voor de basiseducatie of nieuwe studiegebieden voor het secundair volwassenenonderwijs erkennen. |
| 2 | Voor een experimenteel nieuw leergebied voor de basiseducatie kent de Vlaamse Regering een deler toe als vermeld in artikel 85, §2. Voor een experimenteel nieuw studiegebied voor het secundair volwassenenonderwijs kent de Vlaamse Regering een deler toe als vermeld in artikel 98, § 1. | 2 | Voor een experimenteel nieuw leergebied voor de basiseducatie kent de Vlaamse Regering een coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte toe als vermeld in artikel 85, §2. Voor een experimenteel nieuw studiegebied voor het secundair volwassenenonderwijs kent de Vlaamse Regering een coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte toe als vermeld in artikel 98, §2. |
| 3 | De experimenteel erkende leergebieden of studiegebieden worden uiterlijk na vijfjaar door het Vlaams Parlement aan de leergebieden en studiegebieden, vermeld in artikelen 6 of 7, toegevoegd of jaar na jaar opgeheven. De toevoeging of opheffing gebeurt op basis van een advies van de Vlaamse Onderwijsraad en een evaluatie uitgevoerd door een door de Vlaamse Regering samengestelde commissie. | 3 | De experimenteel erkende leergebieden of studiegebieden worden uiterlijk na vijfjaar door het Vlaams Parlement aan de leergebieden en studiegebieden, vermeld in artikelen 6 of 7, toegevoegd of jaar na jaar opgeheven. De toevoeging of opheffing gebeurt op basis van een advies van de Vlaamse Onderwijsraad en een evaluatie uitgevoerd door een door de Vlaamse Regering samengestelde commissie. |
| 2 | § 2. De leerplannen bevatten de doelen die het centrumbestuur uitdrukkelijk formuleert voor haar cursisten vanuit het eigen agogische project in het algemeen of de eigen visie op de opleiding in het bijzonder. In de leerplannen worden de eindtermen, de specifieke eindtermen of de basiscompetenties op herkenbare wijze opgenomen. | 2 | § 2. De leerplannen bevatten de doelen die het centrumbestuur uitdrukkelijk formuleert voor haar cursisten vanuit het eigen agogische project in het algemeen of de eigen visie op de opleiding in het bijzonder. In de leerplannen worden de eindtermen, de specifieke eindtermen of de basiscompetenties op herkenbare wijze opgenomen. |
| 3 | Het leerplan moet voldoende ruimte laten voor de inbreng van centra, leraren, lerarenteams of cursisten. | 3 | Het leerplan moet voldoende ruimte laten voor de inbreng van centra, leraren, lerarenteams of cursisten. |
| 4 | § 3. Met het oog op het waarborgen van het studie-peil keurt de Vlaamse Regering de leerplannen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7 , goed volgens de vooraf door haar bepaalde criteria. | 4 | § 3. Met het oog op het waarborgen van het studie-peil keurt de Vlaamse Regering de leerplannen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7 of artikel 10, goed volgens de vooraf door haar bepaalde criteria. |
| 1 | § 1. Op voordracht van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten bepaalt de Vlaamse Regering de opleidingsprofielen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7 . | 1 | § 1. Op voordracht van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten bepaalt de Vlaamse Regering de opleidingsprofielen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7 of artikel 10. |
| 2 | Over de voorgedragen opleidingsprofielen die niet gebaseerd zijn op een erkende beroepskwalificatie, wordt voorafgaandelijk aan de beslissing van de Vlaamse Regering het advies van de Vlaamse Onderwijsraad gevraagd. | 2 | Over de voorgedragen opleidingsprofielen die niet gebaseerd zijn op een erkende beroepskwalificatie, wordt voorafgaandelijk aan de beslissing van de Vlaamse Regering het advies van de Vlaamse Onderwijsraad gevraagd. |
| 3 | Een opleidingsprofiel omvat ten minste : | 3 | Een opleidingsprofiel omvat ten minste : |
| 1 | §1. In afwijking van artikel 25 kan een centrum opleidingsaanbod organiseren in de vorm van een open module die in overeenstemming met dit decreet erkend is en voldoet aan volgende criteria : | 1 | §1. In afwijking van artikel 25 kan een centrum opleidingsaanbod organiseren in de vorm van een open module die in overeenstemming met dit decreet erkend is en voldoet aan volgende criteria : |
| 2 | 1° het voldoet aan de wettelijke bepalingen van dit decreet; | 2 | 1° het voldoet aan de wettelijke bepalingen van dit decreet; |
| 3 | 2° het aantal lestijden dat in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de subsidiëring of financiering bedraagt 20, 40 of 60 lestijden; | 3 | 2° het aantal lestijden dat in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de subsidiëring of financiering bedraagt 10, 20, 40 of 60 lestijden; |
| 4 | 3° de clustering van de eindtermen of basiscompetenties is relevant en consistent; | 4 | 3° de clustering van de eindtermen of basiscompetenties is relevant en consistent; |
| 5 | 4° de duur staat in verhouding tot de vooropgestelde doelen; | 5 | 4° de duur staat in verhouding tot de vooropgestelde doelen; |
| 6 | 5° de wijze van evalueren is duidelijk omschreven. | 6 | 5° de wijze van evalueren is duidelijk omschreven. |
| 7 | De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten betreffende evaluatie, verantwoordingsstukken en procedure. | 7 | De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten betreffende evaluatie, verantwoordingsstukken en procedure. |
| 8 | §2. De open module, vermeld in § 1, kan enkel ingericht worden : | 8 | §2. De open module, vermeld in § 1, kan enkel ingericht worden : |
| 9 | 1° in de leergebieden wiskunde, Nederlands, informatieen communicatietechnologie en alfabetisering Nederlands tweede taal van de basiseducatie. De open module wiskunde omvat uitsluitend eindtermen of basiscompetenties uit het leergebied wiskunde. De open module Nederlands omvat uitsluitend eindtermen uit het leergebied Nederlands. De open module alfabetisering Nederlands tweede taal omvat uitsluitend basiscompetenties uit het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal. De open module ICT omvat uitsluitend eindtermen uit het leergebied informatie- en communicatietechnologie; | ||
| 9 | 1° in de leergebieden, vermeld in artikel 6 van hetzelfde decreet. De open module omvat uitsluitend eindtermen of basiscompetenties uit een of meerdere leergebieden; | ||
| 10 | 2° als geletterdheidsmodule, zoals bedoeld in artikel 24, § 1bis. De open module omvat uitsluitend eindtermen of basiscompetenties bepaald door de Vlaamse Regering. | 10 | 2° als geletterdheidsmodule, zoals bedoeld in artikel 24, § 1bis. De open module omvat uitsluitend eindtermen of basiscompetenties bepaald door de Vlaamse Regering. |
| 11 | 3° in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. De open module Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 omvat uitsluitend basiscompetenties uit het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2. De open module Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 omvat uitsluitend basiscompetenties uit het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. | 11 | 3° in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. De open module Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 omvat uitsluitend basiscompetenties uit het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2. De open module Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 omvat uitsluitend basiscompetenties uit het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4; |
| 12 | 4° in de opleiding Start to ICT van het studiegebied ICT. De open module Start to ICT omvat uitsluitend basiscompetenties uit de opleiding Start to ICT. | ||
| 12 | 4° in het studiegebied informatie- en communicatietechnologie. De open module omvat uitsluitend basiscompetenties uit het studiegebied informatie- en communicatietechnologie; | ||
| 13 | 5° in de opleidingen Vlaamse Gebarentaal Richtgraad 1 en Vlaamse Gebarentaal Richtgraad 2 van het studiegebied bijzondere educatieve noden en in de studiegebieden Europese hoofdtalen richtgraad 1 en 2, Europese neventalen richtgraad 1 en 2, Europese talen richtgraad 3 en 4, Hebreeuws, Oosterse talen, Scandinavische talen en Slavische talen. De open module omvat uitsluitend basiscompetenties uit één studiegebied en één taal. | ||
| 14 | §3. Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen monitort de organisatie van de open modules door de centra minstens tot en met schooljaar 2026-2027 met het oog op beleidsconclusies door de Vlaamse Regering. |
| 1 | In afwijking van artikel 26, §4, kunnen de centra geïntegreerd onderwijs organiseren waarbij voor eenzelfde groep cursisten een deel van de module gelijktijdig met een of twee modules van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal en de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 georganiseerd wordt, zonder dat het totale aantal te organiseren lestijden de som bedraagt van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24. | 1 | In afwijking van artikel 26, §4, kunnen de centra geïntegreerd onderwijs organiseren waarbij voor eenzelfde groep cursisten een deel van de module gelijktijdig met een of twee modules van een van de volgende opleidingen georganiseerd wordt, zonder dat het totale aantal te organiseren lestijden de som bedraagt van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24: |
| 2 | 1° de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6 van hetzelfde decreet; | ||
| 3 | 2° de opleidingen van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4; | ||
| 4 | 3° de opleiding Start to ICT van het studiegebied informatie- en communicatietechnologie; | ||
| 5 | 4° de opleiding Aanvullende Algemene Vorming van het studiegebied aanvullende algemene vorming; | ||
| 6 | 5° de geletterdheidsmodules, vermeld in artikel 24, §1bis. | ||
| 2 | Gelijktijdig geïntegreerd onderwijs voldoet ten minste aan de volgende criteria: | 7 | Gelijktijdig geïntegreerd onderwijs voldoet ten minste aan de volgende criteria: |
| 3 | 1° het voldoet aan de bepalingen van dit decreet; | 8 | 1° het voldoet aan de bepalingen van dit decreet; |
| 4 | 2° het aantal gelijktijdig georganiseerde lestijden van de modules van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal en de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 omvat maximaal de helft van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24; | ||
| 9 | 2° ...; | ||
| 5 | 3° het totale aantal lestijden dat in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de subsidiëring of financiering, bedraagt de som van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24; | 10 | 3° het totale aantal lestijden dat in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de subsidiëring of financiering, bedraagt de som van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24; |
| 6 | 4° de gelijktijdig georganiseerde lessen worden door ten minste twee leraren gegeven; | 11 | 4° de gelijktijdig georganiseerde lessen worden door ten minste twee leraren gegeven; |
| 1 | Het volwassenenonderwijs kan georganiseerd worden als contactonderwijsof als gecombineerd onderwijs. Gecombineerd onderwijs voldoet ten minste aan volgende criteria : | 1 | Het volwassenenonderwijs kan georganiseerd worden als contactonderwijs, afstandsonderwijs of als gecombineerd onderwijs. Afstandsonderwijs en gecombineerd onderwijs voldoen ten minste aan volgende criteria : |
| 2 | 1° het voldoet aan de wettelijke bepalingen van dit decreet; | 2 | 1° het voldoet aan de wettelijke bepalingen van dit decreet; |
| 3 | 2° het omvat minimaal een evaluatiemoment in contactonderwijs; | 3 | 2° het gecombineerd onderwijs omvat minimaal een evaluatiemoment in contactonderwijs; |
| 4 | 3° ... | 4 | 3° ... |
| 5 | 4° het cursusmateriaal en de didactische middelen voor het gedeelte afstandsonderwijs zijn geschikt voor multimediaal gebruik; | 5 | 4° het cursusmateriaal en de didactische middelen voor het gedeelte afstandsonderwijs zijn geschikt voor multimediaal gebruik; |
| 6 | 5° de wijze van evalueren van het gedeelte afstandsonderwijs is duidelijk omschreven; | 6 | 5° de wijze van evalueren van het gedeelte afstandsonderwijs is duidelijk omschreven; |
| 7 | 6° de deelname van cursisten aan het gedeelte afstandsonderwijs wordt systematisch opgevolgd. | 7 | 6° de deelname van cursisten aan het gedeelte afstandsonderwijs wordt systematisch opgevolgd. |
| 8 | De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag van gecombineerd onderwijs. | ||
| 8 | Het afstandsonderwijs wordt uiterlijk na het schooljaar 2025-2026 geëvalueerd. |
| 1 | § 1. In afwijking van artikel 29 kunnen de Centra voor Basiseducatie onderwijs organiseren met door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde VTE, dat overeenkomstig dit decreet niet erkend is en voldoet aan volgende criteria : | ||
| 2 | 1° het voldoet aan de wettelijke bepalingen van dit decreet; | ||
| 3 | 2° het wordt georganiseerd op verzoek van derden die hiervoor een samenwerkingsovereenkomst afsluiten met het organiserende Centrum voor Basiseducatie; | ||
| 4 | 3° het is gericht op ten minste zes cursisten; | ||
| 5 | 4° het bevat uitsluitend eindtermen of basiscompetenties uit leergebieden overeenkomstig dit decreet erkend, waarvan de clustering relevant en consistent is; | ||
| 6 | 5° de duur staat in verhouding tot de vooropgestelde doelstellingen; | ||
| 7 | 6° de wijze van evalueren is duidelijk omschreven. | ||
| 8 | De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag van deze vorm van onderwijs. | ||
| 9 | § 2. Het onderwijs, zoals bepaald in § 1, kan niet leiden tot van rechtswege erkende studiebewijzen. |
| 1 | In afwijking van artikel 37, tweede lid, 5°, kan een kandidaat-inwijkeling ingeschreven worden in de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal bij een centrum voor basiseducatie of in de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 of de opleiding Lezen en Schrijven voor Andersgealfabetiseerden van het studiegebied Nederlands Tweede Taal richtgraad 1 en 2 bij een centrum voor volwassenenonderwijs, georganiseerd als het afstandsonderwijs, vermeld in artikel 28, als een bewijs geleverd is waaruit blijkt dat de kandidaat-cursist een kandidaat-inwijkeling is. | ||
| 2 | In dit artikel wordt verstaan onder kandidaat-inwijkeling: de vreemdeling die in het buitenland een visum tot langdurig verblijf in België heeft aangevraagd en zijn of haar wil uit om in een gemeente van het Nederlandse taalgebied of van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ingeschreven te worden in het Rijksregister, of de niet-visumplichtige vreemdeling die bij de bevoegde diplomatieke of consulaire post in het buitenland zijn of haar wil uit om een langdurig verblijf in België te verkrijgen en om in een gemeente van het Nederlandse taalgebied of van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ingeschreven te worden in het Rijksregister. | ||
| 3 | De Vlaamse Regering stelt de wijze vast waarop een vreemdeling kan bewijzen een kandidaat-inwijkeling te zijn. | ||
| 4 | In afwijking van artikel 6 van het bij het decreet van 7 juli 2023 over het onderwijs XXXIII bekrachtigde besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2022 over de NT2-test in het volwassenenonderwijs kan een cursist die ingeschreven is onder de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, ook op een later tijdstip dan drie maanden na het einde van de NT2-opleiding een NT2-test afleggen. |
| 2 | Een evaluatie kan georganiseerd worden in de vorm van een permanente evaluatie of in de vorm van een afsluitende evaluatie. | 2 | Een evaluatie kan georganiseerd worden in de vorm van een permanente evaluatie of in de vorm van een afsluitende evaluatie. |
| 3 | Het centrum organiseert voor elke module een evaluatie. | 3 | Het centrum organiseert voor elke module een evaluatie. |
| 4 | Het centrum kan een cursist of voormalige cursist vrijstellen van de evaluatie. | ||
| 4 | § 2. ... | 5 | § 2. ... |
| 10 | 2° de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een certificaat of een bewijs van een beroepskwalificatie van een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied in het secundair volwassenenonderwijs, een certificaat van een opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5 of een diploma of graad van gegradueerde; | 10 | 2° de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een certificaat of een bewijs van een beroepskwalificatie van een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied in het secundair volwassenenonderwijs, een certificaat van een opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5 of een diploma of graad van gegradueerde; |
| 11 | 2° bis de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een of meer deelattesten als bewijs van slagen voor het specifiek gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het TSO of BSO voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs voor zover de onderverdeling overeenkomt met een opleiding als vermeld in artikel 42; | 11 | 2° bis de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een of meer deelattesten als bewijs van slagen voor het specifiek gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het TSO of BSO voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs voor zover de onderverdeling overeenkomt met een opleiding als vermeld in artikel 42; |
| 12 | 2° ter de opleiding van het secundair volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 42, of de opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5, gecombineerd met een bewijs van slagen voor het algemeen gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het tso of bso voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs; | ||
| 12 | 3° een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied dan aanvullende algemene vorming of algemene vorming in het secundair volwassenenonderwijs, als de cursist bij zijn inschrijving houder is van een diploma van het secundair onderwijs. | 13 | 3° een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied dan aanvullende algemene vorming of algemene vorming in het secundair volwassenenonderwijs, als de cursist bij zijn inschrijving houder is van een diploma van het secundair onderwijs. |
| 13 | § 5. .... | 14 | § 5. .... |
| 1 | Ter uitvoering van artikel 41, § 4, 2° en 3°, bepaalt de Vlaamse Regering, na advies van de inspectie de opleidingen van een ander studiegebied in het secundair volwassenenonderwijs, die in combinatie met het certificaat van de opleiding aanvullende algemene vorming leiden, tot een diploma secundair onderwijs. Hiertoe moeten die opleidingen voldoen aan volgende voorwaarden : | 1 | Ter uitvoering van artikel 41, § 4, 2° en 3°, bepaalt de Vlaamse Regering, na advies van het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen de opleidingen van een ander studiegebied in het secundair volwassenenonderwijs, die in combinatie met het certificaat van de opleiding aanvullende algemene vorming leiden, tot een diploma secundair onderwijs. Hiertoe moeten die opleidingen voldoen aan volgende voorwaarden : |
| 2 | 1° de minimale duur van de opleiding omvat 480 lestijden; | 2 | 1° de minimale duur van de opleiding omvat 480 lestijden; |
| 3 | 2° de opleiding beoogt een brede maatschappelijke participatie; | 3 | 2° de opleiding beoogt een brede maatschappelijke participatie; |
| 1 | §1. De Centra voor Volwassenenonderwijs kunnen de volgende bevoegdheden uitoefenen : | 1 | §1. De Centra voor Volwassenenonderwijs kunnen de volgende bevoegdheden uitoefenen : |
| 2 | 1° de organisatie van de opleidingen die behoren tot de studiegebieden, vermeld in artikel 7 , voor zover het Centrum voor Volwassenenonderwijs hiervoor onderwijsbevoegdheid heeft; | 2 | 1° de organisatie van de opleidingen die behoren tot de studiegebieden, vermeld in artikel 7 of artikel 10, voor zover het Centrum voor Volwassenenonderwijs hiervoor onderwijsbevoegdheid heeft; |
| 3 | 2° de organisatie van openleercentra; | 3 | 2° de organisatie van openleercentra; |
| 4 | 3° de organisatie van activerings- en keuzebegeleidingsactiviteiten; | 4 | 3° de organisatie van activerings- en keuzebegeleidingsactiviteiten; |
| 1 | § 1. Het bestuur van een centrum voor volwassenenonderwijs kan bij de Vlaamse Regering bijkomende onderwijsbevoegdheid aanvragen voor een studiegebied als vermeld in artikel 7 , in een vestigingsplaats. De Vlaamse Regering kan de aangevraagde onderwijsbevoegdheid uitsluitend weigeren of verlenen bij een met redenen omklede beslissing. De Vlaamse Regering zal, voor ze een beslissing neemt, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad inwinnen. | 1 | § 1. Het bestuur van een centrum voor volwassenenonderwijs kan bij de Vlaamse Regering bijkomende onderwijsbevoegdheid aanvragen voor een studiegebied als vermeld in artikel 7 of artikel 10, in een vestigingsplaats. De Vlaamse Regering kan de aangevraagde onderwijsbevoegdheid uitsluitend weigeren of verlenen bij een met redenen omklede beslissing. De Vlaamse Regering zal, voor ze een beslissing neemt, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad inwinnen. |
| 2 | Als het een aanvraag betreft voor een vestigingsplaats die verder dan 25 km van de hoofdvestigingsplaats van het centrum voor volwassenenonderwijs gelegen is, dan zal een protocol van akkoord van het bevoegde lokaal onderhandelingscomité voor de Vlaamse Regering een zeer belangrijk element vormen bij de beoordeling van de aanvraag. De Vlaamse Regering motiveert haar beslissing indien deze afwijkt van het standpunt aangenomen in het protocol van akkoord. | 2 | Als het een aanvraag betreft voor een vestigingsplaats die verder dan 25 km van de hoofdvestigingsplaats van het centrum voor volwassenenonderwijs gelegen is, dan zal een protocol van akkoord van het bevoegde lokaal onderhandelingscomité voor de Vlaamse Regering een zeer belangrijk element vormen bij de beoordeling van de aanvraag. De Vlaamse Regering motiveert haar beslissing indien deze afwijkt van het standpunt aangenomen in het protocol van akkoord. |
| 3 | De Vlaamse Regering bepaalt de aanvraagprocedure voor de toekenning van onderwijsbevoegdheid voor een of meerdere studiegebieden van het secundair volwassenenonderwijs in een vestigingsplaats aan de besturen van de centra voor volwassenenonderwijs. | 3 | De Vlaamse Regering bepaalt de aanvraagprocedure voor de toekenning van onderwijsbevoegdheid voor een of meerdere studiegebieden van het secundair volwassenenonderwijs in een vestigingsplaats aan de besturen van de centra voor volwassenenonderwijs. |
| 1 | § 1. De ingediende aanvragen worden beoordeeld door een selectiecommissie die bestaat uit : | 1 | § 1. De ingediende aanvragen worden beoordeeld door een selectiecommissie die bestaat uit : |
| 2 | 1° één lid van de inspectie; | ||
| 2 | 1° ...; | ||
| 3 | 2° twee ambtenaren van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming; | 3 | 2° twee ambtenaren van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming; |
| 4 | 3° twee externe experten met onderzoeks- of praktijkervaring inzake afstandsleren in volwasseneneducatie; | 4 | 3° twee externe experten met onderzoeks- of praktijkervaring inzake afstandsleren in volwasseneneducatie; |
| 10 | De coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte is : | 10 | De coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte is : |
| 11 | 1° 1 voor het leergebied talen; | 11 | 1° 1 voor het leergebied talen; |
| 12 | 2° 1,2 voor de leergebieden informatie- en communicatietechnologie en Nederlands tweede taal ; | 12 | 2° 1,2 voor de leergebieden informatie- en communicatietechnologie en Nederlands tweede taal en voor leergebiedoverstijgende open modules; |
| 13 | 3° 1,5 voor de leergebieden maatschappijoriëntatie en alfabetisering tweede taal; | 13 | 3° 1,5 voor de leergebieden maatschappijoriëntatie en alfabetisering tweede taal; |
| 14 | 4° 2 voor de leergebieden Nederlands en wiskunde. | 14 | 4° 2 voor de leergebieden Nederlands en wiskunde. |
| 1 | §1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken; | ||
| 3 | 2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. | ||
| 4 | §2. Een centrumbestuur kan bij een tekort aan personeel op de arbeidsmarkt in de wervingsambten eigen middelen, werkingsmiddelen als vermeld in artikel 89, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, aanwenden voor de wervingsambten in een of meer van zijn centra om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in dat centrum of die centra een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen. | ||
| 5 | Het tekort aan personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het centrumbestuur in het centrum waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. | ||
| 6 | In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen. | ||
| 7 | §3. Het centrumbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie en de uitvoeringsbesluiten van dit decreet zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers. | ||
| 8 | In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 27 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie. | ||
| 9 | De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het centrumbestuur hebben. | ||
| 10 | §4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een centrumbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 85, §3. | ||
| 11 | De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt: | ||
| 12 | 1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer; | ||
| 13 | 2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt. |
| 11 | De coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte is : | 11 | De coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte is : |
| 12 | 1° 1 voor het leergebied talen; | 12 | 1° 1 voor het leergebied talen; |
| 13 | 2° 1,2 voor de leergebieden informatie- en communicatietechnologie en Nederlands tweede taal ; | 13 | 2° 1,2 voor de leergebieden informatie- en communicatietechnologie en Nederlands tweede taal en voor leergebiedoverstijgende open modules; |
| 14 | 3° 1,5 voor de leergebieden maatschappijoriëntatie en alfabetisering tweede taal; | 14 | 3° 1,5 voor de leergebieden maatschappijoriëntatie en alfabetisering tweede taal; |
| 15 | 4° 2 voor de leergebieden Nederlands en wiskunde. | 15 | 4° 2 voor de leergebieden Nederlands en wiskunde. |
| 1 | §1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken; | ||
| 3 | 2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. | ||
| 4 | §2. Een centrumbestuur kan bij een tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsmiddelen als vermeld in artikel 108, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, voor de wervingsambten van het onderwijzend of ondersteunend personeel van een of meer van zijn centra aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in dat centrum of die centra een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen. | ||
| 5 | Het tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het centrumbestuur in het centrum waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het onderwijzend of ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. | ||
| 6 | In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen. | ||
| 7 | §3. Het centrumbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers. | ||
| 8 | In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, §1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, §1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. | ||
| 9 | De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het centrumbestuur hebben. | ||
| 10 | §4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een centrumbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 98, §3, en 98bis. | ||
| 11 | De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt: | ||
| 12 | 1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer; | ||
| 13 | 2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt. |
| 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 89, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB, of met andere middelen, personeel aanwerven. Het centrumbestuur kan het voormelde principe aanwenden voor het personeel, vermeld in artikel 3 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. | 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 89, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie, of met andere middelen, personeel aanwerven. Het centrumbestuur kan het voormelde principe aanwenden voor het personeel, vermeld in artikel 3 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. |
| 2 | De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt georganiseerd, kan niet vacant worden verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen of muteren in die betrekking. | 2 | De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt georganiseerd, kan niet vacant worden verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen of muteren in die betrekking. |
| 3 | Het personeelslid dat door een centrum voor basiseducatie wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld mits toepassing van hoofdstuk 9 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. Het decreet Rechtspositie Basiseducatie is op hem van toepassing. | 3 | Het personeelslid dat door een centrum voor basiseducatie wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld mits toepassing van hoofdstuk 9 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017. Het decreet Rechtspositie Basiseducatie is op hem van toepassing. |
| 1 | §1. Vanaf het schooljaar 2024-2025 worden jaarlijks 335,85 vte aan de centra voor basiseducatie toegekend om afwezige personeelsleden in het ambt van leraar basiseducatie te vervangen. De voormelde vte kunnen alleen aangewend worden voor vervangingen in niet-vacante uren. | ||
| 2 | Elk centrum voor basiseducatie heeft recht op hetzelfde aandeel aan vte voor vervanging van afwezige personeelsleden als het aandeel aan vte waar het centrum conform de berekening, vermeld in artikel 85, §1, recht op heeft. | ||
| 3 | Elk centrum voor basiseducatie maakt in het lokaal comité afspraken over de wijze waarop de vte voor vervangingen aangewend kunnen worden. Het centrum kan, afhankelijk van de lokale behoeften en prioriteiten, een eigen beleid voeren | ||
| 4 | over de vervanging van afwezige personeelsleden die aangesteld zijn in het ambt van leraar basiseducatie. | ||
| 5 | Na onderhandelingen in het lokaal comité kan het centrumbestuur de vte voor de vervanging van afwezige personeelsleden die het dat schooljaar niet heeft aangewend, overdragen aan een ander centrum voor basiseducatie. De voormelde overdracht wordt uiterlijk op 31 mei van het lopende schooljaar vastgelegd. Het centrum waaraan de vte worden overgedragen, gebruikt die vte in hetzelfde schooljaar als het schooljaar waarin de vte worden overgedragen. | ||
| 6 | §2. Vanaf het schooljaar 2025-2026 kan het jaarlijkse aantal vte voor vervangingen, vermeld in paragraaf 1, mee evolueren in verhouding tot het aantal toegekende vte, vermeld in artikel 85, §1. |
| 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 108, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDABof van andere middelen, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het meesters-, vak en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. | 1 | Het centrumbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 108, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie of van andere middelen, personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het meesters-, vak en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een centrumbestuur voormeld principe aanwenden voor de personeelscategorieën van toepassing in het volwassenenonderwijs vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. |
| 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 2 | De betrekking die met deze middelen wordt ingericht kan niet worden vacant verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 3 | Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. | 3 | Het personeelslid dat door een centrumbestuur voor volwassenenonderwijs in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs is op hem van toepassing. |
| 1 | Het zomeraanbod is een aanbod van een opleiding uit een van de studiegebieden, vermeld in artikel 7 , §1, tijdens de periode van 1 juli tot en met 31 augustus. | 1 | Het zomeraanbod is een aanbod van een opleiding uit een van de studiegebieden, vermeld in artikel 7 of artikel 10, tijdens de periode van 1 juli tot en met 31 augustus. |
| 1 | Vanaf het schooljaar 2024-2025 worden jaarlijks 8306 leraarsuren aan de centra voor volwassenenonderwijs toegekend om personeelsleden in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs te vervangen in afwezigheden die geen recht geven op een reguliere vervanging. | ||
| 2 | Onder reguliere vervanging moet worden begrepen een vervanging van een afwezigheid van minder dan een schooljaar die voldoet aan de volgende voorwaarden: | ||
| 3 | 1° het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het onderwijs; | ||
| 4 | 2° het personeelslid dat afwezig is, kan worden vervangen volgens de gangbare financierings- en subsidiëringsregels. | ||
| 5 | Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op hetzelfde aandeel aan leraarsuren voor vervanging van personeelsleden in afwezigheden die geen recht geven op een reguliere vervanging als het aandeel aan leraarsuren waar het centrum volgens de berekening van artikel 98, §1, van dit decreet recht op heeft. | ||
| 6 | Elk centrum voor volwassenenonderwijs maakt in het lokaal comité afspraken over de wijze waarop de leraarsuren, vermeld in het eerste lid, aangewend mogen worden. |
| 1 | In afwijking van artikel 64, §4, kan een centrum voor volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor het studiegebied informatie- en communicatietechnologie tot en met schooljaar 2024-2025 na een melding aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, die onderwijsbevoegdheid uitoefenen in een vestigingsplaats waar onderwijsinstellingen liggen die middelen hebben ontvangen als vermeld in artikel 67/1, §1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 34/1, §1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, artikel 91, tweede lid, en artikel 101, tweede lid, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. | ||
| 2 | Centra voor volwassenenonderwijs die de onderwijsbevoegdheid, vermeld in het eerste lid, tijdens een van de schooljaren 2021-2022 tot en met 2024-2025 hebben uitgeoefend, kunnen deze onderwijsbevoegdheid verder uitoefenen tot en met schooljaar 2025-2026. | ||
| 3 | Centra voor volwassenenonderwijs die de onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel 17, 2°, van het decreet van 4 februari 2022 tot het nemen van dringende maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (IX), tijdens een van de schooljaren 2022-2023 of 2023-2024 hebben uitgeoefend, kunnen deze onderwijsbevoegdheid verder uitoefenen tot en met schooljaar 2024-2025. |
| 1 | Voor elke langlopende studierichting worden voor de eerste, tweede en derde graad basiscompetenties vastgelegd. | 1 | Voor elke langlopende studierichting worden voor de eerste, tweede en derde graad basiscompetenties vastgelegd. |
| 2 | Voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding worden basiscompetenties vastgelegd. | 2 | Voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding worden basiscompetenties vastgelegd. |
| 3 | Voor leerlingen van de vierde graad die uitstromen naar kunstbeoefening in de vrije tijd of de arbeidsmarkt gelden beroepskwalificaties. Voor leerlingen van de vierde graad die naar het hoger onderwijs willen doorstromen gelden de specifieke eindtermen van het wetenschapsdomein kunst en cultuur, vermeld in bijlage 7 van het decreet van 12 februari 2021 betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen. | 3 | Voor leerlingen van de derde en vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten en de vierde graad van de domeinen dans, muziek en woordkunst-drama die uitstromen naar kunstbeoefening in de vrije tijd of de arbeidsmarkt gelden beroepskwalificaties. Voor leerlingen van de derde en vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten en de vierde graad van de domeinen dans, muziek en woordkunst-drama die naar het hoger onderwijs willen doorstromen gelden de specifieke eindtermen van de onderdelen artistieke expressie en kunstbe-schouwing van het wetenschapsdomein kunst en cultuur, vermeld in bijlage 3 bij het decreet van 14 juli 2023 over de onderwijsdoelen voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs. |
| 4 | Voor elke kortlopende studierichting, met uitzondering van de kortlopende studierichting schrijver, selecteert het schoolbestuur een relevant en consistent geheel van specifieke eindtermen of basiscompetenties deeltijds kunstonderwijs die hoofdzakelijk uit het artistieke domein in kwestie worden geput. | 4 | Voor elke kortlopende studierichting, met uitzondering van de kortlopende studierichting schrijver, selecteert het schoolbestuur een relevant en consistent geheel van specifieke eindtermen of basiscompetenties deeltijds kunstonderwijs die hoofdzakelijk uit het artistieke domein in kwestie worden geput. |
| 5 | Voor de kortlopende studierichting schrijver geldt de beroepskwalificatie amateur literair schrijver. | 5 | Voor de kortlopende studierichting schrijver geldt de beroepskwalificatie amateur literair schrijver. |
| 9 | 8° siersmid/kunstsmid. | 9 | 8° siersmid/kunstsmid. |
| 10 | De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden. | 10 | De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden. |
| 11 | § 2. De onderwijsdoelen van de eerste, tweede en derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk. | 11 | § 2. De onderwijsdoelen van de eerste, tweede en derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk, met uitzondering van de derde graad voor de leerlingen die willen doorstromen naar het hoger onderwijs, waarvoor de specifieke eindtermen van het wetenschapsdomein kunst en cultuur gelden, conform artikel 5, derde lid. |
| 12 | De onderwijsdoelen van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend. | 12 | De onderwijsdoelen van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend. |
| 13 | § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste vier wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren. | 13 | § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste vier wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren. |
| 1 | Een schoolbestuur kan de inschrijving van een niet-regelmatige leerling weigeren. | 1 | Een schoolbestuur kan de inschrijving van de volgende leerlingen weigeren: |
| 2 | 1° een niet-regelmatige leerling; | ||
| 3 | 2° een leerling die voor een opleiding in hetzelfde domein al is ingeschreven in een andere academie. |
| 1 | Een leerling kan een individueel aangepast curriculum volgen als de directeur en de betrokken leerkrachten na overleg met de leerling en de betrokken personen motiveren dat de leerling ondanks redelijke aanpassingen onvoldoende leerwinst kan boeken in het gemeenschappelijke curriculum, als de leerling voldoet aan een van de volgende voorwaarden: | 1 | Een leerling kan een individueel aangepast curriculum volgen als de directeur en de betrokken leerkrachten na overleg met de leerling en de betrokken personen motiveren dat de leerling ondanks redelijke aanpassingen onvoldoende leerwinst kan boeken in het gemeenschappelijke curriculum, als de leerling voldoet aan een van de volgende voorwaarden: |
| 2 | 1° beschikken over een verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; | 2 | 1° beschikken over een IAC-verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; |
| 3 | 2° beschikken over een verslag als vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs; | 3 | 2° beschikken over een IACverslag als vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs; |
| 4 | 3° erkend zijn als persoon met een handicap met toepassing van een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving; | 4 | 3° erkend zijn als persoon met een handicap met toepassing van een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving; |
| 5 | 4° een medisch attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de leerling een aandoening heeft die de leerling verhindert om alle leeractiviteiten in het lessenrooster te volgen. Het attest is ondertekend door een arts, psycholoog of lid van een multidisciplinair team dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. | 5 | 4° een medisch attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de leerling een aandoening heeft die de leerling verhindert om alle leeractiviteiten in het lessenrooster te volgen. Het attest is ondertekend door een arts, psycholoog of lid van een multidisciplinair team dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. |
| 1 | Een leerling kan na overleg met de directeur en de betrokken leerkrachten, binnen het gemeenschappelijke curriculum afwijken van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20 en de bepalingen over de evaluaties, vermeld in artikel 61 en 62, als de leerling voldoet aan een van de volgende voorwaarden: | 1 | Een leerling kan na overleg met de directeur en de betrokken leerkrachten, binnen het gemeenschappelijke curriculum afwijken van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20 en de bepalingen over de evaluaties, vermeld in artikel 61 en 62, als de leerling voldoet aan een van de volgende voorwaarden: |
| 2 | 1° beschikken over een gemotiveerd verslag als vermeld in artikel 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; | 2 | 1° beschikken over een GC-verslag als vermeld in artikel 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; |
| 3 | 2° beschikken over een gemotiveerd verslag als vermeld in artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs ; | 3 | 2° beschikken over een GC-verslag als vermeld in artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of over een OV-4 verslag als vermeld in artikel 294, §2, 2°, van de voormelde codex; |
| 4 | 3° erkend zijn als persoon met een handicap met toepassing van een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving; | 4 | 3° erkend zijn als persoon met een handicap met toepassing van een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving; |
| 5 | 4° een medisch attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de leerling een aandoening heeft die de leerling verhindert om alle leeractiviteiten in het lessenrooster te volgen. Het attest is ondertekend door een arts, psycholoog of lid van een multidisciplinair team dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. | 5 | 4° een medisch attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de leerling een aandoening heeft die de leerling verhindert om alle leeractiviteiten in het lessenrooster te volgen. Het attest is ondertekend door een arts, psycholoog of lid van een multidisciplinair team dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. |
| 6 | 5° beschikken over een IAC-verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; | ||
| 7 | 6° beschikken over een IAC-verslag als vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs. | ||
| 6 | In het eerste lid wordt onder gemeenschappelijk curriculum verstaan de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de basiscompetenties, de beroepskwalificaties of de specifieke eindtermen te bereiken. | 8 | In het eerste lid wordt onder gemeenschappelijk curriculum verstaan de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de basiscompetenties, de beroepskwalificaties of de specifieke eindtermen te bereiken. |
| 7 | De directeur en de leerkrachten motiveren de afwijkingen in relatie tot de leerwinst met het oog op het behalen van het leerbewijs, het bewijs van competenties of bewijs van beroepskwalificatie. De onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen het motivatiedossier op elk moment inkijken in de academie. De coëfficiënten, vermeld in artikel 67, § 3, eerste en tweede lid, zijn van toepassing als de academie het motivatiedossier niet kan voorleggen en de leerling een lessenrooster volgt dat afwijkt van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20. | 9 | De directeur en de leerkrachten motiveren de afwijkingen in relatie tot de leerwinst met het oog op het behalen van het leerbewijs, het bewijs van competenties of bewijs van beroepskwalificatie. De onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen het motivatiedossier op elk moment inkijken in de academie. De coëfficiënten, vermeld in artikel 67, § 3, eerste en tweede lid, zijn van toepassing als de academie het motivatiedossier niet kan voorleggen en de leerling een lessenrooster volgt dat afwijkt van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20. |
| 1 | De mate waarin de leerling de basiscompetenties, beroepskwalificaties of specifieke eindtermen bereikt, bepaalt of hij al dan niet geslaagd is voor een graad van een studierichting. | 1 | De mate waarin de leerling de basiscompetenties, beroepskwalificaties of specifieke eindtermen bereikt, bepaalt of hij al dan niet geslaagd is voor een graad van een studierichting. |
| 2 | De leerlingen die meer dan een derde van de lessen niet hebben bijgewoond zonder dat hun afwezigheid gewettigd was, zijn niet geslaagd. |
| 18 | De wegingen, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, worden alleen toegepast op de omkaderingsberekening van de academie met een vestigingsplaats in een dunbevolkte gemeente voor zover de leerling alle vakken volgt in een vestigingsplaats gelegen in een dunbevolkte gemeente. | 18 | De wegingen, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, worden alleen toegepast op de omkaderingsberekening van de academie met een vestigingsplaats in een dunbevolkte gemeente voor zover de leerling alle vakken volgt in een vestigingsplaats gelegen in een dunbevolkte gemeente. |
| 19 | Een leerling die meer opleidingen van hetzelfde domein in verschillende academies volgt, is maar in één academie financierbaar. Op basis van gegevens die het Agentschap voor Onderwijsdiensten aanreikt, beslissen de directeurs in onderling overleg in welke academie de leerling financierbaar is. Ze melden hun beslissing schriftelijk aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten voor 1 februari. Als de directeurs niet tot een akkoord komen, is de leerling financierbaar voor het schooljaar 2019-2020 in die academie waar hij het eerst zijn inschrijvingsgeld betaald heeft voor dat schooljaar. Vanaf het schooljaar 2020-2021 is de leerling financierbaar in de academie waar zijn inschrijving voor dat schooljaar het eerst is geregistreerd in het elektronisch systeem voor de uitwisseling van leerlingengegevens van het Agentschap voor Onderwijsdiensten. | 19 | Een leerling die meer opleidingen van hetzelfde domein in verschillende academies volgt, is maar in één academie financierbaar. Op basis van gegevens die het Agentschap voor Onderwijsdiensten aanreikt, beslissen de directeurs in onderling overleg in welke academie de leerling financierbaar is. Ze melden hun beslissing schriftelijk aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten voor 1 februari. Als de directeurs niet tot een akkoord komen, is de leerling financierbaar voor het schooljaar 2019-2020 in die academie waar hij het eerst zijn inschrijvingsgeld betaald heeft voor dat schooljaar. Vanaf het schooljaar 2020-2021 is de leerling financierbaar in de academie waar zijn inschrijving voor dat schooljaar het eerst is geregistreerd in het elektronisch systeem voor de uitwisseling van leerlingengegevens van het Agentschap voor Onderwijsdiensten. |
| 20 | §6. Een leerling kan in de loop van het schooljaar zijn opleiding voortzetten in een andere academie als de capaciteit van die academie toereikend is en de directeur toestemming geeft. De nieuwe academie meldt de inschrijving van de leerling aan de oorspronkelijke academie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, wordt de leerling geteld als financierbare leerling in de academie waar hij op 1 februari ingeschreven is. | ||
| 1 | In afwijking van de bepalingen in artikel 69 tot en met 72 en artikel 79 kan de Vlaamse Regering wegens uitzonderlijke redenen van overmacht toestaan dat voor de structuuronderdelen die in de door de overmacht getroffen vestigingsplaatsen worden georganiseerd, eenmalig hetzelfde aantal lestijden en administratieve omkaderingseenheden wordt toegekend als die van het vorige schooljaar. Als de academie meer leerlingen inschrijft in de getroffen structuuronderdelen dan in het vorige schooljaar, geldt in dat geval de reguliere omkaderingsberekening. |
| 1 | § 1. Een academie heeft recht op aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding die berekend worden met de formule A*B, waarbij: | 1 | § 1. Een academie heeft recht op aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding die berekend worden met de formule A*B, waarbij: |
| 2 | 1° A: het totale aantal lestijden van de academie , dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar; | 2 | 1° A: het totale aantal lestijden van de academie van het voorafgaande schooljaar, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het daaraan voorafgaande schooljaar; |
| 3 | 2° B: X/Y, waarbij: | 3 | 2° B: X/Y, waarbij: |
| 4 | a) X: het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs; | 4 | a) X: het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs; |
| 5 | b) Y: het totale aantal lestijden voor het deeltijds kunstonderwijs , dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar. | 5 | b) Y: het totale aantal lestijden voor het deeltijds kunstonderwijs van het vorige schooljaar, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het daaraan voorafgaande schooljaar. |
| 6 | Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in het eerste lid, 454 lestijden. | 6 | Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in het eerste lid, 454 lestijden. |
| 7 | Voor het schooljaar X-X+1, vanaf het schooljaar 2022-2023, worden de lestijden, vermeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoefficiënt A=X/Y, waarbij: | 7 | Voor het schooljaar X-X+1, vanaf het schooljaar 2022-2023, worden de lestijden, vermeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoefficiënt A=X/Y, waarbij: |
| 8 | 1° X: het totale aantal financierbare leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari X; | 8 | 1° X: het totale aantal financierbare leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari X-1; |
| 9 | 2° Y: het totale aantal financierbare leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari 2021. | 9 | 2° Y: het totale aantal financierbare leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari 2021. |
| 10 | Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar de lagere eenheid. | 10 | Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar de lagere eenheid. |
| 1 | §1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken; | ||
| 3 | 2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. | ||
| 4 | §2. Een schoolbestuur kan bij een tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsmiddelen als vermeld in artikel 83 en 84, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, voor de wervingsambten van het onderwijzend of ondersteunend personeel van een of meer van zijn academies aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in die academie of academies een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen. | ||
| 5 | Het tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het schoolbestuur in de academie waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het onderwijzend of ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. | ||
| 6 | In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen. | ||
| 7 | §3. Het schoolbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers. | ||
| 8 | In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, §1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, §1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. | ||
| 9 | De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het schoolbestuur hebben. | ||
| 10 | §4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een schoolbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 73, §3. | ||
| 11 | De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt: | ||
| 12 | 1° vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer; | ||
| 13 | 2° als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt. |
| 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 en 84, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, of ten laste van de eigen middelen, personeel aanwerven. | 1 | Het schoolbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 en 84, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, ten laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie, of ten laste van de eigen middelen, personeel aanwerven. |
| 2 | In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. | 2 | In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. |
| 3 | In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs. | 3 | In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs. |
| 1 | §1. Om in aanmerking te komen voor het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 2° of 4°, moet de leerling op de dag van de inschrijving aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoen : | 1 | §1. Om in aanmerking te komen voor het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 2° of 4°, moet de leerling op de dag van de inschrijving aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoen : |
| 2 | 1° uitkeringsgerechtigd verplicht ingeschreven zijn als werkzoekende op grond van de reglementering in verband met de arbeidsvoorziening en de werkloosheid, of daarmee gelijkgesteld zijn; | ||
| 2 | 1° werkzoekend uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn; | ||
| 3 | 2° ... | 3 | 2° ... |
| 4 | 3° een leefloon van het OCMW ontvangen of een uitkering die daarmee gelijkgesteld is; | 4 | 3° een leefloon van het OCMW ontvangen of een uitkering die daarmee gelijkgesteld is; |
| 5 | 4° een inkomensgarantie voor ouderen of een rentebijslag ontvangen; | 5 | 4° een inkomensgarantie voor ouderen of een rentebijslag ontvangen; |
| 6 | 5° erkend zijn als persoon met een handicap en een tegemoetkoming van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ontvangen; | ||
| 6 | 5° erkend zijn als persoon met een handicap en een tegemoetkoming van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ontvangen of een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood ontvangen als vermeld in artikel 4, eerste lid, 2°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, of met eenzelfde tegemoetkoming bij de equivalente instanties van de andere gemeenschappen zoals bepaald in de bijzondere wet tot hervorming der instellingen, artikel 1 en 5, §1, II; | ||
| 7 | 6° voor ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn; | 7 | 6° voor ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn; |
| 8 | 7° begunstigde zijn van een verhoogde kinderbijslag (erkend voor ten minste 66%); | ||
| 8 | 7° jongere zijn met een specifieke ondersteuningsbehoefte als vermeld in artikel 6, §6, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag; | ||
| 9 | 8° in een gezinsvervangend tehuis of in een medisch-pedagogische instelling of in een pleeggezin verblijven; | 9 | 8° in een gezinsvervangend tehuis of in een medisch-pedagogische instelling of in een pleeggezin verblijven; |
| 10 | 9° het statuut van erkend politiek vluchteling bezitten; | 10 | 9° het statuut van erkend politiek vluchteling bezitten; |
| 11 | 10° begunstigde zijn van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming. | 11 | 10° begunstigde zijn van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming in de ziekteverzekering; |
| 12 | 11° houder zijn van een European Disability Card conform het protocolakkoord van 10 oktober 2016 over het project European Disability Card tussen de Federale Regering, de Vlaamse Regering, de Waalse Regering, de Franse Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Regering. | 12 | 11° houder zijn van een European Disability Card conform het protocolakkoord van 10 oktober 2016 over het project European Disability Card tussen de Federale Regering, de Vlaamse Regering, de Waalse Regering, de Franse Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Regering. |
| 13 | §2. Een leerling die ten laste is van een persoon die aan minstens een van de voorwaarden voldoet, vermeld in paragraaf 1, komt eveneens in aanmerking voor het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 2° of 4°. | 13 | §2. Een jongere behorende tot de leefeenheid van een persoon die aan minstens een van de voorwaarden voldoet, vermeld in paragraaf 1, komt eveneens in aanmerking voor het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 2° of 4°. |
| 14 | §2bis. Als voor de toepassing van paragraaf 1 gegevens op een elektronische wijze worden uitgewisseld met andere overheden, worden de volgende gegevens uitgewisseld: | ||
| 15 | 1° voor de leerlingen die voldoen aan de voorwaarden 1°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° en 10°: het rijksregisternummer of het identificatienummer beschikbaar in de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid; | ||
| 16 | 2° voor de leerlingen die voldoen aan de voorwaarde 8°: het identificatienummer beschikbaar in de databanken van het Agentschap Opgroeien; | ||
| 17 | 3° voor de leerlingen die voldoen aan de voorwaarde 9°: het rijksregisternummer. | ||
| 18 | De gegevens worden verwerkt door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid die instaat voor de inning van het inschrijvingsgeld. Deze bevoegde dienst is de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens, vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Het resultaat van de gegevensverwerking wordt gedeeld met de academies met het oog op het innen van het inschrijvingsgeld. | ||
| 19 | De maximale bewaartermijnen voor deze gegevens, die worden bewaard conform artikel 5, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming, worden vastgelegd in beheersregels als vermeld in artikel III.81, §2, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Daarbij wordt rekening gehouden met de volgende criteria: | ||
| 20 | 1° de termijn die nodig is voor de bevoegde dienst om op basis van de gegevens het inschrijvingsgeld van de onderwijsinstellingen te innen en te controleren; | ||
| 21 | 2° de termijn die nodig is voor de onderwijsinstellingen om het ontvangen inschrijvingsgeld te verantwoorden. | ||
| 14 | §3. Een leerling die de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie, betaalt het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 4° : | 22 | §3. Een leerling die de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie, betaalt het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 4° : |
| 15 | 1° als op de dag van de inschrijving een ander lid van de leefeenheid waartoe hij behoort of een broer, zus of ouder met een andere hoofdverblijfplaats het inschrijvingsgeld al heeft betaald in dezelfde of een andere academie; | 23 | 1° als op de dag van de inschrijving een ander lid van de leefeenheid waartoe hij behoort of een broer, zus of ouder met een andere hoofdverblijfplaats het inschrijvingsgeld al heeft betaald in dezelfde of een andere academie; |
| 16 | 2° voor iedere extra inschrijving in een ander domein aan dezelfde of een andere academie. | 24 | 2° voor iedere extra inschrijving in een ander domein aan dezelfde of een andere academie. |
| 17 | §4. In afwijking van paragraaf 1 en 2 komt een leerling die op de dag van inschrijving niet aan minstens een van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 en 2, voldoet, in aanmerking voor vermindering onder de voorwaarde dat de leerling in de maand september eraan voldoet. | 25 | §4. In afwijking van paragraaf 1 en 2 komt een leerling die op de dag van inschrijving niet aan minstens een van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 en 2, voldoet, in aanmerking voor vermindering onder de voorwaarde dat de leerling in de maand september eraan voldoet. |
| 18 | §5. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het recht van een leerling aangetoond wordt. | 26 | §5. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het recht van een leerling aangetoond wordt. |
| 5 | § 2. Een schoolbestuur dat voor een academie of onderdeel ervan financiering of subsidiëring wil verkrijgen, dient uiterlijk op 1 maart van het schooljaar dat aan de opname in de financiering- of subsidiëringsregeling voorafgaat, een aanvraag in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. | 5 | § 2. Een schoolbestuur dat voor een academie of onderdeel ervan financiering of subsidiëring wil verkrijgen, dient uiterlijk op 1 maart van het schooljaar dat aan de opname in de financiering- of subsidiëringsregeling voorafgaat, een aanvraag in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. |
| 6 | De Vlaamse Regering neemt de beslissing over de opname in de financierings- of subsidiëringsregeling. De beslissing wordt schriftelijk of elektronisch meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur en gaat in bij aanvang van het schooljaar dat volgt op de aanvraag tot financiering of subsidiëring. | 6 | De Vlaamse Regering neemt de beslissing over de opname in de financierings- of subsidiëringsregeling. De beslissing wordt schriftelijk of elektronisch meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur en gaat in bij aanvang van het schooljaar dat volgt op de aanvraag tot financiering of subsidiëring. |
| 7 | Als het schoolbestuur niet overgaat tot de oprichting van de academie of het onderdeel van een academie in het schooljaar dat volgt op de goedkeuring van de aanvraag tot financiering of subsidiëring, verliest het de goedkeuring. Het schoolbestuur kan een nieuwe aanvraag indienen conform het eerste lid. | 7 | Als het schoolbestuur niet overgaat tot de oprichting van de academie of het onderdeel van een academie in de drie schooljaren die volgen op de goedkeuring van de aanvraag tot financiering of subsidiëring, verliest het de goedkeuring. Het schoolbestuur kan een nieuwe aanvraag indienen conform het eerste lid. |
| 8 | § 3. In een voorlopig erkende academie is affectatie, mutatie of vaste benoeming van personeelsleden niet mogelijk. | 8 | § 3. In een voorlopig erkende academie is affectatie, mutatie of vaste benoeming van personeelsleden niet mogelijk. |
| 7 | 3° gelegen zijn in een gemeente waar in het schooljaar dat aan het oprichtingsjaar voorafgaat, de opgerichte opleidingen niet georganiseerd werden. | 7 | 3° gelegen zijn in een gemeente waar in het schooljaar dat aan het oprichtingsjaar voorafgaat, de opgerichte opleidingen niet georganiseerd werden. |
| 8 | Het quotiënt van de deling, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | 8 | Het quotiënt van de deling, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. |
| 9 | In afwijking van het eerste lid, 3°, kan in een gemeente die als gevolg van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur het resultaat is van een fusie van verschillende gemeenten in 2019 of 2025, maximaal één nieuwe academie vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen worden als ze op 1 oktober van het oprichtingsjaar voldoet aan de volgende voorwaarden: | ||
| 10 | 1° er is op het grondgebied van de gemeente nog geen hoofdvestigingsplaats van een academie gevestigd; | ||
| 11 | 2° gedurende drie opeenvolgende schooljaren draagt het schoolbestuur de financiering van het directeursambt, vermeld in artikel 77, en in voorkomend geval van de lestijden voor beleidsondersteuning, vermeld in artikel 76, op basis van artikel 82. In het gemeenschapsonderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, tweede lid. In het gesubsidieerd onderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, derde lid. | ||
| 9 | § 3. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal schooljaren dat de nieuwe academie al in oprichting is. | 12 | § 3. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal schooljaren dat de nieuwe academie al in oprichting is. |
| 10 | Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, wordt de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd. | 13 | Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, wordt de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd. |
| 7 | Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, worden de leerlingen van het structuuronderdeel in die vestigingsplaats vanaf dat schooljaar niet meegeteld in de omkaderingsberekening, vermeld in artikel 69 en 70. | 7 | Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, worden de leerlingen van het structuuronderdeel in die vestigingsplaats vanaf dat schooljaar niet meegeteld in de omkaderingsberekening, vermeld in artikel 69 en 70. |
| 8 | Als de programmatienorm in het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode niet gehaald wordt, wordt de oprichtingsperiode met maximaal een schooljaar verlengd, als het structuuronderdeel in die vestigingsplaats op de vorige teldag de programmatienorm gehaald heeft. | 8 | Als de programmatienorm in het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode niet gehaald wordt, wordt de oprichtingsperiode met maximaal een schooljaar verlengd, als het structuuronderdeel in die vestigingsplaats op de vorige teldag de programmatienorm gehaald heeft. |
| 9 | De Vlaamse Regering kan wegens uitzonderlijke redenen van overmacht toelating geven om de academies, domeinen en structuuronderdelen die door de overmacht getroffen zijn vrij te stellen van het halen van de programmatienorm. De Vlaamse Regering bepaalt de duur van de vrijstelling. | ||
| 9 | § 3. De rationalisatienorm geldt vanaf het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin in een vestigingsplaats minstens een traject van het nieuwe structuuronderdeel volledig is uitgebouwd en de programmatienorm, vermeld in artikel 121 of 122, in alle vestigingsplaatsen bereikt wordt. Een structuuronderdeel is volledig uitgebouwd op het einde van het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode. | 10 | § 3. De rationalisatienorm geldt vanaf het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin in een vestigingsplaats minstens een traject van het nieuwe structuuronderdeel volledig is uitgebouwd en de programmatienorm, vermeld in artikel 121 of 122, in alle vestigingsplaatsen bereikt wordt. Een structuuronderdeel is volledig uitgebouwd op het einde van het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode. |
| 10 | § 4. De bepalingen in paragraaf 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op de structuuronderdelen specialisatie. | 11 | § 4. De bepalingen in paragraaf 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op de structuuronderdelen specialisatie. |
| 4 | Als een schoolbestuur overgaat tot de sluiting van een academie, een domein of een structuuronderdeel in een vestigingsplaats dat op een of twee opeenvolgende teldagen niet aan de rationalisatienorm voldoet, kunnen de leerlingen in het schooljaar van de teldag er les blijven volgen. | 4 | Als een schoolbestuur overgaat tot de sluiting van een academie, een domein of een structuuronderdeel in een vestigingsplaats dat op een of twee opeenvolgende teldagen niet aan de rationalisatienorm voldoet, kunnen de leerlingen in het schooljaar van de teldag er les blijven volgen. |
| 5 | De sluiting houdt in dat alle leerjaren van de academie, het domein in kwestie of het structuuronderdeel in de vestigingsplaats in kwestie gelijktijdig worden stopgezet. De sluiting heeft uitwerking op 1 september. | 5 | De sluiting houdt in dat alle leerjaren van de academie, het domein in kwestie of het structuuronderdeel in de vestigingsplaats in kwestie gelijktijdig worden stopgezet. De sluiting heeft uitwerking op 1 september. |
| 6 | De Vlaamse Regering kan wegens uitzonderlijke redenen van overmacht toelating geven om de academies, domeinen en structuuronderdelen die door de overmacht getroffen zijn vrij te stellen van het halen van de rationalisatienorm. De Vlaamse Regering bepaalt de duur van de vrijstelling. | ||
| 1 | § 1. Een schoolbestuur kan een of meer structuuronderdelen in een vestigingsplaats overhevelen naar een academie van een ander schoolbestuur, op voorwaarde dat de overheveling de studiecontinuïteit voor de leerling naar een volgende graad niet in het gedrang brengt. | 1 | § 1. Een schoolbestuur kan een of meer structuuronderdelen in een vestigingsplaats overhevelen naar een academie van een ander schoolbestuur, op voorwaarde dat de overheveling de studiecontinuïteit voor de leerling naar een volgende graad niet in het gedrang brengt. |
| 2 | De overheveling vindt in een keer plaats en heeft uitwerking op de dag van 1 september die volgt op de melding aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die melding moet gebeuren uiterlijk 1 maart. | 2 | De overheveling vindt in een keer plaats en heeft uitwerking op de dag van 1 september die volgt op de melding aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die melding moet gebeuren uiterlijk 1 maart. |
| 3 | In de overeenkomst van een overheveling van een structuuronderdeel die door beide schoolbesturen wordt ondertekend, wordt de overdracht van omkadering geregeld, die wordt berekend volgens de gegevens die het Agentschap voor Onderwijsdiensten aanreikt. | ||
| 4 | Beide schoolbesturen kunnen tot één maand na de ontvangst van de geverifieerde omkaderingsgegevens van het Agentschap voor Onderwijsdiensten aanpassingen aan de regeling voor de overdracht van lestijden zoals gemeld voor 1 maart overeenkomen. | ||
| 3 | § 2. Elke overheveling maakt het voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité van zowel het overhevelende als het ontvangende schoolbestuur. | 5 | § 2. Elke overheveling maakt het voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité van zowel het overhevelende als het ontvangende schoolbestuur. |
| 4 | § 3. Voor de subsidiëring of de financiering wordt de overheveling van het structuuronderdeel, vermeld in paragraaf 1, geacht al op de dag van 1 februari die aan de uitwerking van de overheveling voorafgaat, te hebben plaatsgevonden. | 6 | § 3. Voor de subsidiëring of de financiering wordt de overheveling van het structuuronderdeel, vermeld in paragraaf 1, geacht al op de dag van 1 februari die aan de uitwerking van de overheveling voorafgaat, te hebben plaatsgevonden. |
| 1 | § 1. Het puntenvolume per samenwerkingsinitiatief bedraagt 35 punten als er minstens 53 leerlingen gewoon basis- of secundair onderwijs of studenten hoger onderwijs aan deelnemen. Als er minder leerlingen deelnemen, wordt het puntenaantal pro rata verminderd. | 1 | § 1. Het puntenvolume per samenwerkingsinitiatief bedraagt 35 punten als er minstens 53 leerlingen gewoon basis- of secundair onderwijs of studenten hoger onderwijs of zestien leerlingen buitengewoon basis- of secundair onderwijs aan deelnemen. Als er minder leerlingen deelnemen, wordt het puntenaantal pro rata verminderd. |
| 2 | Het werkingsbudget per samenwerkingsinitiatief wordt bepaald door het aantal punten dat conform het eerste lid wordt toegekend, te vermenigvuldigen met de factor w, die jaarlijks berekend wordt door het totale volume van het werkingsbudget, dat wordt berekend conform artikel 140, §8, te delen door 9690 | 2 | Het werkingsbudget per samenwerkingsinitiatief wordt bepaald door het aantal punten dat conform het eerste lid wordt toegekend, te vermenigvuldigen met de factor w, die jaarlijks berekend wordt door het totale volume van het werkingsbudget, dat wordt berekend conform artikel 140, §8, te delen door 9690 |
| 3 | § 2. Het maximale puntenvolume per samenwerkingsinitiatief bedraagt 35 punten. | 3 | § 2. Het maximale puntenvolume per samenwerkingsinitiatief bedraagt 35 punten. |
| 1 | De Commissie beslist over de gegrondheid van klachten van belanghebbenden inzake : | 1 | De Commissie beslist over de gegrondheid van klachten van belanghebbenden inzake : |
| 2 | 1° de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de kosteloosheid van het onderwijs, de beginselen vermeld in artikel 27 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 35 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs, en artikel 6, 6°, van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, de bijdrageregeling, bedoeld in artikel 27bis en 27ter, §1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en de regeling met betrekking tot persoonlijke bijdrage, bedoeld in artikel 38 tot en met 41 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten; | 2 | 1° de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de kosteloosheid van het onderwijs, de beginselen vermeld in artikel 27 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 35 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs, en artikel 8, 3°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, de bijdrageregeling, bedoeld in artikel 27bis en 27ter, §1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en de regeling met betrekking tot persoonlijke bijdrage, bedoeld in artikel 38 tot en met 41 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten; |
| 3 | 2° de bepalingen van artikel 51 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, van artikel 7 tot en met artikel 10 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs, van artikel 14bis van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, van artikel II.48 tot en met II.52 van deze codificatie, van artikelen 120 tot en met 125 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en van artikelen 48 tot en met 52 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten; | 3 | 2° de bepalingen van artikel 51 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, van artikel 7 tot en met artikel 10 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs, van artikel 14bis van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, van artikel II.48 tot en met II.52 van deze codificatie, van artikelen 120 tot en met 125 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en van artikelen 48 tot en met 52 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten; |
| 4 | 3° de niet-naleving van de bepalingen omtrent de bevoegdheden en de besluitvormingsprocedures bedoeld in artikel 18 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. | 4 | 3° de niet-naleving van de bepalingen omtrent de bevoegdheden en de besluitvormingsprocedures bedoeld in artikel 18 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. |
| 13 | 10° decreet van 7 juli 2017: het decreet van 7 juli 2017 tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, tot vaststelling van vergunningsnormen voor private uitbetalingsactoren en tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 betreffende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin; | 13 | 10° decreet van 7 juli 2017: het decreet van 7 juli 2017 tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, tot vaststelling van vergunningsnormen voor private uitbetalingsactoren en tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 betreffende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin; |
| 14 | 11° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs: een erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs als vermeld in hoofdstuk VII van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; | 14 | 11° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs: een erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs als vermeld in hoofdstuk VII van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997; |
| 15 | 12° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs: een instelling die structuuronderdelen inricht die voldoen aan het in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs artikel 13 tot en met artikel 15 gestelde of een instelling die de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs inricht; | 15 | 12° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs: een instelling die structuuronderdelen inricht die voldoen aan het in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs artikel 13 tot en met artikel 15 gestelde of een instelling die de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs of die de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs inricht; |
| 16 | 13° externe leerling: de leerling die geen interne leerling is als vermeld in artikel 3, § 1, 21° ; | 16 | 13° externe leerling: de leerling die geen interne leerling is als vermeld in artikel 3, § 1, 21° ; |
| 17 | 14° fiscaal ten laste: ten laste volgens artikel 136 tot en met 145 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992; | 17 | 14° fiscaal ten laste: ten laste volgens artikel 136 tot en met 145 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992; |
| 1 | Een selectieve participatietoeslag secundair onderwijs wordt toegekend aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, tot en met het schooljaar waarin de leerling tweeëntwintig jaar wordt. | 1 | Een selectieve participatietoeslag secundair onderwijs wordt toegekend aan een rechthebbende leerling als vermeld in artikel 24, tot en met het schooljaar waarin de leerling tweeëntwintig jaar wordt. |
| 2 | In afwijking van het eerste lid kan voor leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon secundair onderwijs en in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs , een selectieve participatietoeslag worden toegekend zonder dat daarbij een leeftijdsbeperking geldt. | 2 | In afwijking van het eerste lid kan voor leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon secundair onderwijs, in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs en in de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, een selectieve participatietoeslag worden toegekend zonder dat daarbij een leeftijdsbeperking geldt. |
| 1 | § 1. Bij de berekening van het bedrag van de selectieve participatietoeslag in het secundair onderwijs wordt eerst nagegaan of de rechthebbende leerling in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs zit, vervolgens of de rechthebbende leerling, vermeld in artikel 24, voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling, vermeld in artikel 38, vervolgens of de leerling in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs of beroepsonderwijs zit. | 1 | § 1. Bij de berekening van het bedrag van de selectieve participatietoeslag in het secundair onderwijs wordt eerst nagegaan of de rechthebbende leerling in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs of in de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs zit, vervolgens of de rechthebbende leerling, vermeld in artikel 24, voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling, vermeld in artikel 38, vervolgens of de leerling in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs of beroepsonderwijs zit. |
| 2 | § 2. Voor gehuwde, zelfstandige of alleenstaande rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, in het voltijds secundair onderwijs is het bedrag van de volledige selectieve participatietoeslag gelijk aan 3.268,73 euro. | 2 | § 2. Voor gehuwde, zelfstandige of alleenstaande rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, in het voltijds secundair onderwijs is het bedrag van de volledige selectieve participatietoeslag gelijk aan 3.268,73 euro. |
| 3 | De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt 712,98 euro. | 3 | De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt 712,98 euro. |
| 19 | De uitzonderlijke selectieve participatietoeslag bedraagt 693,34 euro. | 19 | De uitzonderlijke selectieve participatietoeslag bedraagt 693,34 euro. |
| 20 | De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt 196,55 euro. | 20 | De minimale selectieve participatietoeslag bedraagt 196,55 euro. |
| 21 | § 6. Voor rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, ingeschreven in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs , bedraagt de volledige selectieve participatietoeslag: | 21 | § 6. Voor rechthebbende leerlingen als vermeld in artikel 24, ingeschreven in de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs of in de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, bedraagt de volledige selectieve participatietoeslag: |
| 22 | 1° 3.640,66 euro voor interne leerlingen; | 22 | 1° 3.640,66 euro voor interne leerlingen; |
| 23 | 2° 1.212,27 euro voor externe leerlingen. | 23 | 2° 1.212,27 euro voor externe leerlingen. |
| 1 | Een centrumbestuur kan een personeelslid tijdelijk aanstellen als het personeelslid voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 88, § 1, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, en daarenboven: | 1 | §1. Een centrumbestuur kan een personeelslid tijdelijk aanstellen als het personeelslid voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 88, § 1, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, en daarenboven: |
| 2 | 1° van onberispelijk gedrag is, zoals blijkt uit een uittreksel van het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren is afgegeven; | 2 | 1° van onberispelijk gedrag is, zoals blijkt uit een uittreksel van het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren is afgegeven; |
| 3 | 2° ... | 3 | 2° ... |
| 4 | 3° voldoet aan de taalvereisten, vermeld in artikel 28 tot en met 30 van dit decreet. | 4 | 3° voldoet aan de taalvereisten, vermeld in artikel 28 tot en met 30 van dit decreet. |
| 5 | §2. In afwijking van artikel 88, §1, 1°, c), van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs kan een personeelslid ten voorlopigen titel tijdelijk aangesteld worden op basis van een geldig ingediende aanvraag tot gelijkwaardigheid van zijn diploma bij het National Academic Recognition Information Centre (NARIC). Tijdens de voorlopige tijdelijke aanstelling heeft het personeelslid recht op een salaris op basis van de laagste salarisschaal die van toepassing is voor het ambt in kwestie. | ||
| 6 | De voorlopige tijdelijke aanstelling, vermeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg conform artikel 32, 1°, vanaf het ogenblik dat het personeelslid op basis van de beslissing van NARIC geen gelijkwaardigheid toegekend krijgt die voldoet als bekwaamheidsbewijs voor een aanstelling in dat ambt. |
| 1 | §1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken; | ||
| 3 | 2° flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. | ||
| 4 | §2. Een organisator van een zomerschool kan de projectsubsidies, vermeld in artikel 6, aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in die zomerschool een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen. | ||
| 5 | §3. De organisator van een zomerschool sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers. | ||
| 6 | De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij de organisator van de zomerschool hebben. |
| 49 | 39° toelage : een studietoelage; | 49 | 39° toelage : een studietoelage; |
| 50 | 40° uitschrijven : het vroegtijdig stopzetten van dat deel van de opleiding waarvoor de aanvrager, student zich voor het academiejaar in kwestie heeft ingeschreven, op verzoek van de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger; | 50 | 40° uitschrijven : het vroegtijdig stopzetten van dat deel van de opleiding waarvoor de aanvrager, student zich voor het academiejaar in kwestie heeft ingeschreven, op verzoek van de aanvrager of zijn wettelijke vertegenwoordiger; |
| 51 | 40°/1 vervangingsinkomsten: vergoedingen van alle aard die gedurende het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid of na stopzetting daarvan zijn verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winsten, baten, bezoldigingen of beloningen uit verenigingsactiviteiten, vermeld in artikel 25, eerste lid, 6°, b), artikel 27, tweede lid, 4°, b), artikel 28, eerste lid, 3°, b), artikel 29, 31, tweede lid, 4°, artikel 32, tweede lid, 2°, artikel 33, derde lid, of artikel 90, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; | ||
| 51 | 41° verworven studiepunten : studiepunten waarvoor aan de student een creditbewijs werd verleend voor het met een diplomacontract volgen van een opleiding zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1; | 52 | 41° verworven studiepunten : studiepunten waarvoor aan de student een creditbewijs werd verleend voor het met een diplomacontract volgen van een opleiding zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1; |
| 52 | 42° voltijds studietraject : een studietraject in het hoger onderwijs met een studieprogramma van zestig studiepunten; | 53 | 42° voltijds studietraject : een studietraject in het hoger onderwijs met een studieprogramma van zestig studiepunten; |
| 10 | 8° personen die op basis van de artikelen 10, 10bis, 40bis of 40ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de toelating hebben gekregen om een persoon zoals bedoeld in § 1 of § 2, 1° tot en met 7°, van onderhavig artikel, of een persoon die op 31 december van het betrokken academiejaar minstens twaalf maanden wettig verblijft in België om hoger onderwijs te volgen of te werken, te begeleiden of vervoegen; | 10 | 8° personen die op basis van de artikelen 10, 10bis, 40bis of 40ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de toelating hebben gekregen om een persoon zoals bedoeld in § 1 of § 2, 1° tot en met 7°, van onderhavig artikel, of een persoon die op 31 december van het betrokken academiejaar minstens twaalf maanden wettig verblijft in België om hoger onderwijs te volgen of te werken, te begeleiden of vervoegen; |
| 11 | 9° personen die genieten van tijdelijke bescherming op basis van de richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen of personen van wie de ouders genieten van deze bescherming en de student verblijft al van zijn minderjarigheid in België. | 11 | 9° personen die genieten van tijdelijke bescherming op basis van de richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen of personen van wie de ouders genieten van deze bescherming en de student verblijft al van zijn minderjarigheid in België. |
| 12 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan een toelage worden toegekend aan een pleegkind of pleeggast als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, op voorwaarde dat het pleegkind of de pleeggast langer dan een jaar onafgebroken bij hetzelfde pleeggezin verblijft. | 12 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan een toelage worden toegekend aan een pleegkind of pleeggast als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, op voorwaarde dat het pleegkind of de pleeggast langer dan een jaar onafgebroken bij een pleeggezin verblijft. |
| 3 | 1° de student die zich overeenkomstig zijn diplomacontract heeft ingeschreven voor respectievelijk een volledig academiejaar of een semester en die een huurovereenkomst heeft gesloten voor respectievelijk minstens acht of vier maanden met betrekking tot een woonst die zich op een ander adres dan zijn hoofdverblijfplaats bevindt; | 3 | 1° de student die zich overeenkomstig zijn diplomacontract heeft ingeschreven voor respectievelijk een volledig academiejaar of een semester en die een huurovereenkomst heeft gesloten voor respectievelijk minstens acht of vier maanden met betrekking tot een woonst die zich op een ander adres dan zijn hoofdverblijfplaats bevindt; |
| 4 | 2° de student die een opleiding volgt in het buitenland; | 4 | 2° de student die een opleiding volgt in het buitenland; |
| 5 | 3° de gehuwde, zelfstandige of alleenstaande student. | 5 | 3° de gehuwde student; |
| 6 | 4° de alleenstaande student; | ||
| 7 | 5° de zelfstandige student die zijn hoofdverblijfplaats niet bij een van de ouders heeft. | ||
| 6 | De student die zich overeenkomstig zijn diplomacontract heeft ingeschreven voor een periode die korter is dan een semester, wordt beschouwd als niet-kotstudent. | 8 | De student die zich overeenkomstig zijn diplomacontract heeft ingeschreven voor een periode die korter is dan een semester, wordt beschouwd als niet-kotstudent. |