Decreet tot wijziging van artikel 10.2.3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, wat de sanering van afvalwater betreft
27 artikels gewijzigd
| 21 | 6° advies te verlenen over: | 21 | 6° advies te verlenen over: |
| 22 | a) ontwerpen van investeringsprogramma's met een rechtstreekse invloed op de watersystemen; | 22 | a) ontwerpen van investeringsprogramma's met een rechtstreekse invloed op de watersystemen; |
| 23 | b) ontwerpen van investeringsprogramma's over openbare rioleringen en groot- en kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties; | 23 | b) ontwerpen van investeringsprogramma's of investeringsplannen als vermeld in artikel 2.6.1.1.5 van dit decreet over openbare rioleringen en groot- en kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties; |
| 24 | 7° het voorstellen van een adequate bevoegdheidsverdeling van de waterwegen en de onbevaarbare waterlopen om een meer geïntegreerd, logisch samenhangend en efficiënter beheer te realiseren; | 24 | 7° het voorstellen van een adequate bevoegdheidsverdeling van de waterwegen en de onbevaarbare waterlopen om een meer geïntegreerd, logisch samenhangend en efficiënter beheer te realiseren; |
| 25 | 8° indien gewenst, de toelichting en/of bespreking van belangrijke projecten of intenties binnen het bekken te agenderen. | 25 | 8° indien gewenst, de toelichting en/of bespreking van belangrijke projecten of intenties binnen het bekken te agenderen. |
| 7 | 5° advies te verlenen over: | 7 | 5° advies te verlenen over: |
| 8 | a) ontwerpen van technische plannen met een rechtstreekse invloed op de watersystemen; | 8 | a) ontwerpen van technische plannen met een rechtstreekse invloed op de watersystemen; |
| 9 | b) ontwerpen van technische plannen over openbare rioleringen en groot- en kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties en daarover te rapporteren aan het bekkenbestuur; | 9 | b) ontwerpen van technische plannen of plannen ter uitvoering van de investeringsplannen, vermeld in artikel 2.6.1.1.5, over openbare rioleringen en groot- en kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties en daarover te rapporteren aan het bekkenbestuur; |
| 10 | 6° alle andere taken die door het bekkenbestuur worden opgedragen. | 10 | 6° alle andere taken die door het bekkenbestuur worden opgedragen. |
| 11 | De Vlaamse Regering kan de plannen, vermeld in punt 5°, nader omschrijven. | 11 | De Vlaamse Regering kan de plannen, vermeld in punt 5°, nader omschrijven. |
| 9 | 5°/1 digitale watermeter: een watermeter die uitgerust is met een eenrichtingscommunicatiemiddel of een tweerichtingscommunicatiemiddel, dat ervoor zorgt dat de gegevens niet alleen lokaal, maar ook op afstand uitgelezen kunnen worden, en die in staat is gegevens lokaal of op afstand te ontvangen; | 9 | 5°/1 digitale watermeter: een watermeter die uitgerust is met een eenrichtingscommunicatiemiddel of een tweerichtingscommunicatiemiddel, dat ervoor zorgt dat de gegevens niet alleen lokaal, maar ook op afstand uitgelezen kunnen worden, en die in staat is gegevens lokaal of op afstand te ontvangen; |
| 10 | 6° distributiegebied: gebied waarin door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen van het openbaar waterdistributienetwerk, aan abonnees water bestemd voor menselijke consumptie of tweedecircuitwater wordt geleverd; | 10 | 6° distributiegebied: gebied waarin door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen van het openbaar waterdistributienetwerk, aan abonnees water bestemd voor menselijke consumptie of tweedecircuitwater wordt geleverd; |
| 11 | 7° ecologisch toezichthouder: de instantie van de Vlaamse Milieumaatschappij die als opdracht heeft om de taken van ecologisch toezicht uit te voeren zoals vermeld in artikel 10.2.3, §1, tweede lid, 8° van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid; | ||
| 12 | 8° economische toezichthouder: de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die als opdracht heeft om de taken van economisch toezicht uit te voeren zoals vermeld in artikel 10.2.3, §1, tweede lid, 8° van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid; | ||
| 11 | 7° ... | ||
| 12 | 8° ... | ||
| 13 | 9° exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk: de gemeente, de gemeentelijke regie, de intercommunale, de Vlaamse openbare instelling en alle andere exploitanten die een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen beheren; | 13 | 9° exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk: de gemeente, de gemeentelijke regie, de intercommunale, de Vlaamse openbare instelling en alle andere exploitanten die een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen beheren; |
| 14 | 10° fraude: het oneigenlijke gebruik van het openbaar waterdistributienetwerk, waardoor water, bestemd voor menselijke consumptie onrechtmatig kan worden afgenomen dat niet geregistreerd wordt door de watermeter of waarvan de correcte registratie van het verbruik door kunstgrepen verhinderd wordt; | 14 | 10° fraude: het oneigenlijke gebruik van het openbaar waterdistributienetwerk, waardoor water, bestemd voor menselijke consumptie onrechtmatig kan worden afgenomen dat niet geregistreerd wordt door de watermeter of waarvan de correcte registratie van het verbruik door kunstgrepen verhinderd wordt; |
| 1 | De rechten en verplichtingen, vermeld in artikel 9 tot en met 15 en artikel 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten, en andere door middel van leidingen, zijn van toepassing op de waterleverancier bij de aanleg en de wijziging van een openbaar waterdistributienetwerk. | ||
| 2 | De Vlaamse Regering kan de rechten en verplichtingen, vermeld in het eerste lid, nader regelen. |
| 1 | §1. De uitvoering van de in paragraaf 2 vermelde taken wordt vanaf 1 januari 1991 voor het hele Vlaamse Gewest uitsluitend toevertrouwd aan een vennootschap die de rechtsvorm heeft van een naamloze vennootschap en opgericht is door de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen of een dochtermaatschappij hiervan, hierna “de Vennootschap” genoemd. | 1 | §1. De uitvoering van de in paragraaf 2 vermelde taken wordt vanaf 1 januari 1991 voor het hele Vlaamse Gewest uitsluitend toevertrouwd aan een vennootschap die de rechtsvorm heeft van een naamloze vennootschap en opgericht is door de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen of een dochtermaatschappij hiervan, hierna “de Vennootschap” genoemd. |
| 2 | Het Vlaamse Gewest dient steeds direct of indirect te beschikken over ten minste de helft plus één van de aandelen in het kapitaal van de Vennootschap. | 2 | Het Vlaamse Gewest dient steeds direct of indirect te beschikken over ten minste de helft plus één van de aandelen in het kapitaal van de Vennootschap. |
| 3 | De Vennootschap is een instelling met een publieke taak als vermeld in artikel I.3, 6°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, uitsluitend voor wat het uitvoeren van de taken, vermeld in paragraaf 2 en 2/1, betreft. | ||
| 3 | §2. Aan de Vennootschap worden volgens de regels vast te stellen door de Vlaamse Regering en op te nemen in een met de Vennootschap te sluiten overeenkomst voor het hele Vlaamse Gewest de volgende taken toevertrouwd : | 4 | §2. Aan de Vennootschap worden voor het hele Vlaamse Gewest de volgende taken van algemeen belang toevertrouwd volgens de regels en voorwaarden vastgesteld in de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in artikel 2.6.1.1.3: |
| 4 | 1° het opmaken of laten opmaken van de technische plannen voor nieuwe rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, inzonderheid rioolwaterzuiveringsinstallaties, collectoren, pompstations en prioritaire rioleringen, alsmede het uitvoeren of laten uitvoeren ervan conform het door de Vlaamse Regering vastgestelde investeringsprogramma; | 5 | 1° het opmaken of laten opmaken van de plannen voor nieuwe rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, inzonderheid rioolwaterzuiveringsinstallaties, collectoren, pompstations en prioritaire rioleringen, alsmede het uitvoeren of laten uitvoeren ervan conform het investeringsplan opgemaakt overeenkomstig de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in artikel 2.6.1.1.3; |
| 5 | 2° het exploiteren of laten exploiterenvan de in punt 1° bedoelde installaties; | 6 | 2° het exploiteren of laten exploiteren, onderhouden, herstellen en vervangen van de in punt 1° bedoelde installaties; |
| 6 | 3° het financieren van de investeringen nodig voor de in punt 1° bedoelde installaties ; | 7 | 3° het financieren van de investeringen nodig voor de in punt 1° bedoelde installaties en de in punt 2° vermelde vervangingen; |
| 7 | 4° het overnemen, aanpassen en verbeteren van de bestaande rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, met uitzondering van niet prioritaire gemeentelijke riolen; | 8 | 4° het overnemen, aanpassen en verbeteren van de bestaande rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, met uitzondering van niet prioritaire gemeentelijke riolen; |
| 8 | 5° het exploiteren of laten exploiterenvan de rioolwaterzuiveringsinstallaties die aangekocht werden van de Vlaamse Milieumaatschappij, het financieren van de investeringen nodig voor het in bedrijf houden, het aanpassen en verbeteren van deze installaties voor zover deze aanpassingen en verbeteringen zijn opgenomen in een technisch plan zoals bedoeld onder 1° ; | 9 | 5° het exploiteren of laten exploiteren, onderhouden, herstellen en vervangen van de rioolwaterzuiveringsinstallaties die aangekocht werden van de Vlaamse Milieumaatschappij, het financieren van de investeringen nodig voor het in bedrijf houden, het aanpassen en verbeteren van deze installaties voor zover deze aanpassingen en verbeteringen zijn opgenomen in een technisch plan zoals bedoeld onder 1° ; |
| 9 | 6° het financieren van de aankoop van de rioolwaterzuiveringsinstallaties die aangekocht werden van de Vlaamse Milieumaatschappij; | 10 | 6° het financieren van de aankoop en vervanging van de rioolwaterzuiveringsinstallaties die aangekocht werden van de Vlaamse Milieumaatschappij; |
| 10 | 7° het sluiten van contracten voor de sanering van afvalwater dat niet afkomstig is uit huishoudelijke activiteiten. | 11 | 7° het sluiten van contracten voor de sanering van afvalwater dat niet afkomstig is uit huishoudelijke activiteiten; |
| 12 | 8° het monitoren van de goede werking van de installaties bedoeld onder punt 1° en 5°, alsook het monitoren van de overstorten; | ||
| 11 | In taken, vermeld in het eerste lid, is tevens begrepen de technische kwaliteitsbewaking over de conceptie en de uitvoering van de projecten, die voorkomen op het in artikel 2.6.1.3.1, §2bedoelde subsidiëringsprogramma. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels omtrent voormelde kwaliteitsbewaking vast. | 13 | 9° de technische kwaliteitsbewaking over het concept en de uitvoering van de projecten, die voorkomen op het in artikel 2.6.1.3.1, §2, bedoelde subsidiëringsprogramma, waarvoor de Vlaamse Regering nadere regels kan vaststellen; |
| 12 | §3. De Vlaamse Regering draagt binnen de door haar te bepalen termijn en volgens de door haar vast te stellen regels elk jaar een door haar goedgekeurd rollend investeringsprogramma voor de vijf volgende kalenderjaren aan de Vennootschap voor uitvoering op. | ||
| 14 | 10° desgevallend, de financiering van de uitvoering van door de Vlaamse Regering hiertoe goedgekeurde en aangeduide investeringen in hemel- en afvalwaterzuiveringsinfrastructuur in de plaats van de gemeentelijke rioolbeheerder; | ||
| 15 | 11° het uitvoeren van projecten, onderhoud, vervanging en financiering ervan in het kader van een energiefonds dat zichzelf integraal terugverdient met het oog op het optimaliseren en vergroenen van het energieverbruik nodig voor de exploitatie. | ||
| 16 | §2/1. Naast de taken, vermeld in paragraaf 2, kan de Vlaamse Regering aan de Vennootschap bijkomende taken van algemeen belang opdragen buiten de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in artikel 2.6.1.1.3, voor de duur die zij bepaalt, voor zover die verband houden met de taken van algemeen belang van de Vennootschap. De regels en voorwaarden van die bijkomende taken worden vastgesteld in een of meer bijzondere overeenkomsten als vermeld in artikel 2.6.1.1.4. | ||
| 13 | De Vennootschap voert het door de Vlaamse Regering vastgestelde investeringsprogramma uit binnen de gestelde planning en conform de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. | 17 | §3. De Vennootschap voert het investeringsplan, opgemaakt overeenkomstig de voorschriften van de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in artikel 2.6.1.1.3, uit binnen de gestelde meerjarenplanning en krachtens de wetgeving over de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, met naleving van die wetgeving. |
| 14 | De rechten en verplichtingen zoals bepaald in de artikelen 9 tot en met 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, zijn van toepassing op de Vennootschap bij het vervullen van de taken die haar in toepassing van dit hoofdstuk worden toevertrouwd. | 18 | De rechten en verplichtingen zoals bepaald in de artikelen 9 tot en met 15 en artikel 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, zijn van toepassing op de Vennootschap bij het vervullen van de taken die haar in toepassing van deze onderafdeling worden toevertrouwd. |
| 15 | §4. De Vlaamse Regering stelt de vergoeding vast die de Vennootschap ontvangt voor het vervullen van de in dit artikel bedoelde taken en stelt de nadere regels ter zake vast. | 19 | §4. De Vlaamse Regering stelt de vergoeding vast die de Vennootschap ontvangt voor het vervullen van de in dit artikel bedoelde taken en stelt de nadere regels ter zake vast. |
| 1 | §1. De Vennootschap wordt uitsluitend beheerd door haar organen, in overeenstemming met de wetgeving van toepassing op de rechtsvorm, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §1, binnen de grenzen van het decreet. | ||
| 2 | §2. De organen van de Vennootschap zijn als enige bevoegd om alle nuttige of noodzakelijke handelingen te stellen om de doelstellingen bepaald overeenkomstig de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in artikel 2.6.1.1.3, te verwezenlijken, en de strategie te ontwikkelen om de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2, te vervullen binnen de grenzen van het decreet. | ||
| 3 | §3. De Vennootschap kan alle bedrijvigheden ontwikkelen die verenigbaar zijn met haar voorwerp. De andere dan in artikel 2.6.1.1.1, §2 en §2/1, vermelde bedrijvigheden van de Vennootschap mogen de goede uitvoering van de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2 en §2/1, op geen enkele wijze in het gedrang brengen. | ||
| 4 | §4. De Vennootschap staat autonoom en in eigen naam en voor eigen rekening in voor de externe financiering van de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in artikel 2.6.1.1.3. | ||
| 5 | §5. De Vennootschap voert een bedrijfseconomische boekhouding conform de regels van het dubbel boekhouden. | ||
| 6 | De activiteiten verbonden aan de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2 en §2/1, worden afgescheiden van andere activiteiten, teneinde kruissubsidiëring tussen de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2 en §2/1, en andere activiteiten van de Vennootschap te vermijden. | ||
| 7 | §6. De Vlaamse Regering kan de Vennootschap machtigen, in voorkomend geval, onder de bijzondere voorwaarden die ze bepaalt, een dochteronderneming te betrekken bij de uitvoering van haar taken van algemeen belang voor zover het Vlaamse Gewest steeds rechtstreeks of onrechtstreeks minstens de meerderheid van de stemmen in de algemene vergadering en van de mandaten in het bestuursorgaan van de dochteronderneming in kwestie bezit. |
| 1 | §1. Tussen de Vennootschap en het Vlaamse Gewest wordt een langlopende samenwerkingsovereenkomst gesloten over de wijze waarop de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2, worden uitgevoerd. | ||
| 2 | §2. De samenwerkingsovereenkomst bepaalt ten minste: | ||
| 3 | 1° de wijze waarop de Vennootschap wordt geëvalueerd aan de hand van een limitatief aantal kritische prestatie-indicatoren voor de toetsing van de goede uitvoering van de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2, en de wijze waarop de Vennootschap daarover minstens jaarlijks rapporteert; | ||
| 4 | 2° de verplichte bestanddelen van het investeringsplan, vermeld in artikel 2.6.1.1.5, de wijze waarop het investeringsplan wordt vastgesteld, en de vaststelling van de wijze waarop de financiële grenzen die de Vennootschap in acht moet nemen, worden vastgelegd; | ||
| 5 | 3° de verplichte bestanddelen van het ondernemingsplan en de termijnen voor de mededeling; | ||
| 6 | 4° het gestructureerd en systematisch overlegsysteem; | ||
| 7 | 5° de informatie- en rapportageverplichtingen over de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2; | ||
| 8 | 6° de financiering van de Vennootschap; | ||
| 9 | 7° de vergoeding van de Vennootschap; | ||
| 10 | 8° de duur, opzeggings- en verlengingsmogelijkheden van de samenwerkingsovereenkomst; | ||
| 11 | 9° de sancties die bij het niet-naleven van de verbintenissen van de partijen van toepassing zijn; | ||
| 12 | 10° de door de Vennootschap toegepaste code van deugdelijk bestuur. | ||
| 13 | §3. Bij de onderhandeling en sluiting van de samenwerkingsovereenkomst wordt het Vlaamse Gewest vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering en de Vennootschap door haar raad van bestuur. | ||
| 14 | §4. Als bij het verstrijken van een samenwerkingsovereenkomst geen nieuwe samenwerkingsovereenkomst in werking is getreden, wordt de duur van de ver- streken samenwerkingsovereenkomst met een jaar verlengd. | ||
| 15 | Indien geen nieuwe samenwerkingsovereenkomst in werking is getreden binnen de termijn van één jaar, vermeld in het eerste lid, worden de taken van de Vennootschap, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2, die van rechtswege openbaredienstverplichtingen zijn, verder uitgevoerd volgens de modaliteiten van de beëindigde samenwerkingsovereenkomst tot op het ogenblik dat een nieuwe samenwerkings- overeenkomst in werking is getreden of tot op het ogenblik waarop de Vlaamse Regering regels vaststelt overeenkomstig het derde lid. | ||
| 16 | Aangezien de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2, openbaredienstverplichtingen betreffen, kan de Vlaamse Regering voorlopige regels vaststellen over de aangelegenheden, vermeld in paragraaf 2. Die voorlopige regels zullen als nieuwe samenwerkingsovereenkomst gelden tot een nieuwe samenwerkingsovereenkomst, gesloten overeenkomstig paragraaf 3, in werking treedt. | ||
| 17 | §5. Elke uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde in de samenwerkingsovereenkomst wordt voor niet geschreven gehouden. Artikel 1184 van het Oud Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de samenwerkingsovereenkomst. De partij jegens wie een verbintenis in de samenwerkingsovereenkomst niet is uitgevoerd, kan alleen de uitvoering van de verbintenis vorderen en, in voorkomend geval, schadevergoeding, met behoud van de toepassing van eventuele bijzondere sanceties als vermeld in de samenwerkingsovereenkomst. |
| 1 | §1. Het Vlaamse Gewest sluit met de Vennootschap een of meer bijzondere overeenkomsten om de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2/1, uit te voeren. | ||
| 2 | §2. Deze overeenkomsten regelen ten minste: | ||
| 3 | 1° de uitvoering van de betrokken taken van algemeen belang, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2/1, binnen de grenzen van de toepasselijke regelgeving; | ||
| 4 | 2° de wijze waarop de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2/1, meegenomen wordt in het ondernemingsplan en hoe daarover gerapporteerd wordt; | ||
| 5 | 3° de wijze waarop de Vennootschap wordt geëvalueerd aan de hand van kritische prestatie-indicatoren voor de toetsing van de goede uitvoering van de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2/1, en de wijze waarop de Vennootschap daarover minstens jaarlijks rapporteert; | ||
| 6 | 4° de sancties die bij het niet-naleven van de verbintenissen van de partijen van toepassing zijn; | ||
| 7 | 5° de duur van de bijzondere overeenkomst. |
| 1 | De Vennootschap maakt minstens jaarlijks een investeringsplan op voor de volgende vijf jaar. De Vennootschap deelt het investeringsplan mee aan de Vlaamse Milieumaatschappij. | ||
| 2 | Dit investeringsplan wordt ter informatie aan de Vlaamse Regering meegedeeld. |
| 1 | De Vennootschap stelt jaarlijks, naast het investeringsplan, een ondernemingsplan op dat de doelstellingen en de strategie, uitsluitend voor wat het uitvoeren van de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2 en §2/1, betreft, op korte en middellange termijn van de Vennootschap vastlegt. | ||
| 2 | De onderdelen van het plan die de uitvoering van de taken van algemeen belang betreffen, worden voor toetsing aan de bepalingen van de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.6.1.1.3 en 2.6.1.1.4, ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering beslist over de goedkeuring na advies van de Vlaamse Milieumaatschappij. De overige onderdelen van het plan worden ter informatie aan de Vlaamse Regering en de Vlaamse Milieumaatschappij medegedeeld. |
| 1 | De Vennootschap rapporteert jaarlijks aan de Vlaamse Milieumaatschappij minstens over: | ||
| 2 | 1° de kritische prestatie-indicatoren die gelden voor de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2 en §2/1; | ||
| 3 | 2° de uitvoering van het investeringsplan, vermeld in artikel 2.6.1.1.5, en het ondernemingsplan, vermeld in artikel 2.6.1.1.6; | ||
| 4 | 3° een vergelijking van de effectieve kosten met de gefactureerde bedragen; | ||
| 5 | 4° de bijdrage aan en de inspanningen voor klimaatmitigatie, klimaatadaptatie en de circulaire economie; | ||
| 6 | 5° de naleving van de code voor deugdelijk bestuur die in de samenwerkingsovereenkomst is vastgesteld; | ||
| 7 | 6° alle rechtstreekse of onrechtstreekse deelnemingen in rechtspersonen, met vermelding van het houderschapspercentage. |
| 1 | §1. De economische en ecologische toezichthouder is overeenkomstig de in artikel 2.6.1.1.1., §2, eerste lid vastgestelde regels belast met de controle op de naleving door de Vennootschap van de bepalingen van de beheersovereenkomst die op 10 november 1993 werd gesloten tussen het Vlaamse Gewest en de Vennootschap. De economische en ecologische toezichthouder neemt de plaats in van de bijzondere gevolmachtigde waarvan sprake in deze beheersovereenkomst. | ||
| 2 | Met het oog op de uitvoering van het door de Vlaamse Regering goedgekeurde investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2, 1°, legt de Vlaamse Milieumaatschappij binnen de door de Vlaamse Regering te bepalen termijn elk jaar een ontwerp van rollend investeringsprogramma voor de vijf volgende kalenderjaren aan de Vlaamse Regering voor. | ||
| 3 | §2. Met het oog op het vaststellen van het in artikel 2.6.1.3.1., §2 bedoelde subsidiëringsprogramma legt de Vlaamse Milieumaatschappij een ontwerp van subsidiëringsprogramma voor aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Leefmilieu, volgens de modaliteiten te bepalen door de Vlaamse Regering. |
| 1 | §1. De Vlaamse Milieumaatschappij is belast met de controle op de naleving door de Vennootschap van de wet, de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.6.1.1.3 en 2.6.1.1.4, en het algemeen belang. | ||
| 2 | Naast de opdrachten die aan de Vlaamse Milieumaatschappij worden toegekend met toepassing van dit decreet, vervult de Vlaamse Milieumaatschappij de opdrachten, vermeld in dit artikel. | ||
| 3 | §2. De Vlaamse Milieumaatschappij gaat na of het investeringsplan, vermeld in artikel 2.6.1.1.5, in overeenstemming is met dit decreet, de samenwerkingsovereenkomst en het algemeen belang, en of het is opgesteld volgens objectieve criteria. | ||
| 4 | §3. De Vlaamse Milieumaatschappij gaat na of de uitvoering van het investeringsplan, vermeld in artikel 2.6.1.1.5, en het ondernemingsplan, vermeld in artikel 2.6.1.1.6, in overeenstemming is met het recht, de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in artikel 2.6.1.1.3, de bijzondere overeenkomsten, vermeld in artikel 2.6.1.1.4, en of ze gebeurt binnen de grenzen van de begroting. | ||
| 5 | §4. De Vlaamse Milieumaatschappij gaat na of de interne controlesystemen van de Vennootschap adequaat zijn. | ||
| 6 | §5. De Vlaamse Milieumaatschappij voert een vijfjaarlijkse kwalitatieve en kwantitatieve evaluatie uit van de werking van de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.6.1.1.3 en 2.6.1.1.4, en van de naleving en uitvoering ervan door de Vennootschap. | ||
| 7 | De Vlaamse Milieumaatschappij bezorgt het verslag met de resultaten van haar evaluatie, vermeld in het eerste lid, aan de Vlaamse Regering en aan het Vlaams Parlement. |
| 1 | §1. De Vlaamse Milieumaatschappij geeft ambtshalve of op vraag van de Vlaamse Regering advies. Zij formuleert desgevallend aanbevelingen aan de Vennootschap. | ||
| 2 | §2. De Vlaamse Milieumaatschappij kan onder andere audits, steekproeven, data-analyses en benchmarks uitvoeren en is gemachtigd alle bedrijfsprocessen en -activiteiten te onderzoeken in het kader van haar opdracht. | ||
| 3 | §3. In het kader van haar opdracht, vermeld in artikel 2.6.1.2.1.1, §2, kan de Vlaamse Milieumaatschappij de uitvoering van nieuwe investeringen op het investeringsplan geheel of gedeeltelijk schorsen binnen een periode van dertig dagen nadat de Vlaamse Milieumaatschappij het investeringsplan ontving. | ||
| 4 | De Vennootschap past het investeringsplan aan op basis van de opmerkingen van de Vlaamse Milieumaatschappij. De schorsing houdt op zodra de Vlaamse Milieumaatschappij vaststelt dat het investeringsplan aangepast is aan haar opmerkingen. | ||
| 5 | §4. De Vlaamse Milieumaatschappij stelt de Vlaamse Regering in kennis van elke beslissing van de Vennootschap die betrekking heeft op de taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2 en §2/1, die zij strijdig acht met de toezichtsgronden, vermeld in artikel 2.6.1.2.1.1, §1. | ||
| 6 | Wanneer de Vlaamse Regering op grond van deze inlichtingen meent dat de Vennootschap de aan haar opgedragen taken kennelijk verwaarloost, bepaalt de Vlaamse Regering de aangelegenheid waarover de Vennootschap moet beraadslagen en de termijn waarbinnen die beraadslaging plaatsvindt. | ||
| 7 | Wordt binnen de gestelde termijn geen beslissing genomen door de Vennootschap, of stemt de Vlaamse Regering niet in met de door de Vennootschap genomen beslissing, dan treft de Vlaamse Regering de nodige voorzieningen, waaronder de mogelijkheid dat de Vlaamse Regering de beslissingen van de Vennootschap gedurende een door haar bepaalde en verlengbare termijn afhankelijk maakt van het voorafgaand advies of de voorafgaande instemming van de Vlaamse Regering, de Vlaamse Milieumaatschappij, of enige andere instantie. |
| 1 | §1. Om haar opdrachten en bevoegdheden, vermeld in artikel 2.6.1.2.1.1 en 2.6.1.2.1.2, te kunnen uitoefenen, hebben de personeelsleden van de Vlaamse Milieumaatschappij of personen die de Vlaamse Milieumaatschappij aanwijst, op elk moment kosteloos toegang tot alle informatie en documenten van de Vennootschap, ongeacht de drager ervan, en tot alle gebouwen, ruimtes en installaties waar taken van de Vennootschap worden uitgevoerd, met inachtname van alle veiligheidsvoorschriften en toepasselijke regelgeving. | ||
| 2 | De personeelsleden van de Vlaamse Milieumaatschappij, of personen die de Vlaamse Milieumaatschappij aanwijst, kunnen van de leden van het bestuursorgaan, van de gemachtigden en van de personeelsleden van de Vennootschap, alle ophelderingen en inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die ze nodig achten voor de uitvoering van de opdrachten van de Vlaamse Milieumaatschappij, met inachtname van de toepasselijke regelgeving. | ||
| 3 | Bij het uitvoeren van haar toezichtstaak kunnen de personeelsleden of personen kosteloos kopieën vragen en meenemen van alle daarvoor noodzakelijke informatie en documenten, ongeacht de drager ervan. Zij kunnen zich laten bijstaan door personen die ze daarvoor aanwijzen op grond van hun deskundigheid. | ||
| 4 | §2. Om de opdrachten en de bevoegdheden, vermeld in artikel 2.6.1.2.1.1 en 2.6.1.2.1.2, uit te voeren, hebben de personeelsleden van de Vlaamse Milieumaatschappij toegang met het noodzakelijke materiaal en materieel tot alle rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en hemelwaterafvoerinstallaties, ongeacht het feit of ze gelegen zijn op gronden van derden of niet, om er metingen te verrichten, stalen te nemen en andere nuttige vaststellingen te doen, met inachtname van alle veiligheidsvoorschriften en toepasselijke regelgeving. Zij kunnen ook vaststellingen doen met audiovisuele middelen. | ||
| 5 | §3. Bij het uitvoeren van de taken, vermeld in deze onderafdeling, beschikken de betrokken personeelsleden over een legitimatiebewijs ondertekend door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij. | ||
| 6 | Zij hebben bij de uitvoering van die taken recht op bijstand van de politie. |
| 1 | §1. Met het oog op het vaststellen van het subsidiëringsprogramma, vermeld in artikel 2.6.1.3.1, §2, legt de Vlaamse Milieumaatschappij een ontwerp van subsidiëringsprogramma voor aan de Vlaamse minister bevoegd voor Omgeving en Natuur, volgens de modaliteiten die de Vlaamse Regering bepaalt. | ||
| 1 | §1. Voor het uitvoeren van de opdrachten, vermeld in artikel 2.6.1.2.1., §1, hebben de personeelsleden van de ecologische toezichthouder toegang met het noodzakelijke materiaal en materieel tot alle rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en hemelwater(afvoer) installaties, ongeacht het feit of ze gelegen zijn op gronden van derden of niet, om er metingen te verrichten, stalen te nemen en andere nuttige vaststellingen te doen. | 2 | Voor de uitvoering van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, en de opvolging ervan, beschikken de personeelsleden van de Vlaamse Milieumaatschappij ook over toegang met het noodzakelijke materiaal en materieel tot alle rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en hemelwaterafvoerinstallaties, ongeacht het feit of ze gelegen zijn op gronden van derden of niet, om er metingen te verrichten, stalen te nemen en andere nuttige vaststellingen te doen. |
| 2 | Met het oog op de opmaak van het door de Vlaamse Regering vast te stellen subsidiëringsprogramma, vermeld in artikel 2.6.1.3.1., §2, en de opvolging van de uitvoering ervan, beschikken de personeelsleden van de ecologische toezichthouder eveneens over de rechten vermeld in het eerste lid. | ||
| 3 | De personeelsleden van de ecologische toezichthouder hebben met het noodzakelijke materiaal en materieel toegang tot alle rioolwaterzuiveringsinstallaties, rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en hemelwater(afvoer) installaties, beheerd door een gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit, gemeenten, gemeentebedrijven, intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, ongeacht het feit of ze gelegen zijn op gronden van derden of niet, om er metingen te verrichten, stalen te nemen en andere nuttige vaststellingen te doen, zodat ze de uitvoering van de aanleg en de verbetering van de installaties in kwestie kunnen opvolgen. | 3 | De personeelsleden van de Vlaamse Milieumaatschappij hebben met het noodzakelijke materiaal en materieel toegang tot alle rioolwaterzuiveringsinstallaties, rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en hemelwater(afvoer) installaties, beheerd door een gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit, gemeenten, gemeentebedrijven, intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, ongeacht het feit of ze gelegen zijn op gronden van derden of niet, om er metingen te verrichten, stalen te nemen en andere nuttige vaststellingen te doen, zodat ze de uitvoering van de aanleg en de verbetering van de installaties in kwestie kunnen opvolgen. |
| 4 | §2. Bij het uitvoeren van de taken vermeld in paragraaf 1 moeten de betrokken personeelsleden beschikken over een legitimatiebewijs ondertekend door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij. | 4 | §2. Bij het uitvoeren van de taken vermeld in paragraaf 1 moeten de betrokken personeelsleden beschikken over een legitimatiebewijs ondertekend door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij. |
| 5 | Zij hebben bij de uitvoering van die taken recht op bijstand van de politie. | 5 | Zij hebben bij de uitvoering van die taken recht op bijstand van de politie. |
| 1 | De gemeenten, gemeentebedrijven, intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de Vennootschap stellen op eenvoudig verzoek van de ecologische toezichthouder alle informatie waarover ze beschikken en die nodig is voor het opvolgen van de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 2.6.1.2.1.en 2.6.1.2.2, ter beschikking van de ecologische toezichthouder. | 1 | De gemeenten, gemeentebedrijven, intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de Vennootschap stellen op eenvoudig verzoek van de Vlaamse Milieumaatschappij alle informatie waarover ze beschikken en die nodig is voor het opvolgen van de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 2.6.1.2.1.1, 2.6.1.2.1.2 en 2.6.1.2.1.3. en 2.6.1.2.2, ter beschikking van de Vlaamse Milieumaatschappij. |
| 2 | De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder die informatie ter beschikking wordt gesteld. | 2 | De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder die informatie ter beschikking wordt gesteld. |
| 5 | Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk besteedt bij het voldoen aan zijn saneringsverplichting maximaal aandacht aan het rationeel gebruik van drinkwater en aan de afkoppeling, het hergebruik en de infiltratie van hemelwater. | 5 | Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk besteedt bij het voldoen aan zijn saneringsverplichting maximaal aandacht aan het rationeel gebruik van drinkwater en aan de afkoppeling, het hergebruik en de infiltratie van hemelwater. |
| 6 | §4. Vlaamse Regering zal nadere regels vastleggen met betrekking tot de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en dit op basis van de zoneringsplannen en uitvoeringsplannen zoals bedoeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. | 6 | §4. Vlaamse Regering zal nadere regels vastleggen met betrekking tot de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en dit op basis van de zoneringsplannen en uitvoeringsplannen zoals bedoeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. |
| 7 | §5. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijk samenwerkingsverband of de door de gemeente na marktbevraging aangestelde entiteit die een overeenkomst als vermeld in paragraaf 2, eerste lid heeft gesloten en die instaat voor de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting, is verplicht om op eenvoudig verzoek van de economische toezichthouder kosteloos de gegevens mee te delen die verband houden met de uitvoering van de saneringsverplichting en die de economische toezichthouder nodig heeft ter uitvoering van zijn taken. | 7 | §5. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijk samenwerkingsverband of de door de gemeente na marktbevraging aangestelde entiteit die een overeenkomst als vermeld in paragraaf 2, eerste lid heeft gesloten en die instaat voor de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting, is verplicht om op eenvoudig verzoek van de Vlaamse Milieumaatschappij kosteloos de gegevens mee te delen die verband houden met de uitvoering van de saneringsverplichting en die de Vlaamse Milieumaatschappij nodig heeft ter uitvoering van zijn taken. |
| 8 | De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels uitvaardigen. | 8 | De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels uitvaardigen. |
| 1 | De rechten en verplichtingen, vermeld in artikel 9 tot en met 15 en artikel 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, zijn van toepassing op de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijk samenwerkingsverband en de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening bij de aanleg en de wijziging van niet-prioritaire rioleringen. | ||
| 2 | De Vlaamse Regering kan de rechten en verplichtingen, vermeld in het eerste lid, nader regelen. |
| 1 | §1. De Vennootschap sluit in het kader van de aan haar toevertrouwde taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1., §2, en onder toezicht van de economische toezichthouder, een saneringscontract met de exploitant op vraag van de exploitant zelf of wanneer dit als bijzondere voorwaarde in haar lozings- of omgevingsvergunning werd opgenomen en de exploitant aldus verplicht is een saneringscontract te sluiten. | 1 | §1. De Vennootschap sluit in het kader van de aan haar toevertrouwde taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1., §2, en onder toezicht van de Vlaamse Milieumaatschappij, een saneringscontract met de exploitant op vraag van de exploitant zelf of wanneer dit als bijzondere voorwaarde in haar lozings- of omgevingsvergunning werd opgenomen en de exploitant aldus verplicht is een saneringscontract te sluiten. |
| 2 | Het saneringscontract heeft betrekking op de sanering van het geloosde afvalwater dat afkomstig is uit de normale bedrijfsactiviteiten, vermeld in de omgevings- of lozingsvergunning of dat afkomstig is uit een bronbemaling waarvoor een schriftelijke toelating van de Vennootschap verkregen werd overeenkomstig artikel 5.53.6.1.1, §2, van titel II van het Vlarem. | 2 | Het saneringscontract heeft betrekking op de sanering van het geloosde afvalwater dat afkomstig is uit de normale bedrijfsactiviteiten, vermeld in de omgevings- of lozingsvergunning of dat afkomstig is uit een bronbemaling waarvoor een schriftelijke toelating van de Vennootschap verkregen werd overeenkomstig artikel 5.53.6.1.1, §2, van titel II van het Vlarem. |
| 3 | De lozing kan permanent of tijdelijk van aard zijn, maar vindt steeds plaats gedurende een op voorhand vastgelegde periode en is niet het gevolg van een calamiteit als vermeld in artikel 2.6.2.2., §1, tweede lid. | 3 | De lozing kan permanent of tijdelijk van aard zijn, maar vindt steeds plaats gedurende een op voorhand vastgelegde periode en is niet het gevolg van een calamiteit als vermeld in artikel 2.6.2.2., §1, tweede lid. |
| 11 | 3° en maakt het voorwerp uit van een omgevings- of lozingsvergunning of een schriftelijke toelating van de Vennootschap voor het lozen van water afkomstig van een bronbemaling overeenkomstig artikel 5.53.6.1.1, §2, van titel II van het Vlarem. | 11 | 3° en maakt het voorwerp uit van een omgevings- of lozingsvergunning of een schriftelijke toelating van de Vennootschap voor het lozen van water afkomstig van een bronbemaling overeenkomstig artikel 5.53.6.1.1, §2, van titel II van het Vlarem. |
| 12 | §3. De Vlaamse Regering legt nadere regels vast inzake: | 12 | §3. De Vlaamse Regering legt nadere regels vast inzake: |
| 13 | 1° de vorm van de saneringscontracten, dit op voorstel van de economische toezichthouder; | 13 | 1° de vorm van de saneringscontracten, dit op voorstel van de Vlaamse Milieumaatschappij; |
| 14 | 2° de voorwaarden voor het sluiten van een contract indien dit niet verplicht is in de lozings- of omgevingsvergunning; | 14 | 2° de voorwaarden voor het sluiten van een contract indien dit niet verplicht is in de lozings- of omgevingsvergunning; |
| 15 | 3° de te volgen procedure voor het sluiten van een saneringscontract; | 15 | 3° de te volgen procedure voor het sluiten van een saneringscontract; |
| 1 | §1. De Vennootschap sluit, in het kader van de in artikel 2.6.1.1.1, §2 aan haar toevertrouwde taken en onder toezicht van de economische toezichthouder, een saneringscontract met de exploitant, betrekking hebbend op de sanering van het afvalwater afkomstig uit een noodlozing, wanneer de exploitant dit vraagt of wanneer dit als bijzondere voorwaarde in haar lozings- of omgevingsvergunning werd opgenomen en de exploitant aldus verplicht is een saneringscontract te sluiten. | 1 | §1. De Vennootschap sluit, in het kader van de in artikel 2.6.1.1.1, §2 aan haar toevertrouwde taken en onder toezicht van de Vlaamse Milieumaatschappij, een saneringscontract met de exploitant, betrekking hebbend op de sanering van het afvalwater afkomstig uit een noodlozing, wanneer de exploitant dit vraagt of wanneer dit als bijzondere voorwaarde in haar lozings- of omgevingsvergunning werd opgenomen en de exploitant aldus verplicht is een saneringscontract te sluiten. |
| 2 | Een noodlozing vindt plaats ten gevolge van een calamiteit, zijnde een totaal onvoorzienbare en onvermijdbare gebeurtenis, zich voordoende ten gevolge van overmacht, waardoor het zich van een tijdelijke lozing onderscheidt. De noodlozing omvat het afvalwater dat in principe op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie kan gezuiverd worden en dat wat betreft samenstelling en debiet gelijkaardig is aan het tijdens een normale bedrijfsvoering geproduceerde ongezuiverde afvalwater. Het afvalwater dat tijdens de noodlozing geloosd wordt mag geen stoffen bevatten die schadelijk zijn voor de werking van de openbare saneringsinfrastructuur. | 2 | Een noodlozing vindt plaats ten gevolge van een calamiteit, zijnde een totaal onvoorzienbare en onvermijdbare gebeurtenis, zich voordoende ten gevolge van overmacht, waardoor het zich van een tijdelijke lozing onderscheidt. De noodlozing omvat het afvalwater dat in principe op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie kan gezuiverd worden en dat wat betreft samenstelling en debiet gelijkaardig is aan het tijdens een normale bedrijfsvoering geproduceerde ongezuiverde afvalwater. Het afvalwater dat tijdens de noodlozing geloosd wordt mag geen stoffen bevatten die schadelijk zijn voor de werking van de openbare saneringsinfrastructuur. |
| 3 | Het afvalwater rechtstreeks voortvloeiend uit de calamiteit, dient door de exploitant opgevangen te worden en vervolgens verwerkt of afgevoerd te worden, tenzij het afvalwater geen stoffen bevat die schadelijk zijn voor de werking van de openbare saneringsinfrastructuur. | 3 | Het afvalwater rechtstreeks voortvloeiend uit de calamiteit, dient door de exploitant opgevangen te worden en vervolgens verwerkt of afgevoerd te worden, tenzij het afvalwater geen stoffen bevat die schadelijk zijn voor de werking van de openbare saneringsinfrastructuur. |
| 23 | §5. In het geval de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, vaststelt dat de exploitant de noodlozing niet beëindigt wanneer de Vennootschap hiertoe verzoekt in het geval deze het afvalwater afkomstig uit de noodlozing niet kan verwerken zonder een minimale werking van de openbare riolering en de openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties te garanderen, vervalt het bestaande contract van rechtswege of kan geen contract worden gesloten. | 23 | §5. In het geval de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, vaststelt dat de exploitant de noodlozing niet beëindigt wanneer de Vennootschap hiertoe verzoekt in het geval deze het afvalwater afkomstig uit de noodlozing niet kan verwerken zonder een minimale werking van de openbare riolering en de openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties te garanderen, vervalt het bestaande contract van rechtswege of kan geen contract worden gesloten. |
| 24 | §6. De Vlaamse Regering legt nadere regels vast inzake: | 24 | §6. De Vlaamse Regering legt nadere regels vast inzake: |
| 25 | 1° de vorm van de saneringscontracten, dit op voorstel van de economische toezichthouder; | 25 | 1° de vorm van de saneringscontracten, dit op voorstel van de Vlaamse Milieumaatschappij; |
| 26 | 2° de procedure van melding van een noodlozing en van aanvraag tot het sluiten van een saneringscontract; | 26 | 2° de procedure van melding van een noodlozing en van aanvraag tot het sluiten van een saneringscontract; |
| 27 | 3° de inhoudelijke vermeldingen van het contract; | 27 | 3° de inhoudelijke vermeldingen van het contract; |
| 3 | 2° afgesloten watervoerende laag: watervoerende laag die voorkomt onder één van de volgende afsluitende hydrogeologische hoofdeenheden die gekenmerkt worden door de unieke code 0300, 0500, 0700 of 0900 zoals weergegeven in bijlage 6 bij dit decreet. De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast en zorgt er daarbij voor dat elke winning eenduidig is vastgelegd | 3 | 2° afgesloten watervoerende laag: watervoerende laag die voorkomt onder één van de volgende afsluitende hydrogeologische hoofdeenheden die gekenmerkt worden door de unieke code 0300, 0500, 0700 of 0900 zoals weergegeven in bijlage 6 bij dit decreet. De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast en zorgt er daarbij voor dat elke winning eenduidig is vastgelegd |
| 4 | 3° bovengemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust; | 4 | 3° bovengemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust; |
| 5 | 4° economisch toezichthouder: de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die als opdracht heeft om de taken van economisch toezicht uit te voeren zoals vermeld in artikel 10.2.3.1, §1, tweede lid, 8° van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid; | ||
| 5 | 4° ... | ||
| 6 | 5° exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk: de gemeente, de gemeentelijke regie, de intercommunale, de Vlaamse openbare instelling en alle andere exploitanten die een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen beheren; | 6 | 5° exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk: de gemeente, de gemeentelijke regie, de intercommunale, de Vlaamse openbare instelling en alle andere exploitanten die een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen beheren; |
| 7 | 6° gebruiker van een private waterwinning: de persoon die een private waterwinning voor water, bestemd voor menselijke aanwending, in gebruik heeft; | 7 | 6° gebruiker van een private waterwinning: de persoon die een private waterwinning voor water, bestemd voor menselijke aanwending, in gebruik heeft; |
| 1 | §1. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk bepaalt onder toezicht van de economische toezichthouder het tarief voor de berekening van de variabele prijs op basis van de kosten die hij moet dragen om zijn saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak na te komen. | 1 | §1. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk bepaalt onder toezicht van de Vlaamse Milieumaatschappij het tarief voor de berekening van de variabele prijs op basis van de kosten die hij moet dragen om zijn saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak na te komen. |
| 2 | Het tarief is een prijs per vervuilingseenheid. Bij het bepalen van het bovengemeentelijke en gemeentelijke tarief wordt minstens rekening gehouden met de volgende elementen: | 2 | Het tarief is een prijs per vervuilingseenheid. Bij het bepalen van het bovengemeentelijke en gemeentelijke tarief wordt minstens rekening gehouden met de volgende elementen: |
| 3 | 1° de vervuiling die de abonnee veroorzaakt, conform het “de vervuiler betaalt”- beginsel; | 3 | 1° de vervuiling die de abonnee veroorzaakt, conform het “de vervuiler betaalt”- beginsel; |
| 9 | 7° het aandeel van de inkomsten van het vastrecht voor de gemeentelijke of de bovengemeentelijke bijdrage. | 9 | 7° het aandeel van de inkomsten van het vastrecht voor de gemeentelijke of de bovengemeentelijke bijdrage. |
| 10 | §2. In het kader van het algemeen belang kan door het Vlaamse Gewest aan de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk een tussenkomst in de financiering van de bovengemeentelijke collectieve sanering toegekend worden in de vorm van een algemene werkingstoelage. De uitgekeerde werkingstoelage moet worden aangewend voor de invulling van de bovengemeentelijke saneringsverplichting. De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de toekenning en de uitbetaling van de algemene werkingstoelage aan de exploitanten. | 10 | §2. In het kader van het algemeen belang kan door het Vlaamse Gewest aan de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk een tussenkomst in de financiering van de bovengemeentelijke collectieve sanering toegekend worden in de vorm van een algemene werkingstoelage. De uitgekeerde werkingstoelage moet worden aangewend voor de invulling van de bovengemeentelijke saneringsverplichting. De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de toekenning en de uitbetaling van de algemene werkingstoelage aan de exploitanten. |
| 11 | §3. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, onder toezicht van de economische toezichthouder, of de economische toezichthouder kan om economische, ecologische en sociale redenen beperkingen opleggen aan de bijdrage die aan de abonnees wordt aangerekend. | 11 | §3. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, onder toezicht van de Vlaamse Milieumaatschappij, of de Vlaamse Milieumaatschappij kan om economische, ecologische en sociale redenen beperkingen opleggen aan de bijdrage die aan de abonnees wordt aangerekend. |
| 12 | De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen en regels vaststellen met betrekking tot de methode voor tariefbepaling en de tariefstructuur van de variabele prijs. | 12 | De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen en regels vaststellen met betrekking tot de methode voor tariefbepaling en de tariefstructuur van de variabele prijs. |
| 13 | De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk stellen op eenvoudig verzoek van de economische toezichthouder kosteloos alle gegevens en inlichtingen ter beschikking die de economische toezichthouder nodig heeft om zijn taken uit te voeren. | 13 | De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk stellen op eenvoudig verzoek van de Vlaamse Milieumaatschappij kosteloos alle gegevens en inlichtingen ter beschikking die de Vlaamse Milieumaatschappij nodig heeft om zijn taken uit te voeren. |
| 14 | De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder de informatie, vermeld in het derde lid, ter beschikking wordt gesteld. | 14 | De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder de informatie, vermeld in het derde lid, ter beschikking wordt gesteld. |
| 11 | Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de individuele sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 2,4 keer hoger zijn. | 11 | Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de individuele sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 2,4 keer hoger zijn. |
| 12 | De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen. | 12 | De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen. |
| 13 | De economische toezichthouder legt de verdere voorwaarden met betrekking tot de aanrekening van de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage vast in een protocol met de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op een uniforme omzetting van de aanrekeningregels in Vlaanderen, de data-uitwisseling tussen de exploitant en de Vlaamse Milieumaatschappij en de toe te passen afrondingsregels. | 13 | De Vlaamse Milieumaatschappij legt de verdere voorwaarden met betrekking tot de aanrekening van de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage vast in een protocol met de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op een uniforme omzetting van de aanrekeningregels in Vlaanderen, de data-uitwisseling tussen de exploitant en de Vlaamse Milieumaatschappij en de toe te passen afrondingsregels. |
| 7 | 3° Tgv = het eenheidstarief van de heffing met betrekking tot het lozingsjaar voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, §2, tweede lid. | 7 | 3° Tgv = het eenheidstarief van de heffing met betrekking tot het lozingsjaar voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, §2, tweede lid. |
| 8 | De Vlaamse Regering kan daartoe de verdere modaliteiten bepalen. Deze modaliteiten hebben onder andere betrekking op de wijze waarop de aanrekening gebeurt, de mogelijke aanrekening van voorschotten, de verrekening van de voorschotten en de aanrekeningsbasis van de voorschotten. | 8 | De Vlaamse Regering kan daartoe de verdere modaliteiten bepalen. Deze modaliteiten hebben onder andere betrekking op de wijze waarop de aanrekening gebeurt, de mogelijke aanrekening van voorschotten, de verrekening van de voorschotten en de aanrekeningsbasis van de voorschotten. |
| 9 | De economische toezichthouder legt de verdere voorwaarden met betrekking tot de aanrekening van de bovengemeentelijke bijdrage vast in een protocol met de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op een uniforme omzetting van de aanrekeningregels in Vlaanderen, de data-uitwisseling tussen de exploitant en de Vlaamse Milieumaatschappij en de toe te passen afrondingsregels. | 9 | De Vlaamse Milieumaatschappij legt de verdere voorwaarden met betrekking tot de aanrekening van de bovengemeentelijke bijdrage vast in een protocol met de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op een uniforme omzetting van de aanrekeningregels in Vlaanderen, de data-uitwisseling tussen de exploitant en de Vlaamse Milieumaatschappij en de toe te passen afrondingsregels. |
| 1 | De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, onder toezicht van de economische toezichthouder, of de economische toezichthouder kan om economische, ecologische en sociale redenen beperkingen opleggen aan de bijdragen in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting en de vergoeding in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, die op gemeentelijk vlak worden aangerekend. De Vlaamse Regering kan daartoe de voorwaarden bepalen. | 1 | De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, onder toezicht van de Vlaamse Milieumaatschappij, of de Vlaamse Milieumaatschappij kan om economische, ecologische en sociale redenen beperkingen opleggen aan de bijdragen in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting en de vergoeding in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, die op gemeentelijk vlak worden aangerekend. De Vlaamse Regering kan daartoe de voorwaarden bepalen. |
| 19 | 6° het uitvoeren van de analyses en beoordelingen van de kenmerken van het stroomgebiedsdistrict, de effecten van de menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlaktewater en het grondwater en van het watergebruik, bedoeld in artikel 1.7.3.1. van het decreet integraal waterbeleid; | 19 | 6° het uitvoeren van de analyses en beoordelingen van de kenmerken van het stroomgebiedsdistrict, de effecten van de menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlaktewater en het grondwater en van het watergebruik, bedoeld in artikel 1.7.3.1. van het decreet integraal waterbeleid; |
| 20 | 7° het uitbrengen van het advies bij de watertoets, bedoeld in artikel 1.3.1.1,§ 3, van het decreet integraal waterbeleid, voor die gevallen waarin de Vlaamse Milieumaatschappij door de Vlaamse regering is aangewezen als adviesverlenende instantie; | 20 | 7° het uitbrengen van het advies bij de watertoets, bedoeld in artikel 1.3.1.1,§ 3, van het decreet integraal waterbeleid, voor die gevallen waarin de Vlaamse Milieumaatschappij door de Vlaamse regering is aangewezen als adviesverlenende instantie; |
| 21 | 8° het uitoefenen van toezicht op de Vennootschap, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 1, onderafdelingen 1 en 2, van het voormelde decreet, en het opstellen, controleren en opvolgen van de subsidiëringsprogramma’s voor de zuivering van het afvalwater dat geloosd wordt in de openbare riolen en collectoren; | ||
| 21 | 8° het opstellen, controleren en opvolgen van de investeringsprogramma's en de subsidiëringsprogramma's voor de zuivering van het afvalwater dat geloosd wordt in de openbare riolen en collectoren; de aansturing van de uitbouw van het gemeentelijke rioleringsnet met inbegrip van subsidiëring en het ecologisch en economisch toezicht op de uitbouw en het beheer van de zuiveringsinfrastructuur; | 22 | 8° bis de aansturing van de uitbouw van het gemeentelijke rioleringsnet met inbegrip van subsidiëring en het toezicht op de uitbouw en het beheer van de zuiveringsinfrastructuur; |
| 22 | 9° het beheren van het grondwater en de voorstellen voor afbakening van waterwingebieden en beschermingszones; | 23 | 9° het beheren van het grondwater en de voorstellen voor afbakening van waterwingebieden en beschermingszones; |
| 23 | 10° met betrekking tot de onbevaarbare waterlopen: | 24 | 10° met betrekking tot de onbevaarbare waterlopen: |
| 40 | 20° het opmaken van zoneringsplannen voor de sanering van het afvalwater. De zoneringsplannen maken een onderscheid tussen de gebieden met collectieve sanering en de gebieden met individuele sanering. In uitvoering van één of meerdere zoneringsplannen wordt een gebiedsdekkend uitvoeringsplan per zuiveringsgebied opgemaakt waarin de uitvoering en de timing van de projecten met betrekking tot respectievelijk de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting geregeld zijn, evenals de noodzakelijke afstemming van de projecten. Deze zonerings- en uitvoeringsplannen worden bindend voor derden na goedkeuring door de Vlaamse Regering. | 41 | 20° het opmaken van zoneringsplannen voor de sanering van het afvalwater. De zoneringsplannen maken een onderscheid tussen de gebieden met collectieve sanering en de gebieden met individuele sanering. In uitvoering van één of meerdere zoneringsplannen wordt een gebiedsdekkend uitvoeringsplan per zuiveringsgebied opgemaakt waarin de uitvoering en de timing van de projecten met betrekking tot respectievelijk de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting geregeld zijn, evenals de noodzakelijke afstemming van de projecten. Deze zonerings- en uitvoeringsplannen worden bindend voor derden na goedkeuring door de Vlaamse Regering. |
| 41 | 21° het ondersteunen van de uitbouw van grijswatercircuits ter bescherming van de kwetsbare watervoerende lagen door subsidiëring van grijswaterleveranciers. | 42 | 21° het ondersteunen van de uitbouw van grijswatercircuits ter bescherming van de kwetsbare watervoerende lagen door subsidiëring van grijswaterleveranciers. |
| 42 | Met betrekking tot de in § 1, tweede lid, 8° , bepaalde taak kan tegen de beslissingen van de ecologische en economische toezichthouder beroep worden ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de voorwaarden. | 43 | Met betrekking tot de in het tweede lid, 8° en 8°bis, bepaalde taak kan tegen de beslissingen van de Vlaamse Milieumaatschappij beroep worden ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de voorwaarden. |
| 43 | § 2. De taken van de Vlaamse Milieumaatschappij met betrekking tot de verontreiniging van de atmosfeer zijn: | 44 | § 2. De taken van de Vlaamse Milieumaatschappij met betrekking tot de verontreiniging van de atmosfeer zijn: |
| 44 | 1° het verzamelen, beoordelen en verwerken van gegevens en informatie door: | 45 | 1° het verzamelen, beoordelen en verwerken van gegevens en informatie door: |