Decreet tot uitvoering van maatregelen over het onderwijs uit cao XII Leerplicht, cao V Basiseducatie en cao VI Hoger onderwijs vanaf het school- of academiejaar 2021-2022
21 artikels gewijzigd
| 75 | Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 8.842.117,00 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen. | 75 | Vanaf het begrotingsjaar 2021 worden de totale werkingsmiddelen van de universiteiten met 8.842.117,00 euro vermeerderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de totale werkingsmiddelen. |
| 76 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. | 76 | De bedragen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. |
| 77 | § 11. De totale werkingsmiddelen van de hogescholen (met inbegrip van de Hogere Zeevaartschool) en de universiteiten worden verhoogd met de volgende bedragen: | ||
| 78 | 2021 | ||
| 79 | Vanaf 2022 | ||
| 80 | bestemming | ||
| 81 | hogescholen | ||
| 82 | universiteiten | ||
| 83 | hogescholen | ||
| 84 | universiteiten | ||
| 85 | budget wendbaar en weerbaar personeelsbeleid | ||
| 86 | 2 638 575 | ||
| 87 | 1 776 250 | ||
| 88 | 4 949 207 | ||
| 89 | 1 703 720 | ||
| 90 | afschaffen baremieke leeftijd | ||
| 91 | 4 948 | ||
| 92 | optrekken laagste lonen ATP | ||
| 93 | 44 550 | ||
| 94 | 55 450 | ||
| 95 | De bedragen voor het afschaffen van de baremieke leeftijd, de laagste lonen en voor 2021 het budget voor wendbaar en weerbaar personeelsbeleid worden verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen. | ||
| 96 | De verdeling en toekenning van de middelen voor wendbaar en weerbaar personeelsbeleid vanaf 2022 wordt vastgelegd in het addendum. De middelen kunnen alleen toegekend worden voor maatregelen met betrekking tot professionalisering, re-integratie en ziektepreventiebeleid. | ||
| 97 | Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. | ||
| 1 | § 1. De hogescholen en universiteiten ontvangen de volgende aanvullende uitkeringen: | ||
| 2 | 2021 | ||
| 3 | vanaf 2022 | ||
| 4 | bestemming | ||
| 5 | hogescholen | ||
| 6 | universiteiten | ||
| 7 | hogescholen | ||
| 8 | universiteiten | ||
| 9 | bevorderen duurzame mobiliteit en verhoging fietsvergoeding | ||
| 10 | 356 100 | ||
| 11 | 838 375 | ||
| 12 | 1 068 300 | ||
| 13 | 2 515 125 | ||
| 14 | tegemoetkoming in het digitaliseringsbeleid | ||
| 15 | 356 100 | ||
| 16 | 670 700 | ||
| 17 | 1 068 300 | ||
| 18 | 2 012 100 | ||
| 19 | internetvergoeding | ||
| 20 | 1 424 400 | ||
| 21 | 2 682 800 | ||
| 22 | 4 273 200 | ||
| 23 | 8 048 400 | ||
| 24 | tegemoetkoming kortingskaart | ||
| 25 | 89 025 | ||
| 26 | 167 675 | ||
| 27 | 89 025 | ||
| 28 | 167 675 | ||
| 29 | De bedragen worden verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool en universiteit in de totale werkingsmiddelen. | ||
| 30 | Het bedrag dat conform het eerste en tweede lid wordt verkregen, wordt toegevoegd aan de werkingsmiddelen. | ||
| 31 | § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2022 worden de bedragen, vermeld in dit artikel, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. |
| 13 | 6° alle bevoegdheden die in particuliere bedrijven opgedragen zijn aan de comités voor preventie en bescherming op het werk. | 13 | 6° alle bevoegdheden die in particuliere bedrijven opgedragen zijn aan de comités voor preventie en bescherming op het werk. |
| 14 | §2. De onderhandelingen leiden tot een protocol van akkoord of tot een protocol waarin de standpunten van de respectieve afvaardigingen van de representatieve vakorganisaties worden weergegeven. | 14 | §2. De onderhandelingen leiden tot een protocol van akkoord of tot een protocol waarin de standpunten van de respectieve afvaardigingen van de representatieve vakorganisaties worden weergegeven. |
| 15 | Voor aanpassingen aan het arbeidsreglement voor materies die wettelijk in het arbeidsreglement moeten worden opgenomen is het akkoord van ten minste één van de representatieve vakorganisaties nodig. | ||
| 1 | §1. In de onderhandelingscomités in de gesubsidieerde vrije hogescholen onderhandelen het hogeschoolbestuur en de representatieve vakorganisaties over de aangelegenheden, bedoeld in en krachtens de artikelen 2, 9 en 11 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Het arbeidsreglement in de hogescholen vormt daarenboven eveneens voorwerp van onderhandeling in het hogeschoolonderhandelingscomité. Over dezelfde aangelegenheden kan niet én in het hogeschoolonderhandelingscomité én op een ander niveau worden onderhandeld. | 1 | §1. In de onderhandelingscomités in de gesubsidieerde vrije hogescholen onderhandelen het hogeschoolbestuur en de representatieve vakorganisaties over de aangelegenheden, bedoeld in en krachtens de artikelen 2, 9 en 11 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Het arbeidsreglement in de hogescholen vormt daarenboven eveneens voorwerp van onderhandeling in het hogeschoolonderhandelingscomité. Over dezelfde aangelegenheden kan niet én in het hogeschoolonderhandelingscomité én op een ander niveau worden onderhandeld. |
| 2 | In de onderhandelingscomités in de gesubsidieerde officiële hogeschool onderhandelen het hogeschoolbestuur en de representatieve vakorganisaties over de aangelegenheden bedoeld in en krachtens de artikelen 2, 6, 9 en 11 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, met dien verstande dat over dezelfde aangelegenheden niet én in het hogeschoolonderhandelingscomité én op een ander niveau kan worden onderhandeld. | 2 | In de onderhandelingscomités in de gesubsidieerde officiële hogeschool onderhandelen het hogeschoolbestuur en de representatieve vakorganisaties over de aangelegenheden bedoeld in en krachtens de artikelen 2, 6, 9 en 11 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, met dien verstande dat over dezelfde aangelegenheden niet én in het hogeschoolonderhandelingscomité én op een ander niveau kan worden onderhandeld. |
| 3 | Voor aanpassingen aan het arbeidsreglement voor materies die wettelijk in het arbeidsreglement moeten worden opgenomen is het akkoord van ten minste één van de representatieve vakorganisaties nodig. | ||
| 3 | Bovendien bezorgt het hogeschoolbestuur de onderhandelingscomités de volgende inlichtingen, verslagen en bescheiden: | 4 | Bovendien bezorgt het hogeschoolbestuur de onderhandelingscomités de volgende inlichtingen, verslagen en bescheiden: |
| 4 | 1° algemene informatie met betrekking tot de werking en de organisatie van de hogeschool; | 5 | 1° algemene informatie met betrekking tot de werking en de organisatie van de hogeschool; |
| 24 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. | 24 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. |
| 25 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat. | 25 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat. |
| 26 | § 2bis. Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden jaarlijks 7,761 aanvullende vte toegekend aan de centra voor basiseducatie voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar in het kader van de organisatie van aanvangsbegeleiding. | ||
| 27 | De Vlaamse Regering kan voor de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende vte, vermeld in het eerste lid. | ||
| 28 | Elk centrum voor basiseducatie heeft recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende vte voor aanvangsbegeleiding als het aandeel aan vte waarop het centrum conform paragraaf 1 recht heeft. | ||
| 29 | Een centrumbestuur kan de aanvullende vte voor aanvangsbegeleiding omzetten in aanvullende punten voor aanvangsbegeleiding conform de volgende tabel: | ||
| 30 | vte | ||
| 31 | punten | ||
| 32 | 0,05 | ||
| 33 | 6 | ||
| 34 | 0,10 | ||
| 35 | 12 | ||
| 36 | 0,15 | ||
| 37 | 18 | ||
| 38 | 0,20 | ||
| 39 | 24 | ||
| 40 | 0,25 | ||
| 41 | 30 | ||
| 42 | 0,30 | ||
| 43 | 36 | ||
| 44 | 0,35 | ||
| 45 | 42 | ||
| 46 | 0,40 | ||
| 47 | 48 | ||
| 48 | 0,45 | ||
| 49 | 54 | ||
| 50 | 0,50 | ||
| 51 | 60 | ||
| 52 | 0,55 | ||
| 53 | 66 | ||
| 54 | 0,60 | ||
| 55 | 72 | ||
| 56 | 0,65 | ||
| 57 | 78 | ||
| 58 | 0,70 | ||
| 59 | 84 | ||
| 60 | 0,75 | ||
| 61 | 90 | ||
| 62 | 0,80 | ||
| 63 | 96 | ||
| 64 | 0,85 | ||
| 65 | 102 | ||
| 66 | 0,90 | ||
| 67 | 108 | ||
| 68 | 0,95 | ||
| 69 | 114 | ||
| 70 | 1 | ||
| 71 | 120 | ||
| 72 | De aanvullende vte kunnen worden samengelegd. Centra voor basiseducatie die ervoor kiezen om de aanvullende vte samen te leggen, richten daarvoor een samenwerkingsverband aanvangsbegeleiding op, dat bestaat uit twee of meer centra. Het samenwerkingsverband maakt afspraken over de aanwending van de aanvullende vte. De Vlaamse Regering kan de volgende elementen bepalen van het samenwerkingsverband: | ||
| 73 | 1° de duur van de samenwerking; | ||
| 74 | 2° de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht; | ||
| 75 | 3° de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid. | ||
| 26 | § 3. In afwijking van § 1 kan een Centrum voor Basiseducatie voor alle opleidingen toegekende VTE aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers ten bedrage van maximaal 5 procent van het voor het Centrum voor Basiseducatie beschikbare aantal VTE. | 76 | § 3. In afwijking van § 1 kan een Centrum voor Basiseducatie voor alle opleidingen toegekende VTE aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers ten bedrage van maximaal 5 procent van het voor het Centrum voor Basiseducatie beschikbare aantal VTE. |
| 27 | Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het centrumbestuur of van het personeel van het centrum en die, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming en in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma, voor cursisten voordrachten geeft vanuit zijn of haar deskundigheid en ervaring in de arbeidsmarkt en bedrijfswereld. | 77 | Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het centrumbestuur of van het personeel van het centrum en die, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming en in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma, voor cursisten voordrachten geeft vanuit zijn of haar deskundigheid en ervaring in de arbeidsmarkt en bedrijfswereld. |
| 80 | Over de aanwending van leraarsuren voor de aanwerving van voordrachtgevers en over de vergoeding van die voordrachtgevers moet een voorafgaandelijk akkoord bereikt worden in het lokale comité. | 80 | Over de aanwending van leraarsuren voor de aanwerving van voordrachtgevers en over de vergoeding van die voordrachtgevers moet een voorafgaandelijk akkoord bereikt worden in het lokale comité. |
| 81 | § 4. De som van het aantal door de Vlaamse Gemeenschap toegekende leraarsuren overeenkomstig § 1 wordt afgerond tot twee cijfers na de komma. Indien het derde cijfer na de komma 5 of meer is, wordt er afgerond naar het hogere honderdste. Indien het derde cijfer na de komma lager is dan 5, wordt er afgerond naar het lagere honderdste. | 81 | § 4. De som van het aantal door de Vlaamse Gemeenschap toegekende leraarsuren overeenkomstig § 1 wordt afgerond tot twee cijfers na de komma. Indien het derde cijfer na de komma 5 of meer is, wordt er afgerond naar het hogere honderdste. Indien het derde cijfer na de komma lager is dan 5, wordt er afgerond naar het lagere honderdste. |
| 82 | § 4bis. Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden jaarlijks 15.111 aanvullende leraarsuren aan de centra voor volwassenenonderwijs toegekend voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in het kader van de organisatie van aanvangsbegeleiding. | 82 | § 4bis. Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden jaarlijks 20.194 aanvullende leraarsuren aan de centra voor volwassenenonderwijs toegekend voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in het kader van de organisatie van aanvangsbegeleiding. |
| 83 | De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende leraarsuren, vermeld in het eerste lid. | 83 | De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende leraarsuren, vermeld in het eerste lid. |
| 84 | Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding als het aandeel aan leraarsuren waarop het centrum volgens de berekening van paragraaf 1 recht heeft. | 84 | Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding als het aandeel aan leraarsuren waarop het centrum volgens de berekening van paragraaf 1 recht heeft. |
| 85 | Als de aanvullende leraarsuren niet kunnen worden aangewend voor aanvangsbegeleiding, moeten de centra die leraarsuren aanwenden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in paragraaf 4ter. Bij een overdracht als vermeld in artikel 103, kunnen die uren ook alleen voor aanvangsbegeleiding of voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden aangewend. | ||
| 85 | Een centrumbestuur kan de aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding omzetten in aanvullende punten voor aanvangsbegeleiding volgens de onderstaande tabel: | 86 | Een centrumbestuur kan de aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding omzetten in aanvullende punten voor aanvangsbegeleiding volgens de onderstaande tabel: |
| 86 | leraarsuren | 87 | leraarsuren |
| 140 | - de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht; | 141 | - de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht; |
| 141 | - de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid. | 142 | - de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid. |
| 143 | § 4ter. Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan de centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks 26.436 leraarsuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel toegekend. | ||
| 144 | De Vlaamse Regering kan voor de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende leraarsuren, vermeld in het eerste lid. | ||
| 145 | De aanvullende leraarsuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel dienen aangewend te worden om de werkdruk van het onderwijzend personeel te verminderen met een effect op de lesopdracht. Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende leraarsuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel als het aandeel aan leraarsuren waarop het centrum conform paragraaf 1 recht heeft. | ||
| 146 | Er kan aan een onderwijzend personeelslid maximaal één leraarsuur toegekend worden. Van dat principe kan alleen worden afgeweken tot maximaal drie leraarsuren per onderwijzend personeelslid op grond van een gemotiveerd verzoek en na onderhandeling in het lokaal comité. Dit gemotiveerd verzoek kan zowel van de afvaardiging van het schoolbestuur als van de afvaardiging van het personeel komen. | ||
| 147 | In afwijking van het derde en vierde lid kan een centrumbestuur tijdens de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 bij een tekort aan onderwijzend personeel de aanvullende leraarsuren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel ook aanwenden in ambten van het ondersteunend personeel. De criteria voor de bepaling van het tekort aan onderwijzend personeel worden bepaald in het bevoegd lokaal comité en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel kan enkel worden toegepast na onderhandeling in het bevoegd lokaal comité. De betrekkingen die ingericht worden in ambten van het ondersteunend personeel komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. Voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel worden leraarsuren omgezet naar punten als vermeld in paragraaf 4bis. | ||
| 148 | Voor de toepassing van de personeelsregelgeving worden, voor het bestuurs- en onderwijzend personeel, uren voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel beschouwd als uren die geen lesuren zijn maar ermee gelijkgesteld worden. | ||
| 149 | § 4quater. Vanaf het schooljaar 2021-2022 worden aan de centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks 3806 aanvullende leraarsuren samen school maken toegekend. | ||
| 150 | De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende leraarsuren, vermeld in het eerste lid. | ||
| 151 | Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op 40 aanvullende leraarsuren samen school maken. De resterende aanvullende leraarsuren samen school maken worden verdeeld over de centra voor volwassenenonderwijs volgens het aandeel aan leraarsuren waarop het centrum conform paragraaf 1 recht heeft. | ||
| 152 | De aanvullende leraarsuren samen school maken worden aangewend om het sociaal overleg en onderhandeling te versterken. De aanvullende leraarsuren worden aangewend voor de vertegenwoordigers van het personeel die aangesteld zijn in het centrum, conform de toepasselijke vigerende Vlaamse of federale regelgeving. | ||
| 153 | Voor de aanwending van de leraarsuren samen school maken kunnen de centra voor volwassenenonderwijs samenwerken. De leraarsuren samen school maken worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het ondersteunend personeel. Voor de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel worden leraarsuren omgezet naar punten als vermeld in paragraaf 4bis. | ||
| 154 | Voor de toepassing van de personeelsregelgeving wordt, voor de wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, samen school maken beschouwd als uren die geen lesuren zijn maar ermee gelijkgesteld worden. | ||
| 155 | De Vlaamse Regering keurt het afsprakenkader tussen het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs en de representatieve vakorganisaties over de wijze van toekenning, de verdeling en de inzet van de aanvullende lestijden samen school maken die specifiek gericht zijn op het versterken van het lokale sociaal overleg goed. | ||
| 142 | § 5. .... | 156 | § 5. .... |
| 143 | § 6. Ter uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3bis, heeft het centrum voor volwassenenonderwijs dat werd aangeduid als examencommissie, recht op vierhonderd aanvullende leraarsuren per schooljaar voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. Het centrum voor volwassenenonderwijs krijgt jaarlijks een bijkomende subsidie ter beschikking gesteld door de Vlaamse Regering voor de ontwikkeling en het beheer van de taaltoetsen voor de examencommissie. | 157 | § 6. Ter uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3bis, heeft het centrum voor volwassenenonderwijs dat werd aangeduid als examencommissie, recht op vierhonderd aanvullende leraarsuren per schooljaar voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. Het centrum voor volwassenenonderwijs krijgt jaarlijks een bijkomende subsidie ter beschikking gesteld door de Vlaamse Regering voor de ontwikkeling en het beheer van de taaltoetsen voor de examencommissie. |
| 1 | § 1. Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het totale aantal aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel 604 lestijden. | ||
| 2 | Voor het schooljaar X-X+1, vanaf het schooljaar 2022-2023, worden de lestijden, vermeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A1=X/Y, waarbij: | ||
| 3 | 1° X: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op de eerste schooldag van februari X; | ||
| 4 | 2° Y: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op de eerste schooldag van februari 2021. | ||
| 5 | § 2. Het aantal aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel waarop de academie voor deeltijds kunstonderwijs recht heeft, wordt berekend met de formule A*B, waarbij: | ||
| 6 | 1° A: de beschikbare lestijden voor het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het deeltijds kunstonderwijs van het vorige schooljaar van alle academies samen; | ||
| 7 | 2° B: het totale aantal lestijden van de academie van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden van de academie de som van al de volgende elementen wordt verstaan: | ||
| 8 | a) de lestijden, vermeld in artikel 69 van dit decreet; | ||
| 9 | b) de overbruggingslestijden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2021 tot het nemen van dringende tijdelijke maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (VII); | ||
| 10 | c) de bijkomende overbruggingslestijden, vermeld in artikel 7 van het voormelde decreet van 30 april 2021. | ||
| 11 | De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een academie afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 12 | § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten waarin een academie met de aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in paragraaf 1, betrekkingen kan inrichten en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in paragraaf 1, naar die betrekkingen. | ||
| 13 | § 4. De aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden gebruikt om de werkdruk van het onderwijzend personeel te verminderen met een effect op de lesopdracht. Er kan aan een onderwijzend personeelslid maximaal één lestijd toegekend worden. Van dat principe kan alleen worden afgeweken tot maximaal drie lestijden per onderwijzend personeelslid op grond van een gemotiveerd verzoek en na onderhandeling in het lokaal comité. Dit gemotiveerd verzoek kan zowel van de afvaardiging van het schoolbestuur als van de afvaardiging van het personeel komen. Deze toegekende lestijden kunnen, in afwijking van artikel 75, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar. | ||
| 14 | § 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een schoolbestuur tijdens de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 bij een tekort aan onderwijzend personeel de aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel ook aanwenden in ambten van het ondersteunend personeel. De criteria voor de bepaling van het tekort aan onderwijzend personeel worden bepaald in het bevoegd lokaal comité en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel kan enkel worden toegepast na onderhandeling in het bevoegd lokaal comité. | ||
| 15 | De betrekkingen die ingericht worden in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. | ||
| 16 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop omrekening gebeurt van de aanvullende lestijden naar administratieve omkaderingseenheden voor ambten van het ondersteund personeel. |
| 1 | § 1. Vanaf het schooljaar 2021-2022 hebben academies recht op aanvullende lestijden samen school maken. | ||
| 2 | § 2. Het aantal aanvullende lestijden samen school maken waarop de academie recht heeft, wordt berekend met de formule 0,002051981*B. | ||
| 3 | In het eerste lid wordt verstaan onder B: het totale aantal lestijden van de academie van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden van de academie de som van al de volgende elementen wordt verstaan: | ||
| 4 | a) de lestijden, vermeld in artikel 69 van dit decreet; | ||
| 5 | b) de overbruggingslestijden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2021 tot het nemen van dringende tijdelijke maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (VII); | ||
| 6 | c) de bijkomende overbruggingslestijden, vermeld in artikel 7 van het voormelde decreet van 30 april 2021. | ||
| 7 | De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een academie afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 8 | § 3. In afwijking van paragraaf 2 hebben academies die conform paragraaf 2 recht hebben op meer dan drie aanvullende lestijden samen school maken, recht op drie aanvullende lestijden. | ||
| 9 | In afwijking van paragraaf 2 hebben academies die conform paragraaf 2 recht hebben op minder dan één aanvullende lestijd samen school maken, recht op één aanvullende lestijd. | ||
| 10 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten waarin een academie met de aanvullende lestijden samen school maken, vermeld in paragraaf 1, betrekkingen kan inrichten en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de aanvullende lestijden samen school maken, vermeld in paragraaf 1, naar die betrekkingen. De Vlaamse Regering bepaalt ook de wijze waarop de lestijden via omzettingstabellen omgezet kunnen worden in punten of uren. | ||
| 11 | § 5. De Vlaamse Regering keurt het afsprakenkader tussen het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en de representatieve vakorganisaties over de wijze van toekenning, de verdeling en de inzet van de aanvullende lestijden samen school maken die specifiek gericht zijn op het versterken van het lokale sociaal overleg goed. | ||
| 12 | Voor de aanwending van de lestijden samen school maken kunnen de academies samenwerken. Voor die samenwerking kunnen die lestijden, via een overdracht als vermeld in artikel 75, samengelegd worden. De scholen die samenwerken, maken in dat geval afspraken over de inzet en aanwending van de lestijden. Deze toegekende lestijden kunnen, in afwijking van artikel 75, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar. |
| 1 | § 1. Een academie heeft vanaf het schooljaar 2019-2020 recht op aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding die als volgt berekend worden: A x B, waarbij: | 1 | § 1. Een academie heeft recht op aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding die berekend worden met de formule A*B, waarbij: |
| 2 | 1° A: het totale aantal lestijden van de academie, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar; | 2 | 1° A: het totale aantal lestijden van de academie, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar; |
| 3 | 2° B: X/Y, waarbij: | 3 | 2° B: X/Y, waarbij: |
| 4 | a) X: het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs; | 4 | a) X: het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs; |
| 5 | b) Y: het totale aantal lestijden voor het deeltijds kunstonderwijsberekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar. | 5 | b) Y: het totale aantal lestijden voor het deeltijds kunstonderwijs, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar. |
| 6 | Het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in het eerste lid, bedraagt, voor het schooljaar 2019-2020 326 lestijden. | 6 | Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in het eerste lid, 454 lestijden. |
| 7 | Voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2020-2021, worden de 326 lestijden, vermeld in het vorige lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A=X/Y, waarbij: | 7 | Voor het schooljaar X-X+1, vanaf het schooljaar 2022-2023, worden de lestijden, vermeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoefficiënt A=X/Y, waarbij: |
| 8 | 1° X: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari X; | 8 | 1° X: het totale aantal financierbare leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari X; |
| 9 | 2° Y: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari 2019. | 9 | 2° Y: het totale aantal financierbare leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari 2021. |
| 10 | Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar de lagere eenheid. | 10 | Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar de lagere eenheid. |
| 11 | § 2. Met de aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding organiseert de academie betrekkingen in het ambt van leraar of begeleider conform de berekening, vermeld in artikel 39 van het besluit van 4 mei 2018 van de Vlaamse Regering betreffende het opleidingsaanbod, de organisatie, de personeelsformatie, de inning van het inschrijvingsgeld en de certificering van het deeltijds kunstonderwijs. De opdracht van de leraar wordt gelijkgesteld met een van de vakken, vermeld in artikel 4, 6, 8 en 10, van hetzelfde besluit. | ||
| 12 | § 3. De aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding kunnen worden samengelegd. | ||
| 13 | Academies die kiezen om de aanvullende lestijden samen te leggen, richten daartoe een samenwerkingsverband `aanvangsbegeleiding' op dat bestaat uit twee of meer academies. Het samenwerkingsverband maakt afspraken over de aanwending van de aanvullende lestijden. | ||
| 14 | De Vlaamse Regering kan met betrekking tot het samenwerkingsverband, vermeld in het tweede lid, volgende maatregelen vastleggen: | ||
| 15 | 1° de duur van de samenwerking; | ||
| 16 | 2° de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht; | ||
| 17 | 3° de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid. | ||
| 18 | Binnen het samenwerkingsverband wordt afgesproken aan welke academie het betrokken personeelslid administratief wordt aangesteld, in overleg met het betrokken personeelslid. Die personeelsleden kunnen dan niet alleen werken in de academie die hen administratief aanstelt, maar in alle academies van het samenwerkingsverband. | ||
| 19 | § 4. Een academie of een samenwerkingsverband, vermeld in paragraaf 3, kan een of meer lestijden voor aanvangsbegeleiding omzetten naar administratieve omkaderingseenheden. Daarbij wordt het aantal lestijden als volgt in rekening gebracht: | ||
| 20 | lestijden | ||
| 21 | administratieve omkaderingseenheden | ||
| 22 | 1 | ||
| 23 | 2 | ||
| 24 | 2 | ||
| 25 | 4 | ||
| 26 | 3 | ||
| 27 | 7 | ||
| 11 | § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de lestijden die conform paragraaf 1 worden berekend, gebruikt kunnen worden en bepaalt de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van die lestijden betrekkingen kunnen worden opgericht. De Vlaamse Regering bepaalt ook hoe de lestijden via omzettingstabellen omgezet kunnen worden in punten of uren. | ||
| 12 | § 3. Als academies de aanvullende lestijden, vermeld in paragraaf 1, niet kunnen gebruiken voor aanvangsbegeleiding, moeten ze die lestijden gebruiken voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel conform artikel 75/1, § 4. Deze toegekende lestijden kunnen in afwijking van artikel 75, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar.. | ||
| 28 | 4 | 13 | § 4. ... |
| 29 | 9 | ||
| 30 | 5 | ||
| 31 | 11 | ||
| 32 | 6 | ||
| 33 | 13 | ||
| 34 | 7 | ||
| 35 | 15 | ||
| 36 | 8 | ||
| 37 | 17 | ||
| 38 | 9 | ||
| 39 | 20 | ||
| 40 | 10 | ||
| 41 | 22 | ||
| 42 | Met de administratieve omkaderingseenheden organiseert de academie betrekkingen in het ambt van administratief medewerker conform de berekening, vermeld in artikel 46 van het besluit van 4 mei 2018 van de Vlaamse Regering betreffende het opleidingsaanbod, de organisatie, de personeelsformatie, de inning van het inschrijvingsgeld en de certificering van het deeltijds kunstonderwijs. |
| 1 | § 1. Aan instellingen voor residentiële en semiresidentiële opvang van leerlingen, hierna instellingen te noemen, worden uren toegekend voor aanvangsbegeleiding. | ||
| 2 | § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als instellingen beschouwd: | ||
| 3 | 1° internaten als vermeld in de artikelen III.21 en III.35 voor wat betreft hun openstelling op schooldagen; | ||
| 4 | 2° tehuizen als vermeld in de artikelen III.1, § 1, eerste lid, III.20, III.35, § 1, 2° en III.37, voor wat betreft hun openstelling op niet-schooldagen; | ||
| 5 | 3° internaten buitengewoon onderwijs, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2; | ||
| 6 | 4° internaten met permanente openstelling als vermeld in hoofdstuk 6; | ||
| 7 | 5° semi-internaten als vermeld in het koninklijk besluit van 21 augustus 1978 houdende organisatie van de semi-internaten in het buitengewoon onderwijs van de Staat en tot vaststelling van de personeelsnormen. |
| 1 | § 1. Aan instellingen voor residentiële en semiresidentiële opvang van leerlingen, hierna instellingen te noemen, worden uren toegekend voor aanvangsbegeleiding. | 1 | § 1. Aan instellingen voor residentiële en semiresidentiële opvang van leerlingen, hierna instellingen te noemen, worden uren toegekend voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering. |
| 2 | § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als instellingen beschouwd: | 2 | § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als instellingen beschouwd: |
| 3 | 1° internaten als vermeld in de artikelen III.21 en III.35 voor wat betreft hun openstelling op schooldagen; | 3 | 1° internaten als vermeld in de artikelen III.21 en III.35 voor wat betreft hun openstelling op schooldagen; |
| 1 | § 1. Het totale aantal uren voor aanvangsbegeleidingbedraagt voor internaten en tehuizen 104 uren. | 1 | § 1. Het totale aantal uren voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering bedraagt voor internaten en tehuizen 355 uren. |
| 2 | § 2. Het aantal uren voor aanvangsbegeleidingwaarop een instelling recht heeft, is 104 X B/C, waarbij: | 2 | § 2. Het aantal uren voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering waarop een instelling recht heeft, is 355 X B/C, waarbij: |
| 3 | 1° B: het totale aantal toegekende uren van de instelling van het vorige schooljaar; | 3 | 1° B: het totale aantal toegekende uren van de instelling van het vorige schooljaar; |
| 4 | 2° C: het totale aantal toegekende uren van alle instellingen van het vorige schooljaar van alle instellingen samen. | 4 | 2° C: het totale aantal toegekende uren van alle instellingen van het vorige schooljaar van alle instellingen samen. |
| 9 | 3° wordt voor de toegekende omkadering van internaten buitengewoon onderwijs rekening gehouden met de toepassing van artikel III.29. | 9 | 3° wordt voor de toegekende omkadering van internaten buitengewoon onderwijs rekening gehouden met de toepassing van artikel III.29. |
| 10 | § 4. De uren, vermeld in het eerste lid, kunnen worden samengelegd. | 10 | § 4. De uren, vermeld in het eerste lid, kunnen worden samengelegd. |
| 11 | De instellingen die kiezen om de uren samen te leggen, richten daartoe een of meerdere samenwerkingsverbanden `aanvangsbegeleiding' op, waar afspraken worden gemaakt over de aanwending van deze uren. | 11 | De instellingen die kiezen om de uren samen te leggen, richten daartoe een of meerdere samenwerkingsverbanden `aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering' op, waar afspraken worden gemaakt over de aanwending van deze uren. |
| 12 | Een samenwerkingsverband `aanvangsbegeleiding' kan bestaan uit: | 12 | Een samenwerkingsverband `aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering' kan bestaan uit: |
| 13 | 1° een of meerdere internaten als vermeld in artikel III.46, § 2, 1° ; en/of | 13 | 1° een of meerdere internaten als vermeld in artikel III.46, § 2, 1° ; en/of |
| 14 | 2° een of meerdere tehuizen als vermeld in artikel III.46, § 2, 2° ; en/of | 14 | 2° een of meerdere tehuizen als vermeld in artikel III.46, § 2, 2° ; en/of |
| 1 | § 1. Aan instellingen voor residentiële opvang van leerlingen, hierna instellingen te noemen, worden uren Samen Internaat Maken toegekend. | ||
| 2 | § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als instellingen beschouwd: | ||
| 3 | 1° internaten als vermeld in artikel III.21 en III.35; | ||
| 4 | 2° tehuizen als vermeld in artikel III.1, § 1, eerste lid, III.35, § 1, 2°, en III.37; | ||
| 5 | 3° internaten buitengewoon onderwijs als vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2. |
| 1 | § 1. Aan elke instelling wordt één uur Samen Internaat Maken toegekend. | ||
| 2 | § 2. De uren, vermeld in paragraaf 1, kunnen worden samengelegd. | ||
| 3 | De instellingen die kiezen om de uren samen te leggen, richten daartoe een of meerdere samenwerkingsverbanden `Samen Internaat Maken' op, waar afspraken worden gemaakt over de aanwending van deze uren. | ||
| 4 | Een samenwerkingsverband 'Samen Internaat Maken' kan bestaan uit: | ||
| 5 | 1° een of meerdere internaten als vermeld in artikel III.49, § 2, 1° ; en/of | ||
| 6 | 2° een of meerdere tehuizen als vermeld in artikel III.49, § 2, 2° ; en/of | ||
| 7 | 3° een of meerdere internaten buitengewoon onderwijs als vermeld in artikel III.49, § 2, 3°. | ||
| 8 | De Vlaamse Regering kan met betrekking tot het samenwerkingsverband, vermeld in het tweede lid, volgende maatregelen vastleggen: | ||
| 9 | 1° de duur van de samenwerking; | ||
| 10 | 2° de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht; | ||
| 11 | 3° de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid. |
| 1 | Met de uren, vermeld in artikel III.50, § 1, kunnen in elke instelling betrekkingen in wervingsambten worden ingericht overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de toegekende omkadering. | ||
| 2 | De Vlaamse Regering keurt het afsprakenkader goed tussen het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs en de representatieve vakorganisaties over de wijze van toekenning, de verdeling en de inzet van de uren, vermeld in artikel III.50, § 1. |
| 1 | Dit hoofdstuk is van toepassing op MVDP+, meer bepaald: | ||
| 2 | 1° het meesters-, vak- en dienstpersoneel, het onderhoudspersoneel en de contractuele bedienden die worden betaald met de werkingsmiddelen of de eigen middelen van de schoolbesturen; | ||
| 3 | 2° de busbegeleiders in het zonale leerlingenvervoer, vermeld in de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor leerlingenvervoer; | ||
| 4 | 3° de busbegeleiders die niet behoren tot het zonaal leerlingenvervoer. |
| 1 | § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: | ||
| 2 | 1° OVSG: Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten; | ||
| 3 | 2° POV: Provinciaal Onderwijs Vlaanderen; | ||
| 4 | 3° TWF-VOV: Tewerkstellingsfonds voor het Vrij Onderwijs Vlaanderen. | ||
| 5 | § 2. Dit hoofdstuk heeft tot doel de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden te verbeteren van de personeelsleden, vermeld in artikel IV.54. | ||
| 6 | De volgende middelen worden voorzien: | ||
| 7 | 1° subsidies voor het gesubsidieerd onderwijs aan TWF-VOV, OVSG en POV; | ||
| 8 | 2° dotaties voor het gemeenschapsonderwijs. | ||
| 9 | § 3. Het budget tot verbetering van de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden van de personeelsleden, vermeld in artikel IV.54, wordt vastgesteld in de jaarlijkse begroting. | ||
| 10 | Het budget wordt als volgt vastgelegd: | ||
| 11 | 1° in het begrotingsjaar 2021 wordt 500.000 euro toegekend aan het TWF-VOV om een loonsverhoging mogelijk te maken; | ||
| 12 | 2° vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt 1.700.000 euro toegekend aan het TWFVOV om een loonsverhoging mogelijk te maken; | ||
| 13 | 3° in het begrotingsjaar 2021 wordt 283.000 euro toegekend aan het Gemeenschapsonderwijs om een loonsverhoging mogelijk te maken; | ||
| 14 | 4° vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt 850.000 euro toegekend aan het Gemeenschapsonderwijs om een loonsverhoging mogelijk te maken; | ||
| 15 | 5° vanaf het begrotingsjaar 2021 wordt 700.000 euro toegekend aan het TWFVOV om een verhoging van de eindejaarstoelage mogelijk te maken; | ||
| 16 | 6° vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt 375.000 euro toegekend aan het gemeenschapsonderwijs om een verhoging van de eindejaarstoelage mogelijk te maken; | ||
| 17 | 7° in het begrotingsjaar 2021 wordt 98.000 euro voorzien voor het ter beschikking stellen van de PlusPas aan TWF-VOV, OVSG, POV en het Gemeenschapsonderwijs tezamen; | ||
| 18 | 8° vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt 95.000 euro voorzien voor het ter beschikking stellen van de PlusPas aan TWF-VOV, OVSG, POV en het Gemeenschapsonderwijs tezamen; | ||
| 19 | 9° vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt 420.000 euro toegekend aan het TWF- VOV voor het moderniseren van de functieclassificatie in het gesubsidieerd onderwijs; | ||
| 20 | 10° in het begrotingsjaar 2021 wordt 142.000 euro toegekend aan het Gemeenschapsonderwijs voor vorming en het verbeteren van de loon- en arbeidsvoorwaarden van de personeelsleden voor- en naschoolse opvang in het Gemeenschapsonderwijs; | ||
| 21 | 11° vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt 655.000 euro toegekend aan het Gemeenschapsonderwijs voor vorming en het verbeteren van de loon- en arbeidsvoorwaarden van de personeelsleden voor- en naschoolse opvang in het Gemeenschapsonderwijs. | ||
| 22 | Vanaf begrotingsjaar 2022 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 5 | 4° de contractuelen betaald ten laste van het departement Onderwijs, met uitzondering van deze van de centra voor basiseducatie; | 5 | 4° de contractuelen betaald ten laste van het departement Onderwijs, met uitzondering van deze van de centra voor basiseducatie; |
| 6 | 5° de contractuelen, betaald met het werkingsbudget van de scholen, centra, internaten of tehuizen; | 6 | 5° de contractuelen, betaald met het werkingsbudget van de scholen, centra, internaten of tehuizen; |
| 7 | 6° de personeelsleden van de Brusselse kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. | 7 | 6° de personeelsleden van de Brusselse kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad; |
| 8 | §2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de personeelsleden van de centra voor basiseducatie. | ||
| 8 | 7° de personeelsleden, vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie in de basiseducatie. | ||
| 9 | §2. ... | ||
| 9 | §3. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van artikel V.62, voor wat betreft de vervoerskosten en fietsvergoedingen gemaakt vanaf het kalenderjaar 2015. | 10 | §3. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van artikel V.62, voor wat betreft de vervoerskosten en fietsvergoedingen gemaakt vanaf het kalenderjaar 2015. |
| 1 | De personeelsleden, bedoeld in artikel V.60, hebben onder de modaliteiten bepaald door de Vlaamse Regering recht op de volledige terugbetaling van de kosten openbaar vervoer naar en van het werk en op een maandelijkse fietsvergoeding, ten laste van de werkgever. | 1 | De personeelsleden, vermeld in artikel V.60, § 1, 1° tot en met 6°, hebben onder de modaliteiten bepaald door de Vlaamse Regering recht op de volledige terugbetaling van de kosten openbaar vervoer naar en van het werk, ten laste van de werkgever. |
| 2 | Conform de modaliteiten die de Vlaamse Regering bepaalt, hebben de personeelsleden, vermeld in artikel V.60, recht op een maandelijkse fietsvergoeding, ten laste van de werkgever. |
| 1 | §1. De toelagen, bedoel in artikel VI.1, worden toegekend binnen het daartoe voorziene globale begrotingskrediet. De Vlaamse Regering bepaalt de toewijzing van dit krediet aan de verschillende onderwijsniveaus en -vormen en - in voorkomend geval - de verschillende onderverdelingen daarvan, rekening houdend met de verschillende noden inzake de aankoop of huur van hardware, software, randapparatuur, de kosten van een internetaansluiting en specifieke nascholing inzake het gebruik van ICT. | 1 | §1. De toelagen, bedoel in artikel VI.1, worden toegekend binnen het daartoe voorziene globale begrotingskrediet. De Vlaamse Regering bepaalt de toewijzing van dit krediet aan de verschillende onderwijsniveaus en -vormen en - in voorkomend geval - de verschillende onderverdelingen daarvan, rekening houdend met de verschillende noden inzake de aankoop of huur van hardware, software, randapparatuur, de kosten van een internetaansluiting en specifieke nascholing inzake het gebruik van ICT. |
| 2 | §2. Om de toelagen, vermeld in artikel VI.1, vast te stellen, wordt een bedrag, dat de Vlaamse Regering bepaalt, vermenigvuldigd met één, of een combinatie van de volgende parameters: | ||
| 2 | §2. De toelagen worden vastgesteld door het aantal regelmatige/financierbare leerlingen, lesurencursist of betoelaagde urencursist te vermenigvuldigen met een door de Vlaamse Regering bepaald bedrag. | 3 | 1° het aantal regelmatige/financierbare leerlingen, lesurencursist of betoelaagde urencursist; |
| 4 | 2° de toegekende omkaderingsmiddelen; | ||
| 5 | 3° het aantal personeelsleden van de school dat aangesteld is in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel.. | ||
| 3 | Aan de ziekenhuisscholen wordt een forfaitair bedrag toegekend. | 6 | Aan de ziekenhuisscholen wordt een forfaitair bedrag toegekend. |
| 4 | Aan de centra voor basiseducatie wordt een forfaitair bedrag toegekend waarvan de hoegrootheid wordt bepaald door het aantal lesurencursist. | 7 | Aan de centra voor basiseducatie wordt een forfaitair bedrag toegekend waarvan de hoegrootheid wordt bepaald door het aantal lesurencursist. |
| 10 | § 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 3 benoemt het centrumbestuur altijd het personeelslid met de meeste dienstanciënniteit in het centrum. Het maakt daarvoor jaarlijks uiterlijk op 31 augustus van het schooljaar voorafgaand aan de datum van de vaste benoeming een lijst op die aangeeft welke plaats een personeelslid inneemt. | 10 | § 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 3 benoemt het centrumbestuur altijd het personeelslid met de meeste dienstanciënniteit in het centrum. Het maakt daarvoor jaarlijks uiterlijk op 31 augustus van het schooljaar voorafgaand aan de datum van de vaste benoeming een lijst op die aangeeft welke plaats een personeelslid inneemt. |
| 11 | In het lokaal onderhandelingscomité worden er afspraken gemaakt over de vaste benoeming als verschillende personeelsleden over evenveel dienstanciënniteit beschikken. | 11 | In het lokaal onderhandelingscomité worden er afspraken gemaakt over de vaste benoeming als verschillende personeelsleden over evenveel dienstanciënniteit beschikken. |
| 12 | § 4/1. In afwijking van paragraaf 3 en 4, kunnen op 1 januari 2022 personeelsleden eenmalig vastbenoemd worden boven op het maximumpercentage, vermeld in paragraaf 3, als ze voldoen aan al de volgende voorwaarden: | ||
| 13 | 1° ze hebben de leeftijd van vijfenvijftig jaar bereikt op 1 januari 2022; | ||
| 14 | 2° ze zijn in dienst op 1 september 2021; | ||
| 15 | 3° ze hebben minimaal twintig jaar dienstanciënniteit binnen de basiseducatie. | ||
| 12 | § 5. Een personeelslid wordt benoemd voor het volume van zijn aanstelling van onbepaalde duur of voor het volume van zijn tijdelijke andere opdracht, conform artikel 65, waarvoor het aan de vooravond van de benoeming aangesteld is. Van het voormelde volume kan alleen afgeweken worden als er onvoldoende organieke betrekkingen zijn in het centrum of het benoemingspercentage zou worden overschreden. | 16 | § 5. Een personeelslid wordt benoemd voor het volume van zijn aanstelling van onbepaalde duur of voor het volume van zijn tijdelijke andere opdracht, conform artikel 65, waarvoor het aan de vooravond van de benoeming aangesteld is. Van het voormelde volume kan alleen afgeweken worden als er onvoldoende organieke betrekkingen zijn in het centrum of het benoemingspercentage zou worden overschreden. |
| 13 | § 6. Met het oog op een vaste benoeming op 1 januari van het schooljaar wordt elke vacante betrekking, uiterlijk op 15 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan de datum van de vaste benoeming, door het centrumbestuur meegedeeld aan alle personeelsleden van het centrum. | 17 | § 6. Met het oog op een vaste benoeming op 1 januari van het schooljaar wordt elke vacante betrekking, uiterlijk op 15 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan de datum van de vaste benoeming, door het centrumbestuur meegedeeld aan alle personeelsleden van het centrum. |