§ flandrepo

Decreet houdende wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade en het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, wat de overgangsbepalingen betreft

cd&vN-VAOpen Vld cd&v, N-VA, Open Vld #103 Staatsblad 1 oktober 2019 NUMAC 2019042037
2 artikels gewijzigd
+6 −0 decreet-2019-02-15/art. 87
1§ 1. Een voorlopige maatregel of maatregel die werd uitgesproken door de jeugdrechter of jeugdrechtbank met toepassing van de wet van 8 april 1965, en die in uitvoering is op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, kan verder worden uitgevoerd.
2Een bij de jeugdrechter of jeugdrechtbank aanhangig gemaakte zaak met toepassing van de wet van 8 april 1965, waarover op de datum van inwerkingtreding van dit decreet een beslissing werd genomen maar die nog niet in uitvoering is, wordt uitgevoerd overeenkomstig de genomen beslissing.
3De regels, vermeld in de wet van 8 april 1965, die op de uitvoering van de in het eerste en tweede lid vermelde voorlopige maatregelen, maatregelen en beslissingen betrekking hebben, zijn van toepassing, met inbegrip van de herzieningsmogelijkheid, vermeld in artikel 60 van voormelde wet.
4§ 2. Een bij de jeugdrechter of jeugdrechtbank aanhangig gemaakte zaak met toepassing van de wet van 1 maart 2002, waarover op de datum van inwerkingtreding van dit decreet een beslissing werd genomen maar die nog niet in uitvoering is, wordt uitgevoerd overeenkomstig de genomen beslissing.
5§ 3. Voor een beslissing tot uithandengeving als vermeld in artikel 38, § 2, tweede lid, van dit decreet, wordt een plaatsing in een openbare gemeenschapsinstelling als vermeld in artikel 37, § 2, 8°, van de wet van 8 april 1965, gelijkgesteld met de sancties, vermeld in artikel 35, 36 en 37 van dit decreet.
6§ 4. Een plaatsing of een voorlopige plaatsing in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling, bedoeld respectievelijk in artikel 37, § 2quater, tweede lid, en artikel 52 van de wet van 8 april 1965, kan als vervangende reactie worden opgelegd als vermeld in artikel 25, § 8, derde, vierde en vijfde lid, artikel 32, derde lid, artikel 33, derde lid, en artikel 34, § 1, derde lid, van dit decreet.
+4 −0 decreet-2019-02-15/art. 89
1Onverminderd het tweede en derde lid, treedt dit decreet in werking op 1 september 2019.
2Voor de artikelen 25, § 8, derde, vierde en vijfde lid, 32, derde lid, 33, tweede lid en 34, § 1, derde lid, voor zover de vervangende reactie het toevertrouwen van de minderjarige delictpleger aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor minderjarigen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet betreft, 26, 27, 35, 36, 37, met uitzondering van 37, § 8, 38, 39, 84, 85 en 86, bepaalt de Vlaamse Regering de datum van inwerkingtreding nadat zij uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat de nodige randvoorwaarden zijn gerealiseerd die toelaten dat deze artikelen kunnen uitgevoerd worden. Deze artikelen treden uiterlijk in werking op 1 september 2022.
3Artikel 37, § 8, treedt in werking drie maanden na publicatie in het Belgisch Staatsblad van de laatste van de instemmingsdaden van het samenwerkingsakkoord tussen de Vlaamse Gemeenschap en de Federale Staat.
4Als de Vlaamse Regering, met het oog op de realisatie van deze randvoorwaarden investeringssteun geeft overeenkomstig de toepasselijke regelgeving, kan zij ook diegene die de investeringssteun bekomt, toezeggen dat de nodige erkenningen en werkingsmiddelen zullen toegekend worden op het ogenblik dat de infrastructuur waarvoor de investeringssteun wordt verleend, in gebruik wordt genomen.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd