§ flandrepo

Decreet betreffende het Onderwijs XXIX

Staatsblad 24 juni 2019 NUMAC 2019041224
67 artikels gewijzigd
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.79
107° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;107° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;
118° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.118° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.
12§ 3. De Universiteit Hasselt kan in het administratief arrondissement Hasselt de educatieve masteropleiding Wetenschappen en Technologie aanbieden en de desbetreffende graad van master uitreiken in het studiegebied Wetenschappen. Zij sluit hiertoe een samenwerkingsovereenkomst af met een andere Vlaamse universiteit die bevoegd is om deze masteropleiding te organiseren.
+13 −2 codex-hoger-onderwijs/art. II.170
1§ 1. Er wordt een Hogeronderwijsregister gepubliceerd met het hoger onderwijs dat conform deze codificatie per academiejaar aangeboden wordt.
2Het Hogeronderwijsregister omvat :
31° de instellingen die conform deze codificatie als hogeronderwijsinstelling erkend zijn;
42° de opleidingen die worden aangeboden conform deze codificatie en leiden tot de graden van gegradueerde, bachelor en master;
53° de opleidingen die leiden tot de titel van "laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten".
6§ 1/1. Het Hogeronderwijsregister bevat voor de universiteiten en hogescholen de volgende gegevens :
71° de naam van de instelling;
82° in voorkomend geval de associatie waarvan de instelling lid is;
93° de ingangsdatum van het besluit dat de instellingsreview afrondt;
104° de einddatum van het besluit dat de instellingsreview afrondt;
115° het besluit van de accreditatieorganisatie dat de instellingsreview afrondt en het onderliggende beoordelingsrapport.
1§ 1. Er wordt een register gepubliceerd van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en van de bachelor- en masteropleidingen die conform deze codex worden aangeboden, hierna Hogeronderwijsregister te noemen.12§ 1/2. Er wordt een register gepubliceerd van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en van de bachelor- en masteropleidingen die conform deze codex worden aangeboden, hierna Hogeronderwijsregister te noemen.
2Het Hogeronderwijsregister bevat van elke opleiding de volgende gegevens:13Het Hogeronderwijsregister bevat van elke opleiding de volgende gegevens:
31° de gegevens, vermeld in paragraaf 2;141° de gegevens, vermeld in paragraaf 2;
15De opmaak en de actualisering van het Hogeronderwijsregister wordt gedaan door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid.26De opmaak en de actualisering van het Hogeronderwijsregister wordt gedaan door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid.
16§ 2. De Vlaamse Regering legt een lijst vast van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en van de bachelor- en masteropleidingen die conform deze codex per instelling aangeboden kunnen worden.27§ 2. De Vlaamse Regering legt een lijst vast van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en van de bachelor- en masteropleidingen die conform deze codex per instelling aangeboden kunnen worden.
17Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de bachelor- en de masteropleidingen die door de hogescholen en universiteiten worden aangeboden in overeenstemming met de onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel II.78 tot en met II.100, bevat die lijst per instelling en per studiegebied, deel van een studiegebied of cluster van studiegebieden, de volgende gegevens:28Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de bachelor- en de masteropleidingen die door de hogescholen en universiteiten worden aangeboden in overeenstemming met de onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel II.78 tot en met II.100, artikel II.100/1, II.100/2 en artikel II.113, § 4, vierde lid, bevat die lijst per instelling en per studiegebied, deel van een studiegebied of cluster van studiegebieden, de volgende gegevens:
181° de graad van de opleiding;291° de graad van de opleiding;
192° de kwalificatie van de graad van de opleiding;302° de kwalificatie van de graad van de opleiding;
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.187
7De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score.7De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score.
8De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met de quota, vermeld in paragraaf 4.8De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met de quota, vermeld in paragraaf 4.
9Dubbel gerangschikte kandidaten die voor beide toelatingsexamens in aanmerking komen voor een gunstige rangschikking, worden uitsluitend gunstig gerangschikt voor de opleiding van hun keuze, vermeld in paragraaf 8.
9De lijst met de gunstig gerangschikte kandidaten wordt definitief bekendgemaakt uiterlijk vóór 1 augustus van het lopende jaar.10De lijst met de gunstig gerangschikte kandidaten wordt definitief bekendgemaakt uiterlijk vóór 1 augustus van het lopende jaar.
10§ 4. De startquota voor de gunstig gerangschikte kandidaten worden afzonderlijk bepaald voor de opleiding arts en tandarts op basis van beroeps- en opleidingsgerelateerde parameters.11§ 4. De startquota voor de gunstig gerangschikte kandidaten worden afzonderlijk bepaald voor de opleiding arts en tandarts op basis van beroeps- en opleidingsgerelateerde parameters.
39De leden van de examencommissie worden op zodanige wijze aangeduid uit de leden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten dat de nodige expertise aanwezig is op het vlak van de medische praktijk, de inhoud van de vakken, de onderwijskunde en de psychologie.40De leden van de examencommissie worden op zodanige wijze aangeduid uit de leden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten dat de nodige expertise aanwezig is op het vlak van de medische praktijk, de inhoud van de vakken, de onderwijskunde en de psychologie.
40§ 8. De examens worden op zodanige wijze georganiseerd dat studenten per academiejaar aan de beide toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1 en 2, kunnen deelnemen.41§ 8. De examens worden op zodanige wijze georganiseerd dat studenten per academiejaar aan de beide toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1 en 2, kunnen deelnemen.
42Kandidaten voor beide toelatingsexamens melden bij hun inschrijving uitdrukkelijk voor welke opleiding ze een voorkeur hebben.
43De keuze, vermeld in het tweede lid, is bindend. Door die keuze worden kandidaten als ze voor een dubbele gunstige rangschikking in aanmerking komen, alleen opgenomen als gunstig gerangschikte kandidaat op de lijst, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, voor de opleiding van hun keuze.
41§ 9. Het slagen voor het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt alleen aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde als de student uiterlijk op 30 september van dat burgerlijk jaar in het bezit is van het diploma secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig of gelijkgesteld studiebewijs.44§ 9. Het slagen voor het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt alleen aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde als de student uiterlijk op 30 september van dat burgerlijk jaar in het bezit is van het diploma secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig of gelijkgesteld studiebewijs.
42§ 10. De bijkomende toelatingsvoorwaarde gunstig gerangschikt zijn voor het toelatingsexamen arts of het toelatingsexamen tandarts, vermeld in paragraaf 1 en 2, geldt ook voor de inschrijving in een bachelor- of masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tand-heelkunde als de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen, of vermindering van de studieomvang, op grond van een diploma dat behaald is na een opleiding waarvoor de voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde niet van toepassing is. De voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde geldt ook in geval van een rechtstreekse diplomering als vermeld in artikel II.245.45§ 10. De bijkomende toelatingsvoorwaarde gunstig gerangschikt zijn voor het toelatingsexamen arts of het toelatingsexamen tandarts, vermeld in paragraaf 1 en 2, geldt ook voor de inschrijving in een bachelor- of masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tand-heelkunde als de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen, of vermindering van de studieomvang, op grond van een diploma dat behaald is na een opleiding waarvoor de voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde niet van toepassing is. De voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde geldt ook in geval van een rechtstreekse diplomering als vermeld in artikel II.245.
+3 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.187
7De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score.7De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score.
8De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met de quota, vermeld in paragraaf 4.8De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met de quota, vermeld in paragraaf 4.
9Dubbel gerangschikte kandidaten die voor beide toelatingsexamens in aanmerking komen voor een gunstige rangschikking, worden uitsluitend gunstig gerangschikt voor de opleiding van hun keuze, vermeld in paragraaf 8.
9De lijst met de gunstig gerangschikte kandidaten wordt definitief bekendgemaakt uiterlijk vóór 1 augustus van het lopende jaar.10De lijst met de gunstig gerangschikte kandidaten wordt definitief bekendgemaakt uiterlijk vóór 1 augustus van het lopende jaar.
10§ 4. De startquota voor de gunstig gerangschikte kandidaten worden afzonderlijk bepaald voor de opleiding arts en tandarts op basis van beroeps- en opleidingsgerelateerde parameters.11§ 4. De startquota voor de gunstig gerangschikte kandidaten worden afzonderlijk bepaald voor de opleiding arts en tandarts op basis van beroeps- en opleidingsgerelateerde parameters.
39De leden van de examencommissie worden op zodanige wijze aangeduid uit de leden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten dat de nodige expertise aanwezig is op het vlak van de medische praktijk, de inhoud van de vakken, de onderwijskunde en de psychologie.40De leden van de examencommissie worden op zodanige wijze aangeduid uit de leden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten dat de nodige expertise aanwezig is op het vlak van de medische praktijk, de inhoud van de vakken, de onderwijskunde en de psychologie.
40§ 8. De examens worden op zodanige wijze georganiseerd dat studenten per academiejaar aan de beide toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1 en 2, kunnen deelnemen.41§ 8. De examens worden op zodanige wijze georganiseerd dat studenten per academiejaar aan de beide toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1 en 2, kunnen deelnemen.
42Kandidaten voor beide toelatingsexamens melden bij hun inschrijving uitdrukkelijk voor welke opleiding ze een voorkeur hebben.
43De keuze, vermeld in het tweede lid, is bindend. Door die keuze worden kandidaten als ze voor een dubbele gunstige rangschikking in aanmerking komen, alleen opgenomen als gunstig gerangschikte kandidaat op de lijst, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, voor de opleiding van hun keuze.
41§ 9. Het slagen voor het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt alleen aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde als de student uiterlijk op 30 september van dat burgerlijk jaar in het bezit is van het diploma secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig of gelijkgesteld studiebewijs.44§ 9. Het slagen voor het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt alleen aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde als de student uiterlijk op 30 september van dat burgerlijk jaar in het bezit is van het diploma secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig of gelijkgesteld studiebewijs.
42§ 10. De bijkomende toelatingsvoorwaarde gunstig gerangschikt zijn voor het toelatingsexamen arts of het toelatingsexamen tandarts, vermeld in paragraaf 1 en 2, geldt ook voor de inschrijving in een bachelor- of masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tand-heelkunde als de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen, of vermindering van de studieomvang, op grond van een diploma dat behaald is na een opleiding waarvoor de voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde niet van toepassing is. De voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde geldt ook in geval van een rechtstreekse diplomering als vermeld in artikel II.245.45§ 10. De bijkomende toelatingsvoorwaarde gunstig gerangschikt zijn voor het toelatingsexamen arts of het toelatingsexamen tandarts, vermeld in paragraaf 1 en 2, geldt ook voor de inschrijving in een bachelor- of masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tand-heelkunde als de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen, of vermindering van de studieomvang, op grond van een diploma dat behaald is na een opleiding waarvoor de voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde niet van toepassing is. De voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde geldt ook in geval van een rechtstreekse diplomering als vermeld in artikel II.245.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.277
1Het bestuur treedt ten aanzien van de studenten op als bestuursinstantie voor wat betreft de toepassing van het titel II, hoofdstuk 3, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.1Het bestuur treedt ten aanzien van de studenten op als bestuursinstantie voor wat betreft de toepassing van het titel II, hoofdstuk 3, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
2Voor wat betreft de examens houdt de openbaarheid van bestuur in dat studenten een recht op inzage in en toelichting bij de door hen afgelegde examens hebben. Indien na de toelichting blijkt dat de betrokken student een kopie wil van het door hen afgelegde examen, dan heeft deze student kopierecht. Iedere kopie dient persoonlijk en vertrouwelijk behandeld te worden en mag enkel gebruikt worden in functie van de onderwijsloopbaan van de student.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.314
2§2. De studentenraad op het niveau van de instelling kan beslissen dat participatiecommissies worden opgericht op het niveau van andere onderdelen van de instelling. Ten minste voor wat betreft de adviesorganen op het opleidingsniveau wordt studentenparticipatie geregeld zodat de studenten minstens een derde van de stemmen binnen dit orgaan hebben. Wanneer onvoldoende studenten bereid gevonden worden om er deel van uit te maken, kan het adviesorgaan toch functioneren.2§2. De studentenraad op het niveau van de instelling kan beslissen dat participatiecommissies worden opgericht op het niveau van andere onderdelen van de instelling. Ten minste voor wat betreft de adviesorganen op het opleidingsniveau wordt studentenparticipatie geregeld zodat de studenten minstens een derde van de stemmen binnen dit orgaan hebben. Wanneer onvoldoende studenten bereid gevonden worden om er deel van uit te maken, kan het adviesorgaan toch functioneren.
3De samenstelling en de functioneringswijze van de participatiecommissies worden vastgelegd in het in artikel II.332 bedoelde participatiereglement.3De samenstelling en de functioneringswijze van de participatiecommissies worden vastgelegd in het in artikel II.332 bedoelde participatiereglement.
4§ 3. In samenspraak met de studentenraad werkt de instelling een beleidskader uit voor studentenparticipatie. Het beleidskader is een generieke beschrijving van de beleidskeuzes van de instelling over studentenparticipatie. Het bevat de visie van de instelling op studentenparticipatie en de strategische doelstellingen die ze daarbij vooropstelt.
+2 −1 codex-hoger-onderwijs/art. II.332
21° de procedureregels die bij het uitoefenen van de participatierechten van de studentenraad in acht moeten worden genomen;21° de procedureregels die bij het uitoefenen van de participatierechten van de studentenraad in acht moeten worden genomen;
32° de wijze waarop geschillen over de uitvoering van artikel II.314 tot en met II.334 en artikel II.354 of over de interpretatie van een bepaling van het participatiereglement door middel van vormen van arbitrage of bemiddeling worden beslecht;32° de wijze waarop geschillen over de uitvoering van artikel II.314 tot en met II.334 en artikel II.354 of over de interpretatie van een bepaling van het participatiereglement door middel van vormen van arbitrage of bemiddeling worden beslecht;
43° desgevallend de in artikel II.314, §2, tweede lid of II.391, §2, tweede lid, bedoelde regelen.43° desgevallend de in artikel II.314, §2, tweede lid of II.391, §2, tweede lid, bedoelde regelen;
54° de bepaling dat als de studentenraad meent dat de instelling haar decretale verplichtingen inzake studentenparticipatie zoals beschreven in artikel II.314 tot en met II.334 niet nakomt, de studentenraad het Regeringscommissariaat daarvan kan op de hoogte stellen.
5Het participatiereglement kan aan de studentenraad bijkomende bevoegdheden toekennen.6Het participatiereglement kan aan de studentenraad bijkomende bevoegdheden toekennen.
+2 −0 codex-hoger-onderwijs/art. II.334
2§2. Het instellingsbestuur legt, in samenspraak met de studentenraad, een lijst vast met de mandaten waarvoor het statuut, vermeld in paragraaf 1, van toepassing is. Daarbij houdt zij ook rekening met mandaten op supra-instellingsniveau.2§2. Het instellingsbestuur legt, in samenspraak met de studentenraad, een lijst vast met de mandaten waarvoor het statuut, vermeld in paragraaf 1, van toepassing is. Daarbij houdt zij ook rekening met mandaten op supra-instellingsniveau.
3§3. Het instellingsbestuur stelt een ombudsdienst aan waar studentenvertegenwoordigers terechtkunnen indien hun rechten niet worden gerespecteerd.3§3. Het instellingsbestuur stelt een ombudsdienst aan waar studentenvertegenwoordigers terechtkunnen indien hun rechten niet worden gerespecteerd.
4§ 4. Het statuut van studentenvertegenwoordiger, vermeld in paragraaf 1, wordt automatisch toegekend voor een mandaat dat onder de toepassing van het statuut valt vanaf het ogenblik dat de studentenvertegenwoordiger het mandaat effectief opneemt.
5§ 5. De faciliteiten, vermeld in paragraaf 1, kunnen worden ingezet voor alle mandaten die de studentenvertegenwoordiger effectief opneemt in interne en externe raden en organen. Ze kunnen ook tijdens stages ingezet worden, op voorwaarde dat de stagegever daarmee akkoord gaat. De instelling ziet erop toe dat de studentenvertegenwoordigers de toegekende faciliteiten ook effectief kunnen opnemen.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.16
2Als de totale omvang van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, meer dan 120 % bedraagt, wordt de opdracht aan de universiteit ambtshalve gereduceerd tot een percentage dat nodig is om de grens van 120 % te bereiken. De omvang van de opdracht die het personeelslid na de reductie nog uitoefent aan de universiteit, bedraagt ten minste 50 %.2Als de totale omvang van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, meer dan 120 % bedraagt, wordt de opdracht aan de universiteit ambtshalve gereduceerd tot een percentage dat nodig is om de grens van 120 % te bereiken. De omvang van de opdracht die het personeelslid na de reductie nog uitoefent aan de universiteit, bedraagt ten minste 50 %.
3Een opdracht waarvan aangenomen wordt dat de uitoefening een halve dag per week in beslag neemt, komt overeen met een volume van 10 % van een voltijdse opdracht. De Vlaamse Regering bepaalt van welke politieke mandaten ambtshalve aangenomen wordt dat deze meer dan 20 % van een voltijdse opdracht in beslag nemen. Deze politieke mandaten leiden tot een ambtshalve reductie van de voltijdse opdracht van een lid van het academisch personeel.3Een opdracht waarvan aangenomen wordt dat de uitoefening een halve dag per week in beslag neemt, komt overeen met een volume van 10 % van een voltijdse opdracht. De Vlaamse Regering bepaalt van welke politieke mandaten ambtshalve aangenomen wordt dat deze meer dan 20 % van een voltijdse opdracht in beslag nemen. Deze politieke mandaten leiden tot een ambtshalve reductie van de voltijdse opdracht van een lid van het academisch personeel.
4Wanneer de totale omvang van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, na toepassing van de reductie, vermeld in het tweede lid, meer dan 120 % bedraagt, wordt de omvang van de opdracht die het personeelslid nog uitoefent aan de universiteit gereduceerd tot 45 %.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.21
1Behoudens het in het tweede lid bepaalde kan niemand tot assistent of praktijkassistent worden aangesteld tenzij hij houder is van een diploma van master of van een diploma of certificaat dat in toepassing van de Europese richtlijnen of een bilateraal akkoord hiermee als gelijkwaardig wordt erkend.1Behoudens het in het tweede lid bepaalde kan niemand tot assistent of praktijkassistent worden aangesteld tenzij hij houder is van een diploma van master of van een diploma of certificaat dat in toepassing van de Europese richtlijnen of een bilateraal akkoord hiermee als gelijkwaardig wordt erkend.
2In uitzonderlijke omstandigheden kan het universiteitsbestuur, na advies van het orgaan waartoe de opdracht behoort en op grond van een omstandige motivering, personen die een ander buitenlands einddiploma van een instelling van academisch onderwijs hebben behaald dan het in lid een bedoelde, aanstellen tot assistent of praktijkassistent met vrijstelling van de in lid een bedoelde diplomavereisten.2In uitzonderlijke omstandigheden kan het universiteitsbestuur, na advies van het orgaan waartoe de opdracht behoort en op grond van een omstandige motivering, personen die een ander buitenlands einddiploma van een instelling van academisch onderwijs hebben behaald dan het in lid een bedoelde, aanstellen tot assistent of praktijkassistent met vrijstelling van de in lid een bedoelde diplomavereisten.
3In afwijking van het eerste lid kan het universiteitsbestuur op grond van een omstandige motivering ook personen die op een andere manier dan met een diploma van master blijk geven van de vereiste deskundigheid, binnen dezelfde loonvoorwaarden, aanstellen tot praktijkassistent.
+4 −2 codex-hoger-onderwijs/art. V.46
3Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar wordt gehalveerd.3Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar wordt gehalveerd.
4Indien het eindoordeel van een evaluatie “onvoldoende” is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar stopzetten.4Indien het eindoordeel van een evaluatie “onvoldoende” is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar stopzetten.
5Indien het eindoordeel van 2 opeenvolgende evaluaties “onvoldoende” is of driemaal “onvoldoende” is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn .5Als het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties `onvoldoende' is of driemaal `onvoldoende' is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het personeelslid in kwestie ontslaan. In die gevallen kent het universiteitsbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft aan de universiteit. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit. Het universiteitsbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen.
6Het universiteitsbestuur deelt de vastgestelde evaluatieprocedure mee aan de Vlaamse Regering.
6De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending.
7Het universiteitsbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het universiteitsbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn.
8Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de universiteit de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.
+5 −3 codex-hoger-onderwijs/art. V.62
3Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar wordt gehalveerd.3Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar wordt gehalveerd.
4Indien het eindoordeel van een evaluatie “onvoldoende” is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar stopzetten.4Indien het eindoordeel van een evaluatie “onvoldoende” is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar stopzetten.
5Indien het resultaat van deze evaluatie tweemaal na elkaar of driemaal in de loop van de beroepscarrière een “onvoldoende” oplevert, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.
6Indien de prestaties van een personeelslid als ondermaats of als onvoldoende worden beoordeeld, kan het universiteitsbestuur het personeelslid op zijn verzoek terugzetten in een lagere graad.5Als de prestaties van een personeelslid als ondermaats of als onvoldoende worden beoordeeld, kan het universiteitsbestuur het personeelslid op zijn verzoek terugzetten in een lagere graad.
7Het universiteitsbestuur deelt de vastgestelde evaluatieprocedure mee aan de Vlaamse Regering.
6Als het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties `onvoldoende' is of driemaal `onvoldoende' is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het personeelslid in kwestie ontslaan. In die gevallen kent het universiteitsbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft aan de universiteit. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit. Het universiteitsbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen.
7De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending.
8Het universiteitsbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het universiteitsbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn.
9Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de universiteit de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen..
+6 −2 codex-hoger-onderwijs/art. V.111
65° bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. De leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in hoofdstuk 3, kunnen bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar verder werken tot het einde van het academiejaar wanneer het hogeschoolbestuur hiermee instemt;65° bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. De leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in hoofdstuk 3, kunnen bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar verder werken tot het einde van het academiejaar wanneer het hogeschoolbestuur hiermee instemt;
76° bij overlijden;76° bij overlijden;
87° bij toepassing van artikel V.87 en V.91.87° bij toepassing van artikel V.87 en V.91;
98° wanneer een personeelslid dat met toepassing van artikel V.206/1, eerste lid, 1°, overgekomen is van een centrum voor volwassenenonderwijs naar een centrum terugkeert met toepassing van artikel 31, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 45, § 5, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
9In afwijking van het eerste lid, punt 5°, kan de benoeming van het personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum 1 academiejaar en telkens met instemming van het hogeschoolbestuur verlengd worden. De definitieve ambtsneerlegging gaat pas in na het einde van de benoeming. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.10In afwijking van het eerste lid, punt 5°, kan de benoeming van het personeelslid na het academiejaar waarin het de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, telkens met maximum 1 academiejaar en telkens met instemming van het hogeschoolbestuur verlengd worden. De definitieve ambtsneerlegging gaat pas in na het einde van de benoeming. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.
10§2. Voor de benoemde personeelsleden geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:11§2. Voor de benoemde personeelsleden geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging:
111° het ontslag als gevolg van een tuchtmaatregel;121° het ontslag als gevolg van een tuchtmaatregel;
122° indien hij gedurende 2 opeenvolgende academiejaren of 5 keer in zijn loopbaan binnen de hogeschool de evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen voor het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft.132° indien hij gedurende 2 opeenvolgende academiejaren of 5 keer in zijn loopbaan binnen de hogeschool de evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen voor het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft.
13In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. Tijdens deze opzeggingstermijn wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan de hogeschool het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.
14In de gevallen, vermeld in het eerste lid, kent het hogeschoolbestuur een opzeggingstermijn toe. De opzeggingstermijn bedraagt drie maanden voor het personeelslid dat minder dan vijf jaar anciënniteit heeft in de hogeschool in kwestie of haar rechtsvoorganger. De termijn wordt verhoogd met drie maanden per begonnen schijf van vijf jaar anciënniteit. Het hogeschoolbestuur en het personeelslid in kwestie kunnen een langere of kortere opzeggingstermijn overeenkomen.
15De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag. Het ontslag wordt betekend met een aangetekende brief en heeft uitwerking op de derde dag na de verzending.
16Het hogeschoolbestuur kan beslissen dat het ontslag onmiddellijk ingaat. In dat geval betaalt het hogeschoolbestuur een verbrekingsvergoeding die gelijk is aan het salaris dat overeenstemt met de duur van de berekende opzeggingstermijn.
17Met het oog op de opname van het personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering, worden tijdens de opzeggingstermijn of op de verbrekingsvergoeding de nodige werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort. Als die bijdragen niet volstaan, betaalt de hogeschool de nog benodigde werkgevers- en werknemersbijdragen.
14§3. Het hogeschoolbestuur kan de benoeming van een personeelslid eveneens beëindigen bij een ontslag om een dringende reden. In dit geval vindt het ontslag plaats zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding. Het hogeschoolbestuur betaalt evenwel de werkgevers- en werknemersbijdragen nodig voor de opname van het betrokken personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen en de moederschapsbescherming. De duur van de periode gedekt door de betaling van werkgevers- en werknemersbijdragen voor de werkloosheidsverzekering en de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen mag de duur van de benoeming van het ontslagen personeelslid niet overschrijden.18§3. Het hogeschoolbestuur kan de benoeming van een personeelslid eveneens beëindigen bij een ontslag om een dringende reden. In dit geval vindt het ontslag plaats zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding. Het hogeschoolbestuur betaalt evenwel de werkgevers- en werknemersbijdragen nodig voor de opname van het betrokken personeelslid in de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen en de moederschapsbescherming. De duur van de periode gedekt door de betaling van werkgevers- en werknemersbijdragen voor de werkloosheidsverzekering en de ziekteverzekering met inbegrip van de sector uitkeringen mag de duur van de benoeming van het ontslagen personeelslid niet overschrijden.
+1 −0 codex-hoger-onderwijs/art. V.170
2Als de totale omvang van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, meer dan 120 % bedraagt, wordt de opdracht aan de hogeschool ambtshalve gereduceerd tot een percentage dat nodig is om de grens van 120 % te bereiken. De omvang van de opdracht die het personeelslid na de reductie nog uitoefent aan de hogeschool bedraagt ten minste 50 %.2Als de totale omvang van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, meer dan 120 % bedraagt, wordt de opdracht aan de hogeschool ambtshalve gereduceerd tot een percentage dat nodig is om de grens van 120 % te bereiken. De omvang van de opdracht die het personeelslid na de reductie nog uitoefent aan de hogeschool bedraagt ten minste 50 %.
3Een opdracht waarvan aangenomen wordt dat de uitoefening een halve dag per week in beslag neemt, komt overeen met een volume van 10 % van een voltijdse opdracht.3Een opdracht waarvan aangenomen wordt dat de uitoefening een halve dag per week in beslag neemt, komt overeen met een volume van 10 % van een voltijdse opdracht.
4Wanneer de totale omvang van de opdrachten, vermeld in het eerste lid, na toepassing van de reductie, vermeld in het tweede lid, meer dan 120 % bedraagt, wordt de omvang van de opdracht die het personeelslid nog uitoefent aan de hogeschool gereduceerd tot 45 %.
+1 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 2
20§ 2. Dit decreet is niet van toepassing op de voordrachtgevers zoals bedoeld in de artikelen 68 en 69 van het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs.20§ 2. Dit decreet is niet van toepassing op de voordrachtgevers zoals bedoeld in de artikelen 68 en 69 van het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs.
21§ 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere omschrijving van de in § 1 genoemde categorieën. In afwachting hiervan blijven evenwel de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht.21§ 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere omschrijving van de in § 1 genoemde categorieën. In afwachting hiervan blijven evenwel de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht.
22De Vlaamse Regering kan in het basisonderwijs de ambten bepalen voor een personeelscategorie van het pedagogisch ondersteunend personeel.
+31 −17 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 21bis
1§ 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren.1§ 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren.
2§ 2. Een tijdelijke aanstelling in een instelling kan gebeuren in een vacante en/of nietvacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur. Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel.2§ 2. Een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur kan gebeuren in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking. Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel.
3§ 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden:
3§ 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het in één of meer instellingen van dezelfde scholengroep gespreid over tenminste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van tenminste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd , waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.41° gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
52° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de voorwaarden, vermeld in punt 1°, bereikt geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn.
6Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding werd afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIIIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens deze bijkomende periode moet volgen.
7Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat het een beslissing neemt.
8De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken beoordeling door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
9In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
4Het recht geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:10Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen:
51° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net;111° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net;
62° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;122° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;
73° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.133° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.
8Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur moet, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgend schooljaar, vóór 15 juni bij de raad van bestuur, kandideren met een ter post aangetekende brief.
9Als het personeelslid in één of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dit vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.14Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
10Het recht op tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk Vbisvoor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.15Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
11§ 4. De anciënniteit bedoeld in § 3 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden.16§ 4. De anciënniteit bedoeld in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden.
12Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties:17Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties:
13- in één of meer instellingen die sinds de oprichting van de scholengemeenschap tot die scholengemeenschap behoren;18- in één of meer instellingen die sinds de oprichting van de scholengemeenschap tot die scholengemeenschap behoren;
15- in één of meer instellingen die vanaf 1 april 1999 behoren tot dezelfde scholengroep.20- in één of meer instellingen die vanaf 1 april 1999 behoren tot dezelfde scholengroep.
16Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 4, § 1, a, het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd.21Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 4, § 1, a, het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd.
17§ 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in § 3 bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.22§ 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.
18Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.23Is de in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.
19Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.24Is de in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.
20In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de raad van bestuur gebruikmaakt van artikel 4, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit.25In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de raad van bestuur gebruikmaakt van artikel 4, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit.
21§ 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengroep.26§ 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengroep.
22§ 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen :27§ 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen :
231° volgens artikel 24 of volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel ;281° volgens artikel 24 of volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies;
242° volgens artikel 73quaterdecies of volgens artikel 47quaterdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in § 3 van dit artikel .292° volgens artikel 73quaterdecies of volgens artikel 47quaterdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in paragraaf 3 van dit artikel of artikel 100quinquies decies.
25§ 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en :30§ 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en :
261° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 61, 6° of 7°, of volgens artikel 64, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel ;311° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 61, 6° of 7°, of volgens artikel 64, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies;
272° dat wordt ontslagen volgens artikel 73terdecies of volgens artikel 47terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs :322° dat wordt ontslagen volgens artikel 73terdecies of volgens artikel 47terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs :
28- kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen;33- kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen;
29- verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen;34- verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen;
30- kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap en van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen;35- kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap en van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen;
313° een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen in toepassing van artikel 73undecies, kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen.363° een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen in toepassing van artikel 73undecies, kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen.
32§ 7ter. Een personeelslid dat vast benoemd is en dat wordt ontslagen of afgezet :37§ 7ter. Een personeelslid dat vast benoemd is en dat wordt ontslagen of afgezet :
331° volgens artikel 61, 6° of 7°, of volgens artikel 64, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel ;381° volgens artikel 61, 6° of 7°, of volgens artikel 64, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies;
342° volgens artikel 73terdecies of volgens artikel 47terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap en van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen.392° volgens artikel 73terdecies of volgens artikel 47terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap en van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen.
35§ 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24 of na een ontslag of afzetting volgens artikel 61, 6° of 7°, opnieuw wordt aangesteld in een instelling van de scholengemeenschap, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in § 3 . Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde in andere instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep.40§ 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24 of na een ontslag of afzetting volgens artikel 61, 6° of 7°, opnieuw wordt aangesteld in een instelling van de scholengemeenschap, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies. Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde in andere instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep.
36Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 73terdecies of artikel 73quaterdecies opnieuw wordt aangeworven in de instelling of de pedagogische entiteit én in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde.41Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 73terdecies of artikel 73quaterdecies opnieuw wordt aangeworven in de instelling of de pedagogische entiteit én in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde.
37§ 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking.42§ 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking.
47§ 13. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de directeur inzage van de administratieve documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist.52§ 13. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de directeur inzage van de administratieve documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist.
48§ 14. De directeur moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.53§ 14. De directeur moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.
54§ 15. Als een scholengemeenschap bestaat uit instellingen van meerdere inrichtende machten, wisselen die inrichtende machten binnen de scholengemeenschap met betrekking tot de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur zijn aangesteld de gegevens uit die relevant zijn voor het naleven van de rechten en verplichtingen die in dit artikel opgenomen zijn. Het gaat daarbij om volgende gegevens van een personeelslid:
551° de identificatiegegevens;
562° de opdracht(en) en betrekking(en);
573° de dienstanciënniteit;
584° de school en het schoolbestuur;
595° verslagen van functionerings- of evaluatiegesprekken;
606° verslagen in functie van de beoordeling.
61Verslagen over de beoordeling, functionerings- of evaluatiegesprekken worden alleen uitgewisseld tussen die instellingen van de scholengemeenschap waar het personeelslid diensten presteert.
62De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om specifieke bepalingen uit te werken omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke transparante verwerking.
+1 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 4
16Deze titel is eveneens van toepassing op de gesubsidieerde personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten zoals bedoeld in artikel 14 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.16Deze titel is eveneens van toepassing op de gesubsidieerde personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten zoals bedoeld in artikel 14 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.
17De Vlaamse regering bepaalt de nadere omschrijving van de hiervoor bedoelde personeelscategorieën. In afwachting hiervan blijven evenwel de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht;17De Vlaamse regering bepaalt de nadere omschrijving van de hiervoor bedoelde personeelscategorieën. In afwachting hiervan blijven evenwel de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht;
18De Vlaamse Regering kan in het basisonderwijs de ambten bepalen voor een personeelscategorie van pedagogisch ondersteunend personeel.
18b) de inrichtende machten van de instellingen en centra. Voor de toepassing van dit decreet worden de verenigingen zonder winstoogmerk, vermeld in artikel 14 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, beschouwd als inrichtende machten.19b) de inrichtende machten van de instellingen en centra. Voor de toepassing van dit decreet worden de verenigingen zonder winstoogmerk, vermeld in artikel 14 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, beschouwd als inrichtende machten.
19§ 2. ...20§ 2. ...
+33 −18 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 23bis
1§ 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren.1§ 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren.
2§ 2. De inrichtende macht stelt een tijdelijk personeelslid aan voor een bepaalde of voor een doorlopende duur in een vacante en/of niet-vacante betrekking.2§ 2. De inrichtende macht stelt een tijdelijk personeelslid aan voor een doorlopende duur in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking.
3Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel.3Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel.
4§ 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap voldoet aan de volgende voorwaarden:
4§ 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het in één of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap gespreid over tenminste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van tenminste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd , waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.51° gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen;
62° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de voorwaarden, vermeld in punt 1°, bereikt geen beoordeling heeft gekregen, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn.
7Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen.
8Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat ze een beslissing neemt.
9De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie.
10In het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling.
5Wanneer het personeelslid het recht heeft verworven in één of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dit recht voor betrekkingen in alle instellingen van deze scholengemeenschap.11Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap.
6Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op dit recht moet , op straffe van verlies ervan voor het volgend schooljaar, vóór 15 juni met een ter post aangetekende brief kandideren bij een inrichtende macht van één van de instellingen van de scholengemeenschap. Deze kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht werd verworven en voor alle instellingen van de betrokken scholengemeenschap. [In afwijking van het voorgaande moet het personeelslid in het basisonderwijs dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, op straffe van verlies van zijn recht voor het schooljaar 2005-2006, vóór 15 juli 2005 bij een inrichtende macht van één van de instellingen van de scholengemeenschap in het basisonderwijs, kandideren met een ter post aangetekende brief.12Om een beroep te doen op dat recht moet het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat stellen met een ter post aangetekende brief bij een inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie.
7Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan deze waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven.13Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven.
8Als het personeelslid in één of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dit vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.14Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt.
9Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk IVbisvoor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.15Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.
10§ 4. De anciënniteit bedoeld in § 3 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden.16§ 4. De anciënniteit bedoeld in paragraaf 3 of artikel 77ter wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden.
11Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 6 en rekening houdend met artikel 77, berekend op basis van prestaties in één of meer instellingen van de betrokken scholengemeenschap en dit ongeacht het net waartoe de instellingen waarin deze prestaties werden verricht, behoren.17Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 6 en rekening houdend met artikel 77, berekend op basis van prestaties in één of meer instellingen van de betrokken scholengemeenschap en dit ongeacht het net waartoe de instellingen waarin deze prestaties werden verricht, behoren.
12Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 6, § 1, a) , het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd.18Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 6, § 1, a) , het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd.
13§ 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in § 3 bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.19§ 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in paragraaf 3 of artikel 77ter bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.
14Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.20Is de in paragraaf 3 of artikel 77ter bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.
15Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.21Is de in paragraaf 3 of artikel 77ter bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit.
16In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de inrichtende macht gebruikmaakt van artikel 6, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit.22In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de inrichtende macht gebruikmaakt van artikel 6, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit.
17§ 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft ge-presteerd in één of meer instellingen van deze scholengemeenschap.23§ 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft ge-presteerd in één of meer instellingen van deze scholengemeenschap.
18§ 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen :24§ 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen :
191° volgens artikel 25 of volgens artikel 24 van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel ;251° volgens artikel 25 of volgens artikel 24 van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter;
202° volgens artikel 24 of 47quaterdecies of volgens artikel 73quaterdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in § 3 van dit artikel .262° volgens artikel 24 of 47quaterdecies of volgens artikel 73quaterdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in paragraaf 3 van dit artikel of artikel 77ter.
21§ 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en :27§ 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en :
221° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 64, 6° of 7°, of volgens artikel 61, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel ;281° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 64, 6° of 7°, of volgens artikel 61, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter;
232° dat wordt ontslagen volgens artikel 47terdecies of volgens artikel 73terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs:292° dat wordt ontslagen volgens artikel 47terdecies of volgens artikel 73terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs:
24- kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen;30- kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen;
25- verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instellingof de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen;31- verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instellingof de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen;
26- kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voorzover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen;32- kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voorzover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen;
273° een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen in toepassing van artikel 47undecies , kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen.333° een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen in toepassing van artikel 47undecies , kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen.
28§ 7ter. Een personeelslid dat vastbenoemd is en dat wordt ontslagen of afgezet :34§ 7ter. Een personeelslid dat vastbenoemd is en dat wordt ontslagen of afgezet :
291° volgens artikel 64, 6° of 7°, of volgens artikel 61, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel ;351° volgens artikel 64, 6° of 7°, of volgens artikel 61, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter;
302° volgens artikel 47terdecies of volgens artikel 73terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen.362° volgens artikel 47terdecies of volgens artikel 73terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen.
31§ 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 25 of na een ontslag of afzetting volgens artikel 64, 6° of 7°, opnieuw wordt aangesteld in een instelling van de scholengemeenschap, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in § 3 . Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde in andere instellingen van de scholengemeenschap.37§ 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 25 of na een ontslag of afzetting volgens artikel 64, 6° of 7°, opnieuw wordt aangesteld in een instelling van de scholengemeenschap, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in paragraaf 3 of artikel 77ter. Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde in andere instellingen van de scholengemeenschap.
32Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24, artikel 47terdecies of artikel 47quaterdecies opnieuw wordt aangeworven door de inrichtende macht in de instelling of de pedagogische entiteit én in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde.38Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24, artikel 47terdecies of artikel 47quaterdecies opnieuw wordt aangeworven door de inrichtende macht in de instelling of de pedagogische entiteit én in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde.
33§ 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking.39§ 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking.
42§ 15....48§ 15....
43§ 16. Een personeelslid heeft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de scholengemeenschap indien het geen diensten heeft gepresteerd in instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid heeft wel recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in die instellingen van de scholengemeenschap die afhangen van dezelfde inrichtende macht als deze waar hij het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur heeft verworven.49§ 16. Een personeelslid heeft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de scholengemeenschap indien het geen diensten heeft gepresteerd in instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid heeft wel recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in die instellingen van de scholengemeenschap die afhangen van dezelfde inrichtende macht als deze waar hij het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur heeft verworven.
50§ 17. Als een scholengemeenschap bestaat uit instellingen van meerdere inrichtende machten, wisselen die inrichtende machten binnen de scholengemeenschap met betrekking tot de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur zijn aangesteld de gegevens uit die relevant zijn voor het naleven van de rechten en verplichtingen die opgenomen zijn in dit artikel. Het gaat daarbij om volgende gegevens van een personeelslid:
511° de identificatiegegevens;
522° de opdracht(en) en betrekking(en);
533° de dienstanciënniteit;
544° de school en het schoolbestuur;
555° verslagen van functionerings- of evaluatiegesprekken;
566° verslagen in functie van de beoordeling.
57Verslagen over de beoordeling, functionerings- of evaluatiegesprekken worden alleen uitgewisseld tussen die instellingen van de scholengemeenschap waarvoor het personeelslid diensten presteert.
58De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om specifieke bepalingen uit te werken omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke transparante verwerking.
+12 −9 decreet-2007-06-15/art. 2
42° bis een beroepskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties waarmee een beroep kan uitgeoefend worden als vermeld in artikel 8 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;42° bis een beroepskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties waarmee een beroep kan uitgeoefend worden als vermeld in artikel 8 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;
53° beroepsprofiel : een geordende opsomming van taken die door de ervaren beroepsbeoefenaar worden uitgeoefend en van de kwaliteitsnormen en beroepsvereisten die daarvoor gelden;53° beroepsprofiel : een geordende opsomming van taken die door de ervaren beroepsbeoefenaar worden uitgeoefend en van de kwaliteitsnormen en beroepsvereisten die daarvoor gelden;
63° bis bevolkingsdichtheid : het aantal inwoners per km² in de vestigingsplaats volgens de meest recente berekening van de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor de vestigingsplaats tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt de totale bevolking van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km². De in aanmerking te nemen bevolkingsdichtheid voor een centrum met meerdere vestigingsplaatsen wordt vastgesteld op grond van volgende berekening : de totale bevolking van deze gemeenten wordt gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km²;
64° centrum : een Centrum voor Volwassenenonderwijs of een Centrum voor Basiseducatie;74° centrum : een Centrum voor Volwassenenonderwijs of een Centrum voor Basiseducatie;
75° centrumbestuur : de inrichtende macht die ten aanzien van het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;85° centrumbestuur : de inrichtende macht die ten aanzien van het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;
119° contactonderwijs : onderwijs in een rechtstreeks contact tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de cursist, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking;129° contactonderwijs : onderwijs in een rechtstreeks contact tussen de leraar of begeleider van een onderwijsactiviteit en de cursist, gebonden aan een bepaald tijdstip en plaats van onderwijsverstrekking;
1210° cursist : een deelnemer aan het volwassenenonderwijs die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en ingeschreven is;1310° cursist : een deelnemer aan het volwassenenonderwijs die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en ingeschreven is;
1311° deelcertificaat : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die een module in de basiseducatie, het secundair volwassenenonderwijs of de specifieke lerarenopleidingen met goed gevolg heeft beëindigd;1411° deelcertificaat : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die een module in de basiseducatie of het secundair volwassenenonderwijs met goed gevolg heeft beëindigd;
1412° diploma : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die met goed gevolg het secundair of het hoger onderwijs heeft beëindigd;1512° diploma : een van rechtswege erkend studiebewijs, door het centrumbestuur uitgereikt aan een cursist die met goed gevolg het secundair onderwijs heeft beëindigd;
1513° eindtermen : minimumdoelen op het gebied van kennis, vaardigheden, inzicht en attitudes die de Vlaamse Gemeenschap noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde cursistenpopulatie;1613° eindtermen : minimumdoelen op het gebied van kennis, vaardigheden, inzicht en attitudes die de Vlaamse Gemeenschap noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde cursistenpopulatie;
1614° evaluatiereglement : het onderdeel van het centrumreglement waarin de evaluatieprocedure en alle evaluatievoorwaarden vastgesteld worden;1714° evaluatiereglement : het onderdeel van het centrumreglement waarin de evaluatieprocedure en alle evaluatievoorwaarden vastgesteld worden;
1714° bis examencommissie : de examencommissie zoals bedoeld in artikel 17sexies van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, artikel 19sexies van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 50 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs en artikel 128sexies;1814° bis examencommissie : de examencommissie zoals bedoeld in artikel 17sexies van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, artikel 19sexies van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 50 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs en artikel 128sexies;
1914° ter financieringspunten : de punten om de financierbare of subsidieerbare vte of leraarsuren, punten en werkingsmiddelen van de centra te bepalen, ongewogen berekend tegen 80 % op basis van het aantal lesurencursist per ingeschreven module en tegen 20 % op basis van het aantal lesurencursist per geslaagde module en vervolgens gewogen met de puntengewichten en de kwalificatiebonus;
1815° fusie : de samenvoeging tot één centrum van twee of meer centra;2015° fusie : de samenvoeging tot één centrum van twee of meer centra;
1916° gecombineerd onderwijs : een combinatie van contactonderwijs en afstandsonderwijs;2116° gecombineerd onderwijs : een combinatie van contactonderwijs en afstandsonderwijs;
2016° bis gedetineerden : personen die ter uitvoering van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel verblijven in een Belgische gevangenis, personen die krachtens artikel 7 en 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten geïnterneerd zijn, personen die met toepassing van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, of van artikel 606 van het Wetboek van strafvordering, verblijven in een gesloten federaal centrum, voor zover de gevangenis, de instelling waarin de betrokkene is geïnterneerd of het gesloten federaal centrum hetzij gelegen is in het Nederlandse taalgebied of in Brussel-Hoofdstad, hetzij elders gelegen is en daarvoor een overeenkomst met de bevoegde overheid werd gesloten;2216° bis gedetineerden : personen die ter uitvoering van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel verblijven in een Belgische gevangenis, personen die krachtens artikel 7 en 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten geïnterneerd zijn, personen die met toepassing van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, of van artikel 606 van het Wetboek van strafvordering, verblijven in een gesloten federaal centrum, voor zover de gevangenis, de instelling waarin de betrokkene is geïnterneerd of het gesloten federaal centrum hetzij gelegen is in het Nederlandse taalgebied of in Brussel-Hoofdstad, hetzij elders gelegen is en daarvoor een overeenkomst met de bevoegde overheid werd gesloten;
2117° hoofdvestigingsplaats : vestigingsplaats waar de administratieve zetel van een centrum is ondergebracht;2317° hoofdvestigingsplaats : vestigingsplaats waar de administratieve zetel van een centrum is ondergebracht;
2218° inburgeraar : een natuurlijk persoon zoals vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid;2418° inburgeraar : een natuurlijk persoon als vermeld in artikel 2, eerste lid, 7°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid;
2318° bis jaar : een kalenderjaar;2518° bis jaar : een kalenderjaar;
2418° ter kwalificatieniveau : een onderverdeling van de kwalificatiestructuur gebaseerd op niveaudescriptoren vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;2618° ter kwalificatieniveau : een onderverdeling van de kwalificatiestructuur gebaseerd op niveaudescriptoren vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur;
2822° leerplan : plan waarin het centrumbestuur uitdrukkelijk de doelen voor zijn cursisten formuleert vanuit het eigen agogische project;3022° leerplan : plan waarin het centrumbestuur uitdrukkelijk de doelen voor zijn cursisten formuleert vanuit het eigen agogische project;
2923° leertrajectbegeleiding : de begeleiding van een cursist tijdens het leerproces, waarbij het leertraject kan worden aangepast aan de behoeften van de cursist en waarbij de doorstroming naar vervolgopleidingen of werk wordt ondersteund;3123° leertrajectbegeleiding : de begeleiding van een cursist tijdens het leerproces, waarbij het leertraject kan worden aangepast aan de behoeften van de cursist en waarbij de doorstroming naar vervolgopleidingen of werk wordt ondersteund;
3024° leraarsuren : het aantal lestijden voor een schooljaar aan een Centrum voor Volwassenenonderwijs toegekend om de financierbare of subsidieerbare personeelsformatie in de ambten van leraar secundair volwassenenonderwijs of een lector te bepalen;3224° leraarsuren : het aantal lestijden voor een schooljaar aan een Centrum voor Volwassenenonderwijs toegekend om de financierbare of subsidieerbare personeelsformatie in de ambten van leraar secundair volwassenenonderwijs te bepalen;
3125° lesplaats : alle gebouwde of ongebouwde onroerende goederen die gevestigd zijn op eenzelfde kadastraal perceel of aaneensluitende percelen en die volledig of gedeeltelijk door personeelsleden van een centrum gebruikt worden voor onderwijsactiviteiten met uitzondering van stages en buitenschoolse activiteiten;3325° lesplaats : alle gebouwde of ongebouwde onroerende goederen die gevestigd zijn op eenzelfde kadastraal perceel of aaneensluitende percelen en die volledig of gedeeltelijk door personeelsleden van een centrum gebruikt worden voor onderwijsactiviteiten met uitzondering van stages en buitenschoolse activiteiten;
3226° lestijd : een periode van zestig minuten als eenheid voor de duur van een onderwijsactiviteit georganiseerd door een Centrum voor Basiseducatie, een periode van vijftig minuten als eenheid voor de duur van een onderwijsactiviteit georganiseerd door een Centrum voor Volwassenenonderwijs;3426° lestijd : een periode van zestig minuten als eenheid voor de duur van een onderwijsactiviteit georganiseerd door een Centrum voor Basiseducatie, een periode van vijftig minuten als eenheid voor de duur van een onderwijsactiviteit georganiseerd door een Centrum voor Volwassenenonderwijs;
3327° lesurencursist : het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal lestijden van een module met het aantal financierbare of subsidieerbare cursisten;3527° lesurencursist : het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal lestijden van een module met het aantal financierbare of subsidieerbare cursisten;
3428° lokaal comité : het lokale overleg- of onderhandelingsorgaan dat bevoegd is op het vlak van arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden;3628° lokaal comité : het lokale overleg- of onderhandelingsorgaan dat bevoegd is op het vlak van arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden;
3529° module: het kleinste te certificeren deel van een opleiding, met uitzondering van deze in het hoger beroepsonderwijs waar modules verder worden onderverdeeld in opleidingsonderdelen, dat overeenstemt met een bepaalde inhoud, omvang en een bepaald niveau;3729° module: het kleinste te certificeren deel van een opleiding dat overeenstemt met een bepaalde inhoud, omvang en een bepaald niveau;
3629° bis onderwijsinspectie : de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, voor zover belast met taken op het gebied van het volwassenenonderwijs;3829° bis onderwijsinspectie : de inspectie, zoals bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, voor zover belast met taken op het gebied van het volwassenenonderwijs;
3730° openleercentrum : didactische term voor een speciaal uitgeruste ruimte in een centrum waar cursisten al dan niet onder begeleiding zelfstandig leren;3930° openleercentrum : didactische term voor een speciaal uitgeruste ruimte in een centrum waar cursisten al dan niet onder begeleiding zelfstandig leren;
4638° schooljaar : de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar;4838° schooljaar : de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar;
4739° specifieke eindtermen : doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een cursist beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten;4939° specifieke eindtermen : doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een cursist beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten;
4840° structuuronderdeel : een studiegebied van het secundair volwassenenonderwijs, een opleiding van de basiseducatie, het hoger beroepsonderwijs, een specifieke lerarenopleiding of het geheel van het onderwijsaanbod georganiseerd in een vestigingsplaats van een centrum;5040° structuuronderdeel : een studiegebied van het secundair volwassenenonderwijs, een opleiding van de basiseducatie of het geheel van het onderwijsaanbod georganiseerd in een vestigingsplaats van een centrum;
4941° studiegebied : een groep van inhoudelijk verwante opleidingen in het secundair volwassenenonderwijs of in het hoger beroepsonderwijs;5141° studiegebied : een groep van inhoudelijk verwante opleidingen in het secundair volwassenenonderwijs;
5042° ...5242° ...
5142° bis studieomvang : het aantal studiepunten toegekend aan een onderdeel of aan een opleiding;
5243° studiepunt : een binnen de Vlaamse Gemeenschap aanvaarde internationale eenheid die overeenstemt met ten minste 25 en ten hoogste 30 uren voorgeschreven onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten en waarmee de studieomvang van elke opleiding of elk opleidingsonderdeel wordt uitgedrukt, als vermeld in artikel I.3, 67°, van de Codex Hoger Onderwijs;
5342° bis ...;
5443° ...;
5344° vestigingsplaats : alle lesplaatsen van een centrum gelegen op het grondgebied van dezelfde gemeente of van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;5544° vestigingsplaats : alle lesplaatsen van een centrum gelegen op het grondgebied van dezelfde gemeente of van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
5445° VTE : het aantal voltijdse equivalenten voor een schooljaar aan een Centrum voor Basiseducatie toegekend om de subsidieerbare personeelsformatie in het ambt van leraar te bepalen;5645° VTE : het aantal voltijdse equivalenten voor een schooljaar aan een Centrum voor Basiseducatie toegekend om de subsidieerbare personeelsformatie in het ambt van leraar te bepalen;
5546° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende Centra voor Volwassenenonderwijs en de erkende Centra voor Basiseducatie, vermeld in dit decreet;5746° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende Centra voor Volwassenenonderwijs en de erkende Centra voor Basiseducatie, vermeld in dit decreet;
5647° werkingsgebied: de geografische omschrijving van aan elkaar grenzende gemeenten waarover het centrum voor basiseducatie zich uitstrekt en waarbinnen het centrum voor volwassenenonderwijs een hoofdvestigingsplaats aanwijst;5847° werkingsgebied: de geografische omschrijving van aan elkaar grenzende gemeenten waarover het centrum voor basiseducatie zich uitstrekt en waarbinnen het centrum voor volwassenenonderwijs een hoofdvestigingsplaats aanwijst;
5947° bis werkzoekende : de werkzoekende waarvan de opleiding kadert in een traject naar werk of een gepast opleidingsaanbod vastgesteld door VDAB;
5748° wettig verblijf : de situatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is om in het Rijk te verblijven of die gemachtigd is er zich te vestigen, of die volgens een geldig document in het Rijk mag verblijven, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.6048° wettig verblijf : de situatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is om in het Rijk te verblijven of die gemachtigd is er zich te vestigen, of die volgens een geldig document in het Rijk mag verblijven, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
+1 −0 decreet-2007-06-15/art. 24
64° de verdeling van de eindtermen, de specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties of basiscompetenties over de modules binnen een opleiding.64° de verdeling van de eindtermen, de specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties of basiscompetenties over de modules binnen een opleiding.
75° als de modules in sequentieel verband dienen te staan, de volgorderelatie van de modules;75° als de modules in sequentieel verband dienen te staan, de volgorderelatie van de modules;
86° als de opleiding naar een beroepskwalificatie leidt waarvoor een deelkwalificatie is afgebakend, de afbakening van de module of modules die het samenhangende geheel van de competenties van de deelkwalificatie bevatten.
8§ 1bis. Een opleidingsprofiel, zoals bedoeld in § 1, kan geletterdheidsmodules of uitbreidingsmodules omvatten. Een uitbreidingsmodule is een module die inspeelt op een vraag naar een specifieke uitbreiding van competenties van een bepaalde beroepsopleiding. Een geletterdheidsmodule is een module die inspeelt op een specifieke vraag naar geletterdheidscompetenties in functie van een beroepssituatie of een inhoudelijk aansluitende opleiding.9§ 1bis. Een opleidingsprofiel, zoals bedoeld in § 1, kan geletterdheidsmodules of uitbreidingsmodules omvatten. Een uitbreidingsmodule is een module die inspeelt op een vraag naar een specifieke uitbreiding van competenties van een bepaalde beroepsopleiding. Een geletterdheidsmodule is een module die inspeelt op een specifieke vraag naar geletterdheidscompetenties in functie van een beroepssituatie of een inhoudelijk aansluitende opleiding.
9Een uitbreidingsmodule dient in sequentieel verband te staan met de aansluitende beroepsopleiding.10Een uitbreidingsmodule dient in sequentieel verband te staan met de aansluitende beroepsopleiding.
+7 −0 decreet-2007-06-15/art. 26bis nieuw
1In afwijking van artikel 26, § 4, kunnen de centra geïntegreerd onderwijs organiseren waarbij voor eenzelfde groep cursisten een deel van de module gelijktijdig met een of twee modules van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal en de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 georganiseerd wordt, zonder dat het totale aantal te organiseren lestijden de som bedraagt van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24.
2Gelijktijdig geïntegreerd onderwijs voldoet ten minste aan de volgende criteria:
31° het voldoet aan de bepalingen van dit decreet;
42° het aantal gelijktijdig georganiseerde lestijden van de modules van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal en de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 omvat maximaal de helft van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24;
53° het totale aantal lestijden dat in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de subsidiëring of financiering, bedraagt de som van het aantal lestijden zoals bepaald in de opleidingsprofielen, vermeld in artikel 24;
64° de gelijktijdig georganiseerde lessen worden door ten minste twee leraren gegeven;
75° de gelijktijdig georganiseerde lessen zijn inhoudelijk op elkaar afgestemd
+2 −2 decreet-2007-06-15/art. 32
2In afwijking van het eerste lid moet de cursist voor de opleidingen van de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht.2In afwijking van het eerste lid moet de cursist voor de opleidingen van de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht.
3In afwijking van het eerste lid moet de cursist voor de opleidingen van het studiegebied Hebreeuws niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht.3In afwijking van het eerste lid moet de cursist voor de opleidingen van het studiegebied Hebreeuws niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht.
4In afwijking van het eerste lid moet de cursist aan een van volgende voorwaarden voldaan hebben om toegelaten te worden tot de opleiding Bedrijfsbeheer van het studiegebied bedrijfsbeheer:4In afwijking van het eerste lid moet de cursist aan een van volgende voorwaarden voldaan hebben om toegelaten te worden tot de opleidingen van het studiegebied bedrijfsbeheer:
51° voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht;51° voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht;
62° ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs.62° ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, een centrum voor deeltijdse vorming, of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
+5 −1 decreet-2007-06-15/art. 40
1§ 1. In het volwassenenonderwijs bestaan de volgende studiebewijzen :1§ 1. In het volwassenenonderwijs bestaan de volgende studiebewijzen:
21° een deelcertificaat; 2° een certificaat; 3° een getuigschrift; 4° een diploma.
21° een deelcertificaat;
32° een certificaat;
43° een bewijs van deelkwalificatie;
54° een getuigschrift;
65° een diploma.
3De Vlaamse Regering bepaalt de modellen van de studiebewijzen en de nadere modaliteiten met betrekking tot het uitreiken van de studiebewijzen.7De Vlaamse Regering bepaalt de modellen van de studiebewijzen en de nadere modaliteiten met betrekking tot het uitreiken van de studiebewijzen.
4§ 2. Bij het bepalen van de bekrachtiging van de studies kan de Vlaamse Regering het met vrucht beëindigen van een opleiding afhankelijk stellen van het behalen van externe certificering.8§ 2. Bij het bepalen van de bekrachtiging van de studies kan de Vlaamse Regering het met vrucht beëindigen van een opleiding afhankelijk stellen van het behalen van externe certificering.
+6 −8 decreet-2007-06-15/art. 41
1§ 1. Een deelcertificaat bekrachtigt een module. In het hoger beroepsonderwijs wordt een module bekrachtigd met een modulebewijs.1§ 1. Een deelcertificaat bekrachtigt een module.
2Bij een deelcertificaat van een open module als vermeld in artikel 25bis wordt steeds een deelcertificaatsupplement uitgereikt, waarin het centrumbestuur de eindtermen of basiscompetenties van die module opneemt. De Vlaamse Regering bepaalt het model van deelcertificaatsupplement en de nadere modaliteiten met betrekking tot de uitreiking ervan.2Bij een deelcertificaat van een open module als vermeld in artikel 25bis wordt steeds een deelcertificaatsupplement uitgereikt, waarin het centrumbestuur de eindtermen of basiscompetenties van die module opneemt. De Vlaamse Regering bepaalt het model van deelcertificaatsupplement en de nadere modaliteiten met betrekking tot de uitreiking ervan.
3§ 1bis. Een bewijs van deelkwalificatie bekrachtigt een samenhangend geheel van competenties uit eenzelfde beroepskwalificatie en biedt uitstroomkansen in een smaller deel van de arbeidsmarkt dan de volledige beroepskwalificatie.
3§ 2. Een certificaat bekrachtigt :4§ 2. Een certificaat bekrachtigt :
41° een opleiding, met uitzondering van de opleidingen vermeld in § 3, § 4, § 5 en § 6;51° een opleiding, met uitzondering van de opleidingen vermeld in paragraaf 3 en paragraaf 4;
52° een opleiding in afstandsonderwijs als dat onderwijs dezelfde structuur en dezelfde basiscompetenties of eindtermen respecteert als door de Vlaamse Gemeenschap erkend onderwijs, als dat onderwijs een evaluatieprocedure gebruikt die door de Vlaamse Regering is goedgekeurd en een controle door de Vlaamse Regering aanvaard wordt.62° een opleiding in afstandsonderwijs als dat onderwijs dezelfde structuur en dezelfde basiscompetenties of eindtermen respecteert als door de Vlaamse Gemeenschap erkend onderwijs, als dat onderwijs een evaluatieprocedure gebruikt die door de Vlaamse Regering is goedgekeurd en een controle door de Vlaamse Regering aanvaard wordt.
6§ 3. Een getuigschrift bekrachtigt de opleiding bedrijfsbeheer in het studiegebied Bedrijfsbeheer.7§ 3. Een getuigschrift bekrachtigt de opleiding bedrijfsbeheer in het studiegebied Bedrijfsbeheer.
7§ 4. Een diploma van het secundair onderwijs bekrachtigt :8§ 4. Een diploma van het secundair onderwijs bekrachtigt :
81° de opleidingen economie-moderne talen, economie-wiskunde, humane wetenschappen ASO3, moderne talen-wetenschappen, moderne talen-wiskunde en wetenschappen-wiskunde van het studiegebied algemene vorming;91° de opleidingen economie-moderne talen, economie-wiskunde, humane wetenschappen ASO3, moderne talen-wetenschappen, moderne talen-wiskunde en wetenschappen-wiskunde van het studiegebied algemene vorming;
92° de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een certificaat van een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied in het secundair volwassenenonderwijs, een certificaat van een opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5 of een diploma van gegradueerde;102° de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een certificaat van een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied in het secundair volwassenenonderwijs, een certificaat van een opleiding naar een beroepskwalificatie van niveau 5 of een diploma of graad van gegradueerde;
102° bis de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een of meer deelattesten als bewijs van slagen voor het specifiek gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het TSO of BSO voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs voor zover de onderverdeling overeenkomt met een opleiding als vermeld in artikel 42;112° bis de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een of meer deelattesten als bewijs van slagen voor het specifiek gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het TSO of BSO voor de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs voor zover de onderverdeling overeenkomt met een opleiding als vermeld in artikel 42;
113° een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied dan aanvullende algemene vorming of algemene vorming in het secundair volwassenenonderwijs, als de cursist bij zijn inschrijving houder is van een diploma van het secundair onderwijs.123° een door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding van een ander studiegebied dan aanvullende algemene vorming of algemene vorming in het secundair volwassenenonderwijs, als de cursist bij zijn inschrijving houder is van een diploma van het secundair onderwijs.
12§ 5. Een diploma van leraar bekrachtigt een specifieke lerarenopleiding, zoals vermeld in artikel 17, § 1.
13§ 6. Een diploma van gegradueerde bekrachtigt een opleiding van het hoger beroepsonderwijs.
14Diegene aan wie overeenkomstig dit decreet het diploma van gegradueerde (in het Engels vertaald als associate degree) is verleend met of zonder nadere specificatie, is gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van gegradueerde met of zonder nadere specificatie.
15Bij een diploma van gegradueerde wordt steeds een diplomasupplement uitgereikt. Dit is een document dat de inhoud van de studies van de cursist en de structuur van het onderwijs in het land waar de cursist gestudeerd heeft, verduidelijkt.
16De Vlaamse Regering bepaalt het model van diplomasupplement en de nadere modaliteiten met betrekking tot het uitreiken van een diplomasupplement.
13§ 5. ....
14§ 6. ....
+26 −1 decreet-2007-06-15/art. 87
1§ 1. Elk centrum voor basiseducatie heeft recht op één voltijds ambt van directeur.1§ 1. Elk centrum voor basiseducatie heeft recht op één voltijds ambt van directeur.
2Elk centrum is verplicht een directeur aan te stellen.2Elk centrum is verplicht een directeur aan te stellen.
3§ 2. Naast de VTE vermeld in artikel 85, heeft elk Centrum voor Basiseducatie recht op een puntenenveloppe voor het aanwerven van personeelsleden in de ambten voor de ondersteuning van haar werking. Deze puntenenveloppe wordt berekend op basis van het aantal lesurencursist voor de referteperiode van 1 februari van het jaar n-1 tot en met 31 januari van het jaar n voor het toekennen van de VTE voor het schooljaar n/n+1 . De Vlaamse Regering bepaalt het aantal lesurencursist per toe te kennen punt.3§ 2. Naast de vte, vermeld in artikel 85, heeft elk centrum voor basiseducatie recht op een puntenenveloppe voor het aanwerven van personeelsleden in de ambten voor de ondersteuning van zijn werking. Voor de berekening van de puntenenveloppe waarop een centrum voor basiseducatie vanaf 1 september 2020 jaarlijks recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan punten voor de basiseducatie uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor basiseducatie. Elk centrum heeft op 1 september n recht op hetzelfde aandeel aan punten als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-3 tot en met 31 december n-1 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 2bis, heeft bereikt.
4§ 2bis. Het totale aantal financieringspunten voor de punten per centrum is de som van het aantal gewogen financieringspunten, waarbij 90 % gewogen wordt op centrumkenmerken en opleidingskenmerken en 10 % op cursistenkenmerken en vermeerderd met de kwalificatiebonus voor de opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal.
5Voor de 90 %-weging op centrumkenmerken en opleidingskenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (kg) * (bd) * (pi), waarbij :
61° FP = het ongewogen financieringspunt;
72° kg = de coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte;
83° bd = de coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats vastgesteld op 31 december n-1;
94° pi = de coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting.
10De coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte is :
111° 1 voor het leergebied talen;
122° 1,2 voor de leergebieden informatie- en communicatietechnologie en Nederlands tweede taal;
133° 1,5 voor de leergebieden maatschappijoriëntatie en alfabetisering tweede taal;
144° 2 voor de leergebieden Nederlands en wiskunde.
15De coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats is :
161° 1 voor lesplaatsen van een vestigingsplaats met meer dan 300 inwoners per km² en voor lesplaatsen in een penitentiaire inrichting;
172° 1,10 voor lesplaatsen die buiten een penitentiaire inrichting gelegen zijn in een vestigingsplaats met 300 of minder inwoners per km².
18De coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting is 1,40.
19Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij :
201° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs;
212° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist.
22De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50.
23De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50.
24De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat.
25§ 2ter. Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden jaarlijks 3826 aanvullende punten aan de centra voor basiseducatie toegekend voor het extra tewerkstellingsbeleid.
26De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende punten, vermeld in het eerste lid.
27Elk centrum voor basiseducatie heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende punten als het aandeel aan punten waarop het centrum volgens de berekening van paragraaf 1 recht heeft volgens de berekening, vermeld in paragraaf 2bis.
28Het personeelslid dat met deze aanvullende punten wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid.
4§ 3. De oprichting van ambten, vermeld in § 2, is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dat aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat het ambt uitoefent.29§ 3. De oprichting van ambten, vermeld in § 2, is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elk ambt een aantal punten wordt gekoppeld. Dat aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat het ambt uitoefent.
5De Vlaamse Regering legt voor elk ambt de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal.30De Vlaamse Regering legt voor elk ambt de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal.
+3 −2 decreet-2007-06-15/art. 90
1De Vlaamse Regering bepaalt voor de Centra voor Basiseducatie jaarlijks het percentage waarmee het totale volume aan VTE zoals bedoeld in artikel 85, aan punten voor de oprichting van ambten bedoeld in artikel 87 en aan werkingstoelage zoals bedoeld in artikel 89, maximaal kan toenemen.
2De groei zoals bedoeld in voorgaand lid bedraagt voor alle Centra voor Basiseducatie samen maximaal 822.394,36 euro in het begrotingsjaar 2008 en maximaal 862.461,44 euro in het begrotingsjaar 2009. De hier vernoemde bedragen zijn gebaseerd op de prijsindex van mei 2006.
1Het totale volume te verdelen vte en punten voor alle leergebieden volgt de evolutie van het totale aantal gewogen financieringspunten met het reële groeipercentage ten opzichte van het vorige referentiepunt.
2Het eerste referentiepunt is gelijk aan het aantal gewogen financieringspunten in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Bij elke daling of stijging van het aantal gewogen financieringspunten wordt er een nieuw referentiepunt vastgelegd dat gelijk is aan het vorige referentiepunt plus of min het groeipercentage.
3De Vlaamse Regering kan omwille van de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar per leergebied een ander groeipercentage dan vermeld in het eerste lid vastleggen.
+9 −4 decreet-2007-06-15/art. 107
1De Vlaamse Regering bepaalt voor de Centra voor Volwassenenonderwijs jaarlijks het percentage waarmee de leraarsuren zoals bedoeld in artikel 98 en de punten voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het bestuurs- en ondersteunend personeel zoals bedoeld in artikel 105, kunnen toenemen. Dit percentage wordt afzonderlijk bepaald voor de leraarsuren die gegenereerd worden door de opleidingen van het secundair volwassenenonderwijs, de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding. Indien het afzonderlijke groeipercentage van een indeling niet overschreden is, wordt het resterend aantal leraarsuren herverdeeld over de andere indelingen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van vastleggen en herverdelen van de groei.
2Aan de groei met betrekking tot de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs zoals vermeld in het voorgaande lid, wordt voor alle centra voor volwassenenonderwijs samen een bedrag van 1.644.512 euro voorzien in het begrotingsjaar 2016. Vanaf het begrotingsjaar 2017 worden er 41.622,70 bijkomende leraarsuren toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs.
1§ 1. Het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor alle studiegebieden, met uitzondering van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, volgt de evolutie van het totale aantal lesurencursist als volgt :
21° als het aantal gewogen financieringspunten voor het schooljaar n/n+1 afneemt of toeneemt met minder dan 1 % ten opzichte van het referentiepunt, vermeld in het tweede lid, neemt het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor het schooljaar n/n+1 toe of af met het reële groeipercentage;
32° als het aantal gewogen financieringspunten voor het schooljaar n/n+1 toeneemt met ten minste 1 % ten opzichte van het referentiepunt, vermeld in het tweede lid, neemt het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor het schooljaar n/n+1 toe met 1 %.
4Het eerste referentiepunt is gelijk aan het aantal gewogen financieringspunten in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Bij elke daling of stijging van het aantal gewogen financieringspunten wordt er een nieuw referentiepunt vastgelegd dat gelijk is aan het vorige referentiepunt plus of min het reële groeipercentage of het begrensde groeipercentage van 1 %.
5De Vlaamse Regering kan omwille van de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar een ander groeipercentage dan vermeld in het eerste en tweede lid vastleggen.
6§ 2. Het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 volgt de evolutie van het totale aantal gewogen financieringspunten met het reële groeipercentage ten opzichte van het vorige referentiepunt.
3Wanneer er definitief leraarsuren of punten van een Centrum voor Volwassenenonderwijs overgedragen worden naar een instelling van het secundair onderwijs, hoger onderwijs of deeltijds kunstonderwijs, dan worden deze leraarsuren of punten niet meer in rekening gebracht voor het bepalen van het percentagevermeld in het eerste lid.7§ 3. Als er definitief leraarsuren of punten van een centrum overgedragen worden aan een instelling van het secundair onderwijs, hoger onderwijs of deeltijds kunstonderwijs, worden die leraarsuren of punten niet meer in rekening gebracht voor het bepalen van het percentage, vermeld in paragraaf 1 en 2.
4Wanneer er definitief leraarsuren of punten naar een Centrum voor Volwassenenonderwijs overgedragen worden door overdrachten vanuit andere onderwijsniveaus of andere beleidsdomeinen, dan worden deze leraarsuren of punten mee in rekening gebracht voor het bepalen van het percentage, vermeld in het eerste lid.8Als er definitief leraarsuren of punten aan een centrum overgedragen worden door overdrachten vanuit andere onderwijsniveaus of andere beleidsdomeinen, worden die leraarsuren of punten niet mee in rekening gebracht voor het bepalen van het percentage, vermeld in paragraaf 1 en 2.
9§ 4. De Vlaamse Regering evalueert de berekening van de financieringspunten zoals vermeld in paragraaf 1 en 2 met het oog op een mogelijke bijsturing ervan vanaf het schooljaar 2023-2024.
+1 −1 decreet-2007-06-15/art. 112
1Het centrumbestuur mag de middelen die het krachtens artikelen 98 tot en met 112 verkrijgt uitsluitend aanwenden voor uitgaven die het gevolg zijn van zijn opdrachten, bepaald in dit decreet.1Het centrumbestuur mag de middelen die het krachtens artikelen 98 tot en met 108 verkrijgt uitsluitend aanwenden voor uitgaven die het gevolg zijn van zijn opdrachten, bepaald in dit decreet.
2Minimaal 5 percent van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 108, moet besteed worden aan kwaliteitszorg en de ontwikkeling van leermiddelen.2Minimaal 5 percent van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 108, moet besteed worden aan kwaliteitszorg en de ontwikkeling van leermiddelen.
3Het centrumbestuur voert een boekhouding, zodat de inkomsten overeenkomstig artikelen 98 tot en met 111 en de aanwending van die inkomsten duidelijk identificeerbaar zijn.3Het centrumbestuur voert een boekhouding, zodat de inkomsten overeenkomstig artikelen 98 tot en met 111 en de aanwending van die inkomsten duidelijk identificeerbaar zijn.
+28 −0 decreet-2007-06-15/art. 113novies
1§ 1. Het inschrijvingsgeld dat de cursist verschuldigd is, wordt berekend door het aantal lestijden van een module te vermenigvuldigen met 1,50 euro. Het inschrijvingsgeld voor het gecombineerd onderwijs wordt berekend, alsof het volledig in contactonderwijs is verstrekt.
2Indien de in artikel 24, § 2, bedoelde afwijking voor bijzondere doelgroepen het minimale aantal lestijden van een opleiding overschrijdt, dan wordt het inschrijvingsgeld berekend op basis van het aantal lestijden bedoeld in hetzelfde artikel 24, § 1, 3°.
3§ 2. Als de cursist zich binnen een periode van zes schooljaren drie keer voor dezelfde module heeft ingeschreven, wordt het verschuldigde inschrijvingsgeld bij een volgende inschrijving in dezelfde module berekend door het aantal lestijden van die module te vermenigvuldigen met 3 euro. Indien de cursist een volledige vrijstelling van inschrijvingsgeld geniet zoals bepaald in paragraaf 4, dan wordt het aantal lestijden vermenigvuldigd met 1,5 euro.
4In afwijking van het eerste lid geldt de vermenigvuldiging met 3 of 1,5 euro niet voor een inschrijving in een open module die voldoet aan de bepalingen van artikel 25bis.
5§ 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt het inschrijvingsgeld begrensd op 300 euro per opleiding per semester. Een semester is een periode van 1 september tot en met 31 december of een periode van 1 januari tot en met 31 augustus. Het inschrijvingsgeld, vermeld in paragraaf 2, wordt niet meegerekend in de begrenzing van het inschrijvingsgeld.
6§ 4. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een volledige vrijstelling van het inschrijvingsgeld voor cursisten die :
71° geen houder zijn van een diploma van het secundair onderwijs en ingeschreven zijn voor geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren, een opleiding in de leergebieden van de basiseducatie of een opleiding in de studiegebieden aanvullende algemene vorming of algemene vorming;
82° ingeschreven zijn voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting;
93° op het moment van hun inschrijving materiële hulp genieten zoals bedoeld in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen;
104° op het moment van hun inschrijving een inkomen verwerven via maatschappelijke dienstverlening of een leefloon of die ten laste zijn van de voormelde categorieën;
115° op het moment van inschrijving gedetineerd zijn zoals is bepaald in artikel 2, 16° bis;
126° inburgeraar zijn en een inburgeringscontract hebben ondertekend als vermeld in artikel 2, eerste lid, 10°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, of een attest van inburgering hebben behaald als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet, voor de opleidingen Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1, Nederlands tweede taal alfa mondeling richtgraad 1 - schriftelijk richtgraad 1.1, Latijns schrift - Basiseducatie van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal, Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal en de opleidingen Nederlands tweede taal richtgraad 1 Nederlands tweede taal richtgraad 1, Nederlands tweede taal richtgraad 2 en Latijns schrift in het studiegebied Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2;
137° op het moment van hun inschrijving nog niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht;
148° werkzoekend zijn, zoals bepaald in artikel 2, 47° bis;
159° niet-werkende, verplicht ingeschreven werkzoekenden zijn die op het moment van hun inschrijving nog geen recht op een inschakelingsuitkering hebben verworven;
1610° ingeschreven zijn voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 64bis;
1711° ingeschreven zijn voor de opleiding Ondernemerschap en tegelijk ingeschreven zijn als leerling in de derde graad van het secundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, een centrum voor deeltijdse vorming, of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
18§ 5. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,60 euro voor cursisten die ingeschreven zijn voor een opleiding in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4.
19§ 6. In afwijking van paragraaf 1 geldt er een verminderd inschrijvingsgeld van 0,30 euro voor cursisten die op het moment van hun inschrijving :
201° een inkomen verwerven via een inschakelingsuitkering of een werkloosheidsuitkering voor andere opleidingen dan deze bedoeld in paragraaf 4, 1°, 6° en 7°, of ten laste zijn van voormelde categorieën;
212° in het bezit zijn van een van de volgende attesten of die ten laste zijn van een persoon die in het bezit is van een van de volgende attesten :
22a) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 percent blijkt;
23b) een attest waaruit het recht blijkt op een integratietegemoetkoming aan gehandicapten;
24c) een attest waaruit de inschrijving bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap blijkt;
25d) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van het verdienvermogen tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;
26e) een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een vermindering blijkt van de zelfredzaamheid van ten minste zeven punten.
27§ 7. Centra die de studiegebieden aanvullende algemene vorming en algemene vorming organiseren en evaluaties afnemen van personen die geen lessen gevolgd hebben in het centrum voor volwassenenonderwijs in kwestie, vragen hiervoor een tegemoetkoming aan de cursist van 15 euro per evaluatieperiode.
28§ 8. Het centrum voor volwassenenonderwijs dat een examencommissie organiseert, vraagt hiervoor een tegemoetkoming van 15 euro per persoon en per evaluatieperiode.
+1 −0 decreet-2007-06-15/art. 120
1Het centrumbestuur draagt er zorg voor dat de cursist vanaf het ogenblik van inschrijving het centrumreglement gemakkelijk kan raadplegen. Als een cursist er uitdrukkelijk om vraagt, is het centrumbestuur ertoe gehouden een papieren kopie van het centrumreglement te overhandigen.1Het centrumbestuur draagt er zorg voor dat de cursist vanaf het ogenblik van inschrijving het centrumreglement gemakkelijk kan raadplegen. Als een cursist er uitdrukkelijk om vraagt, is het centrumbestuur ertoe gehouden een papieren kopie van het centrumreglement te overhandigen.
2Het centrumreglement bevat ten minste de bijdrageregeling, het reglement van orde, het evaluatiereglement en informatie over de klachtenprocedure.2Het centrumreglement bevat ten minste de bijdrageregeling, het reglement van orde, het evaluatiereglement en informatie over de klachtenprocedure.
3Indien het centrum voor volwassenenonderwijs onderwijsbevoegdheid heeft voor opleidingen waarbij cursisten in aanraking komen met voedingswaren, vermeldt het centrumreglement dat de cursist die deelneemt aan een opleiding waarbij deze in aanraking komt met voedingswaren, in voorkomend geval, het centrum onmiddellijk op de hoogte brengt van het feit dat zijn medische toestand een risico inhoudt op (on)rechtstreekse verontreiniging van levensmiddelen, met als gevolg dat na beslissing van het centrum de cursist hetzij tijdelijk bepaalde programmaonderdelen niet mag volgen, hetzij de opleiding in zijn geheel niet langer mag volgen. Daarbij wordt eveneens vermeld dat de gegevens over de medische toestand worden verwerkt onder de verantwoordelijkheid van de centrumdirecteur en dat de centrumdirecteur en de personeelsleden van het centrum die deze gegevens over de medische toestand verwerken, gehouden zijn tot geheimhouding over deze gegevens.
+40 −0 decreet-2007-06-15/art. 196septies
1§ 1. Onverminderd artikel 90 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, berekend volgens de volgende formules :
21° schooljaar 2019-2020 : (vte schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt);
32° schooljaar 2020-2021 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33);
43° schooljaar 2021-2022 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt);
54° schooljaar 2022-2023 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt).
6Onverminderd artikel 107 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules :
71° schooljaar 2019-2020 : (leraarsuren schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend);
82° schooljaar 2020-2021 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33);
93° schooljaar 2021-2022 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt);
104° schooljaar 2022-2023 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt).
11§ 2. Onverminderd artikel 90 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde punten waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, berekend volgens de volgende formule :
121° schooljaar 2019-2020 : (punten schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt);
132° schooljaar 2020-2021 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33);
143° schooljaar 2021-2022 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt);
154° schooljaar 2022-2023 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt).
16Onverminderd artikel 107 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde punten waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules :
171° schooljaar 2019-2020 : (punten schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend);
182° schooljaar 2020-2021 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33);
193° schooljaar 2021-2022 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt);
204° schooljaar 2022-2023 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt).
21§ 3. Voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2023-2024 wordt de werkingstoelage waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, als volgt berekend :
221° schooljaar 2019-2020 : werkingstoelage schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt;
232° schooljaar 2020-2021 : werkingstoelage, berekend op basis van de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019;
243° schooljaar 2021-2022 : werkingstoelage, berekend op basis van het gemiddelde van de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020;
254° schooljaar 2022-2023 : werkingstoelage, berekend op basis van het gemiddelde van de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021;
265° schooljaar 2023-2024 : werkingstoelage, berekend op basis van het gemiddelde van de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021.
27Voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2023-2024 wordt de werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules :
281° schooljaar 2019-2020 : (werkingstoelage schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 wordt gehanteerd en de lesurencursist die gerealiseerd zijn in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend);
292° schooljaar 2020-2021 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt);
303° schooljaar 2021-2022 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt);
314° schooljaar 2022-2023 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt);
325° schooljaar 2023-2024 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt).
33§ 4. Het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte en punten en de werkingstoelage waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 niet minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde vte en punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze vte, punten en werkingstoelagen in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde vte en punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, worden voor elk centrum deze verliezen gecompenseerd a rato van :
341° 100 % voor het schooljaar 2020-2021;
352° 66 % voor het schooljaar 2021-2022;
363° 33 % voor het schooljaar 2022-2023.
37Het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde leraarsuren en punten en de werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 niet minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde leraarsuren en punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze leraarsuren, punten en werkingstoelagen in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde leraarsuren en punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, worden voor elk centrum deze verliezen gecompenseerd a rato van :
381° 100 % voor het schooljaar 2020-2021;
392° 66 % voor het schooljaar 2021-2022;
403° 33 % voor het schooljaar 2022-2023.
+1 −0 decreet-2007-06-15/art. 196octies
1In afwijking van artikel 83 en artikel 97, § 6, wordt voor het schooljaar 2020-2021 in de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 en de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 vastgesteld of een centrum voldoet aan de rationalisatienorm.
+4 −4 decreet-2018-03-09/art. 3
1211° bewijs van competenties : een van rechtswege erkend studiebewijs dat de academie uitreikt aan een leerling die met goed gevolg een eerste, tweede of derde graad van een langlopende studierichting heeft beëindigd;1211° bewijs van competenties : een van rechtswege erkend studiebewijs dat de academie uitreikt aan een leerling die met goed gevolg een eerste, tweede of derde graad van een langlopende studierichting heeft beëindigd;
1312° bijdrage : een bedrag dat een schoolbestuur aan een leerling bij zijn inschrijving kan vragen bovenop het inschrijvingsgeld, vermeld in punt 30° ;1312° bijdrage : een bedrag dat een schoolbestuur aan een leerling bij zijn inschrijving kan vragen bovenop het inschrijvingsgeld, vermeld in punt 30° ;
1413° bijzondere vestigingsplaats : een gebouw of een gebouwencomplex waarin een orgel of beiaard tot het onroerend patrimonium behoort en waar uitsluitend het vak orgel of beiaard gegeven wordt;
1413° bijzondere vestigingsplaats: een gebouw of een gebouwencomplex waarin een orgel of beiaard tot het onroerend patrimonium behoort en waar uitsluitend orgel of beiaard gegeven worden of met moeilijk verplaatsbare slagwerkinstrumenten waar uitsluitend het vak slagwerk wordt gegeven die eigendom zijn van een socio-culturele vereniging, van een school voor secundair onderwijs of van een School of Arts en waar uitsluitend slagwerk gegeven wordt, of een gevangenis of een gesloten federaal centrum gelegen in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of een vestigingsplaats die voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 118bis;
1514° capaciteit : het maximaal aantal leerlingen dat een schoolbestuur per opleiding vooropstelt om de onderwijskwaliteit te garanderen;1514° capaciteit : het maximaal aantal leerlingen dat een schoolbestuur per opleiding vooropstelt om de onderwijskwaliteit te garanderen;
1615° cluster : opsomming van opties of muziekinstrumenten waarvoor een schoolbestuur als geheel onderwijsbevoegdheid kan verwerven;1615° cluster : opsomming van opties of muziekinstrumenten waarvoor een schoolbestuur als geheel onderwijsbevoegdheid kan verwerven;
58- de derde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten, dans of woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie;58- de derde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten, dans of woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie;
59- de derde graad van het domein muziek ingevuld met een bepaalde optie in combinatie met een bepaald muziekinstrument;59- de derde graad van het domein muziek ingevuld met een bepaalde optie in combinatie met een bepaald muziekinstrument;
60- de vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten, dans of woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie;60- de vierde graad van een studierichting in het domein beeldende en audiovisuele kunsten, dans of woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie;
61- de vierde graad van het domein muziek ingevuld met een bepaalde optie in combinatie met een bepaald muziekinstrument;61- de vierde graad van een studierichting in het domein muziek ingevuld met een bepaalde optie in combinatie met een bepaald muziekinstrument;
62- de kortlopende studierichting beeldende en audiovisuele cultuur;62- de kortlopende studierichting beeldende en audiovisuele cultuur;
63- de kortlopende studierichting specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten ingevuld met een bepaalde optie;63- de kortlopende studierichting specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten ingevuld met een bepaalde optie;
7552° rationalisatienorm : het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag in een academie, domein of structuuronderdeel in een vestigingsplaats ingeschreven moet zijn om na de programmatieperiode nog gefinancierd of gesubsidieerd te blijven;7552° rationalisatienorm : het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag in een academie, domein of structuuronderdeel in een vestigingsplaats ingeschreven moet zijn om na de programmatieperiode nog gefinancierd of gesubsidieerd te blijven;
7653° redelijke aanpassingen : maatregelen die genomen zijn op basis van de principes en indicatoren vermeld in artikel 2 van het protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding zodat leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften de leeractiviteiten in de academie kunnen volgen;7653° redelijke aanpassingen : maatregelen die genomen zijn op basis van de principes en indicatoren vermeld in artikel 2 van het protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding zodat leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften de leeractiviteiten in de academie kunnen volgen;
7754° regelmatige leerling : een leerling die voldoet aan de voorwaarden vermeld in punt 63° en het inschrijvingsgeld betaald heeft;7754° regelmatige leerling : een leerling die voldoet aan de voorwaarden vermeld in punt 63°;
7855° schoolbestuur : de inrichtende macht vermeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet; dit is de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor een of meer academies;7855° schoolbestuur : de inrichtende macht vermeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet; dit is de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor een of meer academies;
7956° schooljaar : de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar;7956° schooljaar : de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar;
+2 −1 decreet-2018-03-09/art. 4
81° interdisciplinaire samenwerking over de domeinen of over de studierichtingen in eenzelfde domein;81° interdisciplinaire samenwerking over de domeinen of over de studierichtingen in eenzelfde domein;
92° organisatie van terugkommomenten voor afgestudeerden;92° organisatie van terugkommomenten voor afgestudeerden;
103° innovatie van het onderwijs met betrekking tot de inhoud en methodiek.103° innovatie van het onderwijs met betrekking tot de inhoud en methodiek;
114° organisatie van verdiepende leeractiviteiten voor studenten hoger onderwijs op advies van een instelling voor hoger onderwijs, met het oog op het versterken van hun artistieke en culturele competenties.
11Een academie kan een aanbod van leeractiviteiten organiseren met het oog op lokale samenwerkingsinitiatieven met scholen van het kleuter-, leerplicht- en hoger onderwijs.12Een academie kan een aanbod van leeractiviteiten organiseren met het oog op lokale samenwerkingsinitiatieven met scholen van het kleuter-, leerplicht- en hoger onderwijs.
12Een academie kan geen andere opdrachten uitvoeren of bevoegdheden uitoefenen dan diegene die haar door toepassing van dit decreet zijn toegekend.13Een academie kan geen andere opdrachten uitvoeren of bevoegdheden uitoefenen dan diegene die haar door toepassing van dit decreet zijn toegekend.
+1 −0 decreet-2018-03-09/art. 6
5Voor langlopende studierichtingen die leiden naar een beroep waarvoor geen erkende beroepskwalificaties bestaan, en dit tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties bestaan, bepaalt de Vlaamse Regering de referentiekaders waarvan de basiscompetenties worden afgeleid. De basiscompetenties worden, zoals bij erkende beroepskwalificaties, vastgelegd gebruikmakend van descriptorelementen uit het kwalificatieraamwerk. De Vlaamse Onderwijsraad, de socioculturele sector, de sectorfondsen en de beroepsfederaties van artistieke beroepsbeoefenaars zullen om advies gevraagd worden bij het besluit dat de referentiekaders, het proces en de actoren om tot deze competenties te komen, zal vastleggen.5Voor langlopende studierichtingen die leiden naar een beroep waarvoor geen erkende beroepskwalificaties bestaan, en dit tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties bestaan, bepaalt de Vlaamse Regering de referentiekaders waarvan de basiscompetenties worden afgeleid. De basiscompetenties worden, zoals bij erkende beroepskwalificaties, vastgelegd gebruikmakend van descriptorelementen uit het kwalificatieraamwerk. De Vlaamse Onderwijsraad, de socioculturele sector, de sectorfondsen en de beroepsfederaties van artistieke beroepsbeoefenaars zullen om advies gevraagd worden bij het besluit dat de referentiekaders, het proces en de actoren om tot deze competenties te komen, zal vastleggen.
6De basiscompetenties worden bepaald door de Vlaamse Regering.6De basiscompetenties worden bepaald door de Vlaamse Regering.
7Voor de kwaliteitscontrole met het oog op de erkenning en de doorlichting, vermeld in artikel 32, 1° en 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, baseert de onderwijsinspectie zich op het verwerven van de basiscompetenties, de competenties van de beroepskwalificatie of de competenties van het specifieke gedeelte van de onderwijskwalificatie.
+2 −2 decreet-2018-03-09/art. 27
1De schoolbesturen van de academies die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad maken deel uit van een netoverschrijdend Samenwerkingsforum.1§ 1. De schoolbesturen van de academies die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad maken deel uit van een netoverschrijdend Samenwerkingsforum.
2Het Samenwerkingsforum :2Het Samenwerkingsforum :
31° optimaliseert het aanbod van opleidingen die door de academies voor deeltijds kunstonderwijs worden georganiseerd en stemt dit op elkaar af;31° optimaliseert het aanbod van opleidingen die door de academies voor deeltijds kunstonderwijs worden georganiseerd en stemt dit op elkaar af;
10§ 2. Het Samenwerkingsforum oefent tenminste de volgende opdrachten uit :10§ 2. Het Samenwerkingsforum oefent tenminste de volgende opdrachten uit :
111° de realisatie van de doelstellingen, vermeld in paragraaf 1;111° de realisatie van de doelstellingen, vermeld in paragraaf 1;
122° een met redenen omkleed advies aan de Vlaamse Regering verlenen over de aanvragen van de academies voor de programmatie van domeinen en structuuronderdelen, conform de voorwaardenvermeld in artikel 115 tot en met 118;122° een met redenen omkleed advies aan de Vlaamse Regering verlenen over de aanvragen van de academies voor de programmatie van domeinen en structuuronderdelen, conform de voorwaarden, vermeld in artikel 115 tot en met 118, en de aanvragen van de academies voor onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel 130;
133° alle opdrachten, die een schoolbestuur apart aan het Samenwerkingsforum toewijst of die de academies gezamenlijk aan het Samenwerkingsforum toewijzen, uitvoeren.133° alle opdrachten, die een schoolbestuur apart aan het Samenwerkingsforum toewijst of die de academies gezamenlijk aan het Samenwerkingsforum toewijzen, uitvoeren.
14§ 3. Het Samenwerkingsforum kan nooit zelf over onderwijsbevoegdheid beschikken.14§ 3. Het Samenwerkingsforum kan nooit zelf over onderwijsbevoegdheid beschikken.
+7 −3 decreet-2018-03-09/art. 32
1Om toegelaten te worden tot de derde graad van de domeinen dans of muziek moet de leerling de basiscompetenties van de tweede graad van het respectieve domein, verworven hebben.1Om toegelaten te worden tot de derde graad van de domeinen dans of muziek moet de leerling de basiscompetenties van de tweede graad van het respectieve domein, verworven hebben.
2In afwijking van het eerste lid kan de directeur op advies van de betrokken leerkrachten een leerling die de instrumenttechnische competenties van de tweede graad muziek niet volledig verworven heeft toch toelaten tot de derde graad muziek onder de volgende voorwaarden:
31° de leerling heeft alle overige competenties verworven;
42° de leerling volgt een instrumentvak in de tweede graad;
53° de leerling is vrijgesteld voor het instrumentvak in de derde graad.
2Om toegelaten te worden tot de derde graad van het domein woordkunst-drama moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden :6Om toegelaten te worden tot de derde graad van het domein woordkunst-drama moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden :
31° de basiscompetenties van de tweede graad van het domein woordkunst-drama verworven hebben;71° de basiscompetenties van de tweede graad van het domein woordkunst-drama verworven hebben;
42° de leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.82° de leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.
5Om toegelaten te worden tot de derde graad voor jongeren van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden:9Om toegelaten te worden tot de derde graad voor jongeren van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan de volgende voorwaarden:
61° de basiscompetenties van de tweede graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten verworven hebben ;101° de basiscompetenties van de tweede graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten verworven hebben of de leeftijd van twaalf jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar;
72° de leeftijd van twaalf jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.112° niet ouder zijn dan zeventien jaar op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.
8Om toegelaten te worden tot de derde graad voor volwassenen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling de leeftijd van achttien jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.12Om toegelaten te worden tot de derde graad voor volwassenen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling de leeftijd van achttien jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.
+4 −0 decreet-2018-03-09/art. 33
1§ 1. Om toegelaten te worden tot een studierichting in de vierde graad van de domeinen dans, woordkunst-drama of muziek moet de leerling de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben.1§ 1. Om toegelaten te worden tot een studierichting in de vierde graad van de domeinen dans, woordkunst-drama of muziek moet de leerling de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben.
2In afwijking van het eerste lid kan de directeur op advies van de betrokken leerkrachten een leerling die de instrumenttechnische competenties van de derde graad muziek niet volledig verworven heeft toch toelaten tot de vierde graad muziek onder de volgende voorwaarden:
31° de leerling heeft alle overige competenties verworven;
42° de leerling volgt een instrumentvak in de derde graad;
53° de leerling is vrijgesteld voor het instrumentvak in de vierde graad.
2§ 2. Om toegelaten te worden tot een studierichting van de vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden :6§ 2. Om toegelaten te worden tot een studierichting van de vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden :
31° de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben;71° de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben;
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 35
1Het schoolbestuur bepaalt de minimumleeftijd voor de kortlopende studierichtingen en houdt daarbij rekening met de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29.1Het schoolbestuur bepaalt de minimumleeftijd voor de kortlopende studierichtingen en houdt daarbij rekening met de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29.
2Met behoud van toepassing van de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29 tot en met 33, oordeelt de directeur op basis van de door de Vlaamse Regering vastgelegde modaliteiten, vermeld in artikel 34, na advies van de betrokken leerkrachten, of de leerling toegelaten wordt tot een van de kortlopende studierichtingen specialisatie, vermeld in artikel 13, § 1, 2°, 15, § 1, 2°, 17, § 1, 3°, en 19, § 1, 3°, op basis van de motivatie, de competenties en het potentieel van de leerling in relatie tot de finaliteit van de specialisatie, vermeld in artikel 3, 57°, en 21. De directeur motiveert zijn beslissing schriftelijk aan elke leerling.2Met behoud van toepassing van de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29 en 33, oordeelt de directeur op basis van de door de Vlaamse Regering vastgelegde modaliteiten, vermeld in artikel 34, na advies van de betrokken leerkrachten, of de leerling toegelaten wordt tot een van de kortlopende studierichtingen specialisatie, vermeld in artikel 13, § 1, 2°, 15, § 1, 2°, 17, § 1, 3°, en 19, § 1, 3°, op basis van de motivatie, de competenties en het potentieel van de leerling in relatie tot de finaliteit van de specialisatie, vermeld in artikel 3, 57°, en 21. De directeur motiveert zijn beslissing schriftelijk aan elke leerling.
+2 −1 decreet-2018-03-09/art. 37
1§ 1. Elke persoon heeft, met behoud van de toepassing van de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29 tot en met 36, recht op inschrijving in de academie en opleiding van zijn keuze, rekening houdend met het aanwezige onderwijsaanbod. Een leerling schrijft zich voor elk leerjaar van de opleiding opnieuw in.1§ 1. Elke persoon heeft, met behoud van de toepassing van de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29 tot en met 36, recht op inschrijving in de academie en opleiding van zijn keuze, rekening houdend met het aanwezige onderwijsaanbod. Een leerling schrijft zich voor elk leerjaar van de opleiding opnieuw in.
2Als een academie voor een bepaalde opleiding verschillende trajecten aanbiedt, heeft de leerling de keuze in welk traject hij de opleiding volgt. Een leerling kan na toestemming van de directeur van traject veranderen op voorwaarde dat hij de globale studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, niet overschrijdt.2Als een academie voor een bepaalde opleiding verschillende trajecten aanbiedt, kan de leerling kiezen in welk traject hij de opleiding volgt. Een leerling kan na toestemming van de directeur van traject veranderen. Als de leerling daardoor de globale studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, overschrijdt, wordt dat beschouwd als een verlenging van het leertraject, vermeld in artikel 62, tweede lid.
3Een leerling die in een bepaalde opleiding is ingeschreven kan zich niet meer opnieuw inschrijven voor dezelfde opleiding in dezelfde of een andere academie. Een leerling die in een bepaalde opleiding is afgestudeerd, kan zich niet meer opnieuw in dezelfde opleiding inschrijven.3Een leerling die in een bepaalde opleiding is ingeschreven kan zich niet meer opnieuw inschrijven voor dezelfde opleiding in dezelfde of een andere academie. Een leerling die in een bepaalde opleiding is afgestudeerd, kan zich niet meer opnieuw in dezelfde opleiding inschrijven.
4Een leerling die voor de inwerkingtreding van dit decreet is afgestudeerd in een opleiding van de oude structuur, kan zich niet meer opnieuw inschrijven in de overeenkomstige opleiding van de nieuwe structuur, tenzij de leerling bijkomende competenties verwerft. De Vlaamse Regering bepaalt de overeenstemming tussen de opleidingen van de oude en de nieuwe structuur.
4§ 2. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar. Het schoolbestuur maakt de start van zijn inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden.5§ 2. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar. Het schoolbestuur maakt de start van zijn inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden.
5Inschrijvingen kunnen uiterlijk tot 30 september van het lopende schooljaar plaatsvinden.6Inschrijvingen kunnen uiterlijk tot 30 september van het lopende schooljaar plaatsvinden.
+2 −3 decreet-2018-03-09/art. 38
1De leerlingen worden ingeschreven in de volgorde dat ze zich bij de academie aanmelden en voldoen aan al de volgende voorwaarden :1De leerlingen worden ingeschreven in de volgorde dat ze zich bij de academie aanmelden en voldoen aan al de volgende voorwaarden :
21° ten minste 50% van het inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91 en 92, betaald hebben;
32° zich akkoord verklaard hebben met het academiereglement;21° zich akkoord verklaard hebben met het academiereglement;
43° zich akkoord verklaard hebben met het eigen artistiek-pedagogische project van de academie.32° zich akkoord verklaard hebben met het eigen artistiek-pedagogische project van de academie.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 39
1In afwijking van artikel 38 heeft elke leerling die al les volgt in een academie voorrang op alle nieuwe leerlingen voor het vervolg op de opleiding die hij volgt, in diezelfde academie, als hij zich vóór 30 juni van het voorafgaande schooljaar waarop de inschrijving betrekking heeft, inschrijft.1In afwijking van artikel 38 heeft elke leerling die al les volgt in een academie voorrang op alle nieuwe leerlingen voor het vervolg op de opleiding die hij volgt, in diezelfde academie, als hij zich vóór 15 juli van het voorafgaande schooljaar waarop de inschrijving betrekking heeft, inschrijft.
+1 −0 decreet-2018-03-09/art. 46
1Een schoolbestuur dat een leerling weigert, deelt zijn beslissing schriftelijk of elektronisch mee binnen een termijn van tien werkdagen. De leerling en de betrokken personen krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.1Een schoolbestuur dat een leerling weigert, deelt zijn beslissing schriftelijk of elektronisch mee binnen een termijn van tien werkdagen. De leerling en de betrokken personen krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.
2In afwijking van het eerste lid deelt een schoolbestuur dat de inschrijving van een leerling weigert op grond van artikel 44, tweede lid, zijn beslissing schriftelijk of elektronisch mee ten laatste op 30 september van het schooljaar waarvoor de vraag tot inschrijving geldt.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 54
1Een regelmatige leerling heeft het inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 90 tot en met 92, betaald en is verplicht deel te nemen aan alle leeractiviteiten en zich te engageren om de vooropgestelde einddoelen te realiseren, behalve in geval van door het schoolbestuur gewettigde afwezigheid of behalve in geval van vrijstelling van een vak.1Een regelmatige leerling is verplicht deel te nemen aan alle leeractiviteiten en zich te engageren om de vooropgestelde einddoelen te realiseren, behalve in geval van door het schoolbestuur gewettigde afwezigheid of behalve in geval van vrijstelling van een vak.
2De academie is vrij om de indeling in klasgroepen te bepalen van de leerlingen die een bepaald vak volgen. Daarbij houdt zij rekening met de leeftijdsgebonden cognitieve en psychosociale ontwikkeling van kinderen, jongeren en volwassenen.2De academie is vrij om de indeling in klasgroepen te bepalen van de leerlingen die een bepaald vak volgen. Daarbij houdt zij rekening met de leeftijdsgebonden cognitieve en psychosociale ontwikkeling van kinderen, jongeren en volwassenen.
+2 −1 decreet-2018-03-09/art. 58
1311° informatie over extramurosactiviteiten;1311° informatie over extramurosactiviteiten;
1412° de vermelding dat bij verandering van academie leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe academie tenzij daar door de leerling of de betrokken personen expliciet verzet tegen wordt gepleegd nadat ze op hun verzoek die gegevens hebben ingezien;1412° de vermelding dat bij verandering van academie leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe academie tenzij daar door de leerling of de betrokken personen expliciet verzet tegen wordt gepleegd nadat ze op hun verzoek die gegevens hebben ingezien;
1513° het toetsingsinstrument als vermeld in artikel 57 met betrekking tot de relevante alternatieve leercontext.1513° het toetsingsinstrument als vermeld in artikel 57 met betrekking tot de relevante alternatieve leercontext;
1614° de uiterste datum waarop de leerling het inschrijvingsgeld betaalt conform artikel 90 en in voorkomend geval de mogelijkheden tot gespreide betaling.
16Als na de toelichting, vermeld in het tweede lid, 10°, blijkt dat de leerling of de betrokken personen een kopie van de leerlingengegevens willen, hebben ze kopierecht.17Als na de toelichting, vermeld in het tweede lid, 10°, blijkt dat de leerling of de betrokken personen een kopie van de leerlingengegevens willen, hebben ze kopierecht.
17Iedere kopie moet persoonlijk en vertrouwelijk behandeld worden, mag niet verspreid worden noch publiek gemaakt worden en mag alleen gebruikt worden in het kader van de leerloopbaan van de leerling. Als bepaalde gegevens ook een derde betreffen en volledige inzage in de gegevens door de leerling of de betrokken personen afbreuk zou doen aan het recht van de derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, wordt de toegang tot die gegevens verstrekt via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage.18Iedere kopie moet persoonlijk en vertrouwelijk behandeld worden, mag niet verspreid worden noch publiek gemaakt worden en mag alleen gebruikt worden in het kader van de leerloopbaan van de leerling. Als bepaalde gegevens ook een derde betreffen en volledige inzage in de gegevens door de leerling of de betrokken personen afbreuk zou doen aan het recht van de derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, wordt de toegang tot die gegevens verstrekt via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 73
2Het schoolbestuur kan het totale aantal toegekende lestijden aanwenden voor de organisatie van leeractiviteiten, muzikaal begeleiden en leeractiviteiten op maat. Het schoolbestuur kan maximaal drie percent van het aantal toegekende lestijden aanwenden voor pedagogische coördinatie. Dat percentage kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité.2Het schoolbestuur kan het totale aantal toegekende lestijden aanwenden voor de organisatie van leeractiviteiten, muzikaal begeleiden en leeractiviteiten op maat. Het schoolbestuur kan maximaal drie percent van het aantal toegekende lestijden aanwenden voor pedagogische coördinatie. Dat percentage kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité.
3§ 2. Elke lestijd die voor leeractiviteiten aangewend wordt resulteert elke week van het schooljaar in een leeractiviteit van minstens vijftig minuten voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en ministens zestig minuten voor de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek, of minstens vijftig of zestig minuten voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding, rekening houdend met de bepalingen over de organisatie van het schooljaar, vermeld in artikel 63 en 64.3§ 2. Elke lestijd die voor leeractiviteiten aangewend wordt resulteert elke week van het schooljaar in een leeractiviteit van minstens vijftig minuten voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en ministens zestig minuten voor de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek, of minstens vijftig of zestig minuten voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding, rekening houdend met de bepalingen over de organisatie van het schooljaar, vermeld in artikel 63 en 64.
4In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen.4In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen, verplaatsen of vervangen door extra-murosactiviteiten.
5§ 3. Maximaal vijf percent van de lestijden berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om voordrachtgevers in te zetten. Dat percentage kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité.5§ 3. Maximaal vijf percent van de lestijden berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om voordrachtgevers in te zetten. Dat percentage kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité.
6In het eerste lid wordt verstaan onder voordrachtgever : een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de academie. Een voordrachtgever geeft, in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, voordrachten in de academie of op een andere locatie in het kader van de realisatie van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties vanuit zijn deskundigheid of ervaring in de amateurkunsten, de professionele kunsten, de creatieve industrie of het cultureel erfgoed.6In het eerste lid wordt verstaan onder voordrachtgever : een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de academie. Een voordrachtgever geeft, in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, voordrachten in de academie of op een andere locatie in het kader van de realisatie van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties vanuit zijn deskundigheid of ervaring in de amateurkunsten, de professionele kunsten, de creatieve industrie of het cultureel erfgoed.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 90
1Een regelmatige leerling betaalt inschrijvingsgeld voor elk domein waarvoor hij zich inschrijft. Het volledige inschrijvingsgeld wordt betaald vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar.1Een regelmatige leerling betaalt inschrijvingsgeld voor elk domein waarvoor hij zich inschrijft. Het volledige inschrijvingsgeld wordt betaald vóór 1 november van het betrokken schooljaar.
2Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd.2Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 110
1Voor het bereiken van de rationalisatie- en programmatienormen worden alleen regelmatige leerlingen geteld.1Voor het bereiken van de rationalisatie- en programmatienormen worden alleen regelmatige leerlingen geteld.
2Elke regelmatige leerling telt in elke academie en in elke vestigingsplaats voor één teleenheid.2Elke regelmatige leerling telt in elk domein en in elke vestigingsplaats van een academie voor één teleenheid.
3De teldag voor de programmatie is 1 oktober van het lopende schooljaar.3De teldag voor de programmatie is 1 oktober van het lopende schooljaar.
4De teldag voor de rationalisatie is 1 februari van het voorgaande schooljaar.4De teldag voor de rationalisatie is 1 februari van het voorgaande schooljaar.
+3 −3 decreet-2018-03-09/art. 114
1§ 1. Een nieuwe academie die vanaf 1 september 2018 is opgericht, organiseert, op het einde van haar programmatieperiode, alle structuuronderdelen van minstens het domein muziek of beeldende en audiovisuele kunsten, met uitzondering van de kortlopende studierichtingen.1§ 1. Een nieuwe academie die vanaf 1 september 2018 is opgericht, organiseert, op het einde van haar programmatieperiode, alle structuuronderdelen van minstens het domein muziek of beeldende en audiovisuele kunsten, met uitzondering van de kortlopende studierichtingen.
2Een nieuwe academie kan in plaats van de eerste graad van een domein het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten .2Een nieuwe academie kan in plaats van de eerste graad van een domein het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten of zowel de eerste graad van een domein als de domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten.
3Een nieuwe academie moet het minimale aanbod, vermeld in het eerste lid, uiterlijk in het twaalfde schooljaar na de oprichting volledig uitgebouwd hebben. Daarbij kan ze de structuuronderdelen van een domein gelijktijdig oprichten, voor zover ze elk structuuronderdeel leerjaar per leerjaar opricht. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan ze evenwel in een tijd oprichten.3Een nieuwe academie moet het minimale aanbod, vermeld in het eerste lid, uiterlijk in het twaalfde schooljaar na de oprichting volledig uitgebouwd hebben. Daarbij kan ze de structuuronderdelen van een domein gelijktijdig oprichten, voor zover ze elk structuuronderdeel leerjaar per leerjaar opricht. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan ze evenwel in een tijd oprichten.
4§ 2. Een nieuwe academie wordt vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen, als ze op 1 oktober van het oprichtingsjaar aan de volgende voorwaarden voldoet :4§ 2. Een nieuwe academie wordt vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen, als ze op 1 oktober van het oprichtingsjaar aan de volgende voorwaarden voldoet :
51° minstens het eerste leerjaar van de tweede graad in de door haar opgerichte domeinen organiseren;51° minstens het eerste leerjaar van de tweede graad in de door haar opgerichte domeinen organiseren;
62° de programmatienormen van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, bereiken naar rato van het aantal opgerichte leerjaren van de structuuronderdelen in oprichting, in het traject met het meest aantal leerjaren, vermeld in artikel 70;62° een twaalfde van de programmatienormen van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, bereiken;
73° gelegen zijn in een gemeente waar in het schooljaar dat aan het oprichtingsjaar voorafgaat, de opgerichte opleidingen niet georganiseerd werden.73° gelegen zijn in een gemeente waar in het schooljaar dat aan het oprichtingsjaar voorafgaat, de opgerichte opleidingen niet georganiseerd werden.
8§ 3. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal opgerichte leerjaren van de structuuronderdelen in oprichting, in het traject met het meeste aantal leerjaren, vermeld in artikel 70.8§ 3. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal schooljaren dat de nieuwe academie al in oprichting is.
9Als dat niet het geval is, wordt de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd, tenzij de academie op de vorige teldag de programmatienormen gehaald heeft.9Als dat niet het geval is, wordt de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd, tenzij de academie op de vorige teldag de programmatienormen gehaald heeft.
10§ 4. Vanaf het dertiende bestaansjaar gelden de rationalisatienormen.10§ 4. Vanaf het dertiende bestaansjaar gelden de rationalisatienormen.
+4 −4 decreet-2018-03-09/art. 115
1§ 1. Een academie kan domeinen oprichten vanaf het tweede schooljaar dat ze in de financierings- of subsidiëringsregeling is opgenomen. Daartoe moet de academie in al haar reeds opgerichte domeinen, de rationalisatienormen, vermeld in artikel 126, bereiken op de teldag van het schooljaar vóór de oprichting van het nieuwe domein.1§ 1. Een academie kan domeinen oprichten vanaf het tweede schooljaar dat ze in de financierings- of subsidiëringsregeling is opgenomen. Daartoe moet de academie in al haar reeds opgerichte domeinen, de rationalisatienormen, vermeld in artikel 126, bereiken op de teldag van het schooljaar vóór de oprichting van het nieuwe domein.
2De programmatie van een nieuw domein omvat de oprichting van de structuuronderdelen van minstens de eerste en tweede graad. Een academie kan in plaats van de eerste graad van het domein het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten of zowel de eerste graad van een domein als de domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten.2De programmatie van een nieuw domein omvat de oprichting van de structuuronderdelen van minstens de eerste en tweede graad. Een academie kan in plaats van de eerste graad van het domein het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten of zowel de eerste graad van een domein als de domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten.
3Een academie moet dit domein uiterlijk in het zesde schooljaar na de oprichting volledig uitgebouwd hebben. Daarbij kan ze de structuuronderdelen van een domein gelijktijdig oprichten, voorzover ze elk structuuronderdeel leerjaar per leerjaar opricht. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan ze evenwel in één tijd oprichten.3Een academie moet dit domein uiterlijk in het achtste schooljaar na de oprichting volledig uitgebouwd hebben. Daarbij kan ze de structuuronderdelen van een domein gelijktijdig oprichten, voor zover ze elk structuuronderdeel leerjaar per leerjaar opricht. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan ze evenwel in één tijd oprichten.
4Een nieuw domein in een academie kan vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen worden, als het op de teldag van het oprichtingsjaar de programmatienormen, vermeld in artikel 119 en 120, bereikt naar rato van het aantal opgerichte leerjaren van de structuuronderdelen in oprichting, in het traject met het meest aantal leerjaren, vermeld in artikel 70.4Een nieuw domein in een academie kan vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen worden, als het op de teldag van het oprichtingsjaar een achtste van de programmatienormen, vermeld in artikel 119 en 120, bereikt..
5§ 2. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet het nieuwe domein gedurende vijf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken, vermeld in artikel 119 en 120, naar rato van het aantal opgerichte leerjaren van de structuuronderdelen in oprichting, in het traject met het meeste aantal leerjaren, vermeld in artikel 70.5§ 2. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet het nieuwe domein gedurende zeven schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken, vermeld in artikel 119 en 120, naar rato van het aantal schooljaren dat het nieuwe domein al in oprichting is.
6Als de programmatienorm niet gehaald wordt, wordt het domein in de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd, tenzij het domein op de vorige teldag de programmatienorm gehaald heeft.6Als de programmatienorm niet gehaald wordt, wordt het domein in de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd, tenzij het domein op de vorige teldag de programmatienorm gehaald heeft.
7§ 3. Vanaf het zevende bestaansjaar van het nieuw opgerichte domein geldt de rationalisatienorm.7§ 3. Vanaf het negende bestaansjaar van het nieuw opgerichte domein geldt de rationalisatienorm.
+2 −3 decreet-2018-03-09/art. 116
1Onder de oprichting van een structuuronderdeel als vermeld in het tweede lid en in artikel 117, wordt verstaan :
21° de uitbreiding naar een nieuwe vestigingsplaats van een structuuronderdeel dat de academie al in een of meer vestigingsplaatsen organiseert;
32° de oprichting van een nieuw structuuronderdeel van een domein waarvan de academie al een of meer structuuronderdelen organiseert in een bestaande of nieuwe vestigingsplaats .1Onder de oprichting van een structuuronderdeel, vermeld in het tweede lid en in artikel 117, wordt de oprichting van een nieuw structuuronderdeel van een domein waarvan de academie al een of meer structuuronderdelen organiseert in een bestaande of nieuwe vestigingsplaats verstaan.
4De oprichting van een structuuronderdeel gebeurt leerjaar per leerjaar. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kunnen evenwel in een tijd opgericht worden.2De oprichting van een structuuronderdeel gebeurt leerjaar per leerjaar. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kunnen evenwel in een tijd opgericht worden.
3Voor de structuuronderdelen van een nieuw opgericht domein, conform artikel 115, die in het negende bestaansjaar van het nieuw opgerichte domein nog in oprichting zijn, gelden de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117 en 118 tot de structuuronderdelen volledig zijn opgericht.
+5 −0 decreet-2018-03-09/art. 118bis nieuw
1De Vlaamse Regering kan een schoolbestuur toestaan een bijzondere vestigingsplaats zoals bedoeld in artikel 3, 13°, in gebruik te nemen, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
21° het schoolbestuur toont aan dat de infrastructuur van de vestigingsplaats, haar specifieke toerusting of de aard van de leerlingenpopulatie die er verblijft, verantwoordt dat de rationalisatie- en programmatienormen niet op de vestigingsplaats van toepassing zijn;
32° er is een protocol van de onderhandelingen in het bevoegde lokale comité over het in gebruik nemen van de vestigingsplaats.
4Een aanvraag kan op elk moment in het schooljaar worden ingediend.
5De Vlaamse Regering kan verdere modaliteiten vastleggen voor de manier waarop de aanvragen moeten worden ingediend en de wijze waarop ze worden beoordeeld.
+1 −0 decreet-2018-03-09/art. 124
93° a : aantal vestigingsplaatsen in dichtbevolkte gebieden waar het structuuronderdeel ingericht wordt;93° a : aantal vestigingsplaatsen in dichtbevolkte gebieden waar het structuuronderdeel ingericht wordt;
104° b : aantal vestigingsplaatsen in dunbevolkte gebieden waar het structuuronderdeel ingericht wordt.104° b : aantal vestigingsplaatsen in dunbevolkte gebieden waar het structuuronderdeel ingericht wordt.
11De vestigingsplaatsen van structuuronderdelen, vermeld in artikel 129, waarop de rationalisatienorm niet van toepassing is, worden in het tweede lid niet in rekening gebracht.
+1 −1 decreet-2018-03-09/art. 130
83° de unieke opties en muziekinstrumenten en de rationele spreiding ervan.83° de unieke opties en muziekinstrumenten en de rationele spreiding ervan.
9De Vlaamse Regering vraagt, voordat ze een beslissing als vermeld in het derde lid neemt, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad en de Onderwijsinspectie.9De Vlaamse Regering vraagt, voordat ze een beslissing als vermeld in het derde lid neemt, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad en de Onderwijsinspectie.
10§ 3. Een academie die gedurende twee opeenvolgende schooljaren geen enkele optie uit de clusters van opties, geen enkel muziekinstrument uit de clusters van muziekinstrumenten georganiseerd heeft, een unieke optie of een uniek muziekinstrument niet georganiseerd heeft, verliest vanaf het daaropvolgende schooljaar de onderwijsbevoegdheid voor die cluster van opties, cluster van muziekinstrumenten, unieke optie of dat uniek muziekinstrument.10§ 3. Een academie die gedurende drie opeenvolgende schooljaren geen enkele optie uit de clusters van opties, geen enkel muziekinstrument uit de clusters van muziekinstrumenten georganiseerd heeft, een optie of een muziekinstrument niet georganiseerd heeft, verliest vanaf het daaropvolgende schooljaar de onderwijsbevoegdheid voor die cluster van opties, cluster van muziekinstrumenten, optie of dat muziekinstrument.
+1 −0 decreet-2018-03-09/art. 139
1De Vlaamse Regering kent aan een academie van een goedgekeurd lokaal samenwerkingsinitiatief jaarlijks een puntenenveloppe en een werkingsbudget toe.1De Vlaamse Regering kent aan een academie van een goedgekeurd lokaal samenwerkingsinitiatief jaarlijks een puntenenveloppe en een werkingsbudget toe.
2In een samenwerkingsinitiatief dat in 2019 of 2020 is goedgekeurd, maar omwille van een ontoereikend globaal beschikbaar volume van punten en werkingsmiddelen, vermeld in artikel 140, paragraaf 1 en 2, niet weerhouden is, kan een schoolbestuur gedurende maximaal 3 schooljaren personeelsleden aanstellen ten laste van de werkingsmiddelen of van eigen middelen, conform artikel 82. Artikel 144 is van toepassing. De bepalingen, vermeld in artikel 143, 1° en 2°, zijn niet van toepassing.
+2 −2 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. III.27
158,1158,1
16secundair onderwijs16secundair onderwijs
176,3177,3
184. basisonderwijs184. basisonderwijs
19141914
318,1318,1
32secundair onderwijs32secundair onderwijs
336,3337,3
+2 −1 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. IV.1
87° speciale onderwijsleermiddelen in het volwassenen- en hoger onderwijs,87° speciale onderwijsleermiddelen in het volwassenen- en hoger onderwijs,
98° Europese en internationale programma’s,98° Europese en internationale programma’s,
109° tijdelijke projecten kunstinitiatie.109° tijdelijke projecten kunstinitiatie;
1110° centrale organisatie synchroon internet onderwijs.
+4 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. IV.52 nieuw
1De regering garandeert de centrale organisatie van het synchroon internetonderwijs, verder in dit hoofdstuk SIO te noemen, zoals vermeld in artikel 36/1 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 117/1 van de Codex Secundair Onderwijs.
2De regering bepaalt de opdracht van de centrale organisator.
3De subsidieovereenkomst heeft maximaal een duurtijd van vier schooljaren.
4De centrale organisator neemt een vertegenwoordiging van de regering op in zijn bestuursorganen.
+2 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. IV.53 nieuw
1Een organisatie die de taak van centrale organisator wil opnemen, al dan niet in samenwerking met andere partners voor specifieke deelopdrachten, moet daarvoor, na oproep door de Vlaamse Regering, een aanvraagdossier indienen.
2De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanstelling van de centrale organisator en de manier waarop de organisatie haar samenwerking met andere partners voor specifieke deelopdrachten moet beschrijven.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. V.1
54° de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten;54° de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten;
65° de personeelsleden, bedoeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;65° de personeelsleden, bedoeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;
76° de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 127, §1, 1° en 2° van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.76° de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. V.2
1De Vlaamse Regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot elk ambt of voor de basiseducatie tot elke functie.1De Vlaamse Regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot elk ambt.
2Zij kan daarbij rekening houden met het te onderwijzen vak of specialiteit, de opleiding, de module, het onderwijsniveau, de onderwijsvorm, de graad, het hoger beroepsonderwijs van kwalificatieniveau 5, de cyclus of de opleidingsvorm.2Zij kan daarbij rekening houden met het te onderwijzen vak of specialiteit, de opleiding, de module, het onderwijsniveau, de onderwijsvorm, de graad, het hoger beroepsonderwijs van kwalificatieniveau 5, de cyclus of de opleidingsvorm.
+1 −1 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. V.4
1De Vlaamse Regering kan voor een ambt of voor de basiseducatie voor een functie naast vereiste ook voldoende geachte en andere bekwaamheidsbewijzen vastleggen. Zij kan daarbij onder meer rekening houden met de situatie op de onderwijsarbeidsmarkt.1De Vlaamse Regering kan voor een ambt naast vereiste ook voldoende geachte en andere bekwaamheidsbewijzen vastleggen. Zij kan daarbij onder meer rekening houden met de situatie op de onderwijsarbeidsmarkt.
2Aan personen met een ander bekwaamheidsbewijs wordt tijdelijk een financiering of subsidiëring verleend. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder dit gebeurt.2Aan personen met een ander bekwaamheidsbewijs wordt tijdelijk een financiering of subsidiëring verleend. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder dit gebeurt.
+0 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VI.5
+3 −0 gecodificeerd-decreet-2016-10-28/art. VI.9 nieuw
1Instellingen die gefinancierd of gesubsidieerd worden door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming of het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs kunnen verantwoordingsstukken die betrekking hebben op de te verantwoorden subsidie op elektronische wijze beschikbaar stellen en kunnen de analoge documenten die ze opmaken of ontvangen bij de toepassing van wettelijke of reglementaire bepalingen, vervangen door elektronische kopieën.
2De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor die vervanging.
3Elektronische kopieën die worden opgemaakt en bewaard conform het eerste lid, behouden dezelfde geldigheid als de originelen voor de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen, vermeld in het eerste lid.
+3 −3 decreet-2017-07-07/art. 29
1Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs als vermeld in artikel 28, moet met betrekking tot de taalvereisten voor de onderwijstaal voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.1Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs als vermeld in artikel 28, moet met betrekking tot de taalvereisten voor de onderwijstaal voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.
2Een personeelslid dat behoort tot het bestuurs-, onderwijzend en ondersteunend personeel, beheerst de onderwijstaal minstens op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.2Een personeelslid dat aangesteld is in het ambt van directeur, adjunct-directeur, stafmedewerker of leraar basiseducatie, beheerst de onderwijstaal minstens op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
3Een personeelslid dat behoort tot een andere personeelscategorie dan de personeelscategorie, vermeld in het tweede lid, beheerst de onderwijstaal minstens op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.3Een personeelslid dat aangesteld is in het ambt van beleidsondersteunend administratief medewerker, uitvoerend administratief medewerker of ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting, beheerst de onderwijstaal minstens op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
4In afwijking van het tweede lid beheerst een personeelslid dat behoort tot het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat uitsluitend een of meer levende vreemde talen onderwijst, de onderwijstaal minstens op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.4In afwijking van het tweede lid beheerst een personeelslid aangesteld in het ambt van leraar basiseducatie en dat uitsluitend een of meer levende vreemde talen onderwijst, de onderwijstaal minstens op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
+1 −1 decreet-2017-07-07/art. 70
54° een opdracht in de vereniging die de rijdende kleuterschool Vlaanderen organiseert conform artikel 168 en 169 van het decreet van 25 februari 1997 basisonderwijs;54° een opdracht in de vereniging die de rijdende kleuterschool Vlaanderen organiseert conform artikel 168 en 169 van het decreet van 25 februari 1997 basisonderwijs;
65° de functie van secretaris van een reaffectatiecommissie;65° de functie van secretaris van een reaffectatiecommissie;
76° de examencommissies van de Vlaamse Gemeenschap;
76° ...;
87° de projecten die deel uitmaken van door de Vlaamse Gemeenschap onderschreven Europese en bilaterale uitwisselingsprojecten;87° de projecten die deel uitmaken van door de Vlaamse Gemeenschap onderschreven Europese en bilaterale uitwisselingsprojecten;
98° de door de Europese Unie ondersteunde Europese onderwijsprojecten;98° de door de Europese Unie ondersteunde Europese onderwijsprojecten;
+2 −0 decreet-2007-06-08/art. 24
2§ 2. Om in aanmerking te komen voor een studietoelage, moet de student minstens 27 studiepunten opnemen, waarbij de studiepunten tegelijkertijd kunnen betrekking hebben op verschillende opleidingen, zoals bedoeld in artikel 21, § 1.2§ 2. Om in aanmerking te komen voor een studietoelage, moet de student minstens 27 studiepunten opnemen, waarbij de studiepunten tegelijkertijd kunnen betrekking hebben op verschillende opleidingen, zoals bedoeld in artikel 21, § 1.
3In afwijking van het eerste lid komt de student die minder dan 27 studiepunten opneemt in aanmerking voor een studietoelage als hij in zijn diplomajaar zit.3In afwijking van het eerste lid komt de student die minder dan 27 studiepunten opneemt in aanmerking voor een studietoelage als hij in zijn diplomajaar zit.
4In afwijking van het eerste lid komt een student die minder dan 27 studiepunten opneemt, in aanmerking voor een studietoelage als het voor die student om medische redenen onmogelijk is om in te schrijven voor 27 studiepunten of meer.
5De ziekte van de student wordt aangetoond aan de hand van doktersattesten waarbij een arts attesteert dat de student wegens ziekte niet in staat is meer studiepunten op te nemen. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten waarop deze gegevens worden meegedeeld.
4§ 3. Als de studieomvang van de opleiding niet wordt uitgedrukt in studiepunten, wordt de studieomvang voor een academiejaar vastgesteld op zestig studiepunten.6§ 3. Als de studieomvang van de opleiding niet wordt uitgedrukt in studiepunten, wordt de studieomvang voor een academiejaar vastgesteld op zestig studiepunten.
5Als de student kan aantonen dat de door hem gevolgde opleiding, die niet uitgedrukt wordt in studiepunten, niet voltijds is, wordt de studieomvang bepaald op dertig studiepunten.7Als de student kan aantonen dat de door hem gevolgde opleiding, die niet uitgedrukt wordt in studiepunten, niet voltijds is, wordt de studieomvang bepaald op dertig studiepunten.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd