Artikel 28/2
Voorwaarden voor afzondering en fixatie om de veiligheid te herstellen bij acuut en ernstig gevaar voor de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige of andere personen, in de semiresidentiële en residentiële jeugdhulpverlening en een gemeenschapsinstelling
Afzondering of fixatie om de veiligheid te herstellen bij acuut en ernstig gevaar voor de minderjarige of anderen, al dan niet met instemming van de minderjarige of de ouders, is verboden tenzij onder de volgende voorwaarden:
- 1°de maatregel wordt ingezet als laatste redmiddel als preventieve interventies en alternatieven niet of niet langer volstaan;
- 2°de maatregel duurt zo kort mogelijk en stopt als het gevaar niet langer ernstig en acuut is;
- 3°de toepassing van afzondering of fixatie gebeurt alleen op maat van en zo veel mogelijk afgestemd met de minderjarige, de ouders en, in voorkomend geval, de opvoedingsverantwoordelijken en de situatie, conform de afspraken daar- over die op voorhand in het dossier zijn bepaald conform artikel 28/4;
- 4°tijdens het toepassen van de maatregel wordt blijvend gezocht naar minder ingrijpende alternatieven en de maatregel wordt uitgevoerd conform de afspraken daarover die op voorhand in het dossier zijn bepaald conform artikel 28/4;
- 5°mechanische fixatie bij minderjarigen, jonger dan 12 jaar, is verboden;
- 6°het gelijktijdig toepassen van afzondering samen met fixatie wordt zo veel als mogelijk vermeden;
- 7°passende maatregelen worden genomen om de minderjarige van de nodige medische zorg te verzekeren als de medische bijstand bij of na de afzondering of fixatie vereist is;
- 8°de jeugdhulpverlener of de begeleider heeft tijdens de maatregel regelmatig contact met de minderjarige met de focus op het welbevinden van de minderjarige;
- 9°de minderjarige heeft tijdens de maatregel de mogelijkheid om heen en weer te communiceren met een nabije jeugdhulpverlener of begeleider van de jeugdhulpvoorziening.
In het eerste lid, 5°, wordt verstaan onder mechanische fixatie: fixatie door het gebruik van mechanische hulpmiddelen die bevestigd zijn aan of in de directe omgeving van de persoon. Die mechanische hulpmiddelen kunnen niet zelfstandig door de persoon verwijderd worden. Hulpmiddelen voor het ondersteunen of corrigeren van de fysieke houding van de persoon die bevestigd zijn aan of in de directe omgeving van de persoon, en die niet zelfstandig door de persoon verwijderd kunnen worden, worden niet beschouwd als mechanische fixatie, tenzij die hulpmiddelen buiten hun oorspronkelijke doelstelling gebruikt worden.