Artikel 12/8
Recht op persoonlijke bezittingen in de residentiële jeugdhulpverlening of een gemeenschapsinstelling
§1. De minderjarige die in de residentiële jeugdhulpverlening of een gemeenschapsinstelling verblijft, beschikt over en zorgt voor diens persoonlijke bezittingen. De minderjarige kan die bezittingen bewaren in de eigen kamer of in een persoonlijke opbergruimte.
De jeugdhulpaanbieder kan voorwerpen die het samenwonen en de veiligheid van de minderjarige in het gedrang kunnen brengen, verbieden en indien nodig in bewaring nemen.
De jeugdhulpvoorziening omschrijft in het huishoudelijk reglement op welke soort voorwerpen het tweede lid van toepassing is en op welke wijze daar in dialoog mee wordt omgegaan, en ze informeert de minderjarige daarover.
§2. De jeugdhulpvoorziening zorgt ervoor dat de minderjarige een archief krijgt met spullen en documenten die de minderjarige persoonlijk toebehoren, opdat de minderjarige het verblijf in de residentiële jeugdhulpverlening of een gemeenschapsinstelling kan reconstrueren.