Decreet tot uitvoering van maatregelen betreffende het onderwijs uit cao XI vanaf het schooljaar 2019-2020
Staatsblad 8 mei 2019 NUMAC 2019040969
48 artikels gewijzigd
| 1 | Elke instelling stelt jaarlijks een nascholingsplan op. Dat nascholingsplan bevat op een samenhangende wijze alle vormingsinspanningen die erop gericht zijn de kennis, vaardigheden en attitudes van de personeelsleden van de instelling te ontwikkelen, te verbreden of te verdiepen en begeleidingsinitiatieven die gericht zijn op organisatieontwikkeling. | 1 | Elke instelling stelt jaarlijks een nascholingsplan op. Dat professionaliseringsplan bevat op een samenhangende wijze alle vormingsinspanningen die erop gericht zijn de kennis, vaardigheden en attitudes van de personeelsleden van de instelling te ontwikkelen, te verbreden of te verdiepen en begeleidingsinitiatieven die gericht zijn op organisatieontwikkeling. |
| 2 | In het professionaliseringsplan worden ook de aanpak en uitwerking opgenomen van de aanvangsbegeleiding voor de personeelsleden die aangesteld zijn voor bepaalde duur als vermeld in artikel 20bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 20bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. | ||
| 2 | Het nascholingsplan wordt goedgekeurd door ofwel het lokaal comité ofwel, bij ontstentenis hiervan, door de algemene personeelsvergadering. | 3 | Het professionaliseringsplan wordt goedgekeurd door ofwel het lokaal comité ofwel, bij ontstentenis hiervan, door de algemene personeelsvergadering. |
| 3 | Onder lokaal comité wordt verstaan : het voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokale overlegorgaan of onderhandelingsorgaan. | 4 | Onder lokaal comité wordt verstaan : het voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokale overlegorgaan of onderhandelingsorgaan. |
| 37 | 33° module : een module zoals bedoeld in artikel 24 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs; | 37 | 33° module : een module zoals bedoeld in artikel 24 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs; |
| 38 | 34° opleiding : een opleiding, zoals bedoeld in artikel 24 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs; | 38 | 34° opleiding : een opleiding, zoals bedoeld in artikel 24 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs; |
| 39 | 35° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs of in het volwassenenonderwijs zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs. | 39 | 35° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs. |
| 40 | 36° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs en lector in het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding in het volwassenenonderwijs; | 40 | 36° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs; |
| 41 | 37° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. | 41 | 37° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. |
| 42 | 38° het net : | 42 | 38° het net : |
| 48 | 41° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. | 48 | 41° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. |
| 49 | 42° internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien: medisch-pedagogische instituten van het gemeenschapsonderwijs, instituten voor buitengewoon secundair onderwijs van het gemeenschapsonderwijs en autonome internaten buitengewoon onderwijs van het gemeenschapsonderwijs met openstelling tijdens schoolvrije dagen die verblijf en begeleiding voor hun internen tijdens de schoolvrije dagen organiseren als bedoeld in artikel III.38 en volgende van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs; | 49 | 42° internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien: medisch-pedagogische instituten van het gemeenschapsonderwijs, instituten voor buitengewoon secundair onderwijs van het gemeenschapsonderwijs en autonome internaten buitengewoon onderwijs van het gemeenschapsonderwijs met openstelling tijdens schoolvrije dagen die verblijf en begeleiding voor hun internen tijdens de schoolvrije dagen organiseren als bedoeld in artikel III.38 en volgende van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs; |
| 50 | 43° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. | 50 | 43° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; |
| 51 | 44° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie. | ||
| 17 | 4° gesubsidieerd contractueel personeelslid. | 17 | 4° gesubsidieerd contractueel personeelslid. |
| 18 | § 4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker. | 18 | § 4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker. |
| 19 | Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 720 dagen, berekend volgens paragraaf 1. | 19 | Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de raad van bestuur de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De raad van bestuur kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 580 dagen, berekend volgens paragraaf 1. |
| 20 | § 5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, § 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of artikel 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, § 2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs en artikel III.36 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel. | 20 | § 5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, § 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of artikel 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, § 2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs en artikel III.36 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel. |
| 1 | § 1. De tijdelijke aanstelling gebeurt door de directeur. | ||
| 2 | § 2. In afwijking van de bepaling van § 1 gebeurt de tijdelijke aanstelling in een autonoom internaat of bij de scholengroep door de raad van bestuur, op voorstel van het betrokken instellingshoofd. | ||
| 3 | § 3. In afwijking van de bepaling van § 1 gebeurt de tijdelijke aanstelling in het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst door de afgevaardigd bestuurder, op voorstel van het betrokken instellingshoofd. | ||
| 4 | § 4. Een tijdelijke aanstelling gebeurt in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking voor een bepaalde duur of voor een doorlopende duur. |
| 1 | § 1. Een tijdelijk personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur, tenzij het personeelslid voldoet aan artikel 21, 21bis, 100quater decies of 100quinquies decies. | ||
| 2 | Tijdens de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft een tijdelijk personeelslid recht op aanvangsbegeleiding. Het tijdelijke personeelslid wordt tijdens de periode van aanvangsbegeleiding gecoacht en ondersteund. De duur en intensiteit van de aanvangsbegeleiding worden bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator en opgenomen in een schriftelijke overeenkomst of in voorkomend geval in de functiebeschrijving van het personeelslid. De schriftelijke overeenkomst wordt in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator tijdens de periode van de aanvangsbegeleiding aangepast als gevolg van nieuwe afspraken. | ||
| 3 | Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de raad van bestuur, door de afgevaardigd bestuurder in het geval van het vormingscentrum, of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort. | ||
| 4 | § 2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 55bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet. |
| 1 | § 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen, met uitzondering van deze van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren. | 1 | § 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen, met uitzondering van deze van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren. |
| 2 | § 2. Een tijdelijke aanstelling in een instelling kan gebeuren in een vacante en/of nietvacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur. Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel. | 2 | § 2. Een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur kan gebeuren in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking. Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel. |
| 3 | § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden: | ||
| 3 | § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het in één of meer instellingen van dezelfde scholengroep gespreid over tenminste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van tenminste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd , waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. | 4 | 1° gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen; |
| 5 | 2° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de voorwaarden, vermeld in punt 1°, bereikt geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn. | ||
| 6 | Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIIIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen. | ||
| 7 | Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat hij een beslissing neemt. | ||
| 8 | De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dat deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | ||
| 9 | In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. | ||
| 4 | Het recht geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen: | 10 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen: |
| 5 | 1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren; | 11 | 1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren; |
| 6 | 2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren. | 12 | 2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren. |
| 7 | Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur moet, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgend schooljaar, vóór 15 juni bij de raad van bestuur, kandideren met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in één of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dit vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | 13 | Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. |
| 8 | Het recht op tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk Vbisvoor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | 14 | Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. |
| 9 | § 4. De anciënniteit bedoeld in § 3 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. | 15 | § 4. De anciënniteit bedoeld in paragraaf 3 of artikel 100quater decies wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. |
| 10 | Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties in één of meer instellingen die vanaf 1 april 1999 behoren tot dezelfde scholengroep. | 16 | Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties in één of meer instellingen die vanaf 1 april 1999 behoren tot dezelfde scholengroep. |
| 11 | Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 4, § 1, a, het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. | 17 | Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 4, § 1, a, het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. |
| 12 | In afwijking van artikel 4, § 2, dient voor de vaststelling van het recht bedoeld in § 3 in het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs die dienstanciënniteit niet in hoofdambt verworven te zijn. | 18 | In afwijking van artikel 4, § 2, dient voor de vaststelling van het recht bedoeld in paragraaf 3 of artikel 100quater decies in het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs die dienstanciënniteit niet in hoofdambt verworven te zijn. |
| 13 | § 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in § 3 bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 19 | § 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in paragraaf 3 of artikel 100quater decies bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 14 | Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 20 | Is de in paragraaf 3 of artikel 100quater decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 15 | Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 21 | Is de in paragraaf 3 of artikel 100quater decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 16 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de raad van bestuur in het basis- of secundair onderwijs gebruikmaakt van artikel 4, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit. | 22 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de raad van bestuur in het basis- of secundair onderwijs gebruikmaakt van artikel 4, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit. |
| 17 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengroep. | 23 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengroep. |
| 18 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : | 24 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : |
| 19 | 1° volgens artikel 24, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § § 3 en 4 van dit artikel ; | 25 | 1° volgens artikel 24, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quater decies; |
| 20 | 2° volgens artikel 73quaterdecies , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § § 3 en 4 van dit artikel , maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengroep in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in § 3 van dit artikel . | 26 | 2° volgens artikel 73quaterdecies , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quater decies, maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengroep in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in paragraaf 3 van dit artikel of artikel 100quater decies. |
| 21 | § 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en : | 27 | § 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en : |
| 22 | 1° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 61, 6° of 7°, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel ; | 28 | 1° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 61, 6° of 7°, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quater decies; |
| 23 | 2° dat wordt ontslagen volgens artikel 73terdecies : | 29 | 2° dat wordt ontslagen volgens artikel 73terdecies : |
| 24 | - kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen; | 30 | - kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quater decies maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen; |
| 25 | - verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen; | 31 | - verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen; |
| 26 | - kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen; | 32 | - kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen; |
| 27 | 3° een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen in toepassing van artikel 73undecies, kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen. | 33 | 3° een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen in toepassing van artikel 73undecies, kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen. |
| 28 | § 7ter. Een personeelslid dat vast benoemd is en dat wordt ontslagen of afgezet : | 34 | § 7ter. Een personeelslid dat vast benoemd is en dat wordt ontslagen of afgezet : |
| 29 | 1° volgens artikel 61, 6° of 7°, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel ; | 35 | 1° volgens artikel 61, 6° of 7°, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quater decies; |
| 30 | 2° volgens artikel 73terdecies, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen. | 36 | 2° volgens artikel 73terdecies, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quater decies maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen. |
| 31 | § 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24 of na een ontslag of afzetting volgens artikel 61, 6° of 7°, opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in § 3 . Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde in andere instellingen van de scholengroep. | 37 | § 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24 of na een ontslag of afzetting volgens artikel 61, 6° of 7°, opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in paragraaf 3 of artikel 100quater decies. Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde in andere instellingen van de scholengroep. |
| 32 | Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 73terdecies of artikel 73quaterdecies opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep in de instelling of de pedagogische entiteit én in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde. | 38 | Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 73terdecies of artikel 73quaterdecies opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep in de instelling of de pedagogische entiteit én in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde. |
| 33 | § 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking. | 39 | § 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking. |
| 20 | Is de in paragraaf 3 of artikel 100quater decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 20 | Is de in paragraaf 3 of artikel 100quater decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 21 | Is de in paragraaf 3 of artikel 100quater decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 21 | Is de in paragraaf 3 of artikel 100quater decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 22 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de raad van bestuur in het basis- of secundair onderwijs gebruikmaakt van artikel 4, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit. | 22 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de raad van bestuur in het basis- of secundair onderwijs gebruikmaakt van artikel 4, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, derde lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 490 dagen dienstanciënniteit. |
| 23 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengroep. | 23 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengroep. |
| 24 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : | 24 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : |
| 1 | § 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren. | 1 | § 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren. |
| 2 | § 2. Een tijdelijke aanstelling in een instelling kan gebeuren in een vacante en/of nietvacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur. Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel. | 2 | § 2. Een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur kan gebeuren in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking. Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel. |
| 3 | § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden: | ||
| 3 | § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het in één of meer instellingen van dezelfde scholengroep gespreid over tenminste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van tenminste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd , waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. | 4 | 1° gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen; |
| 5 | 2° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de voorwaarden, vermeld in punt 1°, bereikt geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn. | ||
| 6 | Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding werd afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIIIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens deze bijkomende periode moet volgen. | ||
| 7 | Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat het een beslissing neemt. | ||
| 8 | De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken beoordeling door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | ||
| 9 | In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. | ||
| 4 | Het recht geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen: | 10 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen: |
| 5 | 1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net; | 11 | 1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net; |
| 6 | 2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep; | 12 | 2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep; |
| 7 | 3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. | 13 | 3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. |
| 8 | Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur moet, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgend schooljaar, vóór 15 juni bij de raad van bestuur, kandideren met een ter post aangetekende brief. | ||
| 9 | Als het personeelslid in één of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dit vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | 14 | Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. |
| 10 | Het recht op tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk Vbisvoor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | 15 | Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. |
| 11 | § 4. De anciënniteit bedoeld in § 3 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. | 16 | § 4. De anciënniteit bedoeld in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. |
| 12 | Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties: | 17 | Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties: |
| 13 | - in één of meer instellingen die sinds de oprichting van de scholengemeenschap tot die scholengemeenschap behoren; | 18 | - in één of meer instellingen die sinds de oprichting van de scholengemeenschap tot die scholengemeenschap behoren; |
| 15 | - in één of meer instellingen die vanaf 1 april 1999 behoren tot dezelfde scholengroep. | 20 | - in één of meer instellingen die vanaf 1 april 1999 behoren tot dezelfde scholengroep. |
| 16 | Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 4, § 1, a, het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. | 21 | Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 4, § 1, a, het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. |
| 17 | § 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in § 3 bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 22 | § 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 18 | Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 23 | Is de in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 19 | Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 24 | Is de in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 20 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de raad van bestuur gebruikmaakt van artikel 4, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit. | 25 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de raad van bestuur gebruikmaakt van artikel 4, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit. |
| 21 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengroep. | 26 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengroep. |
| 22 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : | 27 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : |
| 23 | 1° volgens artikel 24 of volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel ; | 28 | 1° volgens artikel 24 of volgens artikel 25 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies; |
| 24 | 2° volgens artikel 73quaterdecies of volgens artikel 47quaterdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in § 3 van dit artikel . | 29 | 2° volgens artikel 73quaterdecies of volgens artikel 47quaterdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in paragraaf 3 van dit artikel of artikel 100quinquies decies. |
| 25 | § 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en : | 30 | § 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en : |
| 26 | 1° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 61, 6° of 7°, of volgens artikel 64, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel ; | 31 | 1° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 61, 6° of 7°, of volgens artikel 64, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies; |
| 27 | 2° dat wordt ontslagen volgens artikel 73terdecies of volgens artikel 47terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs : | 32 | 2° dat wordt ontslagen volgens artikel 73terdecies of volgens artikel 47terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs : |
| 28 | - kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen; | 33 | - kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen; |
| 29 | - verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen; | 34 | - verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen; |
| 30 | - kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap en van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen; | 35 | - kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap en van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen; |
| 31 | 3° een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen in toepassing van artikel 73undecies, kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen. | 36 | 3° een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen in toepassing van artikel 73undecies, kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen. |
| 32 | § 7ter. Een personeelslid dat vast benoemd is en dat wordt ontslagen of afgezet : | 37 | § 7ter. Een personeelslid dat vast benoemd is en dat wordt ontslagen of afgezet : |
| 33 | 1° volgens artikel 61, 6° of 7°, of volgens artikel 64, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel ; | 38 | 1° volgens artikel 61, 6° of 7°, of volgens artikel 64, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies; |
| 34 | 2° volgens artikel 73terdecies of volgens artikel 47terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap en van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen. | 39 | 2° volgens artikel 73terdecies of volgens artikel 47terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 100quinquies decies maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap en van de scholengroep ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen. |
| 35 | § 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24 of na een ontslag of afzetting volgens artikel 61, 6° of 7°, opnieuw wordt aangesteld in een instelling van de scholengemeenschap, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in § 3 . Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde in andere instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep. | 40 | § 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24 of na een ontslag of afzetting volgens artikel 61, 6° of 7°, opnieuw wordt aangesteld in een instelling van de scholengemeenschap, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies. Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde in andere instellingen van de scholengemeenschap en van de scholengroep. |
| 36 | Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 73terdecies of artikel 73quaterdecies opnieuw wordt aangeworven in de instelling of de pedagogische entiteit én in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde. | 41 | Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 73terdecies of artikel 73quaterdecies opnieuw wordt aangeworven in de instelling of de pedagogische entiteit én in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde. |
| 37 | § 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking. | 42 | § 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking. |
| 47 | § 13. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de directeur inzage van de administratieve documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist. | 52 | § 13. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de directeur inzage van de administratieve documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist. |
| 48 | § 14. De directeur moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid. | 53 | § 14. De directeur moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid. |
| 54 | § 15. Als een scholengemeenschap bestaat uit instellingen van meerdere inrichtende machten, wisselen die inrichtende machten binnen de scholengemeenschap met betrekking tot de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur zijn aangesteld de gegevens uit die relevant zijn voor het naleven van de rechten en verplichtingen die in dit artikel opgenomen zijn. Het gaat daarbij om volgende gegevens van een personeelslid: | ||
| 55 | 1° de identificatiegegevens; | ||
| 56 | 2° de opdracht(en) en betrekking(en); | ||
| 57 | 3° de dienstanciënniteit; | ||
| 58 | 4° de school en het schoolbestuur; | ||
| 59 | 5° verslagen van functionerings- of evaluatiegesprekken; | ||
| 60 | 6° verslagen in functie van de beoordeling. | ||
| 61 | Verslagen over de beoordeling, functionerings- of evaluatiegesprekken worden alleen uitgewisseld tussen die instellingen van de scholengemeenschap waar het personeelslid diensten presteert. | ||
| 62 | De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om specifieke bepalingen uit te werken omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke transparante verwerking. | ||
| 23 | Is de in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 23 | Is de in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 24 | Is de in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 24 | Is de in paragraaf 3 of artikel 100quinquies decies bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 25 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de raad van bestuur gebruikmaakt van artikel 4, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit. | 25 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de raad van bestuur gebruikmaakt van artikel 4, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 490 dagen dienstanciënniteit. |
| 26 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengroep. | 26 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengroep. |
| 27 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : | 27 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : |
| 1 | Een personeelslid kan in vast verband worden benoemd als hij op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de bepalingen van artikel 17, met uitzondering van paragraaf 1, 7°, en daarenboven : | 1 | Een personeelslid kan in vast verband worden benoemd als hij op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de bepalingen van artikel 17, met uitzondering van paragraaf 1, 7°, en daarenboven : |
| 2 | 1° op 30 juni voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 720 dagen dienstanciënniteit telt, waarvan 360 dagen in het betrokken ambt. Als het een leraar betreft in het bezit van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs kan de raad van bestuur eisen dat, van de 720 dagen er 360 werden gepresteerd in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking; | 2 | 1° op 31 augustus voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 690 dagen dienstanciënniteit telt, waarvan 360 dagen in het betrokken ambt. Als het een leraar betreft in het bezit van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs kan de raad van bestuur eisen dat, van de 690 dagen er 360 zijn gepresteerd in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking; |
| 3 | 2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten; | 3 | 2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten; |
| 4 | 3° op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van deze scholengemeenschap. Is het personeelslid op 31 december voor doorlopende duur aangesteld in het ambt van leraar, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft opgebouwd, zoals bepaald in artikel 21, § 5, en artikel 21bis, § 5. De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing op een personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of op een personeelslid bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij vast benoemd is en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Dit personeelslid moet, voor zover hij het ambt van leraar uitoefent, 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking; | 4 | 3° op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van deze scholengemeenschap. Is het personeelslid op 31 december voor doorlopende duur aangesteld in het ambt van leraar, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft opgebouwd, zoals bepaald in artikel 21, § 5, en artikel 21bis, § 5. De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing op een personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of op een personeelslid bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij vast benoemd is en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Dit personeelslid moet, voor zover hij het ambt van leraar uitoefent, 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking; |
| 6 | Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overlaat, wordt geacht ook gedaan te zijn bij de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overneemt. | 6 | Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die is ingediend bij de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overlaat, wordt geacht ook gedaan te zijn bij de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overneemt. |
| 7 | De mededeling door de raad van bestuur van de scholengroep van de vacante betrekkingen met het oog op een vaste benoeming in de instelling die wordt overgenomen, wordt geacht gedaan te zijn door de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overneemt. | 7 | De mededeling door de raad van bestuur van de scholengroep van de vacante betrekkingen met het oog op een vaste benoeming in de instelling die wordt overgenomen, wordt geacht gedaan te zijn door de raad van bestuur van de scholengroep die de instelling overneemt. |
| 8 | § 5. Personeelsleden die in de instelling die wordt overgenomen op het ogenblik van de overname recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21, § 3, of 21bis, § 3, behouden dit recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de scholengroep die de instelling overneemt. | 8 | § 5. Personeelsleden die in de instelling die wordt overgenomen op het ogenblik van de overname recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21, § 3, artikel 100quater decies, artikel 21bis, § 3, of artikel 100quinquies decies, behouden dit recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de scholengroep die de instelling overneemt. |
| 4 | § 3. De diensten gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs worden beschouwd als diensten gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs. Voor de toepassing van dit decreet worden de diensten gepresteerd in een ambt, betrekking, opleiding, module, vak of specialiteit in de overgenomen instelling, geacht gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, dezelfde opleiding, dezelfde module, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit in de scholengroep, en in voorkomend geval de scholengemeenschap die na overname bevoegd is voor de instelling. | 4 | § 3. De diensten gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs worden beschouwd als diensten gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs. Voor de toepassing van dit decreet worden de diensten gepresteerd in een ambt, betrekking, opleiding, module, vak of specialiteit in de overgenomen instelling, geacht gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, dezelfde opleiding, dezelfde module, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit in de scholengroep, en in voorkomend geval de scholengemeenschap die na overname bevoegd is voor de instelling. |
| 5 | § 4. Een kandidatuurstelling voor een tijdelijke aanstelling of voor een vaste benoeming gedaan bij de inrichtende macht die haar instelling overlaat, wordt geacht gedaan te zijn bij de raad van bestuur die de instelling overneemt. De mededeling van de vacante betrekkingen met het oog op een vaste benoeming in de instelling die wordt overgenomen, wordt eveneens geacht gedaan te zijn bij de raad van bestuur die deze instelling overneemt. | 5 | § 4. Een kandidatuurstelling voor een tijdelijke aanstelling of voor een vaste benoeming gedaan bij de inrichtende macht die haar instelling overlaat, wordt geacht gedaan te zijn bij de raad van bestuur die de instelling overneemt. De mededeling van de vacante betrekkingen met het oog op een vaste benoeming in de instelling die wordt overgenomen, wordt eveneens geacht gedaan te zijn bij de raad van bestuur die deze instelling overneemt. |
| 6 | § 5. De personeelsleden die voor de overname recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21, § 3, of 21bis, § 3, van dit decreet, of in artikelen 23, § 3, of 23bis, § 3, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijsbehouden dit recht na de overname. | 6 | § 5. De personeelsleden die voor de overname recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21, § 3, of artikel 100quater decies, en artikel 21bis, § 3, of artikel 100quinquies decies, van dit decreet of in artikel 23, § 3, of artikel 77bis en artikel 23bis, § 3, of artikel 77ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, behouden dit recht na de overname. |
| 12 | 2° de omvang van de omkadering die bij de overheveling of de samensmelting betrokken is. | 12 | 2° de omvang van de omkadering die bij de overheveling of de samensmelting betrokken is. |
| 13 | In het volwassenenonderwijs is de schriftelijke overeenkomst niet vereist als er bij de overheveling geen leraarsuren worden overgedragen. Als echter bij een overheveling zonder leraarsuren toch een schriftelijke overeenkomst afgesloten wordt, is alleen § 3 van toepassing. | 13 | In het volwassenenonderwijs is de schriftelijke overeenkomst niet vereist als er bij de overheveling geen leraarsuren worden overgedragen. Als echter bij een overheveling zonder leraarsuren toch een schriftelijke overeenkomst afgesloten wordt, is alleen § 3 van toepassing. |
| 14 | § 3. Als de overeenkomst vermeld in § 2 erin voorziet dat de overheveling of de samensmelting gepaard gaat met een overname van personeelsleden, verkrijgen deze personeelsleden mits hun toestemming de hoedanigheid van personeelslid van de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling behoort of waartoe de nieuwe instelling na de samensmelting behoort, ten belope van de opdracht waarvoor ze bij die inrichtende macht tewerkgesteld worden. Deze personeelsleden gaan, al naargelang ze vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn, over als vastbenoemde of tijdelijk aangestelde personeelsleden. De personeelsleden die voor de overheveling of de samensmelting recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21, § 3, en artikel 21bis, § 3, van dit decreet of in artikel 23, § 3, en artikel 23bis, § 3, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, behouden dit recht na de overheveling of de samensmelting. | 14 | § 3. Als de overeenkomst vermeld in § 2 erin voorziet dat de overheveling of de samensmelting gepaard gaat met een overname van personeelsleden, verkrijgen deze personeelsleden mits hun toestemming de hoedanigheid van personeelslid van de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling behoort of waartoe de nieuwe instelling na de samensmelting behoort, ten belope van de opdracht waarvoor ze bij die inrichtende macht tewerkgesteld worden. Deze personeelsleden gaan, al naargelang ze vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn, over als vastbenoemde of tijdelijk aangestelde personeelsleden. De personeelsleden die voor de overheveling of de samensmelting recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21, § 3, of artikel 100quater decies en artikel 21bis, § 3, of artikel 100quinquies decies van dit decreet of in artikel 23, § 3, of artikel 77bis en artikel 23bis, § 3, of artikel 77ter van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, behouden dit recht na de overheveling of de samensmelting. |
| 15 | De diensten die het personeelslid volgens de bepalingen van dit decreet of volgens de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs gepresteerd heeft in een ambt, betrekking, opleiding, module, vak of specialiteit bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal voor de overheveling of voor de samensmelting behoorde, worden geacht ook gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, dezelfde opleiding, dezelfde module, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling of de nieuwe instelling na de samensmelting behoort. | 15 | De diensten die het personeelslid volgens de bepalingen van dit decreet of volgens de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs gepresteerd heeft in een ambt, betrekking, opleiding, module, vak of specialiteit bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal voor de overheveling of voor de samensmelting behoorde, worden geacht ook gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, dezelfde opleiding, dezelfde module, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling of de nieuwe instelling na de samensmelting behoort. |
| 16 | Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling, die geldt bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal voor de overheveling of voor de samensmelting behoorde, wordt geacht ook gedaan te zijn bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling of de nieuwe instelling na de samensmelting behoort. | 16 | Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling, die geldt bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal voor de overheveling of voor de samensmelting behoorde, wordt geacht ook gedaan te zijn bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling of de nieuwe instelling na de samensmelting behoort. |
| 25 | Personeelslid en eerste evaluator leggen in de functiebeschrijving de taken en instellingsgebonden opdrachten van het personeelslid vast en de wijze waarop het personeelslid deze taken en opdrachten moet uitvoeren. | 25 | Personeelslid en eerste evaluator leggen in de functiebeschrijving de taken en instellingsgebonden opdrachten van het personeelslid vast en de wijze waarop het personeelslid deze taken en opdrachten moet uitvoeren. |
| 26 | In de functiebeschrijving worden ook de instellings-specifieke doelstellingen opgenomen. | 26 | In de functiebeschrijving worden ook de instellings-specifieke doelstellingen opgenomen. |
| 27 | De functiebeschrijving bevat eveneens de rechten en plichten inzake permanente vorming en nascholing. Als het personeelslid nascholing wordt opgelegd, komen de kosten ten laste van de inrichtende macht. | 27 | De functiebeschrijving bevat eveneens de rechten en plichten inzake aanvangsbegeleiding, permanente vorming en nascholing. Als het personeelslid nascholing wordt opgelegd, komen de kosten ten laste van de inrichtende macht. |
| 28 | Ten slotte kunnen aan de functiebeschrijving, naar aanleiding van een functioneringsgesprek of op basis van de afspraken gemaakt op het einde van de vorige evaluatieperiode, ook persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden toegevoegd. | 28 | Ten slotte kunnen aan de functiebeschrijving, naar aanleiding van een functioneringsgesprek of op basis van de afspraken gemaakt op het einde van de vorige evaluatieperiode, ook persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden toegevoegd. |
| 29 | § 8. De functiebeschrijving van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | 29 | § 8. De functiebeschrijving van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. |
| 1 | § 1. Voor de toepassing van de artikelen 21, § 3, of 100quater decies en 21bis, § 3, of 100 quinquies decies komen alleen de diensten na 1 september 1988 in aanmerking. | ||
| 2 | § 2. Diensten gepresteerd in een instelling van de scholengroep, of binnen de lokale raad waaronder de instelling ressorteerde vóór de inwerkingtreding van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, worden voor de toepassing van de anciënniteitsregels beschouwd als diensten gepresteerd in de scholengroep. | ||
| 3 | § 3. Diensten gepresteerd in een instelling van de scholengemeenschap, of binnen de lokale raad of scholengroep waaronder de instelling ressorteert bij de oprichting van de scholengemeenschap, worden voor de toepassing van de anciënniteitsregels beschouwd als diensten gepresteerd in de scholengemeenschap. | ||
| 4 | Voor de scholen van het basisonderwijs zijn de bepalingen betreffende de scholengemeenschappen zoals bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing tijdens de schooljaren 2003-2004 en 2004-2005. | ||
| 5 | § 4. De diensten verworven vóór 1 september 2000 in een PMS-centrum van het Gemeenschapsonderwijs of in het Vormingscentrum van de PMS-centra van het Gemeenschapsonderwijs, worden voor de toepassing van artikel 21 en artikel 36, § 1, 1°, geacht verworven te zijn bij het CLB waar het personeelslid kandideert voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur en in het na concordantie overeenstemmende ambt met toepassing van artikel 182 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding. | ||
| 6 | § 5. Voor de toepassing van artikel 21 wordt de dienstanciënniteit van de tijdelijke personeelsleden die namens het Gemeenschapsonderwijs deel uitmaken van de stuurgroep bedoeld in de artikelen 199 tot en met 204 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, geacht te zijn verworven en effectief gepresteerd in het CLB of de CLB's waar het personeelslid werd toegewezen vanaf 1 september 2000. |
| 1 | § 1. In afwijking van artikel 21, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2019 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2019 in dat ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep gespreid over ten minste drie schooljaren in dat ambt een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. | ||
| 2 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen: | ||
| 3 | 1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren; | ||
| 4 | 2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren. | ||
| 5 | Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | ||
| 6 | Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | ||
| 7 | § 2. In afwijking van paragraaf 1 en 3 en van artikel 21, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2020 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als het personeelslid: | ||
| 8 | 1° tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt aangesteld is in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep; | ||
| 9 | 2° uiterlijk op 30 juni 2020 in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep in het betrokken ambt gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. | ||
| 10 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen: | ||
| 11 | 1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren; | ||
| 12 | 2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren. | ||
| 13 | Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | ||
| 14 | Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | ||
| 15 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van artikel 21, § 3, heeft een personeelslid op 1 september recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden: | ||
| 16 | 1° na 31 augustus 2019 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep; | ||
| 17 | 2° uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen; | ||
| 18 | 3° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn. | ||
| 19 | Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding werd afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIIIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens deze bijkomende periode moet volgen. | ||
| 20 | Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat hij een beslissing neemt. | ||
| 21 | De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken beoordeling door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | ||
| 22 | In het bevoegde lokaal comité van de scholengroep worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. | ||
| 23 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen: | ||
| 24 | 1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren; | ||
| 25 | 2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren. | ||
| 26 | Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | ||
| 27 | Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. |
| 1 | § 1. In afwijking van artikel 21bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2019 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2019 in dat ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep gespreid over ten minste drie schooljaren in dat ambt een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. | ||
| 2 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen: | ||
| 3 | 1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net; | ||
| 4 | 2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep; | ||
| 5 | 3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. | ||
| 6 | Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | ||
| 7 | Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | ||
| 8 | § 2. In afwijking van paragraaf 1 en 3 en van artikel 21bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2020 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21, § 5, als het personeelslid: | ||
| 9 | 1° tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt aangesteld is in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep; | ||
| 10 | 2° uiterlijk op 30 juni 2020 in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. | ||
| 11 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen: | ||
| 12 | 1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net; | ||
| 13 | 2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep; | ||
| 14 | 3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. | ||
| 15 | Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | ||
| 16 | Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | ||
| 17 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van artikel 21bis, § 3, heeft een personeelslid recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 21bis, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep voldoet aan de volgende voorwaarden: | ||
| 18 | 1° na 31 augustus 2019 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengroep; | ||
| 19 | 2° uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 dagen effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen; | ||
| 20 | 3° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld geen beoordeling heeft gekregen, wordt deze voorwaarde geacht vervuld te zijn. | ||
| 21 | Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIIIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding werd afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIIIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens deze bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens deze bijkomende periode moet volgen. | ||
| 22 | Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de raad van bestuur. De raad van bestuur gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De raad van bestuur bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de raad van bestuur vragen om gehoord te worden. De raad van bestuur hoort in dat geval beide partijen voordat het een beslissing neemt. | ||
| 23 | De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken beoordeling door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | ||
| 24 | In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. | ||
| 25 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen: | ||
| 26 | 1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net; | ||
| 27 | 2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep; | ||
| 28 | 3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. | ||
| 29 | Om een beroep te kunnen doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij de raad van bestuur, met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | ||
| 30 | Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk Vbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. |
| 30 | 23° module : een module zoals bedoeld in artikel 24 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs; | 30 | 23° module : een module zoals bedoeld in artikel 24 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs; |
| 31 | 24° opleiding : een opleiding, zoals bedoeld in artikel 24 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs; | 31 | 24° opleiding : een opleiding, zoals bedoeld in artikel 24 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs; |
| 32 | 25° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs of in het volwassenenonderwijs zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs. | 32 | 25° HBO5 : het hoger beroepsonderwijs met kwalificatieniveau 5 in het voltijds secundair onderwijs. |
| 33 | 26° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs en lector in het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding in het volwassenenonderwijs. | 33 | 26° leraar : leraar in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs en in het secundair volwassenenonderwijs. |
| 34 | 27° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. | 34 | 27° leeftijdsgrens : het einde van het schooljaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. |
| 35 | 28° de inrichtende macht : de schoolbesturen van het basisonderwijs en van het voltijds secundair onderwijs, de centrumbesturen van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de centrumbesturen van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, de schoolbesturen van het deeltijds kunstonderwijs, van de internaten en de besturen van tehuizen voor kinderen met ouders die geen vaste verblijfplaats hebben, van de autonome internaten en van de pedagogische begeleidingsdiensten; | 35 | 28° de inrichtende macht : de schoolbesturen van het basisonderwijs en van het voltijds secundair onderwijs, de centrumbesturen van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de centrumbesturen van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, de schoolbesturen van het deeltijds kunstonderwijs, van de internaten en de besturen van tehuizen voor kinderen met ouders die geen vaste verblijfplaats hebben, van de autonome internaten en van de pedagogische begeleidingsdiensten; |
| 37 | 30° MEDEX: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen; | 37 | 30° MEDEX: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen; |
| 38 | 31° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk; | 38 | 31° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk; |
| 39 | 32° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. | 39 | 32° regionale ondersteuningscel: de netoverstijgende regionale ondersteuningscel of de regionale ondersteuningscel, vermeld in artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; |
| 40 | 33° aanvangsbegeleiding: de structureel verankerde ondersteuning van een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur. De aanvangsbegeleiding ondersteunt het tijdelijke personeelslid in het leren beheersen van zijn kerntaken, in het zichzelf verder leren ontwikkelen als persoon en professional en in het leren vinden van zijn weg in zijn instelling als werkplek en lerende organisatie. | ||
| 18 | 4° personeelslid bij een consultatiebureau voor gehandicapten. | 18 | 4° personeelslid bij een consultatiebureau voor gehandicapten. |
| 19 | § 4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker. | 19 | § 4. Voor de toepassing van hoofdstuk III in het deeltijds kunstonderwijs worden de diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker. |
| 20 | Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 720 dagen, berekend volgens paragraaf 1. | 20 | Voor de toepassing van hoofdstuk III in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs kan de inrichtende macht de diensten die een personeelslid gepresteerd heeft in een wervingsambt in het buitengewoon basis- of buitengewoon secundair onderwijs beschouwen als zijnde gepresteerd in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs. De inrichtende macht kan hierbij voor een personeelslid diensten in aanmerking nemen ten belope van maximaal 580 dagen, berekend volgens paragraaf 1. |
| 21 | § 5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, § 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of artikel 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, § 2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs en artikel III.36 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel. | 21 | § 5. De prestaties die een personeelslid levert in een betrekking die wordt ingericht op basis van artikel 154, § 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel 251/1 of artikel 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs, artikel 48, § 2, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 130ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikel 82 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs en artikel III.36 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit volgens de bepalingen van dit artikel. |
| 15 | Een afschrift van dit besluit wordt meegedeeld aan het betrokken personeelslid. | 15 | Een afschrift van dit besluit wordt meegedeeld aan het betrokken personeelslid. |
| 16 | § 3. Bij ontstentenis van hetzij de schriftelijke overeenkomst bedoeld in § 1, hetzij het besluit bedoeld in § 2, wordt het personeelslid geacht aangesteld te zijn voor het ambt, voor de opdracht en in de betrekking die het werkelijk uitoefent. | 16 | § 3. Bij ontstentenis van hetzij de schriftelijke overeenkomst bedoeld in § 1, hetzij het besluit bedoeld in § 2, wordt het personeelslid geacht aangesteld te zijn voor het ambt, voor de opdracht en in de betrekking die het werkelijk uitoefent. |
| 17 | § 4. Een tijdelijke aanstelling gebeurt in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking voor een bepaalde duur of voor een doorlopende duur. | ||
| 1 | § 1. Een tijdelijk personeelslid wordt altijd aangesteld voor bepaalde duur, tenzij het personeelslid voldoet aan artikel 23, 23bis, 77bis of 77ter. | ||
| 2 | Tijdens de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur heeft een tijdelijk personeelslid recht op aanvangsbegeleiding. Het tijdelijke personeelslid wordt tijdens de periode van aanvangsbegeleiding gecoacht en ondersteund. De duur en intensiteit van de aanvangsbegeleiding worden bepaald in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator en opgenomen in een schriftelijke overeenkomst of in voorkomend geval in de functiebeschrijving van het personeelslid. De schriftelijke overeenkomst wordt in onderling overleg tussen het personeelslid en de eerste evaluator tijdens de periode van de aanvangsbegeleiding aangepast als gevolg van nieuwe afspraken. | ||
| 3 | Over de algemene afspraken over de aanvangsbegeleiding wordt in het bevoegde lokaal comité onderhandeld door de inrichtende macht of door de scholengemeenschap, als de instelling tot een scholengemeenschap behoort. | ||
| 4 | § 2. Voor een vastbenoemd personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor bepaalde duur met toepassing van artikel 44bis of als gevolg van een reaffectatie of wedertewerkstelling, geldt de verplichting tot aanvangsbegeleiding, vermeld in paragraaf 1, niet. |
| 1 | § 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en op de instellingen en CLB's vermeld in artikel 4, § 1, met uitzondering van de instellingen van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren. | 1 | § 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en op de instellingen en CLB's vermeld in artikel 4, § 1, met uitzondering van de instellingen van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren. |
| 2 | § 2. Een tijdelijke aanstelling in een instelling of CLB kan gebeuren in een vacante en/of nietvacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur. Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel. | 2 | § 2. Een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur kan gebeuren in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking. Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel. |
| 3 | § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht voldoet aan de volgende voorwaarden: | ||
| 3 | § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het in één of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht gespreid over tenminste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van tenminste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd , waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. | 4 | 1° gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen; |
| 5 | 2° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de voorwaarden, vermeld in punt 1°, bereikt geen beoordeling heeft gekregen, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn. | ||
| 6 | Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen. | ||
| 7 | Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat ze een beslissing neemt. | ||
| 8 | De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | ||
| 9 | In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. | ||
| 4 | Het recht geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht werd verworven. | 10 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven. |
| 5 | Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op dit recht moet, op straffe van verlies ervan voor het volgend schooljaar, vóór 15 juni bij deze inrichtende macht kandideren met een ter post aangetekende brief. Deze kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht werd verworven. Als het personeelslid in één of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dit vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | 11 | Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij die inrichtende macht met een ter post aangetekende brief. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. Als het personeelslid in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. |
| 6 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk IVbisvoor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | 12 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.. |
| 7 | § 4. De anciënniteit bedoeld in § 3 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. | 13 | § 4. De anciënniteit bedoeld in paragraaf 3 of artikel 77bis wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. |
| 8 | Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 6 en rekening houdend met artikel 77, berekend op basis van prestaties in één of meer instellingen of CLB's die behoren tot dezelfde inrichtende macht. | 14 | Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 6 en rekening houdend met artikel 77, berekend op basis van prestaties in één of meer instellingen of CLB's die behoren tot dezelfde inrichtende macht. |
| 9 | Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 6, § 1, a) , het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. | 15 | Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 6, § 1, a) , het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. |
| 10 | In afwijking van artikel 6, § 2, dient voor de vaststelling van het recht bedoeld in § 3 in het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs die dienstanciënniteit niet in hoofdambt verworven te zijn. | 16 | In afwijking van artikel 6, § 2, dient voor de vaststelling van het recht bedoeld in paragraaf 3 of artikel 77bis in het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs die dienstanciënniteit niet in hoofdambt verworven te zijn. |
| 11 | § 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in § 3 bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 17 | § 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in paragraaf 3 of artikel 77bis bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 12 | Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 18 | Is de in paragraaf 3 of artikel 77bis bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 13 | Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 19 | Is de in paragraaf 3 of artikel 77bis bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 14 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de inrichtende macht in het basis- of secundair onderwijs gebruikmaakt van artikel 6, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit. | 20 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de inrichtende macht in het basis- of secundair onderwijs gebruikmaakt van artikel 6, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit. |
| 15 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht. | 21 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht. |
| 16 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : | 22 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : |
| 17 | 1° volgens artikel 25, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de betrokken inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap of in alle CLB's van de betrokken inrichtende macht in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel ; | 23 | 1° volgens artikel 25, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de betrokken inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap of in alle CLB's van de betrokken inrichtende macht in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77bis; |
| 18 | 2° volgens artikel 24 of 47quaterdecies , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen of CLB's van de inrichtende macht in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in § 3 van dit artikel . | 24 | 2° volgens artikel 24 of 47quaterdecies , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77bis maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen of CLB's van de inrichtende macht in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in paragraaf 3 van dit artikel of artikel 77bis. |
| 19 | § 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en : | 25 | § 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en : |
| 20 | 1° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 64, 6° of 7°, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de betrokken inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap of in alle centra van de betrokken inrichtende macht in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel ; | 26 | 1° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 64, 6° of 7°, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de betrokken inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap of in alle centra van de betrokken inrichtende macht in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77bis; |
| 21 | 2° dat wordt ontslagen volgens artikel 47terdecies : | 27 | 2° dat wordt ontslagen volgens artikel 47terdecies : |
| 22 | - kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen; | 28 | - kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77bis maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen; |
| 23 | - verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen; | 29 | - verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen; |
| 24 | - kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling of een ander CLB van de betrokken inrichtende macht ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen; | 30 | - kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling of een ander CLB van de betrokken inrichtende macht ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen; |
| 25 | 3° een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen in toepassing van artikel 47undecies , kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen. | 31 | 3° een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen in toepassing van artikel 47undecies , kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen. |
| 26 | § 7ter. Een personeelslid dat vastbenoemd is en dat wordt ontslagen of afgezet : | 32 | § 7ter. Een personeelslid dat vastbenoemd is en dat wordt ontslagen of afgezet : |
| 27 | 1° volgens artikel 64, 6° of 7°, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de betrokken inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap of in alle centra van de betrokken inrichtende macht in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel ; | 33 | 1° volgens artikel 64, 6° of 7°, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de betrokken inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap of in alle centra van de betrokken inrichtende macht in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77bis; |
| 28 | 2° volgens artikel 47terdecies , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling of een ander CLB van de betrokken inrichtende macht ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen. | 34 | 2° volgens artikel 47terdecies , kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77bis maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling of een ander CLB van de betrokken inrichtende macht ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen. |
| 29 | § 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 25 of na een ontslag of afzetting volgens artikel 64, 6° of 7°, opnieuw wordt aangeworven door de inrichtende macht, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in § 3 . Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde in andere instellingen of in andere CLB's van de betrokken inrichtende macht. | 35 | § 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 25 of na een ontslag of afzetting volgens artikel 64, 6° of 7°, opnieuw wordt aangeworven door de inrichtende macht, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in paragraaf 3 of artikel 77bis. Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde in andere instellingen of in andere CLB's van de betrokken inrichtende macht. |
| 30 | Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24, artikel 47terdecies of artikel 47quaterdecies opnieuw wordt aangeworven door de inrichtende macht in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB en in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde. | 36 | Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24, artikel 47terdecies of artikel 47quaterdecies opnieuw wordt aangeworven door de inrichtende macht in de instelling of de pedagogische entiteit of het CLB en in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde. |
| 31 | § 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking. | 37 | § 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking. |
| 18 | Is de in paragraaf 3 of artikel 77bis bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 18 | Is de in paragraaf 3 of artikel 77bis bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 19 | Is de in paragraaf 3 of artikel 77bis bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 19 | Is de in paragraaf 3 of artikel 77bis bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 20 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de inrichtende macht in het basis- of secundair onderwijs gebruikmaakt van artikel 6, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit. | 20 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de inrichtende macht in het basis- of secundair onderwijs gebruikmaakt van artikel 6, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, derde lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 490 dagen dienstanciënniteit. |
| 21 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht. | 21 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht. |
| 22 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : | 22 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : |
| 20 | Is de in paragraaf 3 of artikel 77ter bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 20 | Is de in paragraaf 3 of artikel 77ter bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 21 | Is de in paragraaf 3 of artikel 77ter bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 21 | Is de in paragraaf 3 of artikel 77ter bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 22 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de inrichtende macht gebruikmaakt van artikel 6, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit. | 22 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de inrichtende macht gebruikmaakt van artikel 6, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 490 dagen dienstanciënniteit. |
| 23 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft ge-presteerd in één of meer instellingen van deze scholengemeenschap. | 23 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft ge-presteerd in één of meer instellingen van deze scholengemeenschap. |
| 24 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : | 24 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : |
| 1 | § 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren. | 1 | § 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren. |
| 2 | § 2. De inrichtende macht stelt een tijdelijk personeelslid aan voor een bepaalde of voor een doorlopende duur in een vacante en/of niet-vacante betrekking. | 2 | § 2. De inrichtende macht stelt een tijdelijk personeelslid aan voor een doorlopende duur in een vacante betrekking of in een niet-vacante betrekking. |
| 3 | Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel. | 3 | Een personeelslid kan slechts voor doorlopende duur worden aangesteld, als dit personeelslid voldoet aan de bepalingen van dit artikel. |
| 4 | § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in paragraaf 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap voldoet aan de volgende voorwaarden: | ||
| 4 | § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het in één of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap gespreid over tenminste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van tenminste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd , waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. | 5 | 1° gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen, waarvan 400 effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen; |
| 6 | 2° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij de voorwaarden, vermeld in punt 1°, bereikt geen beoordeling heeft gekregen, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn. | ||
| 7 | Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen. | ||
| 8 | Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat ze een beslissing neemt. | ||
| 9 | De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | ||
| 10 | In het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. | ||
| 5 | Wanneer het personeelslid het recht heeft verworven in één of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dit recht voor betrekkingen in alle instellingen van deze scholengemeenschap. | 11 | Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap. |
| 6 | Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op dit recht moet , op straffe van verlies ervan voor het volgend schooljaar, vóór 15 juni met een ter post aangetekende brief kandideren bij een inrichtende macht van één van de instellingen van de scholengemeenschap. Deze kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht werd verworven en voor alle instellingen van de betrokken scholengemeenschap. [In afwijking van het voorgaande moet het personeelslid in het basisonderwijs dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, op straffe van verlies van zijn recht voor het schooljaar 2005-2006, vóór 15 juli 2005 bij een inrichtende macht van één van de instellingen van de scholengemeenschap in het basisonderwijs, kandideren met een ter post aangetekende brief. | 12 | Om een beroep te doen op dat recht moet het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat stellen met een ter post aangetekende brief bij een inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie. |
| 7 | Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan deze waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven. | 13 | Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven. |
| 8 | Als het personeelslid in één of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dit vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | 14 | Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. |
| 9 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk IVbisvoor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | 15 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. |
| 10 | § 4. De anciënniteit bedoeld in § 3 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. | 16 | § 4. De anciënniteit bedoeld in paragraaf 3 of artikel 77ter wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. |
| 11 | Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 6 en rekening houdend met artikel 77, berekend op basis van prestaties in één of meer instellingen van de betrokken scholengemeenschap en dit ongeacht het net waartoe de instellingen waarin deze prestaties werden verricht, behoren. | 17 | Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 6 en rekening houdend met artikel 77, berekend op basis van prestaties in één of meer instellingen van de betrokken scholengemeenschap en dit ongeacht het net waartoe de instellingen waarin deze prestaties werden verricht, behoren. |
| 12 | Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 6, § 1, a) , het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. | 18 | Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 6, § 1, a) , het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. |
| 13 | § 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in § 3 bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 19 | § 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in paragraaf 3 of artikel 77ter bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 14 | Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 20 | Is de in paragraaf 3 of artikel 77ter bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 15 | Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. | 21 | Is de in paragraaf 3 of artikel 77ter bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij het recht wil laten gelden een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. |
| 16 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de inrichtende macht gebruikmaakt van artikel 6, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit. | 22 | In afwijking van de bepalingen van deze paragraaf komt ook de dienstanciënniteit in aanmerking die een personeelslid in een ander ambt heeft verworven, als de inrichtende macht gebruikmaakt van artikel 6, § 4, tweede lid. Die dienstanciënniteit wordt berekend conform paragraaf 4, laatste lid, van dit artikel en is voor deze toepassing beperkt tot maximaal 600 dagen dienstanciënniteit. |
| 17 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft ge-presteerd in één of meer instellingen van deze scholengemeenschap. | 23 | § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft ge-presteerd in één of meer instellingen van deze scholengemeenschap. |
| 18 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : | 24 | § 7. Een personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en dat wordt ontslagen : |
| 19 | 1° volgens artikel 25 of volgens artikel 24 van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel ; | 25 | 1° volgens artikel 25 of volgens artikel 24 van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter; |
| 20 | 2° volgens artikel 24 of 47quaterdecies of volgens artikel 73quaterdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in § 3 van dit artikel . | 26 | 2° volgens artikel 24 of 47quaterdecies of volgens artikel 73quaterdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Het personeelslid kan daarenboven de diensten die het gepresteerd heeft bij andere instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarvoor het werd ontslagen, niet aanwenden om in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in te roepen zoals bedoeld in paragraaf 3 van dit artikel of artikel 77ter. |
| 21 | § 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en : | 27 | § 7bis. Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en : |
| 22 | 1° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 64, 6° of 7°, of volgens artikel 61, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel ; | 28 | 1° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 64, 6° of 7°, of volgens artikel 61, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter; |
| 23 | 2° dat wordt ontslagen volgens artikel 47terdecies of volgens artikel 73terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs: | 29 | 2° dat wordt ontslagen volgens artikel 47terdecies of volgens artikel 73terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs: |
| 24 | - kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen; | 30 | - kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen; |
| 25 | - verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instellingof de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen; | 31 | - verliest het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur enkel in de instellingof de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen én beperkt tot het ambt waarin het werd ontslagen; |
| 26 | - kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voorzover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen; | 32 | - kan vanaf het ogenblik van het ontslag op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voorzover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen; |
| 27 | 3° een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen in toepassing van artikel 47undecies , kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen. | 33 | 3° een definitieve evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen in toepassing van artikel 47undecies , kan in afwachting van een nieuwe evaluatie geen aanspraak maken op een uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar en het ambt waarvoor het de evaluatie met eindconclusie 'onvoldoende' heeft gekregen. |
| 28 | § 7ter. Een personeelslid dat vastbenoemd is en dat wordt ontslagen of afgezet : | 34 | § 7ter. Een personeelslid dat vastbenoemd is en dat wordt ontslagen of afgezet : |
| 29 | 1° volgens artikel 64, 6° of 7°, of volgens artikel 61, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel ; | 35 | 1° volgens artikel 64, 6° of 7°, of volgens artikel 61, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter; |
| 30 | 2° volgens artikel 47terdecies of volgens artikel 73terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in §§ 3 en 4 van dit artikel maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen. | 36 | 2° volgens artikel 47terdecies of volgens artikel 73terdecies van het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag presteerde in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit artikel of artikel 77ter maar beperkt tot de diensten die gepresteerd werden in het ambt waarvoor het werd ontslagen. Vanaf het ogenblik van het ontslag kan het personeelslid op basis van diensten gepresteerd in een andere instelling van de scholengemeenschap ook geen recht meer laten gelden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of de pedagogische entiteit waar het werd ontslagen, voor zover het gaat om een aanstelling in het ambt waarin het werd ontslagen. |
| 31 | § 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 25 of na een ontslag of afzetting volgens artikel 64, 6° of 7°, opnieuw wordt aangesteld in een instelling van de scholengemeenschap, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in § 3 . Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde in andere instellingen van de scholengemeenschap. | 37 | § 7quater. Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 25 of na een ontslag of afzetting volgens artikel 64, 6° of 7°, opnieuw wordt aangesteld in een instelling van de scholengemeenschap, kan hij slechts beroep doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als hij opnieuw de anciënniteit opbouwt bedoeld in paragraaf 3 of artikel 77ter. Hij kan daarbij ook geen beroep doen op diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde in andere instellingen van de scholengemeenschap. |
| 32 | Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24, artikel 47terdecies of artikel 47quaterdecies opnieuw wordt aangeworven door de inrichtende macht in de instelling of de pedagogische entiteit én in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde. | 38 | Als een personeelslid na een ontslag volgens artikel 24, artikel 47terdecies of artikel 47quaterdecies opnieuw wordt aangeworven door de inrichtende macht in de instelling of de pedagogische entiteit én in het ambt waarin hij werd ontslagen, kan hij voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur opnieuw beroep doen op de diensten die hij vóór het ontslag of de afzetting presteerde. |
| 33 | § 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking. | 39 | § 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve wanneer hij reeds als titularis voor doorlopende duur is aangesteld voor een voltijdse betrekking. |
| 42 | § 15.... | 48 | § 15.... |
| 43 | § 16. Een personeelslid heeft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de scholengemeenschap indien het geen diensten heeft gepresteerd in instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid heeft wel recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in die instellingen van de scholengemeenschap die afhangen van dezelfde inrichtende macht als deze waar hij het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur heeft verworven. | 49 | § 16. Een personeelslid heeft geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de scholengemeenschap indien het geen diensten heeft gepresteerd in instellingen van de scholengemeenschap. Het personeelslid heeft wel recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in die instellingen van de scholengemeenschap die afhangen van dezelfde inrichtende macht als deze waar hij het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur heeft verworven. |
| 50 | § 17. Als een scholengemeenschap bestaat uit instellingen van meerdere inrichtende machten, wisselen die inrichtende machten binnen de scholengemeenschap met betrekking tot de tijdelijke personeelsleden die voor bepaalde duur zijn aangesteld de gegevens uit die relevant zijn voor het naleven van de rechten en verplichtingen die opgenomen zijn in dit artikel. Het gaat daarbij om volgende gegevens van een personeelslid: | ||
| 51 | 1° de identificatiegegevens; | ||
| 52 | 2° de opdracht(en) en betrekking(en); | ||
| 53 | 3° de dienstanciënniteit; | ||
| 54 | 4° de school en het schoolbestuur; | ||
| 55 | 5° verslagen van functionerings- of evaluatiegesprekken; | ||
| 56 | 6° verslagen in functie van de beoordeling. | ||
| 57 | Verslagen over de beoordeling, functionerings- of evaluatiegesprekken worden alleen uitgewisseld tussen die instellingen van de scholengemeenschap waarvoor het personeelslid diensten presteert. | ||
| 58 | De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om specifieke bepalingen uit te werken omtrent de opslagperioden en de verwerkingsactiviteiten en procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een behoorlijke transparante verwerking. | ||
| 1 | § 1. Een personeelslid kan in vast verband worden benoemd als hij op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 en, rekening houdend met artikel 77, daarenboven : | 1 | § 1. Een personeelslid kan in vast verband worden benoemd als hij op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 en, rekening houdend met artikel 77, daarenboven : |
| 2 | 1° op 30 juni voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 720 dagen dienstanciënniteit heeft waarvan 360 dagen in het bedoelde ambt. Deze anciënniteit moet hij hebben bereikt : | 2 | 1° op 31 augustus voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 690 dagen dienstanciënniteit heeft waarvan 360 dagen in het bedoelde ambt. Deze anciënniteit moet hij hebben bereikt : |
| 3 | a) ofwel bij de betrokken inrichtende macht wat de instellingen of CLB's betreft die niet tot de scholengemeenschap behoren; | 3 | a) ofwel bij de betrokken inrichtende macht wat de instellingen of CLB's betreft die niet tot de scholengemeenschap behoren; |
| 4 | b) ofwel bij de betrokken inrichtende macht en/of bij een andere inrichtende macht, beide voor wat de instellingen betreft die tot dezelfde scholengemeenschap behoren. Wanneer de inrichtende macht toepassing maakt van deze bepaling, kan ze eisen dat bij haar een dienstanciënniteit van ten minste 360 dagen, waarvan 240 effectief gepresteerd, werd verworven; | 4 | b) ofwel bij de betrokken inrichtende macht en/of bij een andere inrichtende macht, beide voor wat de instellingen betreft die tot dezelfde scholengemeenschap behoren. Wanneer de inrichtende macht toepassing maakt van deze bepaling, kan ze eisen dat bij haar een dienstanciënniteit van ten minste 360 dagen, waarvan 240 effectief gepresteerd, werd verworven; |
| 5 | c) ofwel bij een andere inrichtende macht wanneer het een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid betreft, tenzij het personeelslid ter beschikking gesteld werd wegens ontstentenis van betrekking in een instelling van een ander net of voor het gesubsidieerd vrij onderwijs van een ander karakter of een andere groep. | 5 | c) ofwel bij een andere inrichtende macht wanneer het een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid betreft, tenzij het personeelslid ter beschikking gesteld werd wegens ontstentenis van betrekking in een instelling van een ander net of voor het gesubsidieerd vrij onderwijs van een ander karakter of een andere groep. |
| 6 | Als het een leraar betreft in het bezit van een voldoende geacht of gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs kan de inrichtende macht eisen dat van de 720 dagen er 360 werden gepresteerd in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking; | 6 | Als het een leraar betreft in het bezit van een voldoende geacht of gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs kan de inrichtende macht eisen dat van de 690 dagen er 360 zijn gepresteerd in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking; |
| 7 | 2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten; | 7 | 2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten; |
| 8 | 3° op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling of het CLB waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengemeenschap. Is het personeelslid op 31 december voor doorlopende duur aangesteld in het ambt van leraar, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft opgebouwd, zoals bepaald in artikel 23, § 5, en artikel 23bis, § 5. De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing op een personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of op een personeelslid bedoeld in hoofdstuk IVbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij is vast benoemd en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Dit personeelslid moet, voorzover hij het ambt van leraar uitoefent, 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking; | 8 | 3° op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling of het CLB waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengemeenschap. Is het personeelslid op 31 december voor doorlopende duur aangesteld in het ambt van leraar, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft opgebouwd, zoals bepaald in artikel 23, § 5, en artikel 23bis, § 5. De bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing op een personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling of op een personeelslid bedoeld in hoofdstuk IVbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij is vast benoemd en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Dit personeelslid moet, voorzover hij het ambt van leraar uitoefent, 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking; |
| 22 | Personeelslid en eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en desgevallend de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator, leggen in de functiebeschrijving de taken en instellingsgebonden opdrachten van het personeelslid vast en de wijze waarop het personeelslid deze taken en opdrachten moet uitvoeren. | 22 | Personeelslid en eerste evaluator, of de inrichtende macht voor de beheerder van een internaat, de directeur, de adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst en desgevallend de adjunct-directeur of - voor het CLB - de coördinator, leggen in de functiebeschrijving de taken en instellingsgebonden opdrachten van het personeelslid vast en de wijze waarop het personeelslid deze taken en opdrachten moet uitvoeren. |
| 23 | In de functiebeschrijving worden ook de instellings-specifieke doelstellingen opgenomen. | 23 | In de functiebeschrijving worden ook de instellings-specifieke doelstellingen opgenomen. |
| 24 | De functiebeschrijving bevat eveneens de rechten en plichten inzake permanente vorming en nascholing. Als het personeelslid nascholing wordt opgelegd, komen de kosten ten laste van de inrichtende macht. | 24 | De functiebeschrijving bevat eveneens de rechten en plichten inzake aanvangsbegeleiding, permanente vorming en nascholing. Als het personeelslid nascholing wordt opgelegd, komen de kosten ten laste van de inrichtende macht. |
| 25 | Tenslotte kunnen aan de functiebeschrijving, naar aanleiding van een functioneringsgesprek of op basis van de afspraken gemaakt op het einde van de vorige evaluatieperiode, ook persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden toegevoegd. | 25 | Tenslotte kunnen aan de functiebeschrijving, naar aanleiding van een functioneringsgesprek of op basis van de afspraken gemaakt op het einde van de vorige evaluatieperiode, ook persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen worden toegevoegd. |
| 26 | § 9. De functiebeschrijving van de de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | 26 | § 9. De functiebeschrijving van de de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de betrokken functiebeschrijving door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. |
| 4 | § 4. De afhouding van de wedde of de toekenning, met toepassing van § 3, van een wachtgeld mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid wordt verminderd tot een bedrag lager dan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop de betrokkenen recht zou hebben indien hij in het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers dat voordeel zou genieten. | 4 | § 4. De afhouding van de wedde of de toekenning, met toepassing van § 3, van een wachtgeld mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid wordt verminderd tot een bedrag lager dan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop de betrokkenen recht zou hebben indien hij in het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers dat voordeel zou genieten. |
| 5 | § 5. Bij terugkeer tot de tijdelijke aanstelling blijft het personeelslid in de betrekking die het als | 5 | § 5. Bij terugkeer tot de tijdelijke aanstelling blijft het personeelslid in de betrekking die het als |
| 6 | vastbenoemd personeelslid bekleedde de dag voorafgaand aan de tuchtuitspraak en behoort tot de categorie bedoeld in al naargelang het geval artikel 23, § 3, of artikel 23bis, § 3en is reaffectatievrij. Het personeelslid dat bij tuchtmaatregel is teruggezet tot de tijdelijke aanstelling, komt slechts opnieuw in aanmerking voor een vaste benoeming na verloop van twee volledige schooljaren volgend op de uitspraak. | 6 | vastbenoemd personeelslid bekleedde de dag voorafgaand aan de tuchtuitspraak en behoort tot de categorie bedoeld in al naargelang het geval artikel 23, § 3, artikel 77bis, artikel 23bis, § 3, of artikel 77ter, en is reaffectatievrij. Het personeelslid dat bij tuchtmaatregel is teruggezet tot de tijdelijke aanstelling, komt slechts opnieuw in aanmerking voor een vaste benoeming na verloop van twee volledige schooljaren volgend op de uitspraak. |
| 7 | § 6. Bij de terugzetting in rang wordt het personeelslid bezoldigd volgens de salarisschaal verbonden aan het ambt dat hem bij die tuchtmaatregel is toegewezen. | 7 | § 6. Bij de terugzetting in rang wordt het personeelslid bezoldigd volgens de salarisschaal verbonden aan het ambt dat hem bij die tuchtmaatregel is toegewezen. |
| 8 | De Vlaamse regering bepaalt de nadere gevolgen van deze sanctie inzonderheid de gevolgen ten aanzien van de andere personeelsleden. | 8 | De Vlaamse regering bepaalt de nadere gevolgen van deze sanctie inzonderheid de gevolgen ten aanzien van de andere personeelsleden. |
| 12 | 2° de omvang van de omkadering die bij de overheveling betrokken is. | 12 | 2° de omvang van de omkadering die bij de overheveling betrokken is. |
| 13 | In het volwassenenonderwijs is de schriftelijke overeenkomst niet vereist als er bij de overheveling geen leraarsuren worden overgedragen. Als echter bij een overheveling zonder leraarsuren toch een schriftelijke overeenkomst afgesloten wordt, is alleen § 3 van toepassing. | 13 | In het volwassenenonderwijs is de schriftelijke overeenkomst niet vereist als er bij de overheveling geen leraarsuren worden overgedragen. Als echter bij een overheveling zonder leraarsuren toch een schriftelijke overeenkomst afgesloten wordt, is alleen § 3 van toepassing. |
| 14 | § 3. Als de overeenkomst vermeld in § 2, erin voorziet dat de overheveling gepaard gaat met een overname van personeelsleden, verkrijgen deze personeelsleden mits hun toestemming de hoedanigheid van personeelslid van de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats na de overheveling behoort, ten belope van de opdracht waarvoor ze bij die inrichtende macht tewerkgesteld worden. Deze personeelsleden gaan, al naargelang ze vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn, over als vastbenoemde of tijdelijk aangestelde personeelsleden. De personeelsleden die voor de overheveling recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 23, § 3, en artikel 23bis, § 3, van dit decreet of in artikel 21, § 3, en artikel 21bis, § 3, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, behouden dit recht na de overheveling. | 14 | § 3. Als de overeenkomst vermeld in § 2, erin voorziet dat de overheveling gepaard gaat met een overname van personeelsleden, verkrijgen deze personeelsleden mits hun toestemming de hoedanigheid van personeelslid van de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats na de overheveling behoort, ten belope van de opdracht waarvoor ze bij die inrichtende macht tewerkgesteld worden. Deze personeelsleden gaan, al naargelang ze vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn, over als vastbenoemde of tijdelijk aangestelde personeelsleden. De personeelsleden die voor de overheveling recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 23, § 3, of artikel 77bis en artikel 23bis, § 3, of artikel 77ter van dit decreet of in artikel 21, § 3, of artikel 100quater decies en artikel 21bis, § 3, of artikel 100quinquies decies van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, behouden dit recht na de overheveling. |
| 15 | De diensten die het personeelslid volgens de bepalingen van dit decreet of volgens de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs gepresteerd heeft in een ambt, betrekking, opleiding, module, vak of specialiteit bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats voor de overheveling behoorde, worden geacht ook gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, dezelfde opleiding, dezelfde module, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats na de overheveling behoort. | 15 | De diensten die het personeelslid volgens de bepalingen van dit decreet of volgens de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs gepresteerd heeft in een ambt, betrekking, opleiding, module, vak of specialiteit bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats voor de overheveling behoorde, worden geacht ook gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, dezelfde opleiding, dezelfde module, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats na de overheveling behoort. |
| 16 | Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, die geldt bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats voor de overheveling of voor de samensmelting behoorde, wordt geacht ook gedaan te zijn bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats na de overheveling of de nieuwe instelling na de samensmelting behoort. | 16 | Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, die geldt bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats voor de overheveling of voor de samensmelting behoorde, wordt geacht ook gedaan te zijn bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats na de overheveling of de nieuwe instelling na de samensmelting behoort. |
| 1 | § 1. Voor de toepassing van [de artikelen 6, 7, 23, 23bis, 31, § 1, 1°, 35, § 2 en artikel 40, § 3, worden de diensten, gepresteerd door personeelsleden die voldoen aan de door dit decreet gestelde voorwaarden in één van de in artikel 4, § 1, a bedoelde categorieën voor het van kracht worden van dit decreet in een niet-gesubsidieerde betrekking eveneens in aanmerking genomen voor zover deze diensten gepresteerd werden na 1 september 1985. | ||
| 2 | § 2. Voor het gewoon secundair onderwijs komen de diensten die een personeelslid vanaf 1 september 1999 heeft gepresteerd voor de toepassing van artikel 23, § 3, of artikel 77bis en artikel 23bis, § 3, of artikel 77ter, als volgt in aanmerking: | ||
| 3 | a) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap: alle prestaties verstrekt in instellingen van de inrichtende macht die de betrokken instelling beheert en die niet tot een scholengemeenschap behoren; | ||
| 4 | b) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een scholengemeenschap: alle prestaties verstrekt in de betrokken scholengemeenschap en dit ongeacht het net waartoe de instellingen waarin deze prestaties werden verricht, behoren. | ||
| 5 | De prestaties verricht vóór 1 september 1999 komen, onverminderd de toepassing van artikel 76, § 3, voor de berekening van deze anciënniteit als volgt in aanmerking: | ||
| 6 | a) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap: alle prestaties verstrekt in instellingen van de inrichtende macht die de betrokken instelling beheert; | ||
| 7 | b) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een scholengemeenschap: alle prestaties verstrekt in instellingen die vanaf 1 september 1999 tot de betrokken scholengemeenschap behoren en alle prestaties verstrekt in andere instellingen van de inrichtende macht bij wie men zijn kandidatuur stelt. | ||
| 8 | § 3. In het gewoon secundair onderwijs komen de prestaties geleverd vóór 1 september 1999, onverminderd de bepalingen van artikel 76, § 3, voor de berekening van de 720 dagen dienstanciënniteit vermeld in artikel 31, § 1, 1°, als volgt in aanmerking: | ||
| 9 | a) voor een vaste benoeming in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap: alle prestaties verstrekt in instellingen van de inrichtende macht die de betrokken instelling beheert; | ||
| 10 | b) voor een vaste benoeming in een scholengemeenschap: alle prestaties verstrekt in instellingen die vanaf 1 september 1999 tot de betrokken scholengemeenschap behoren en alle prestaties verstrekt in andere instellingen van de inrichtende macht bij wie men zijn kandidatuur stelt. | ||
| 11 | § 4. Voor de toepassing van artikel 23 worden de prestaties die een personeelslid vóór 1 september 2000 heeft geleverd in een gesubsidieerd PMS- of MST-centrum eveneens in aanmerking genomen. | ||
| 12 | Deze diensten worden tot en met 31 augustus 2003 geacht verworven te zijn bij de CLB's van de inrichtende macht waar het personeelslid kandideert voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur en in het na concordantie overeenstemmende ambt met toepassing van artikel 182 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding. | ||
| 13 | § 5. Voor de toepassing van artikel 23 wordt de dienstanciënniteit van de tijdelijke personeelsleden die namens de officieel gesubsidieerde centra of de vrij gesubsidieerde centra deel uitmaken van de stuurgroep bedoeld in de artikelen 199 tot en met 204 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, geacht te zijn verworven en effectief gepresteerd in alle CLB's van de inrichtende macht waar het personeelslid werd toegewezen vanaf 1 september 2000. | ||
| 14 | § 6. Voor de toepassing van artikel 23, § 3, worden de personeelsleden die in toepassing van artikel 188 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding werden overgedragen naar een CLB, geacht gekandideerd te hebben voor een aanstelling van doorlopende duur in het schooljaar 2000-2001 en dit in het CLB en in het ambt van toewijzing. | ||
| 15 | Voor de toepassing van artikel 31 worden de personeelsleden die in toepassing van artikel 188 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding werden overgedragen naar een CLB, geacht gekandideerd te hebben voor een vaste benoeming op 1 januari 2001 en dit in het CLB en in het ambt van toewijzing; | ||
| 16 | § 7. De personeelsleden die op 1 september 2000 werden overgedragen met toepassing van artikel 188 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding in het ambt van arts en die met ingang van 1 september 2000 het ambt van directeur bij mandaat uitoefenen, worden geacht te voldoen aan de voorwaarden inzake vaste benoeming bedoeld in artikel 31, § 1, 4°, van dit artikel en dit voor wat betreft de betrekking waarin ze op 1 september 2000 werden toegewezen. | ||
| 17 | § 8. Voor het basisonderwijs komen de diensten die een personeelslid vanaf 1 september 2005 heeft gepresteerd voor de toepassing van artikel 23, § 3, of artikel 77bis en artikel 23bis, § 3, of artikel 77ter, als volgt in aanmerking: | ||
| 18 | a) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen van de inrichtende macht die de betrokken instelling beheert en die niet tot een scholengemeenschap behoren; | ||
| 19 | b) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in de betrokken scholengemeenschap en dit ongeacht het net waartoe de instellingen waarin deze prestaties werden verricht, behoren. | ||
| 20 | De prestaties verricht vóór 1 september 2005 komen voor de berekening van deze anciënniteit als volgt in aanmerking: | ||
| 21 | a) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen van de inrichtende macht die de betrokken instelling beheert; | ||
| 22 | b) voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen die vanaf 1 september 2005 tot de betrokken scholengemeenschap behoren en alle prestaties verstrekt in andere instellingen van de inrichtende macht bij wie men zijn kandidatuur stelt. | ||
| 23 | § 9. Voor het basisonderwijs komen de prestaties geleverd vóór 1 september 2005 voor de berekening van de 720 dagen dienstanciënniteit vermeld in artikel 31, § 1, 1°, als volgt in aanmerking: | ||
| 24 | - voor een vaste benoeming in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen van de inrichtende macht die de betrokken instelling beheert; | ||
| 25 | - voor een vaste benoeming in een scholengemeenschap : alle prestaties verstrekt in instellingen die vanaf 1 september 2005 tot de betrokken scholengemeenschap behoren en alle prestaties verstrekt in andere instellingen van de inrichtende macht bij wie men zijn kandidatuur stelt. |
| 1 | § 1. In afwijking van artikel 23, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2019 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23, § 5, als het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2019 in dat ambt in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. | ||
| 2 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven. | ||
| 3 | Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij die inrichtende macht met een ter post aangetekende brief. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. | ||
| 4 | Als het personeelslid in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | ||
| 5 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | ||
| 6 | § 2. In afwijking van paragraaf 1 en 3 en van artikel 23, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2020 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23, § 5, als het personeelslid: | ||
| 7 | 1° tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt aangesteld is in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht; | ||
| 8 | 2° uiterlijk op 30 juni 2020 in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht in het betrokken ambt gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. | ||
| 9 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven. | ||
| 10 | Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij die inrichtende macht met een ter post aangetekende brief. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. | ||
| 11 | Als het personeelslid in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | ||
| 12 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | ||
| 13 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van artikel 23, § 3, heeft een personeelslid op 1 september recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23, § 5, als hij in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht voldoet aan de volgende voorwaarden: | ||
| 14 | 1° na 31 augustus 2019 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen of CLB's van dezelfde inrichtende macht; | ||
| 15 | 2° uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen en ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen; | ||
| 16 | 3° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld geen beoordeling heeft gekregen, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn. | ||
| 17 | Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De eerste evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen. | ||
| 18 | Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat ze een beslissing neemt. | ||
| 19 | De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | ||
| 20 | In het bevoegde lokaal comité worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. | ||
| 21 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor betrekkingen in alle instellingen of CLB's van de inrichtende macht waarbij het recht is verworven. | ||
| 22 | Om een beroep te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur stelt het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat bij die inrichtende macht met een ter post aangetekende brief. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven. Als het personeelslid in een of meer instellingen of CLB's van de inrichtende macht een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | ||
| 23 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. |
| 1 | § 1. In afwijking van artikel 23bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2019 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23bis, § 5, als het personeelslid uiterlijk op 30 juni 2019 in dat ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. | ||
| 2 | Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap. | ||
| 3 | Om een beroep te doen op dat recht moet het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat stellen met een ter post aangetekende brief bij een inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie. | ||
| 4 | Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven. | ||
| 5 | Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | ||
| 6 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | ||
| 7 | § 2. In afwijking van paragraaf 1 en 3 en van artikel 23bis, § 3, heeft een personeelslid op of na 1 september 2020 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23bis, § 5, als het personeelslid: | ||
| 8 | 1° tijdens het schooljaar 2019-2020 in het betrokken ambt aangesteld is in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap; | ||
| 9 | 2° uiterlijk op 30 juni 2020 in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft verworven van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. | ||
| 10 | Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap. | ||
| 11 | Om een beroep te doen op dat recht moet het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat stellen met een ter post aangetekende brief bij een inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie. | ||
| 12 | Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven. | ||
| 13 | Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | ||
| 14 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. | ||
| 15 | § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van artikel 23bis, § 3, heeft een personeelslid recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor een ambt, vermeld in artikel 23bis, § 5, als hij in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap voldoet aan de volgende voorwaarden: | ||
| 16 | 1° na 31 augustus 2019 tijdelijk aangesteld worden in het betrokken ambt in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap; | ||
| 17 | 2° uiterlijk op 30 juni 2019 in het betrokken ambt gespreid over ten minste twee schooljaren een dienstanciënniteit verworven hebben van ten minste 580 dagen of ten hoogste 719 dagen, waarvan 400 effectief gepresteerd zijn, waarbij de volgende dagen ook worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover die binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 140 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen; | ||
| 18 | 3° voor het betrokken ambt geen beoordeling met werkpunten als vermeld in het tweede lid, gekregen hebben van de eerste evaluator. Als het personeelslid uiterlijk op 30 juni van het schooljaar waarin hij tijdelijk is aangesteld geen beoordeling heeft gekregen, wordt die voorwaarde geacht vervuld te zijn. | ||
| 19 | Onverminderd de toepassing van hoofdstuk VIter kan de eerste evaluator ook oordelen dat het personeelslid nog niet voldoet om het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te verwerven en het personeelslid een beoordeling met werkpunten geven. De evaluator maakt daartoe een verslag op waarin die beslissing en de werkpunten opgenomen worden, samen met het traject dat tijdens de aanvangsbegeleiding is afgelegd. In dat geval moet het personeelslid bijkomend 200 dagen effectieve dagen presteren waarna hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft, op voorwaarde dat het personeelslid in toepassing van hoofdstuk VIter uiterlijk op het einde van die termijn geen definitieve evaluatie met eindconclusie `onvoldoende' heeft gekregen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tijdens die bijkomende periode tot een maximum van 70 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voor zover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. Bij een nieuwe aanstelling van het personeelslid in het betrokken ambt wordt conform de werkpunten in de beoordeling een aangepast traject van aanvangsbegeleiding opgesteld dat het personeelslid tijdens die bijkomende periode moet volgen. | ||
| 20 | Het personeelslid dat niet akkoord gaat met de beoordeling met werkpunten, vermeld in het tweede lid, kan verhaal halen bij de inrichtende macht. De inrichtende macht gaat vervolgens na of de beoordeling met werkpunten redelijk is en dit het uitstel van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur rechtvaardigt. De inrichtende macht bevestigt of vernietigt de beoordeling met werkpunten. Zowel het personeelslid als de eerste evaluator kunnen aan de inrichtende macht vragen om gehoord te worden. De inrichtende macht hoort in dat geval beide partijen voordat ze een beslissing neemt. | ||
| 21 | De beoordeling van de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht moet voor de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten ook het akkoord wegdragen van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of de niet-confessionele zedenleer. Dat akkoord blijkt uit de ondertekening van dit deel van de beoordeling in kwestie door een afgevaardigde van de bevoegde instantie. | ||
| 22 | In het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap worden algemene afspraken onderhandeld over de beoordeling. | ||
| 23 | Als het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in een of meer instellingen van een scholengemeenschap, dan geldt dat recht voor betrekkingen in alle instellingen van die scholengemeenschap. | ||
| 24 | Om een beroep te doen op dat recht moet het personeelslid zich, op straffe van verlies ervan voor het volgende schooljaar, voor 15 juni kandidaat stellen met een ter post aangetekende brief bij een inrichtende macht van een van de instellingen van de scholengemeenschap. Die kandidaatstelling geldt voor alle betrekkingen waarvoor het recht is verworven en voor alle instellingen van de scholengemeenschap in kwestie. | ||
| 25 | Als het personeelslid diensten heeft gepresteerd bij een andere inrichtende macht dan die waarbij hij zijn kandidatuur stelt, voegt hij bij zijn kandidaatstelling een lijst met de gepresteerde diensten om zijn aanspraak op het recht op een aanstelling van doorlopende duur te staven. | ||
| 26 | Als het personeelslid in een of meer instellingen van de scholengemeenschap een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dat vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. | ||
| 27 | Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden, vermeld in hoofdstuk IVbis, voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor ze een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. |
| 1 | § 1. Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op leraarsuren voor de oprichting van betrekkingen in de ambten van leraar secundair volwassenenonderwijs of van lector. Het aantal leraarsuren waarop een centrum voor volwassenenonderwijs vanaf 1 september 2017 recht heeft per studiegebied, wordt berekend volgens de formule : LUC,/d, waarbij : | 1 | § 1. Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft recht op leraarsuren voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. |
| 2 | 1° LUC : het aantal lesurencursist van de referteperiode van 1 april n-1 tot 31 maart n voor de toekenning van de leraarsuren voor het schooljaar n/n+1; | ||
| 3 | 2° d = de delers voor de studiegebieden, vermeld in artikel 7 en 8. | ||
| 4 | De waarde van deler d, vermeld in het eerste lid, is : | ||
| 5 | 1° 4 voor het studiegebied groot transport van het secundair volwassenenonderwijs; | ||
| 6 | 2° 7 voor de studiegebieden koeling en warmte, ICT-technieken, lassen, mechanica-elektriciteit en textiel van het secundair volwassenenonderwijs; | ||
| 7 | 3° 8 voor het studiegebied auto van het secundair volwassenenonderwijs; | ||
| 8 | 4° 9 voor de studiegebieden ambachtelijk erfgoed, maritieme diensten, meubelmakerij, mode : maatwerk, mode : realisaties en schrijnwerkerij van het secundair volwassenenonderwijs; | ||
| 9 | 5° 10 voor de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren en de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, afwerking bouw, bakkerij, chemie, drankenkennis, fotografie, grafische communicatie en media, horeca, printmedia, slagerij en ruwbouw van het secundair volwassenenonderwijs en de studiegebieden architectuur, audiovisuele en beeldende kunst, biotechniek, industriële wetenschappen en technologie, gezondheidszorg, muziek en podiumkunsten, nautische wetenschappen en onderwijs van het hoger beroepsonderwijs; | ||
| 10 | 6° 11 voor de studiegebieden ambachtelijke accessoires, assistentie vrije zorgberoepen, informatie- en communicatietechnologie en toerisme van het secundair volwassenenonderwijs; | ||
| 2 | Voor de berekening van het aantal leraarsuren waarop een centrum vanaf 1 september 2020 recht heeft, wordt het totale beschikbare volume aan leraarsuren voor het volwassenenonderwijs uitgedrukt in financieringspunten. Het totale aantal financieringspunten is de som van het aantal gewogen financieringspunten van alle centra voor volwassenenonderwijs. Elk centrum heeft op 1 september n recht op hetzelfde aandeel aan leraarsuren als het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari n-3 tot en met 31 december n-1 volgens de berekeningsformules, vermeld in paragraaf 2, heeft bereikt | ||
| 3 | § 2. Het totale aantal financieringspunten voor de leraarsuren per centrum is de som van het aantal gewogen financieringspunten, waarbij 90 % gewogen wordt op centrumkenmerken en opleidingskenmerken en 10 % op cursistenkenmerken en vermeerderd met de kwalificatiebonus. | ||
| 4 | Voor de 90 %-weging op centrumkenmerken en opleidingskenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (kg) * (bd) * (mb) * (skk) * (lpg) * (cg) * (pi), waarbij : | ||
| 5 | 1° FP = het ongewogen financieringspunt; | ||
| 6 | 2° kg = de coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte; | ||
| 7 | 3° bd = de coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats vastgesteld op 31 december n-1; | ||
| 8 | 4° mb = de coëfficiënt voor het maatschappelijk belang van het studiegebied; | ||
| 9 | 5° skk = de coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter; | ||
| 10 | 6° lpg = de coëfficiënt voor het aantal gemeenten of deelgemeenten waar het centrum minstens 1 lesplaats heeft met ingericht aanbod in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1; | ||
| 11 | 7° cg = de coëfficiënt voor de centrumgrootte of de grootte van het samenwerkingsverband van een of meer centra; | ||
| 12 | 8° pi = de coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting. | ||
| 13 | De coëfficiënt voor de gemiddelde klasgrootte is : | ||
| 14 | 1° 1,000 voor de studiegebieden Europese hoofdtalen richtgraad 1 en 2, Europese neventalen richtgraad 1 en 2, Hebreeuws, Oosterse talen, Scandinavische talen en Slavische talen; | ||
| 15 | 2° 1,071 voor de studiegebieden administratie, bedrijfsbeheer, logistiek en verkoop, huishoudelijk koken, huishoudelijke decoratie- en naaitechnieken en huishoudhulp; | ||
| 16 | 3° 1,154 voor de studiegebieden land- en tuinbouw, lichaamsverzorging en Europese talen richtgraad 3 en 4; | ||
| 11 | 7° 12 voor de studiegebieden algemene personenzorg, bibliotheek-, archief- en documentatiekunde, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2, Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 en specifieke personenzorg van het secundair volwassenenonderwijs; | 17 | 4° 1,250 voor de studiegebieden algemene personenzorg, bibliotheek-, archief- en documentatiekunde, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2, Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 en specifieke personenzorg; |
| 12 | 8° 13 voor de studiegebieden land- en tuinbouw, lichaamsverzorging en Europese talen richtgraad 3 en 4 van het secundair volwassenenonderwijs en handelswetenschappen en bedrijfskunde van het hoger beroepsonderwijs; | ||
| 13 | 9° 14 voor de studiegebieden administratie, bedrijfsbeheer, logistiek en verkoop, huishoudelijk koken, huishoudelijke decoratie- en naaitechnieken en huishoudhulp van het secundair volwassenenonderwijs en de specifieke lerarenopleidingen; | ||
| 14 | 10° 15 voor de studiegebieden Europese hoofdtalen richtgraad 1 en 2, Europese neventalen richtgraad 1 en 2, Hebreeuws, Oosterse talen, Scandinavische talen en Slavische talen van het secundair volwassenenonderwijs en het studiegebied sociaal-agogisch werk van het hoger beroepsonderwijs. | ||
| 15 | Voor de opleidingen in het studiegebied bijzondere educatieve noden van het secundair volwassenenonderwijs is de waarde van de deler d, vermeld in het eerste lid : | ||
| 16 | 1° 7 voor de opleidingen Vlaamse Gebarentaal 1 en Vlaamse Gebarentaal 2; | ||
| 18 | 5° 1,364 voor de studiegebieden ambachtelijke accessoires, assistentie vrije zorgberoepen, informatie- en communicatietechnologie en toerisme; | ||
| 19 | 6° 1,500 voor de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren en de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, afwerking bouw, bakkerij, chemie, drankenkennis, fotografie, grafische communicatie en media, horeca, printmedia, slagerij en ruwbouw; | ||
| 20 | 7° 1,667 voor de studiegebieden ambachtelijk erfgoed, maritieme diensten, meubelmakerij, mode : maatwerk, mode : realisaties en schrijnwerkerij; | ||
| 17 | 2° 8voor de opleiding Ervaringsdeskundige in de Armoede en Sociale Uitsluiting | 21 | 8° 1,875 voor de opleiding Ervaringsdeskundige in de Armoede en de Sociale Uitsluiting en voor het studiegebied auto; |
| 22 | 9° 2,143 voor de opleidingen Vlaamse Gebarentaal 1 en Vlaamse Gebarentaal 2 en voor de studiegebieden koeling en warmte, ICT-technieken, lassen, mechanica-elektriciteit en textiel; | ||
| 23 | 10° 3,750 voor het studiegebied groot transport. | ||
| 24 | De coëfficiënt voor de bevolkingsdichtheid per vestigingsplaats is : | ||
| 25 | 1° 1 voor lesplaatsen van een vestigingsplaats met meer dan 300 inwoners per km² en voor lesplaatsen in een penitentiaire inrichting; | ||
| 26 | 2° 1,10 voor lesplaatsen die buiten een penitentiaire inrichting gelegen zijn in een vestigingsplaats met 300 of minder inwoners per km². | ||
| 18 | § 2. Ter uitvoering van de onderwijsopdracht, vermeld in artikel 63, § 1, 2°, 3° en 4°, en § 3, worden de leraarsuren gegenereerd door de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 en berekend volgens de formule, vermeld in § 1, met 10 percent verhoogd. | 27 | De coëfficiënt voor het maatschappelijk belang van de opleidingen is 1,30 voor de studiegebieden aanvullende algemene vorming, algemene vorming, Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4. |
| 28 | De coëfficiënt voor de studiegebieden met een structureel knelpuntkarakter is 1,05 voor de studiegebieden algemene personenzorg, schrijnwerkerij, groot transport, mechanica-elektriciteit en koeling en warmte. De Vlaamse Regering kan die studiegebieden aanpassen en ook op lokaal niveau vastleggen. | ||
| 29 | De coëfficiënten voor het aantal deelgemeenten van gemeenten die op 1 januari 2016 meer dan 100.000 inwoners telden of het aantal gemeenten waar het centrum lesplaatsen heeft, zijn : | ||
| 30 | 1° 1,000 voor één gemeente of deelgemeente; | ||
| 31 | 2° 1,004 voor twee gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 32 | 3° 1,009 voor drie gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 33 | 4° 1,013 voor vier gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 34 | 5° 1,017 voor vijf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 35 | 6° 1,021 voor zes gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 36 | 7° 1,026 voor zeven gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 37 | 8° 1,030 voor acht gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 38 | 9° 1,034 voor negen gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 39 | 10° 1,039 voor tien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 40 | 11° 1,043 voor elf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 41 | 12° 1,047 voor twaalf gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 42 | 13° 1,051 voor dertien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 43 | 14° 1,056 voor veertien gemeenten of deelgemeenten; | ||
| 44 | 15° 1,060 voor vijftien en meer gemeenten of deelgemeenten. | ||
| 45 | De Vlaamse Regering kan voor de toepassing van bovenstaande coëfficiënten een minimum aantal lesurencursist per gemeente of deelgemeente bepalen. | ||
| 46 | De coëfficiënten voor de centrumgrootte of de grootte van het samenwerkingsverband van een of meer centra zijn : | ||
| 47 | 1° 1,000 voor een centrum of een samenwerkingsverband van minder dan 850.000 lesurencursist; | ||
| 48 | 2° 1,100 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 850.000 en 950.000 lesurencursist; | ||
| 49 | 3° 1,110 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 950.001 en 1.050.000 lesurencursist; | ||
| 50 | 4° 1,120 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.050.001 en 1.150.000 lesurencursist; | ||
| 51 | 5° 1,130 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.150.001 en 1.250.000 lesurencursist; | ||
| 52 | 6° 1,140 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.250.001 en 1.350.000 lesurencursist; | ||
| 53 | 7° 1,150 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.350.001 en 1.450.000 lesurencursist; | ||
| 54 | 8° 1,160 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.450.001 en 1.550.000 lesurencursist; | ||
| 55 | 9° 1,170 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.550.001 en 1.650.000 lesurencursist; | ||
| 56 | 10° 1,180 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.650.001 en 1.750.000 lesurencursist; | ||
| 57 | 11° 1,190 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.750.001 en 1.850.000 lesurencursist; | ||
| 58 | 12° 1,200 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.850.001 en 1.950.000 lesurencursist; | ||
| 59 | 13° 1,210 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 1.950.001 en 2.050.000 lesurencursist; | ||
| 60 | 14° 1,200 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.050.001 en 2.150.000 lesurencursist; | ||
| 61 | 15° 1,191 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.150.001 en 2.250.000 lesurencursist; | ||
| 62 | 16° 1,183 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.250.001 en 2.350.000 lesurencursist; | ||
| 63 | 17° 1,175 voor een centrum of een samenwerkingsverband tussen 2.350.001 en 2.450.000 lesurencursist; | ||
| 64 | 18° 1,168 voor een centrum of een samenwerkingsverband van minstens 2.450.001 lesurencursist. | ||
| 65 | Het samenwerkingsverband, vermeld in het achtste lid, van twee of meer centra voor volwassenenonderwijs : | ||
| 66 | 1° maakt afspraken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband, eventueel gespreid over de verschillende centra die het samenwerkingsverband vormen; | ||
| 67 | 2° maakt afspraken over een objectieve informatieverstrekking, doorverwijzing en begeleiding van cursisten; | ||
| 68 | 3° maakt afspraken over het personeelsbeleid, meer bepaald over de criteria voor het aanwerven, functioneren en evalueren van personeelsleden. | ||
| 69 | De coëfficiënt voor het aanbod in een penitentiaire inrichting is 1,40. | ||
| 70 | Voor de 10 %-weging op cursistenkenmerken wordt het aantal financieringspunten berekend volgens de formule : FP * (dip) * (as), waarbij : | ||
| 71 | 1° FP = het ongewogen financieringspunt; | ||
| 72 | 2° dip = de coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs; | ||
| 73 | 3° as = de coëfficiënt voor het arbeidsstatuut van de cursist. | ||
| 74 | De coëfficiënt voor cursisten zonder diploma secundair onderwijs is 2,50. | ||
| 75 | De coëfficiënt voor cursisten met het arbeidsstatuut werkzoekende is 1,50. | ||
| 76 | De kwalificatiebonus wordt berekend door het aantal lestijden van de opleiding zoals vermeld in artikel 24, § 1, 1°, te vermenigvuldigen met 0,20 per uitgereikt certificaat of diploma. | ||
| 19 | § 3. In afwijking van § 1 kan een centrum voor volwassenenonderwijs leraarsuren aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers ten bedrage van maximaal 5 procent van het voor het centrum voor volwassenenonderwijs beschikbare pakket leraarsuren. | 77 | § 3. In afwijking van § 1 kan een centrum voor volwassenenonderwijs leraarsuren aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers ten bedrage van maximaal 5 procent van het voor het centrum voor volwassenenonderwijs beschikbare pakket leraarsuren. |
| 20 | Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het centrumbestuur of van het personeel van het centrum en die, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming en in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma, voor cursisten voordrachten geeft vanuit zijn of haar deskundigheid en ervaring in de arbeidsmarkt en bedrijfswereld. | 78 | Een voordrachtgever is een persoon die geen deel uitmaakt van het centrumbestuur of van het personeel van het centrum en die, hetzij in eigen naam hetzij in dienst van een organisatie of onderneming en in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma, voor cursisten voordrachten geeft vanuit zijn of haar deskundigheid en ervaring in de arbeidsmarkt en bedrijfswereld. |
| 21 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van de aanwerving van voordrachtgevers aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen, de grootte van het krediet per leraarsuur dat wordt omgezet en de wijze van toekenning ervan. | 79 | De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van de aanwerving van voordrachtgevers aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen, de grootte van het krediet per leraarsuur dat wordt omgezet en de wijze van toekenning ervan. |
| 22 | Over de aanwending van leraarsuren voor de aanwerving van voordrachtgevers en over de vergoeding van die voordrachtgevers moet een voorafgaandelijk akkoord bereikt worden in het lokale comité. | 80 | Over de aanwending van leraarsuren voor de aanwerving van voordrachtgevers en over de vergoeding van die voordrachtgevers moet een voorafgaandelijk akkoord bereikt worden in het lokale comité. |
| 23 | § 4. De som van het aantal door de Vlaamse Gemeenschap toegekende leraarsuren overeenkomstig § 1 en § 2 wordt afgerond tot twee cijfers na de komma. Indien het derde cijfer na de komma 5 of meer is, wordt er afgerond naar het hogere honderdste. Indien het derde cijfer na de komma lager is dan 5, wordt er afgerond naar het lagere honderdste. | 81 | § 4. De som van het aantal door de Vlaamse Gemeenschap toegekende leraarsuren overeenkomstig § 1 wordt afgerond tot twee cijfers na de komma. Indien het derde cijfer na de komma 5 of meer is, wordt er afgerond naar het hogere honderdste. Indien het derde cijfer na de komma lager is dan 5, wordt er afgerond naar het lagere honderdste. |
| 24 | § 5. Het volume aan lesurencursist gegenereerd in gecombineerd onderwijs wordt met een factor 1,2 vermenigvuldigd indien het gecombineerd onderwijs voldoet aan de bepalingen van artikel 28 en minimaal 25 percent aan afstandsonderwijs omvat. | ||
| 25 | Een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan de extra leraarsuren gegenereerd door de vermenigvuldiging van het volume aan lesurencursist met factor 1,2 enkel aanwenden voor de organisatie, de uitbouw, de ondersteuning en de ontwikkeling van gecombineerd onderwijs. | ||
| 26 | De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de procedure. | ||
| 82 | § 4bis. Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden jaarlijks 15.111 aanvullende leraarsuren aan de centra voor volwassenenonderwijs toegekend voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in het kader van de organisatie van aanvangsbegeleiding. | ||
| 83 | De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale volume te verdelen aanvullende leraarsuren, vermeld in het eerste lid. | ||
| 84 | Elk centrum voor volwassenenonderwijs heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding als het aandeel aan leraarsuren waarop het centrum volgens de berekening van paragraaf 1 recht heeft. | ||
| 85 | Een centrumbestuur kan de aanvullende leraarsuren voor aanvangsbegeleiding omzetten in aanvullende punten voor aanvangsbegeleiding volgens de onderstaande tabel: | ||
| 86 | leraarsuren | ||
| 87 | punten | ||
| 88 | 40 | ||
| 89 | 5 | ||
| 90 | 80 | ||
| 91 | 9 | ||
| 92 | 120 | ||
| 93 | 14 | ||
| 94 | 160 | ||
| 95 | 19 | ||
| 96 | 200 | ||
| 97 | 24 | ||
| 98 | 240 | ||
| 99 | 28 | ||
| 100 | 280 | ||
| 101 | 33 | ||
| 102 | 320 | ||
| 103 | 38 | ||
| 104 | 360 | ||
| 105 | 43 | ||
| 106 | 400 | ||
| 107 | 47 | ||
| 108 | 440 | ||
| 109 | 52 | ||
| 110 | 480 | ||
| 111 | 57 | ||
| 112 | 520 | ||
| 113 | 63 | ||
| 114 | 560 | ||
| 115 | 66 | ||
| 116 | 600 | ||
| 117 | 71 | ||
| 118 | 640 | ||
| 119 | 76 | ||
| 120 | 680 | ||
| 121 | 82 | ||
| 122 | 720 | ||
| 123 | 85 | ||
| 124 | 760 | ||
| 125 | 90 | ||
| 126 | 800 | ||
| 127 | 95 | ||
| 128 | 840 | ||
| 129 | 100 | ||
| 130 | 880 | ||
| 131 | 104 | ||
| 132 | 920 | ||
| 133 | 110 | ||
| 134 | 960 | ||
| 135 | 114 | ||
| 136 | 1000 | ||
| 137 | 120 | ||
| 138 | Deze aanvullende leraarsuren kunnen worden samengelegd. Centra voor volwassenenonderwijs die kiezen om de aanvullende leraarsuren samen te leggen, richten daartoe een samenwerkingsverband `aanvangsbegeleiding' op dat bestaat uit twee of meer centra. Het samenwerkingsverband maakt afspraken over de aanwending van de aanvullende lesuren. De Vlaamse Regering kan met betrekking tot dit samenwerkingsverband volgende maatregelen vastleggen: | ||
| 139 | - de duur van de samenwerking; | ||
| 140 | - de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht; | ||
| 141 | - de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid. | ||
| 142 | § 5. .... | ||
| 27 | § 6. Ter uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3bis, heeft het centrum voor volwassenenonderwijs dat werd aangeduid als examencommissie, recht op vierhonderd aanvullende leraarsuren per schooljaar voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. Het centrum voor volwassenenonderwijs krijgt jaarlijks een bijkomende subsidie ter beschikking gesteld door de Vlaamse Regering voor de ontwikkeling en het beheer van de taaltoetsen voor de examencommissie. | 143 | § 6. Ter uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3bis, heeft het centrum voor volwassenenonderwijs dat werd aangeduid als examencommissie, recht op vierhonderd aanvullende leraarsuren per schooljaar voor de oprichting van betrekkingen in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs. Het centrum voor volwassenenonderwijs krijgt jaarlijks een bijkomende subsidie ter beschikking gesteld door de Vlaamse Regering voor de ontwikkeling en het beheer van de taaltoetsen voor de examencommissie. |
| 28 | Het personeelslid dat in de betrekking bedoeld in het eerste lid wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen : | 144 | Het personeelslid dat in de betrekking bedoeld in het eerste lid wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen : |
| 10 | 6° maakt afspraken over het opnemen van bijkomende scholen in de scholengemeenschap; | 10 | 6° maakt afspraken over het opnemen van bijkomende scholen in de scholengemeenschap; |
| 11 | 7° maakt algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen en evaluaties; | 11 | 7° maakt algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen en evaluaties; |
| 12 | 8° maakt algemene afspraken over de interne afstemming van het personeelsbeleid binnen de scholengemeenschap ; | 12 | 8° maakt algemene afspraken over de interne afstemming van het personeelsbeleid binnen de scholengemeenschap en over de aanvangsbegeleiding van personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur; |
| 13 | § 2. Het schoolbestuur/de schoolbesturen kan/kunnen de beslissingsbevoegdheid inzake de in § 1 bedoelde aan-gelegenheden overdragen naar het niveau van de scholengemeenschap. | 13 | § 2. Het schoolbestuur/de schoolbesturen kan/kunnen de beslissingsbevoegdheid inzake de in § 1 bedoelde aan-gelegenheden overdragen naar het niveau van de scholengemeenschap. |
| 5 | 1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren; | 5 | 1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren; |
| 6 | 2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling; | 6 | 2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling; |
| 7 | 3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap. | 7 | 3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap; |
| 8 | 4° inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen en het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat op basis van de beoordeling een verslag met werkpunten krijgt, met binnen die laatste groep een opsplitsing van diegenen die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en van diegenen die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen. | ||
| 8 | § 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap. | 9 | § 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap. |
| 9 | § 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd. | 10 | § 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd. |
| 5 | 1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren; | 5 | 1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren; |
| 6 | 2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling; | 6 | 2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling; |
| 7 | 3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap. | 7 | 3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap; |
| 8 | 4° inlichtingen over het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling of dat geen beoordeling heeft gekregen en het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat op basis van de beoordeling een verslag met werkpunten krijgt, met binnen die laatste groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen. | ||
| 8 | § 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap. | 9 | § 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap. |
| 9 | § 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd. | 10 | § 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd. |
| 10 | 6° lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs. | 10 | 6° lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs. |
| 11 | 7° lestijden in het buitengewoon basisonderwijs ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap; | 11 | 7° lestijden in het buitengewoon basisonderwijs ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap; |
| 12 | 8° lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering. | ||
| 12 | De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden voor het permanent onderwijs aan huis in het buitengewoon onderwijs komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. | 13 | De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden voor het permanent onderwijs aan huis in het buitengewoon onderwijs komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. |
| 13 | § 2. De regering kan beslissen een nieuwe categorie aanvullende lestijden te financieren of te subsidiëren. | 14 | § 2. De regering kan beslissen een nieuwe categorie aanvullende lestijden te financieren of te subsidiëren. |
| 1 | § 1. Het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering bedraagt, voor het schooljaar 2019-2020, in het gewoon basisonderwijs 7766 lestijden en in het buitengewoon basisonderwijs 1156 lestijden. | ||
| 2 | Voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2020-2021, worden de 7766 lestijden, vermeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A1 = X/Y, waarbij: | ||
| 3 | 1° X: het totale aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari X; | ||
| 4 | 2° Y: het totale aantal leerlingen in het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari 2019. | ||
| 5 | Voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2020-2021, worden de 1156 lestijden, vermeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A2 = R/S, waarbij: | ||
| 6 | 1° R: het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari X; | ||
| 7 | 2° S: het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari 2019. | ||
| 8 | § 2. Het aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering waarop de school voor gewoon basisonderwijs recht heeft, is A*B, waarbij: | ||
| 9 | 1° A: de beschikbare lestijden voor het gewoon basisonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het gewoon basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden in het gewoon basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal: | ||
| 10 | a) lestijden volgens de schalen; | ||
| 11 | b) SES-lestijden; | ||
| 12 | c) additionele lestijden volgens de schalen die gebaseerd zijn op de leerlingleerkrachtratio; | ||
| 13 | d) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing; | ||
| 14 | 2° B: het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden van de school wordt verstaan de som van de: | ||
| 15 | a) lestijden volgens de schalen; | ||
| 16 | b) SES-lestijden; | ||
| 17 | c) additionele lestijden volgens de schalen die gebaseerd zijn op de leerlingleerkrachtratio; | ||
| 18 | d) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing. | ||
| 19 | De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 20 | § 3. Het aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering waarop de school voor buitengewoon basisonderwijs recht heeft, is C*D, waarbij: | ||
| 21 | 1° C: de beschikbare lestijden voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het buitengewoon basisonderwijs van het vorige schooljaar van alle scholen samen, waarbij onder het totale aantal lestijden in het buitengewoon basisonderwijs wordt verstaan de som van het totale aantal: | ||
| 22 | a) lestijden volgens de schalen; | ||
| 23 | b) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs; | ||
| 24 | c) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing; | ||
| 25 | 2° D: het totale aantal lestijden van de school van het vorige schooljaar waarbij onder het totale aantal lestijden van de school wordt verstaan de som van de: | ||
| 26 | a) lestijden volgens de schalen; | ||
| 27 | b) aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs; | ||
| 28 | c) aanvullende lestijden godsdienst, niet-confessionele zedenleer en cultuurbeschouwing. | ||
| 29 | De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een school als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal. | ||
| 30 | § 4. Uit de lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon kleuteronderwijs, betrekkingen worden ingericht: | ||
| 31 | 1° in het ambt van kleuteronderwijzer; | ||
| 32 | 2° in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding. | ||
| 33 | De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, worden als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen van kleuteronderwijzer of leermeester lichamelijke opvoeding: de lestijden worden gedeeld door 24 tot op de eenheid voor het ambt van kleuteronderwijzer of leermeester lichamelijke opvoeding. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen. | ||
| 34 | § 5. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon kleuteronderwijs, worden ingericht in het ambt van kinderverzorger, na omzetting volgens de onderstaande tabel: | ||
| 35 | lestijden | ||
| 36 | uren kinderverzorger | ||
| 37 | 1 | ||
| 38 | 2 | ||
| 39 | 2 | ||
| 40 | 3 | ||
| 41 | 3 | ||
| 42 | 5 | ||
| 43 | 4 | ||
| 44 | 6 | ||
| 45 | 5 | ||
| 46 | 8 | ||
| 47 | 6 | ||
| 48 | 10 | ||
| 49 | 7 | ||
| 50 | 11 | ||
| 51 | 8 | ||
| 52 | 13 | ||
| 53 | 9 | ||
| 54 | 14 | ||
| 55 | 10 | ||
| 56 | 16 | ||
| 57 | 11 | ||
| 58 | 17 | ||
| 59 | 12 | ||
| 60 | 19 | ||
| 61 | 13 | ||
| 62 | 21 | ||
| 63 | 14 | ||
| 64 | 22 | ||
| 65 | 15 | ||
| 66 | 24 | ||
| 67 | 16 | ||
| 68 | 25 | ||
| 69 | 17 | ||
| 70 | 27 | ||
| 71 | 18 | ||
| 72 | 29 | ||
| 73 | 19 | ||
| 74 | 30 | ||
| 75 | 20 | ||
| 76 | 32 | ||
| 77 | De omrekening van de uren naar gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen kinderverzorger gebeurt door de som van de uren verkregen overeenkomstig het eerste lid te delen door 32 tot op de eenheid; het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen. | ||
| 78 | § 6. Uit de lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon lager onderwijs, betrekkingen worden ingericht: | ||
| 79 | 1° in het ambt van onderwijzer; | ||
| 80 | 2° in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding; | ||
| 81 | 3° in het ambt van leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer. | ||
| 82 | De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, worden als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen van onderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding of leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer: de lestijden worden gedeeld door 24 tot op de eenheid voor het ambt van onderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding of leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen. | ||
| 83 | § 7. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 2, kunnen, in het gewoon basisonderwijs, worden omgezet in punten, na omzetting volgens de onderstaande tabel: | ||
| 84 | lestijden | ||
| 85 | punten | ||
| 86 | 1 | ||
| 87 | 4 | ||
| 88 | 2 | ||
| 89 | 7 | ||
| 90 | 3 | ||
| 91 | 11 | ||
| 92 | 4 | ||
| 93 | 14 | ||
| 94 | 5 | ||
| 95 | 18 | ||
| 96 | 6 | ||
| 97 | 21 | ||
| 98 | 7 | ||
| 99 | 25 | ||
| 100 | 8 | ||
| 101 | 28 | ||
| 102 | 9 | ||
| 103 | 32 | ||
| 104 | 10 | ||
| 105 | 35 | ||
| 106 | 11 | ||
| 107 | 39 | ||
| 108 | 12 | ||
| 109 | 43 | ||
| 110 | 13 | ||
| 111 | 46 | ||
| 112 | 14 | ||
| 113 | 50 | ||
| 114 | 15 | ||
| 115 | 53 | ||
| 116 | 16 | ||
| 117 | 57 | ||
| 118 | 17 | ||
| 119 | 60 | ||
| 120 | 18 | ||
| 121 | 64 | ||
| 122 | 19 | ||
| 123 | 67 | ||
| 124 | 20 | ||
| 125 | 71 | ||
| 126 | 21 | ||
| 127 | 74 | ||
| 128 | 22 | ||
| 129 | 78 | ||
| 130 | 23 | ||
| 131 | 81 | ||
| 132 | 24 | ||
| 133 | 85 | ||
| 134 | Uit de punten, verkregen volgens het eerste lid, kunnen de volgende ambten worden ingericht: | ||
| 135 | 1° het ambt van zorgcoördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel; | ||
| 136 | 2° het ambt van ICT-coördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel; | ||
| 137 | 3° het ambt van administratief medewerker uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel. | ||
| 138 | De omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse betrekkingen van het beleids- en ondersteund personeel gebeurt volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende de puntenenveloppen voor de scholengemeenschappen basisonderwijs. | ||
| 139 | § 8. Uit de lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, kunnen, in het buitengewoon onderwijs, betrekkingen worden ingericht in: | ||
| 140 | 1° het ambt van kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming; | ||
| 141 | 2° het ambt van onderwijzer algemene en sociale vorming; | ||
| 142 | 3° het ambt van leermeester algemene en sociale vorming, specialiteit lichamelijke opvoeding; | ||
| 143 | 4° het ambt van leermeester algemene en sociale vorming, compensatietechnieken braille, type 6; | ||
| 144 | 5° het ambt van leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer. | ||
| 145 | De lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, worden als volgt omgerekend naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen: de lestijden worden gedeeld door 22 tot op de eenheid. Het quotiënt is gelijk aan het mogelijke aantal volledige betrekkingen. | ||
| 146 | § 9. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, kunnen, in het buitengewoon basisonderwijs, worden omgezet in uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel, na omzetting volgens de onderstaande tabel: | ||
| 147 | lestijden | ||
| 148 | uren | ||
| 149 | 1 | ||
| 150 | 1 | ||
| 151 | 2 | ||
| 152 | 3 | ||
| 153 | 3 | ||
| 154 | 4 | ||
| 155 | 4 | ||
| 156 | 6 | ||
| 157 | 5 | ||
| 158 | 7 | ||
| 159 | 6 | ||
| 160 | 9 | ||
| 161 | 7 | ||
| 162 | 10 | ||
| 163 | 8 | ||
| 164 | 12 | ||
| 165 | 9 | ||
| 166 | 13 | ||
| 167 | 10 | ||
| 168 | 15 | ||
| 169 | 11 | ||
| 170 | 16 | ||
| 171 | 12 | ||
| 172 | 18 | ||
| 173 | 13 | ||
| 174 | 19 | ||
| 175 | 14 | ||
| 176 | 21 | ||
| 177 | 15 | ||
| 178 | 22 | ||
| 179 | 16 | ||
| 180 | 24 | ||
| 181 | 17 | ||
| 182 | 25 | ||
| 183 | 18 | ||
| 184 | 27 | ||
| 185 | 19 | ||
| 186 | 28 | ||
| 187 | 20 | ||
| 188 | 29 | ||
| 189 | 21 | ||
| 190 | 31 | ||
| 191 | 22 | ||
| 192 | 32 | ||
| 193 | 23 | ||
| 194 | 34 | ||
| 195 | 24 | ||
| 196 | 35 | ||
| 197 | 25 | ||
| 198 | 37 | ||
| 199 | 26 | ||
| 200 | 38 | ||
| 201 | 27 | ||
| 202 | 40 | ||
| 203 | De omrekening van uren naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse betrekkingen van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel gebeurt volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs. | ||
| 204 | § 10. De lestijden, verkregen volgens paragraaf 3, kunnen, in het buitengewoon basisonderwijs, worden omgezet in punten, na omzetting volgens de onderstaande tabel: | ||
| 205 | lestijden | ||
| 206 | punten | ||
| 207 | 1 | ||
| 208 | 4 | ||
| 209 | 2 | ||
| 210 | 8 | ||
| 211 | 3 | ||
| 212 | 12 | ||
| 213 | 4 | ||
| 214 | 15 | ||
| 215 | 5 | ||
| 216 | 19 | ||
| 217 | 6 | ||
| 218 | 23 | ||
| 219 | 7 | ||
| 220 | 27 | ||
| 221 | 8 | ||
| 222 | 31 | ||
| 223 | 9 | ||
| 224 | 35 | ||
| 225 | 10 | ||
| 226 | 39 | ||
| 227 | 11 | ||
| 228 | 43 | ||
| 229 | 12 | ||
| 230 | 46 | ||
| 231 | 13 | ||
| 232 | 50 | ||
| 233 | 14 | ||
| 234 | 54 | ||
| 235 | 15 | ||
| 236 | 58 | ||
| 237 | 16 | ||
| 238 | 62 | ||
| 239 | 17 | ||
| 240 | 66 | ||
| 241 | 18 | ||
| 242 | 70 | ||
| 243 | 19 | ||
| 244 | 73 | ||
| 245 | 20 | ||
| 246 | 77 | ||
| 247 | 21 | ||
| 248 | 81 | ||
| 249 | 22 | ||
| 250 | 85 | ||
| 251 | Uit de punten, verkregen volgens het eerste lid, kunnen de volgende ambten worden ingericht: | ||
| 252 | 1° het ambt van zorgcoördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel; | ||
| 253 | 2° het ambt van ICT-coördinator uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel; | ||
| 254 | 3° het ambt van administratief medewerker uit de categorie beleids- en ondersteunend personeel. | ||
| 255 | De omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse betrekkingen van het beleids- en ondersteund personeel gebeurt volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende de puntenenveloppen voor de scholengemeenschappen basisonderwijs. | ||
| 256 | § 11. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de omzettingstabellen vervat in dit artikel te wijzigen. |
| 1 | § 1. Een academie heeft vanaf het schooljaar 2019-2020 recht op aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding die als volgt berekend worden: A x B, waarbij: | ||
| 2 | 1° A: het totale aantal lestijden van de academie, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar; | ||
| 3 | 2° B: X/Y, waarbij: | ||
| 4 | a) X: het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs; | ||
| 5 | b) Y: het totale aantal lestijden voor het deeltijds kunstonderwijs berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het voorgaande schooljaar. | ||
| 6 | Het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in het eerste lid, bedraagt, voor het schooljaar 2019-2020 326 lestijden. | ||
| 7 | Voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2020-2021, worden de 326 lestijden, vermeld in het vorige lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A = X/Y, waarbij: | ||
| 8 | 1° X: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari X; | ||
| 9 | 2° Y: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari 2019. | ||
| 10 | Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar de lagere eenheid. | ||
| 11 | § 2. Met de aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding organiseert de academie betrekkingen in het ambt van leraar of begeleider conform de berekening, vermeld in artikel 39 van het besluit van 4 mei 2018 van de Vlaamse Regering betreffende het opleidingsaanbod, de organisatie, de personeelsformatie, de inning van het inschrijvingsgeld en de certificering van het deeltijds kunstonderwijs. De opdracht van de leraar wordt gelijkgesteld met een van de vakken, vermeld in artikel 4, 6, 8 en 10, van hetzelfde besluit. | ||
| 12 | § 3. De aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding kunnen worden samengelegd. | ||
| 13 | Academies die kiezen om de aanvullende lestijden samen te leggen, richten daartoe een samenwerkingsverband `aanvangsbegeleiding' op dat bestaat uit twee of meer academies. Het samenwerkingsverband maakt afspraken over de aanwending van de aanvullende lestijden. | ||
| 14 | De Vlaamse Regering kan met betrekking tot het samenwerkingsverband, vermeld in het tweede lid, volgende maatregelen vastleggen: | ||
| 15 | 1° de duur van de samenwerking; | ||
| 16 | 2° de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht; | ||
| 17 | 3° de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de overheid. | ||
| 18 | § 4. Een academie of een samenwerkingsverband, vermeld in paragraaf 3, kan een of meer lestijden voor aanvangsbegeleiding omzetten naar administratieve omkaderingseenheden. Daarbij wordt het aantal lestijden als volgt in rekening gebracht: | ||
| 19 | lestijden | ||
| 20 | administratieve omkaderingseenheden | ||
| 21 | 1 | ||
| 22 | 2 | ||
| 23 | 2 | ||
| 24 | 4 | ||
| 25 | 3 | ||
| 26 | 7 | ||
| 27 | 4 | ||
| 28 | 9 | ||
| 29 | 5 | ||
| 30 | 11 | ||
| 31 | 6 | ||
| 32 | 13 | ||
| 33 | 7 | ||
| 34 | 15 | ||
| 35 | 8 | ||
| 36 | 17 | ||
| 37 | 9 | ||
| 38 | 20 | ||
| 39 | 10 | ||
| 40 | 22 | ||
| 41 | Met de administratieve omkaderingseenheden organiseert de academie betrekkingen in het ambt van administratief medewerker conform de berekening, vermeld in artikel 46 van het besluit van 4 mei 2018 van de Vlaamse Regering betreffende het opleidingsaanbod, de organisatie, de personeelsformatie, de inning van het inschrijvingsgeld en de certificering van het deeltijds kunstonderwijs. |
| 1 | Aan scholen voor voltijds gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs worden vanaf het schooljaar 2019-2020 een aantal organieke uren-leraar aanvangsbegeleiding toegekend. | ||
| 2 | Aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs worden vanaf het schooljaar 2019-2020 een aantal organieke lesuren aanvangsbegeleiding toegekend. | ||
| 3 | Ook in het geval van overdracht of herverdeling kunnen die uren-leraar en lesuren alleen voor aanvangsbegeleiding worden aangewend. | ||
| 4 | De uren-leraar aanvangsbegeleiding worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het ondersteunend personeel. Voor de aanwending in het ondersteunend personeel worden uren-leraar omgezet naar punten als vermeld in artikel 22/20. | ||
| 5 | De lesuren aanvangsbegeleiding worden aangewend in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel, het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel. Voor de aanwending in het ondersteunend personeel worden lesuren omgezet naar punten als vermeld in artikel 22/20. Voor de aanwending in het paramedisch personeel, het medisch personeel, het sociaal personeel, het orthopedagogisch personeel of het psychologisch personeel worden lesuren omgezet naar uren als vermeld in artikel 22/20. | ||
| 6 | Voor de toepassing van de personeelsregelgeving wordt, voor wat het bestuurs- en onderwijzend personeel betreft, aanvangsbegeleiding beschouwd als uren die geen lesuren zijn maar ermee gelijkgesteld worden. |
| 1 | Het globaal beschikbaar aantal uren aanvangsbegeleiding voor het schooljaar 2019-2020 bedraagt 3649 uren en wordt als volgt verdeeld: | ||
| 2 | 1° voltijds gewoon secundair onderwijs: 3086 uren-leraar; | ||
| 3 | 2° buitengewoon secundair onderwijs: 491 lesuren; | ||
| 4 | 3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: 72 uren-leraar. | ||
| 5 | Vanaf het schooljaar 2020-2021 wordt het globaal beschikbaar aantal uren en de verdeling over punt 1° tot en met punt 3° evenredig aangepast aan eventuele leerlingenfluctuaties ten opzichte van het voorafgaande schooljaar, waarbij altijd de eerste lesdag van februari als teldatum wordt genomen. | ||
| 6 | Die uren worden over de scholen en centra als volgt verdeeld: | ||
| 7 | 1° voltijds gewoon secundair onderwijs: in verhouding tot het pakket uren-leraar van de school en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle scholen. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket uren-leraar: | ||
| 8 | a) de uren-leraar voor de levensbeschouwelijke vakken als vermeld in artikel 209; | ||
| 9 | b) de uren-leraar voor de niet-levensbeschouwelijke vakken als vermeld in artikel 209; | ||
| 10 | c) de uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod als vermeld in artikel 226, 227, 234 en 235; | ||
| 11 | 2° buitengewoon secundair onderwijs: in verhouding tot het pakket lesuren van de school en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten lesuren van alle scholen. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket lesuren: | ||
| 12 | a) de lesuren voor de levensbeschouwelijke vakken als vermeld in artikel 300; | ||
| 13 | b) de lesuren niet-levensbeschouwing als vermeld in artikel 298, 299, 301, 302 en 303; | ||
| 14 | c) de lesuren geïntegreerd ondersteuningsaanbod als vermeld in artikel 318 en 319; | ||
| 15 | 3° deeltijds beroepssecundair onderwijs: in verhouding tot het pakket uren-leraar van het centrum en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de pakketten uren-leraar van alle centra. Voor de toepassing van deze bepaling omvat het pakket uren-leraar de uren-leraar als vermeld in artikel 89 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap. |
| 1 | De aanwending van de uren-leraar of lesuren aanvangsbegeleiding in wervingsambten van het ondersteunend personeel gebeurt op basis van de volgende omzettingstabel: | ||
| 2 | 1° voltijds gewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs: | ||
| 3 | a) 11 uren-leraar = 31,5 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 4 | b) 22 uren-leraar = 63 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 5 | c) 11 uren-leraar = 41 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 6 | d) 22 uren-leraar = 82 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 7 | e) 10 uren-leraar = 60 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 8 | f) 20 uren-leraar = 120 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 9 | 2° buitengewoon secundair onderwijs: | ||
| 10 | a) 11 lesuren = 31,5 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 11 | b) 22 lesuren = 63 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste secundair onderwijs in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 12 | c) 11 lesuren = 41 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 13 | d) 22 lesuren = 82 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste bachelor in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 14 | e) 11 lesuren = 60 punten in het geval van een halftijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel; | ||
| 15 | f) 22 lesuren = 120 punten in het geval van een voltijdse betrekking met bekwaamheidsbewijs ten minste master in een wervingsambt van het ondersteunend personeel. | ||
| 16 | De aanwending van de lesuren aanvangsbegeleiding in wervingsambten van het medisch, paramedisch, orthopedagogisch, psychologisch of sociaal personeel gebeurt op basis van de volgende omzettingstabellen: | ||
| 17 | 1° arts, orthopedagoog en psycholoog: | ||
| 18 | lesuren | ||
| 19 | uren | ||
| 20 | 1 | ||
| 21 | 1 | ||
| 22 | 2 | ||
| 23 | 3 | ||
| 24 | 3 | ||
| 25 | 4 | ||
| 26 | 4 | ||
| 27 | 6 | ||
| 28 | 5 | ||
| 29 | 7 | ||
| 30 | 6 | ||
| 31 | 9 | ||
| 32 | 7 | ||
| 33 | 10 | ||
| 34 | 8 | ||
| 35 | 12 | ||
| 36 | 9 | ||
| 37 | 13 | ||
| 38 | 10 | ||
| 39 | 15 | ||
| 40 | 11 | ||
| 41 | 16 | ||
| 42 | 12 | ||
| 43 | 18 | ||
| 44 | 13 | ||
| 45 | 19 | ||
| 46 | 14 | ||
| 47 | 21 | ||
| 48 | 15 | ||
| 49 | 22 | ||
| 50 | 16 | ||
| 51 | 24 | ||
| 52 | 17 | ||
| 53 | 25 | ||
| 54 | 18 | ||
| 55 | 27 | ||
| 56 | 19 | ||
| 57 | 28 | ||
| 58 | 20 | ||
| 59 | 29 | ||
| 60 | 21 | ||
| 61 | 31 | ||
| 62 | 22 | ||
| 63 | 32 | ||
| 64 | 23 | ||
| 65 | 34 | ||
| 66 | 24 | ||
| 67 | 35 | ||
| 68 | 25 | ||
| 69 | 37 | ||
| 70 | 26 | ||
| 71 | 38 | ||
| 72 | 27 | ||
| 73 | 40 | ||
| 74 | 2° ergotherapeut, kinderverzorger, kinesitherapeut, maatschappelijk werker en verpleger: | ||
| 75 | lesuren | ||
| 76 | uren | ||
| 77 | 1 | ||
| 78 | 1 | ||
| 79 | 2 | ||
| 80 | 3 | ||
| 81 | 3 | ||
| 82 | 4 | ||
| 83 | 4 | ||
| 84 | 6 | ||
| 85 | 5 | ||
| 86 | 7 | ||
| 87 | 6 | ||
| 88 | 9 | ||
| 89 | 7 | ||
| 90 | 10 | ||
| 91 | 8 | ||
| 92 | 12 | ||
| 93 | 9 | ||
| 94 | 13 | ||
| 95 | 10 | ||
| 96 | 15 | ||
| 97 | 11 | ||
| 98 | 16 | ||
| 99 | 12 | ||
| 100 | 18 | ||
| 101 | 13 | ||
| 102 | 19 | ||
| 103 | 14 | ||
| 104 | 21 | ||
| 105 | 15 | ||
| 106 | 22 | ||
| 107 | 16 | ||
| 108 | 24 | ||
| 109 | 17 | ||
| 110 | 25 | ||
| 111 | 18 | ||
| 112 | 27 | ||
| 113 | 19 | ||
| 114 | 28 | ||
| 115 | 20 | ||
| 116 | 29 | ||
| 117 | 21 | ||
| 118 | 31 | ||
| 119 | 22 | ||
| 120 | 32 | ||
| 121 | 3° logopedist: | ||
| 122 | lesuren | ||
| 123 | uren | ||
| 124 | 1 | ||
| 125 | 1 | ||
| 126 | 2 | ||
| 127 | 3 | ||
| 128 | 3 | ||
| 129 | 4 | ||
| 130 | 4 | ||
| 131 | 6 | ||
| 132 | 5 | ||
| 133 | 7 | ||
| 134 | 6 | ||
| 135 | 9 | ||
| 136 | 7 | ||
| 137 | 10 | ||
| 138 | 8 | ||
| 139 | 12 | ||
| 140 | 9 | ||
| 141 | 13 | ||
| 142 | 10 | ||
| 143 | 15 | ||
| 144 | 11 | ||
| 145 | 16 | ||
| 146 | 12 | ||
| 147 | 18 | ||
| 148 | 13 | ||
| 149 | 19 | ||
| 150 | 14 | ||
| 151 | 21 | ||
| 152 | 15 | ||
| 153 | 22 | ||
| 154 | 16 | ||
| 155 | 24 | ||
| 156 | 17 | ||
| 157 | 25 | ||
| 158 | 18 | ||
| 159 | 27 | ||
| 160 | 19 | ||
| 161 | 28 | ||
| 162 | 20 | ||
| 163 | 30 | ||
| 164 | De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de hiervoor vermelde omzettingstabellen te wijzigen. |
| 2 | 1° maakt afspraken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, eventueel gespreid over de verschillende scholen die de scholengemeenschap vormen; | 2 | 1° maakt afspraken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, eventueel gespreid over de verschillende scholen die de scholengemeenschap vormen; |
| 3 | 2° maakt afspraken over een objectieve leerlingenoriëntering en -begeleiding. Met het oog daarop en voor zover in de scholengemeenschap een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is opgenomen, heeft de scholengemeenschap een overlegplicht ten aanzien van elk regionaal overlegplatform, vermeld in het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, waarvan het werkingsgebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met dat van de scholengemeenschap; | 3 | 2° maakt afspraken over een objectieve leerlingenoriëntering en -begeleiding. Met het oog daarop en voor zover in de scholengemeenschap een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is opgenomen, heeft de scholengemeenschap een overlegplicht ten aanzien van elk regionaal overlegplatform, vermeld in het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, waarvan het werkingsgebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met dat van de scholengemeenschap; |
| 4 | 3° maakt afspraken over het personeelsbeleid, meer bepaald over de criteria voor het aanwerven, functioneren en evalueren van personeelsleden ; | 4 | 3° maakt afspraken over het personeelsbeleid, meer bepaald over de criteria voor het aanwerven, functioneren en evalueren van personeelsleden en over de aanvangsbegeleiding van personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur; |
| 5 | 4° maakt afspraken/beslist over de verdeling van de extra uren-leraar over haar scholen. De verdelingscriteria worden onderhandeld in het lokaal comité. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de extra uren-leraar recht evenredig verdeeld volgens het aandeel dat het pakket uren-leraar van elke afzonderlijke school uitmaakt binnen de totaliteit van de pakketten uren-leraar van de diverse scholen die tot de scholengemeenschap behoren; | 5 | 4° maakt afspraken/beslist over de verdeling van de extra uren-leraar over haar scholen. De verdelingscriteria worden onderhandeld in het lokaal comité. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de extra uren-leraar recht evenredig verdeeld volgens het aandeel dat het pakket uren-leraar van elke afzonderlijke school uitmaakt binnen de totaliteit van de pakketten uren-leraar van de diverse scholen die tot de scholengemeenschap behoren; |
| 6 | 5° maakt afspraken/beslist over de verdeling over haar scholen van de puntenenveloppe bedoeld in artikel 23 tot en met 31. Met inachtname van de bepalingen van voormelde onderafdeling worden de verdelingscriteria onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de punten verdeeld overeenkomstig de parameters volgens welke ze toegekend zijn; | 6 | 5° maakt afspraken/beslist over de verdeling over haar scholen van de puntenenveloppe bedoeld in artikel 23 tot en met 31. Met inachtname van de bepalingen van voormelde onderafdeling worden de verdelingscriteria onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité van de scholengemeenschap. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria, worden de punten verdeeld overeenkomstig de parameters volgens welke ze toegekend zijn; |
| 4 | 1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren; | 4 | 1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren; |
| 5 | 2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling; | 5 | 2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling; |
| 6 | 3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap. | 6 | 3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap; |
| 7 | 4° het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling en het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat op basis van de beoordeling een verslag met werkpunten krijgt, met binnen die laatste groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen. | ||
| 7 | § 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap. | 8 | § 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap. |
| 8 | § 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd. | 9 | § 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd. |
| 4 | 1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren; | 4 | 1° inlichtingen over de evolutie van het aantal leerlingen in de scholen van de scholengemeenschap en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de scholen die tot de scholengemeenschap behoren; |
| 5 | 2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling; | 5 | 2° inlichtingen over de structuur van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling; |
| 6 | 3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap. | 6 | 3° inlichtingen over het personeelsverloop in de scholen van de scholengemeenschap; |
| 7 | 4° het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat in de scholen van de scholengemeenschap het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verwerft op basis van een positieve beoordeling en het aantal tijdelijke personeelsleden met een aanstelling voor bepaalde duur dat op basis van de beoordeling een verslag met werkpunten krijgt, met binnen die laatste groep een opsplitsing tussen de personeelsleden die daarna een nieuwe aanstelling verkrijgen en de personeelsleden die daarna geen nieuwe aanstelling verkrijgen. | ||
| 7 | § 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap. | 8 | § 3. De afgevaardigden van de schoolbesturen moeten aan de leden van het OCSG inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de scholen van de scholengemeenschap. |
| 8 | § 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd. | 9 | § 4. De leden van het OCSG ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot schooloverschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd. |
| 4 | § 2. De aanwending van het wekelijkse aantal uren-leraar vindt plaats onder vorm van hetzij lesuren hetzij uren die geen lesuren zijn. | 4 | § 2. De aanwending van het wekelijkse aantal uren-leraar vindt plaats onder vorm van hetzij lesuren hetzij uren die geen lesuren zijn. |
| 5 | Onder uren die geen lesuren zijn, wordt verstaan : | 5 | Onder uren die geen lesuren zijn, wordt verstaan : |
| 6 | 1° enerzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die geen betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters, meer bepaald "interne pedagogische begeleiding", "bijzondere pedagogische taken", "nascholing", "inhaallessen", "klassenraad" en "klassendirectie". Het organiseren van interne pedagogische begeleiding kan uitsluitend in een school met beroepssecundair onderwijs; | 6 | 1° enerzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die geen betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters, meer bepaald "interne pedagogische begeleiding", "bijzondere pedagogische taken", "nascholing", "aanvangsbegeleiding" "inhaallessen", "klassenraad" en "klassendirectie". Het organiseren van interne pedagogische begeleiding kan uitsluitend in een school met beroepssecundair onderwijs; |
| 7 | 2° anderzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die, zoals lesuren, wel betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters doch die niet binnen de context van vakken kunnen worden gevat, meer bepaald "seminaries". Seminaries kunnen uitsluitend worden georganiseerd buiten de basisvorming, het beroepenveld, de basisoptie en het fundamenteel gedeelte van de optie. Een opdracht seminaries moet steeds als een afzonderlijke betrekking worden aangeboden en vergt altijd het akkoord van het personeelslid dat er wordt mee belast. | 7 | 2° anderzijds opdrachten van het onderwijzend personeel die, zoals lesuren, wel betrekking hebben op de realisatie van de wekelijkse lessenroosters doch die niet binnen de context van vakken kunnen worden gevat, meer bepaald "seminaries". Seminaries kunnen uitsluitend worden georganiseerd buiten de basisvorming, de basisoptie en het fundamenteel gedeelte van de optie. Een opdracht seminaries moet steeds als een afzonderlijke betrekking worden aangeboden en vergt altijd het akkoord van het personeelslid dat er wordt mee belast. |
| 8 | § 3. De aanwending van uren-leraar kan in volgende structuuronderdelen ook plaatsvinden onder vorm van het inzetten van voordrachtgevers : | 8 | § 3. De aanwending van uren-leraar kan in volgende structuuronderdelen ook plaatsvinden onder vorm van het inzetten van voordrachtgevers : |
| 9 | 1° alle structuuronderdelen van het studiegebied Ballet van de tweede en de derde graad kso; | 9 | 1° alle structuuronderdelen van het studiegebied Ballet van de tweede en de derde graad kso; |
| 1 | Aan de centra worden voor het schooljaar 2019-2020 globaal 4,6 organieke omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding toegekend. Vanaf het schooljaar 2020-2021 wordt het beschikbaar aantal organieke omkaderingsgewichten evenredig aangepast aan eventuele wijzigingen aan de totaliteit van de reële omkadering van alle centra ten opzichte van het voorafgaande schooljaar. | ||
| 2 | Die omkaderingsgewichten worden over de centra verdeeld in verhouding tot de reële omkadering van het centrum en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de reële omkadering van alle centra. | ||
| 3 | De aanwending van de omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding gebeurt in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel. | ||
| 4 | De omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding die elk centrum ontvangt, kunnen door elk centrum gedeeltelijk of volledig worden overgedragen aan een al dan niet netoverstijgend samenwerkingsverband van centra onderling, naar de permanente ondersteuningscel of een netoverstijgend samenwerkingsverband van de permanente ondersteuningscellen of naar een netoverstijgende regionale ondersteuningscel. Ook in het geval van overdracht kunnen die omkaderingsgewichten alleen voor aanvangsbegeleiding in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel worden aangewend. |
| 1 | § 1. Een centrum kan, na onderhandeling in het lokaal comité, jaarlijks aan een of meer andere centra omkaderingsgewichten als vermeld in artikel 41 , overdragen. | 1 | § 1. Een centrum kan, na onderhandeling in het lokaal comité, jaarlijks aan een of meer andere centra omkaderingsgewichten als vermeld in artikel 41 en 41/1, overdragen. |
| 2 | § 2. Een centrum kan, na onderhandeling in het lokaal comité, de toegekende omkaderingsgewichten, vermeld in artikel 41, geheel of gedeeltelijk overdragen aan de permanente ondersteuningscel, aan een regionale ondersteuningscel en/of aan een netoverstijgende regionale ondersteuningscel voor de duurtijd van de omkaderingsperiode, vermeld in artikel 41. | 2 | § 2. Een centrum kan, na onderhandeling in het lokaal comité, de toegekende omkaderingsgewichten, vermeld in artikel 41, geheel of gedeeltelijk overdragen aan de permanente ondersteuningscel, aan een regionale ondersteuningscel en/of aan een netoverstijgende regionale ondersteuningscel voor de duurtijd van de omkaderingsperiode, vermeld in artikel 41. |
| 3 | Met de voormelde omkaderingsgewichten kunnen in de permanente ondersteuningscel betrekkingen worden opgericht in ambten als vermeld in artikel 46, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur. | 3 | Met de voormelde omkaderingsgewichten kunnen in de permanente ondersteuningscel betrekkingen worden opgericht in ambten als vermeld in artikel 46, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur. |
| 4 | Met de voormelde omkaderingsgewichten kunnen voor de regionale ondersteuningscel en de netoverstijgende regionale ondersteuningscel betrekkingen worden opgericht in ambten als vermeld in artikel 46. Aan de regionale ondersteuningscel en de netoverstijgende regionale ondersteuningscel kan met deze omkaderingsgewichten maximaal één voltijdse betrekking van directeur worden opgericht. Voor die betrekking van directeur wordt het desbetreffende omkaderingsgewicht van de overgedragen omkaderingsgewichten, vermeld in paragraaf 1, aangewend. | 4 | Met de voormelde omkaderingsgewichten kunnen voor de regionale ondersteuningscel en de netoverstijgende regionale ondersteuningscel betrekkingen worden opgericht in ambten als vermeld in artikel 46. Aan de regionale ondersteuningscel en de netoverstijgende regionale ondersteuningscel kan met deze omkaderingsgewichten maximaal één voltijdse betrekking van directeur worden opgericht. Voor die betrekking van directeur wordt het desbetreffende omkaderingsgewicht van de overgedragen omkaderingsgewichten, vermeld in paragraaf 1, aangewend. |
| 5 | De betrekkingen die met de overgedragen omkaderingsgewichten worden opgericht voor de regionale ondersteuningscel of netoverstijgende regionale ondersteuningscel, worden administratief verbonden aan een of meer van de centra die deel uitmaken van deze regionale ondersteuningscel of netoverstijgende regionale ondersteuningscel. | 5 | De betrekkingen die met de overgedragen omkaderingsgewichten worden opgericht voor de regionale ondersteuningscel of netoverstijgende regionale ondersteuningscel, worden administratief verbonden aan een of meer van de centra die deel uitmaken van deze regionale ondersteuningscel of netoverstijgende regionale ondersteuningscel.. |
| 6 | § 3. Elk centrum mag bij overdracht van omkaderingsgewichten als vermeld in paragraaf 1 en 2, aan een of meer andere centra, aan de permanente ondersteuningscel en/of aan de regionale ondersteuningscel en/of aan de netoverstijgende regionale ondersteuningscel ook het overeenstemmende werkingsbudget geheel of gedeeltelijk overdragen. | 6 | § 3. Elk centrum mag bij overdracht van omkaderingsgewichten als vermeld in paragraaf 1 en 2, aan een of meer andere centra, aan de permanente ondersteuningscel en/of aan de regionale ondersteuningscel en/of aan de netoverstijgende regionale ondersteuningscel ook het overeenstemmende werkingsbudget geheel of gedeeltelijk overdragen. |