§ flandrepo
81 regels · van kracht sinds 1 sep 2023

Artikel III.11

§1. Voor de berekening van het variabel onderwijsdeel van een hogeschool of universiteit (VOWi) worden de bedragen, vermeld in artikel III.5, omgeslagen over de verschillende hogescholen of universiteiten op basis van het aantal financieringspunten overeenkomstig de volgende formule:

  1. 1°voor de hogescholen VOWi = VOWi-prof + VOWi-ac + VOWi-hko

waarbij :

  1. a)VOWi-prof = FPi-prof x VOWprof / Σi FPI-prof
  2. b)VOWi-ac = FPi-ac x (VOWac - VWOhko) / Σi FPI-ac
  3. c)VOWi-hko = FPi-hko x VOWhko / Σi FPi-hko

waarbij :

  1. 1)VOWi gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor hogeschool i;
  2. 2)VOWi-prof gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen in hogeschool i;
  3. 3)VOWi-ac gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen, met uitzondering van de academisch gerichte kunstopleidingen, in hogeschool i;
  4. 4)VOWi-hko gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte kunstopleidingen in hogeschool i;
  5. 5)FPi-prof gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de professioneel gerichte opleidingen in hogeschool i;
  6. 6)VOWprof gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen, vermeld in artikel III.5;
  7. 7)FPi-ac gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de academisch gerichte opleidingen, met uitzondering van de kunstopleidingen in hogeschool i;
  8. 8)VOWac gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen in de hogescholen, vermeld in artikel III.5;
  9. 9)FPi-hko gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de academisch gerichte kunstopleidingen in hogeschool i;
  10. 10)VOWhko gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte kunstopleidingen in de hogescholen, vermeld in artikel III.5.

De sommatie Σi loopt over het aantal hogescholen die respectievelijk professioneel of academisch gerichte opleidingen aanbieden;

  1. 2°voor de universiteiten VOWi-un = FPi-un x VWOun / ∑i FPi-un

waarbij :

  1. a)VOWi-un gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen in universiteit i;
  2. b)FPi-un gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de academisch gerichte opleidingen in universiteit i;
  3. c)VOWun gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten, vermeld in artikel III.5.

De sommatie Σi loopt over het aantal universiteiten.

§2. Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt voor de berekening van het variabele onderwijsdeel van een hogeschool de volgende formule toegepast:

VOWi = VOWi-prof2014 + VOWi-hko2014, waarbij:

  1. 1°VOWi gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor hogeschool i;
  2. 2°VOWi-prof2014 = FPi-prof2014 x VOWprof2014 / Σi FPi-prof2014;

waarbij:

  1. a)VOWi-prof2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van de professioneel gerichte kunstopleidingen, in hogeschool i;
  2. b)FPi-prof2014 gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van financieringspunten voor de professioneel gerichte kunstopleidingen, in hogeschool i;
  3. c)VOWprof2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen, vermeld in of berekend overeenkomstig artikel III.5;
  4. 3°VOWi-hko2014 = FPi-hko2014 x VOWhko2014 / Σi FPi-hko2014;

waarbij:

  1. a)VOWi-hko2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts in hogeschool i;
  2. b)FPi-hko2014 gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts in hogeschool i;
  3. c)VOWhko2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts, vermeld in of berekend overeenkomstig artikel III.5.

De sommatie Σi loopt over het aantal hogescholen die professioneel gerichte opleidingen of kunstopleidingen aanbieden.

§ 2/1. Vanaf het begrotingsjaar 2022 wordt voor de berekening van het variabele onderwijsdeel van een hogeschool de volgende formule toegepast : VOWi = VOWi-prof2014 + VOWi-hko2014 + VOWi-hbo, waarbij :

  1. 1°VOWi gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor hogeschool i;
  2. 2°VOWi-prof2014 = FPi-prof2014 x VOWprof2014 / Σi FPi-prof2014, waarbij :
  3. a)VOWi-prof2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van de professioneel gerichte kunstopleidingen, in hogeschool i;
  4. b)FPi-prof2014 gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van financieringspunten voor de professioneel gerichte kunstopleidingen, in hogeschool i;
  5. c)VOWprof2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen, vermeld in artikel III.5, of berekend conform artikel III.5;
  6. 3°VOWi-hko2014 = FPi-hko2014 x VOWhko2014 / Σi FPi-hko2014, waarbij :
  7. a)VOWi-hko2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts in hogeschool i;
  8. b)FPi-hko2014 gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts in hogeschool i;
  9. c)VOWhko2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts, vermeld in artikel III.5, of berekend conform artikel III.5;
  10. 4°VOWi-hbo = FPi-hbo x VOWhbo / Σi FPi-hbo, waarbij :
  11. a)VOWi-hbo gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor graduaatsopleidingen in hogeschool i;
  12. b)FPi-hbo gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de graduaatsopleidingen in hogeschool i;
  13. c)VOWhbo gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen in de hogescholen, vermeld in artikel III.5, of berekend conform artikel III.5.

De sommatie Σi loopt over het aantal hogescholen die professioneel gerichte opleidingen, kunstopleidingen of graduaatsopleidingen aanbieden.

§3. Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt voor de berekening van het variabele onderwijsdeel van een universiteit de volgende formule toegepast:

VOWi-un = FPi-un2014 x VOWun2014 /Σi FPi-un2014,

waarbij:

  1. 1°VOWi-un gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen in universiteit i;
  2. 2°FPi-un2014 gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de academisch gerichte opleidingen in universiteit i;
  3. 3°VOWun2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten, vermeld in of berekend overeenkomstig artikel III.9.

De sommatie Σi loopt over het aantal universiteiten.

§4. Het bedrag, berekend voor de financiering van de onderzoeksmasters als vermeld in paragraaf 6, wordt in afwijking van paragraaf 3 voorafgenomen van het variabel onderwijsdeel VOWun2014, voor dit bedrag verdeeld wordt overeenkomstig paragraaf 3.

§5. De financieringspunten, vermeld in paragraaf 1, worden als volgt berekend:

FPi = FPi-input + FPi-output + FPi-diploma + FPi-credit

waarbij :

  1. 1°FPi gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in instelling i;
  2. 2°FPi-input gelijk is aan het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in instelling i, zoals bepaald in artikel III.12;
  3. 3°FPi-output gelijk is aan het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in instelling i, zoals bepaald in artikel III.13;
  4. 4°FPi-diploma gelijk is aan het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in instelling i, zoals bepaald in artikel III.14;
  5. 5°FPi-credit gelijk is aan het aantal financieringspunten in instelling i, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten door studenten onder creditcontract, zoals bepaald in artikel III.17.

§6. Voor de financiering van de onderzoeksmasters, aangeboden in het academiejaar t-l/t, wordt in het begrotingsjaar t+1 een bedrag vooraf genomen van VOWun2014 dat gelijk is aan het aantal aangeboden onderzoeksmasters vermenigvuldigd met 30.798 euro en dat ten hoogste gelijk is aan 1.231.920 euro. Van dit maximale bedrag voor de financiering van de onderzoeksmasters kunnen de universiteiten ten hoogste het volgende bedrag ontvangen :

  1. 1°de Katholieke Universiteit Leuven : 458.994,28 euro;
  2. 2°de Universiteit Hasselt en de transnationale Universiteit Limburg : 53.037,92 euro;
  3. 3°de Universiteit Antwerpen : 170.545,96 euro;
  4. 4°de Universiteit Gent : 405.628,14 euro;
  5. 5°de Vrije Universiteit Brussel : 143.713,70 euro.

Deze verdeling geldt tot en met het begrotingsjaar 2023.

§7. Voor de financiering van een onderzoeksmaster, aangeboden in het academiejaar t-l/t, ontvangt een universiteit een bedrag van 30.798 euro in het begrotingsjaar t+1.

Daarbij kan de financiering van alle onderzoeksmasters samen voor de betrokken instelling niet meer bedragen dan het maximale bedrag, vastgelegd in paragraaf 6 van dit artikel.

In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering het bedrag voor een onderzoeksmaster aanpassen tot maximum 92.394 euro op basis van een gemotiveerd verzoek van de betrokken instelling. Het in paragraaf 6 vastgestelde maximaal bedrag per universiteit kan hierbij niet overschreden worden.

§8. Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het aandeel in het onderwijsvariabel deel VOWun dat de opleidingen bachelor in de geneeskunde, master in de geneeskunde, master in de huisartsgeneeskunde van de 4 universiteiten die zowel de bacheloropleiding als masteropleiding in de geneeskunde en masteropleiding in de huisartsgeneeskunde aanbieden, genereren, vastgelegd op een bepaald percentage, zijnde het gemiddeld procentueel aandeel dat die opleidingen in VOWun van de begrotingsjaren 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 genereren. Dit bedrag wordt dan verdeeld onder de 4 universiteiten op basis van het aandeel dat elke universiteit (Universiteit Gent, Universiteit Antwerpen, Vrije Universiteit Brussel en Katholieke Universiteit Leuven) in het aantal uitgereikte diploma’s in de bacheloropleiding geneeskunde en de masteropleidingen – master in de geneeskunde, master in de huisartsgeneeskunde en master in de specialistische geneeskunde – genereert.

§ 9. Vanaf het begrotingsjaar 2026 wordt het aandeel in het variabele onderwijsdeel VOWun dat de opleidingen bachelor in de diergeneeskunde en master in de diergeneeskunde, aangeboden door de Universiteit Gent en de Universiteit Antwerpen, genereren, vastgelegd op een bepaald percentage, namelijk het procentuele aandeel dat die opleidingen in VOWun van het begrotingsjaar 2022 genereren. Dat percentage wordt verdeeld onder de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Gent op basis van het aandeel van die universiteiten in het aantal uitgereikte diploma's in de bacheloropleiding en masteropleiding diergeneeskunde in de periode 20132014 tot en met 2017-2018.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd