Houdende diverse bepalingen inzake omgeving, leefmilieu en natuur, ruimtelijke ordening en landbouw #780
Gemerged Vlaamse Regering voegde 99 artikels samen in decreet-1976-07-12decreet-1988-12-21decreet-1991-07-24 · 31 maart 2026 8 checks vragen aandacht
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks; de aanvaarde amendementen zitten in de volgende tekst van het voorstel. Hieronder de tekst uit de PDF.
Zie de documentenfiche op vlaamsparlement.be
ingediend op 8 juni 2026 (2025-2026)
Amendementen
op het ontwerp van decreet
houdende diverse bepalingen inzake omgeving,
leefmilieu en natuur, ruimtelijke ordening en landbouw
AMENDEMENT NR. 31
voorgesteld door Mien Van Olmen, Jurgen Callaerts, Bieke Verlinden,
Sanne Van Looy, Andy Pieters, Kris Verduyckt en Bart Dochy
Artikel 126/1 (nieuw)
Een artikel 126/1 invoegen, dat luidt als volgt:
“Art. 126/1. In artikel 99, §1, derde lid, van hetzelfde decreet, wordt de zinsnede
“vermeld in het eerste lid, 3° en 4°,” vervangen door de zinsnede “vermeld in het
eerste lid, 3°, 4°, 5° en 6°,”.”.
VERANTWOORDING
Artikel 99, §1, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (OVD) bevat de
gronden van verval voor de omgevingsvergunning:
“§1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen
de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende
jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve
omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van
de definitieve omgevingsvergunning aanvangt;
5° als de kleinhandelsactiviteiten niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangen;
6° als de lasten die in de omgevingsvergunning zijn opgelegd niet zijn uitgevoerd binnen vijf jaar na
het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. (…)”
Artikel 99, §1, OVD voorziet daarnaast reeds in de mogelijkheid van een eenmalige verlenging van de
tweejarige termijn om aan te vangen met de vergunde stedenbouwkundige handelingen, mits er een
“vreemde oorzaak” is en mits daartoe tijdig wordt verzocht.
Uit de praktijk blijkt immers dat bepaalde projecten, hoewel principieel en inhoudelijk vergund, niet
steeds binnen de standaard vervaltermijnen kunnen worden gerealiseerd of aangevangen, zonder dat
dit te wijten is aan nalatigheid of speculatief gedrag van de vergunninghouder. Daarvoor bestaan mogelijk diverse vreemde oorzaken, zoals het niet-tijdig bekomen van de nodige overheidssubsidies, faillissement van de aangestelde aannemer enzovoort.
In het bijzonder gaan grootschalige en complexe projecten vaak gepaard met aanzienlijke financiële en
organisatorische risico’s, waarbij ook geopolitieke omstandigheden een rol kunnen spelen. Daarbij kan
gedacht worden aan plotselinge stijgingen van bouw- en materiaalkosten, verstoringen in toeleveringsketens, gewijzigde financieringsvoorwaarden, economische conjunctuurschommelingen, technische en
infrastructurele hindernissen. Dergelijke omstandigheden liggen buiten de wil en de controle van de
vergunninghouder en kunnen, afhankelijk van de concrete situatie, worden gekwalificeerd als een
vreemde oorzaak in de zin van artikel 99 OVD. Het komt niettemin steeds toe aan de vergunninghouder
om bij zijn verzoek de stukken te voegen waaruit blijkt dat hij alle redelijkerwijze te vergen maatregelen
heeft genomen om het verval te vermijden, met inbegrip van een gemotiveerde toelichting waaruit het
oorzakelijk verband blijkt tussen de aangevoerde vreemde oorzaak en de onmogelijkheid om tijdig te
starten.
Als de verlenging door de overheid wordt goedgekeurd, worden volgens de huidige tekst van artikel 99,
§1, van het ontwerp van decreet evenwel enkel de termijnen, vermeld in punt 3° (gebouwen winddicht
binnen vijf jaar) en punt 4° (aanvang exploitatie binnen vijf jaar), ook met twee jaar verlengd. Als er
een termijnverlenging wordt toegekend vanwege overmacht, is het logisch dat deze verlenging ook van
toepassing is op voormeld punt 5° (aanvang kleinhandelsactiviteiten binnen vijf jaar) en punt 6° (uitvoering lasten binnen vijf jaar).
Dit betreft een wetgevingstechnische vergetelheid die met dit amendement wordt rechtgezet.
◼
AMENDEMENT NR. 32
voorgesteld door Mien Van Olmen, Jurgen Callaerts, Bieke Verlinden,
Sanne Van Looy, Andy Pieters, Kris Verduyckt en Bart Dochy
Artikel 138
Een tweede lid toevoegen, dat luidt als volgt:
“Artikel 126/1 is van toepassing op aanvragen van verlenging, vermeld in artikel
99, §1, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, die zijn ingediend vanaf 1 augustus 2026.”.
VERANTWOORDING
Mede gelet op het feit dat de wijziging aan artikel 99 van het ontwerp van decreet betrekking heeft op
het herstel van een wetstechnische vergetelheid in de decretaal verankerde vervalregeling van het
Omgevingsvergunningsdecreet, is deze wijziging ook van toepassing op omgevingsvergunningsaanvragen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet reeds definitief en uitvoerbaar zijn, op
voorwaarde dat deze vergunningen nog niet vervallen zijn. Bij de overgangsmaatregelen wordt een
duidelijke en vaste datum voorzien in die zin dat de aangepaste regeling van toepassing is op aanvragen
tot verlenging die worden ingediend vanaf 1 augustus 2026.
◼