Decreet over leersteun
15 artikels gewijzigd
| 1 | Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : | 1 | Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : |
| 2 | 1° basisonderwijs : het gewoon en buitengewoon basisonderwijs; | 2 | 1° basisonderwijs : het gewoon en buitengewoon basisonderwijs; |
| 3 | 2° bestuur : het orgaan dat voor de onderwijsinstelling of het CLB de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden; | 3 | 2° bestuur : het orgaan dat voor de onderwijsinstelling , het CLB of het leersteuncentrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden; |
| 4 | 3° CLB : een centrum voor leerlingenbegeleiding als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; | 4 | 3° CLB : een centrum voor leerlingenbegeleiding als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding; |
| 5 | 4° consortium : het consortium zoals vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenonderwijs; | 5 | 4° consortium : het consortium zoals vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenonderwijs; |
| 6 | 5° competenties : de kennis, vaardigheden en attitudes die het personeelslid nodig heeft om zijn taken naar behoren te kunnen uitoefenen; | 6 | 5° competenties : de kennis, vaardigheden en attitudes die het personeelslid nodig heeft om zijn taken naar behoren te kunnen uitoefenen; |
| 7 | 6° decretale en reglementaire bepalingen inzake minimumdoelen : de specifieke reglementering per onderwijsniveau inzake ontwikkelingsdoelen, eindtermen, basiscompetenties, leerplannen, handelingsplannen, minimumleerplannen en minimumlessenroosters; | 7 | 6° decretale en reglementaire bepalingen inzake minimumdoelen : de specifieke reglementering per onderwijsniveau inzake ontwikkelingsdoelen, eindtermen, basiscompetenties, leerplannen, individueel aangepaste curricula, minimumleerplannen en minimumlessenroosters; |
| 8 | 7° deeltijds kunstonderwijs : het deeltijds kunstonderwijs; | 8 | 7° deeltijds kunstonderwijs : het deeltijds kunstonderwijs; |
| 9 | 7°/1 doorlichting : elke vorm van kwaliteitstoezicht door de onderwijsinspectie die resulteert in een verslag en in een advies aan de Vlaamse Regering over de voorlopige erkenning of erkenning van de instelling of van afzonderlijke structuuronderdelen; | 9 | 7°/1 doorlichting : elke vorm van kwaliteitstoezicht door de onderwijsinspectie die resulteert in een verslag en in een advies aan de Vlaamse Regering over de voorlopige erkenning of erkenning van de instelling of van afzonderlijke structuuronderdelen; |
| 10 | 8° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen ; | 10 | 8° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen of de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een CLB of een leersteuncentrum moet voldoen; |
| 11 | 9° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen; | 11 | 9° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen; |
| 12 | 10° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; | 12 | 10° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013; |
| 13 | 11° instelling : onderwijsinstelling of CLB ; | 13 | 11° instelling : onderwijsinstelling, onderwijsinternaat, CLB of leersteuncentrum; |
| 14 | 11°/1 leersteuncentrum: een centrum als vermeld in artikel 5, 10°, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun; | ||
| 14 | 12° nascholing : het geheel van vormingsactiviteiten die tot doel hebben de kennis, vaardigheden en attitudes die personeelsleden tijdens hun opleiding of tijdens hun werkervaring hebben verworven, te verbreden en te verdiepen met het oog op hun verdere professionalisering; | 15 | 12° nascholing : het geheel van vormingsactiviteiten die tot doel hebben de kennis, vaardigheden en attitudes die personeelsleden tijdens hun opleiding of tijdens hun werkervaring hebben verworven, te verbreden en te verdiepen met het oog op hun verdere professionalisering; |
| 15 | 13° onderwijsinstelling : een pedagogisch geheel waar onderwijs georganiseerd wordt en waaraan een uniek instellingsnummer toegekend is; | 16 | 13° onderwijsinstelling : een pedagogisch geheel waar onderwijs georganiseerd wordt en waaraan een uniek instellingsnummer toegekend is; |
| 17 | 13°/1 onderwijsinternaat: een onderwijsinternaat dat erkend is overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten; | ||
| 16 | 14° onderwijskoepels : een van volgende representatieve groeperingen van inrichtende machten van gesubsidieerde instellingen : | 18 | 14° onderwijskoepels : een van volgende representatieve groeperingen van inrichtende machten van gesubsidieerde instellingen : |
| 17 | a) Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten; | 19 | a) Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten; |
| 25 | a) artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst en het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; | 27 | a) artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst en het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; |
| 26 | b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; | 28 | b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; |
| 27 | 16° pedagogische begeleiding: de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen en CLB's in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs en kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie; | 29 | 16° pedagogische begeleiding: de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen, CLB’s en leersteuncentra in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs, kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding en kwaliteitsvolle leersteun ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie; |
| 28 | 16°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingen uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling; | 30 | 16°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingen uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling; |
| 29 | 16°/2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB; | 31 | 16°/2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB; |
| 32 | 16°/3 referentiekader kwaliteitsvolle leersteun: het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leersteun door de leersteuncentra uitzet; het kader is opgebouwd rond de drie rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het leersteuncentrum; | ||
| 33 | 16°/4 referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit: het kader dat de ver- wachtingen voor kwaliteitsvol verblijf en kwaliteitsvolle begeleiding uitzet. Het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken: resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, beleid en kwaliteitsontwikkeling en het houdt rekening met context en input van het onderwijsinternaat; | ||
| 30 | 17° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en die een werking ontplooit ten behoeve van de inspectie; | 34 | 17° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en die een werking ontplooit ten behoeve van de inspectie; |
| 31 | 18° scholengemeenschap : de scholengemeenschap zoals bedoeld in artikel 3, 39°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs en de scholengemeenschap basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 52bis, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs; | 35 | 18° scholengemeenschap : de scholengemeenschap zoals bedoeld in artikel 3, 39°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs en de scholengemeenschap basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 52bis, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs; |
| 32 | 19° secundair onderwijs : het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs; | 36 | 19° secundair onderwijs : het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs; |
| 33 | 20° structuuronderdeel : onderverdeling in het onderwijsaanbod die afzonderlijk erkend kan worden; | 37 | 20° structuuronderdeel : onderverdeling in het onderwijsaanbod die afzonderlijk erkend kan worden; |
| 34 | 20°/1 toezichtkader : kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om haar doorlichtingsinstrumenten te ontwikkelen, gebaseerd op de referentiekaders zoals bedoeld in punt 16°/1 en 16°/2. Het toezichtkader heeft betrekking op de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling, en beleid en houdt rekening met context en input van de instelling; | 38 | 20°/1 toezichtkader : kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om haar doorlichtingsinstrumenten te ontwikkelen, gebaseerd op de referentiekaders zoals bedoeld in punt 16°/1, 16°/2, 16°/3 en 16°/4. Het toezichtkader heeft betrekking op de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling, en beleid en houdt rekening met context en input van de instelling; |
| 35 | 21° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende centra voor volwassenenonderwijs en de erkende centra voor basiseducatie, vermeld in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. | 39 | 21° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende centra voor volwassenenonderwijs en de erkende centra voor basiseducatie, vermeld in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. |
| 36 | 22° leeftijdsgrens : na het einde van het jaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 heeft bereikt. | 40 | 22° leeftijdsgrens : na het einde van het jaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 heeft bereikt. |
| 1 | Dit deel is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen van het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleidingen op de pedagogische begeleidingsdiensten. | 1 | Dit deel is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen van het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leersteuncentra, op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinternaten en op de pedagogische begeleidingsdiensten. |
| 1 | § 1. Elke onderwijsinstelling is, rekening houdend met haar pedagogisch of agogisch project, ervoor verantwoordelijk kwaliteitsonderwijs te verstrekken en het geboden onderwijs kwaliteitsvol te ondersteunen. | 1 | § 1. Elke onderwijsinstelling is, rekening houdend met haar pedagogisch of agogisch project, ervoor verantwoordelijk kwaliteitsonderwijs te verstrekken en het geboden onderwijs kwaliteitsvol te ondersteunen. |
| 2 | Elk CLB is, rekening houdend met de eigen missie en het eigen begeleidingsproject, ervoor verantwoordelijk een kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding te verstrekken en de schoolinterne leerlingenbegeleiding te ondersteunen en te helpen optimaliseren. | 2 | Elk CLB is, rekening houdend met de eigen missie en het eigen begeleidingsproject, ervoor verantwoordelijk een kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding te verstrekken en de schoolinterne leerlingenbegeleiding te ondersteunen en te helpen optimaliseren. |
| 3 | Elk leersteuncentrum is, rekening houdend met de eigen visie en het eigen beleid, ervoor verantwoordelijk kwaliteitsvolle leersteun te verstrekken aan de scholen voor gewoon onderwijs. | ||
| 4 | Elk onderwijsinternaat zorgt, rekening houdend met de eigen missie en visie, voor kwaliteitsvol verblijf voor en begeleiding van internen, gericht op hun ontwikkeling en de realisatie van hun schoolloopbaan. | ||
| 3 | § 2. Het verstrekken van kwaliteitsonderwijs, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, houdt minimaal in dat de onderwijsinstelling : | 5 | § 2. Het verstrekken van kwaliteitsonderwijs, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, houdt minimaal in dat de onderwijsinstelling : |
| 4 | 1° de onderwijsreglementering respecteert; | 6 | 1° de onderwijsreglementering respecteert; |
| 7 | 1° de CLB-reglementering respecteert; | 9 | 1° de CLB-reglementering respecteert; |
| 8 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering, tegemoetkomt. | 10 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering, tegemoetkomt. |
| 11 | Het verstrekken van kwaliteitsvolle leersteun, vermeld in paragraaf 1, derde lid, houdt minimaal in dat het leersteuncentrum: | ||
| 12 | 1° de reglementering die van toepassing is op de leersteuncentra, respecteert; | ||
| 13 | 2° tegemoetkomt aan de kwaliteitsverwachtingen die opgenomen zijn in het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun, dat is vastgelegd door de Vlaamse Regering. | ||
| 14 | Het verstrekken van een kwaliteitsvolle onderwijsinternaatswerking als vermeld in paragraaf 1, vierde lid, houdt minimaal in dat het onderwijsinternaat: | ||
| 15 | 1° de onderwijsinternaatsreglementering respecteert; | ||
| 16 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen tegemoetkomt die opgenomen zijn in het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vastgelegd door de Vlaamse Regering. | ||
| 3 | Het professionaliseringsplan wordt goedgekeurd door ofwel het lokaal comité ofwel, bij ontstentenis hiervan, door de algemene personeelsvergadering. | 3 | Het professionaliseringsplan wordt goedgekeurd door ofwel het lokaal comité ofwel, bij ontstentenis hiervan, door de algemene personeelsvergadering. |
| 4 | Onder lokaal comité wordt verstaan : het voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokale overlegorgaan of onderhandelingsorgaan. | 4 | Onder lokaal comité wordt verstaan : het voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokale overlegorgaan of onderhandelingsorgaan. |
| 5 | Als aan personeelsleden professionalisering wordt opgelegd, komen de kosten ten laste van het schoolbestuur. | 5 | Als aan personeelsleden professionalisering wordt opgelegd, komen de kosten ten laste van het bestuur. |
| 1 | §1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren. | 1 | §1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren. |
| 2 | §2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waarvoor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld: | 2 | §2. De volgende bedragen worden per begrotingsjaar en met ingang vanaf begrotingsjaar 2023 toegekend, met uitzondering van de leersteuncentra waar- voor het toe te kennen bedrag vanaf het begrotingsjaar 2024 wordt vermeld: |
| 3 | 1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024; | 3 | 1° voor het basisonderwijs: 5.342.667 euro in begrotingsjaar 2023 en 7.931.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024; |
| 4 | 2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024; | 4 | 2° voor het secundair onderwijs: 7.307.000 euro in begrotingsjaar 2023 en 9.419.000 euro vanaf begrotingsjaar 2024; |
| 5 | 3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 354.000 euro; | 5 | 3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 354.000 euro; |
| 6 | 4° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro; | 6 | 4° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro; |
| 7 | 5° voor de CLB's: 178.000 euro; | 7 | 5° voor de CLB’s: 178.000 euro; |
| 8 | 6° voor de basiseducatie: 77.500 euro; | 8 | 6° voor de basiseducatie: 77.500 euro; |
| 9 | 7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro. | 9 | 7° voor de leersteuncentra: 167.000 euro. |
| 10 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.. | 10 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 worden die bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 11 | §3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn. | 11 | §3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn. |
| 12 | §4. In afwijking van paragraaf 3 worden voor de telling op 1 februari 2023 de ondersteuners die zijn aangesteld in scholen voor buitengewoon onderwijs, niet meegeteld, en wordt voor de leersteuncentra in het jaar 2024 het aandeel in de middelen, bepaald in paragraaf 2, 7°, waarop elk leersteuncentrum recht heeft, pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in het leersteuncentrum op 1 oktober 2023. |
| 1 | § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten begeleiden de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie en hun personeelsleden in het verstrekken van kwaliteitsonderwijs en kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding , zoals bepaald in artikel 4, §2. | 1 | § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten begeleiden de onderwijsinstellingen, de CLB’s en de leersteuncentra in kwestie en hun personeelsleden in het verstrekken van kwaliteitsonderwijs, kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding en kwaliteitsvolle leersteun, zoals bepaald in artikel 4, §2. |
| 2 | Dit houdt in dat de pedagogische begeleidingsdiensten de volgende doelstellingen realiseren met de begeleiding die ze opzetten, waarbij ze vertrekken vanuit het pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project van de onderwijsinstelling in kwestie of van de eigen missie en het eigen begeleidingsproject van het CLB in kwestie en ze steeds rekening houden met de noden en de vragen van de onder- wijsinstelling of het CLB in kwestie: | 2 | Dit houdt in dat de pedagogische begeleidingsdiensten de volgende doel stellingen realiseren met de begeleiding die ze opzetten, waarbij ze vertrek- ken vanuit het pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project van de onderwijsinstelling in kwestie, van de eigen missie en het eigen begeleidings project van het CLB in kwestie of van de eigen visie en het beleid van de leersteuncentra in kwestie en ze steeds rekening houden met de noden en de vragen van de onderwijsinstelling, het CLB of het leersteuncentrum in kwestie: |
| 3 | 1° het versterken van de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden van onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, in rechtstreeks contact, met aandacht voor het versterken van hun pedagogische en didactische handelen en met het oog op de ontwikkeling van alle lerenden; | 3 | 1° het versterken van de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden van onderwijsinstellingen, de CLB’s en de leersteuncentra in kwestie, in recht streeks contact, met aandacht voor het versterken van hun pedagogi sche en didactische handelen en met het oog op de ontwikkeling van alle |
| 4 | lerenden; | ||
| 4 | 2° het versterken van de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie als professionele lerende organisatie. De pedagogische begeleidingsdiensten geven hierbij voorrang aan de onderwijsinstellingen of CLB's waar zich de grootste noden op deze vlakken situeren. Om deze onderwijsinstellingen of CLB's te identificeren kunnen de pedagogische begeleidingsdiensten gebruikmaken van verschillende bronnen zoals de gegevens van de pedagogische begeleidingsdienst zelf, de gegevens van de onderwijsinstelling of het CLB in kwestie, de gegevens uit doorlichtingstrajecten uitgevoerd door de onderwijsinspectie van de onderwijsinstelling of het CLB in kwestie, de gegevens die aan de basis liggen van het profiel van de onderwijsinstelling of het CLB zoals bepaald in artikel 38, §4, of andere resultaten of gegevens die wijzen op een lage kwaliteit van onderwijs of leerlingenbegeleiding ; | 5 | 2° het versterken van de onderwijsinstellingen, CLB’s en leersteuncentra in kwestie als professionele lerende organisatie. De pedagogische begeleidingsdiensten geven hierbij voorrang aan de onderwijsinstellingen, CLB’s of leersteuncentra waar zich de grootste noden op deze vlakken situeren. Om deze onderwijsinstellingen, CLB’s of leersteuncentra te identificeren kunnen de pedagogische begeleidingsdiensten gebruikmaken van verschil- lende bronnen zoals de gegevens van de pedagogische begeleidingsdienst zelf, de gegevens van de onderwijsinstelling, het CLB of het leersteuncentrum in kwestie, de gegevens uit doorlichtingstrajecten uitgevoerd door de onderwijsinspectie van de onderwijsinstelling, het CLB of het leersteuncentrum in kwestie, de gegevens die aan de basis liggen van het profiel van de onderwijsinstelling, het CLB of het leersteuncentrum, vermeld in artikel 38, §4, of andere resultaten of gegevens die wijzen op een lage kwaliteit van onderwijs, leerlingenbegeleiding of leersteun; |
| 5 | 3° het ondersteunen van de onderwijsinstellingen in kwestie bij de realisatie van hun eigen pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project en het ondersteunen van de CLB's in kwestie bij de realisatie van hun eigen missie en hun eigen begeleidingsproject ; | 6 | 3° het ondersteunen van de onderwijsinstellingen in kwestie bij de realisatie van hun eigen pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project, het ondersteunen van de CLB’s in kwestie bij de realisatie van hun eigen missie en hun eigen begeleidingsproject en het ondersteunen van de leersteuncentra bij de realisatie van hun eigen visie en beleid; |
| 6 | 4° het begeleiden van de implementatie van bepaalde beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering bij de onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, zoals bepaald in artikel 19/2. | 7 | 4° het begeleiden van de implementatie van bepaalde beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering bij de onderwijsinstellingen, de CLB’s en de leersteuncentra in kwestie, zoals bepaald in artikel 19/2. |
| 7 | De nadruk van de begeleiding van de pedagogische begeleidingsdiensten ligt steeds op de ontwikkeling van onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie. Hiervoor is een duurzame relatie met de betrokken instellingen noodzakelijk. | 8 | De nadruk van de begeleiding van de pedagogische begeleidingsdiensten ligt steeds op de ontwikkeling van onderwijsinstellingen, CLB’s en leersteuncentra in kwestie. Hiervoor is een duurzame relatie met de betrokken instellingen noodzakelijk. |
| 8 | § 2. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt vijfjaarlijks een begeleidingsplan op voor de volgende vijf schooljaren. Zij dient dit uiterlijk in bij de bevoegde dienst op 1 april voorafgaand aan de start van het eerste schooljaar van de periode van in totaal vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft. In afwijking hiervan dient iedere pedagogische begeleidingsdienst uiterlijk op 30 september 2022 een begeleidingsplan in bij de bevoegde dienst voor een periode van drie schooljaren die betrekking heeft op de schooljaren 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025. | 9 | § 2. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt vijfjaarlijks een begeleidingsplan op voor de volgende vijf schooljaren. Zij dient dit uiterlijk in bij de bevoegde dienst op 1 april voorafgaand aan de start van het eerste schooljaar van de periode van in totaal vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft. In afwijking hiervan dient iedere pedagogische begeleidingsdienst uiterlijk op 30 september 2022 een begeleidingsplan in bij de bevoegde dienst voor een periode van drie schooljaren die betrekking heeft op de schooljaren 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025. |
| 9 | De Vlaamse Regering keurt de begeleidingsplannen goed op basis van de volgende criteria: | 10 | De Vlaamse Regering keurt de begeleidingsplannen goed op basis van de volgende criteria: |
| 22 | e) de wijze waarop de wetenschappelijke onderbouwing van de begeleiding vorm krijgt; | 23 | e) de wijze waarop de wetenschappelijke onderbouwing van de begeleiding vorm krijgt; |
| 23 | f) de wijze waarop wordt omgegaan met onverwachte of nieuwe vragen en uitdagingen. | 24 | f) de wijze waarop wordt omgegaan met onverwachte of nieuwe vragen en uitdagingen. |
| 24 | De Vlaamse Regering bepaalt een sjabloon waarin de begeleidingsplannen worden opgesteld en de verdere procedure voor de goedkeuring van de begeleidingsplannen. De pedagogische begeleidingsdiensten delen de goedgekeurde begeleidingsplannen mee aan de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie. | 25 | De Vlaamse Regering bepaalt een sjabloon waarin de begeleidingsplannen worden opgesteld en de verdere procedure voor de goedkeuring van de begeleidingsplannen. De pedagogische begeleidingsdiensten delen de goedgekeurde begeleidingsplannen mee aan de onderwijsinstellingen , CLB’s en leersteuncentra in kwestie. |
| 25 | Jaarlijks rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar. Na de periode van vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft, rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten in hun jaarlijkse rapport over de activiteiten van de ganse periode van vijf schooljaren. De stukken ter verantwoording van de ingezette middelen worden op de zetel van de pedagogische begeleidingsdiensten bewaard, waar ze voor controle ter beschikking zijn van de bevoegde diensten. | 26 | Jaarlijks rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar. Na de periode van vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft, rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten in hun jaarlijkse rapport over de activiteiten van de ganse periode van vijf schooljaren. De stukken ter verantwoording van de ingezette middelen worden op de zetel van de pedagogische begeleidingsdiensten bewaard, waar ze voor controle ter beschikking zijn van de bevoegde diensten. |
| 26 | De Vlaamse Regering bepaalt welke elementen minimaal in de jaarlijkse rapporten worden opgenomen en bepaalt de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten. | 27 | De Vlaamse Regering bepaalt welke elementen minimaal in de jaarlijkse rapporten worden opgenomen en bepaalt de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten. |
| 27 | § 3. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt een werkingscode op en maakt die bekend bij de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie en hun personeelsleden. | 28 | § 3. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt een werkingscode op en maakt die bekend bij de onderwijsinstellingen , CLB’s en leersteuncentra in kwestie en hun personeelsleden. |
| 28 | § 4. Elke pedagogische begeleidingsdienst onderzoekt en bewaakt op systematische wijze de kwaliteit van de geboden begeleiding. De pedagogische begeleidingsdienst kiest zelf de wijze waarop zij dit doet, waarbij ze er rekening mee houdt dat een kwaliteitsvolle begeleiding minimaal inhoudt dat de pedagogische begeleidingsdiensten: | 29 | § 4. Elke pedagogische begeleidingsdienst onderzoekt en bewaakt op systematische wijze de kwaliteit van de geboden begeleiding. De pedagogische begeleidingsdienst kiest zelf de wijze waarop zij dit doet, waarbij ze er rekening mee houdt dat een kwaliteitsvolle begeleiding minimaal inhoudt dat de pedagogische begeleidingsdiensten: |
| 29 | 1° zowel inhoudelijk als agogisch werken op een wetenschappelijk onderbouwde wijze en functioneren als professionele organisaties; | 30 | 1° zowel inhoudelijk als agogisch werken op een wetenschappelijk onderbouwde wijze en functioneren als professionele organisaties; |
| 30 | 2° deelnemen aan overleg met de Vlaamse overheid en andere actoren over de kwaliteit van onderwijs en leerlingenbegeleiding ; | 31 | 2° deelnemen aan overleg met de Vlaamse overheid en andere actoren over de kwaliteit van onderwijs, leerlingenbegeleiding en leersteun; |
| 31 | 3° doelgericht samenwerken, zowel onderling als met andere relevante actoren zoals de lerarenopleidingen, de instellingen hoger onderwijs en de onderwijsinspectie. Doelgericht betekent met het oog op het versterken van de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de begeleiding en kan voor de pedagogische begeleidingsdienst betekenen dat zij een makelaarsrol opneemt. In dit artikel wordt verstaan onder makelaarsrol, de rol die de pedagogische begeleidingsdiensten hebben om de onderwijsinstellingen of de CLB's in kwestie gericht te adviseren over het aanbod van een andere organisatie die expertise kan binnenbrengen die niet bij de pedagogische begeleidingsdiensten zelf aanwezig is. In dat geval voeren de pedagogische begeleidingsdiensten de begeleiding niet zelf uit, maar blijven ze wel de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie verder opvolgen. | 32 | 3° doelgericht samenwerken, zowel onderling als met andere relevante actoren zoals de lerarenopleidingen, de instellingen hoger onderwijs en de onderwijsinspectie. Doelgericht betekent met het oog op het versterken van de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de begeleiding en kan voor de pedagogische begeleidingsdienst betekenen dat zij een makelaarsrol opneemt. In dit artikel wordt verstaan onder makelaarsrol, de rol die de pedagogische begeleidingsdiensten hebben om de onderwijsinstellingen, de CLB’s of de leersteuncentra in kwestie gericht te adviseren over het aanbod van een andere organisatie die expertise kan binnenbrengen die niet bij de pedagogische begeleidingsdiensten zelf aanwezig is. In dat geval voeren de pedagogische begeleidingsdiensten de begeleiding niet zelf uit, maar blijven ze wel de onderwijsinstellingen , CLB’s en leersteuncentra in kwestie verder opvolgen. |
| 2 | 1° het basisonderwijs; | 2 | 1° het basisonderwijs; |
| 3 | 2° het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs samen; | 3 | 2° het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs samen; |
| 4 | 3° de CLB's. | 4 | 3° de CLB's; |
| 5 | 4° de leersteuncentra. | ||
| 5 | § 2. Per 350 organieke betrekkingen in een van de niveaus, vermeld in § 1, heeft een pedagogische begeleidingsdienst recht op een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur. | 6 | § 2. Per 350 organieke betrekkingen in een van de niveaus, vermeld in § 1, heeft een pedagogische begeleidingsdienst recht op een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur. |
| 6 | Per pedagogische begeleidingsdienst die overeenkomstig het eerste lid over een personeelsformatie beschikt, wordt in een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur voor de centra voor leerlingenbegeleiding voorzien. | 7 | Per pedagogische begeleidingsdienst die overeenkomstig het eerste lid over een personeelsformatie beschikt, wordt in een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur voor de centra voor leerlingenbegeleiding en voor de leersteuncentra voorzien. |
| 7 | § 3. De berekening gebeurt op basis van het aantal organieke betrekkingen, vastgesteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de onderwijsinstellingen en CLB's die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdienst. | 8 | § 3. De berekening gebeurt op basis van het aantal organieke betrekkingen, vastgesteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de onderwijsintellingen, CLB’s en leersteuncentra die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdienst. Voor de berekening kan een onderwijskoepel ervoor kiezen om de organieke betrekkingen van de leersteuncentra, vermeld in paragraaf 1, 4°, te laten meetellen bij de personeelsformatie, vermeld in paragraaf 1, 1° of 2°. In voorkomend geval meldt de onderwijskoepel dit aan AGODI uiterlijk op 31 januari 2024. |
| 8 | § 4. Als een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft op twintig halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur, kunnen twee halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur worden omgezet in één voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van adviseur-coördinator. Per aanvullende schijf van 35 halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur waarop een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft, kan een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur worden omgezet in één bijkomende halftijdse betrekking van adviseur-coördinator. | 9 | § 4. Als een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft op twintig halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur, kunnen twee halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur worden omgezet in één voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van adviseur-coördinator. Per aanvullende schijf van 35 halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur waarop een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft, kan een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur worden omgezet in één bijkomende halftijdse betrekking van adviseur-coördinator. |
| 9 | Een pedagogische begeleidingsdienst die recht heeft op minder dan twintig halftijdse betrekkingen, heeft het recht om één halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur om te zetten in één halftijdse betrekking van adviseur-coördinator. | 10 | Een pedagogische begeleidingsdienst die recht heeft op minder dan twintig halftijdse betrekkingen, heeft het recht om één halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur om te zetten in één halftijdse betrekking van adviseur-coördinator. |
| 10 | § 5. Maximaal 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van elke pedagogische begeleidingsdienst kan worden ingenomen door personeelsleden die vastbenoemd zijn in een betrekking van pedagogisch adviseur of adviseur-coördinator. | 11 | § 5. Maximaal 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van elke pedagogische begeleidingsdienst kan worden ingenomen door personeelsleden die vastbenoemd zijn in een betrekking van pedagogisch adviseur of adviseur-coördinator. |
| 11 | § 6. Binnen iedere pedagogische begeleidingsdienst kan, met het oog op de uitoefening van bestuurlijke en organisatorische taken ten behoeve van deze pedagogische begeleidingsdienst, aan maximum drie voltijdse of zes halftijdse vastbenoemde pedagogische adviseurs een verlof wegens opdracht worden toegekend, zoals vermeld in artikel 51quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. | 12 | § 6. Binnen iedere pedagogische begeleidingsdienst kan, met het oog op de uitoefening van bestuurlijke en organisatorische taken ten behoeve van deze pedagogische begeleidingsdienst, aan maximum drie voltijdse of zes halftijdse vastbenoemde pedagogische adviseurs een verlof wegens opdracht worden toegekend, zoals vermeld in artikel 51quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. |
| 12 | § 7. De pedagogische begeleidingsdienst die op 1 februari 2015 voor het eerst 350 of meer organieke betrekkingen telt in een van de niveaus, vermeld in § 1, zal voor het schooljaar 2015-2016 tot en met het schooljaar 2019-2020 niet over een personeelsformatie beschikken. | ||
| 13 | § 7. ... | ||
| 7 | - een derde schijf van 15 halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met een factor 1,3; | 7 | - een derde schijf van 15 halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met een factor 1,3; |
| 8 | - een laatste schijf met het resterende aantal halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met 1. | 8 | - een laatste schijf met het resterende aantal halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met 1. |
| 9 | § 2. De pedagogische begeleidingsdiensten die geen personeelsformatie hebben als vermeld in artikel 16, ontvangen een forfaitaire toelage van 139,50 euro per organieke betrekking in het basis- en secundair onderwijs . | 9 | § 2. De pedagogische begeleidingsdiensten die geen personeelsformatie hebben als vermeld in artikel 16, ontvangen een forfaitaire toelage van 139,50 euro per organieke betrekking in het basis- en secundair onderwijs en in de leersteuncentra. |
| 1 | De pedagogische begeleidingsdiensten wenden de werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, uitsluitend aan voor de begeleiding van de onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, en dit overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen. Indien uit de jaarlijkse rapporten, vermeld in artikel 15, § 2, blijkt, met toepassing van de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten, dat deze middelen niet worden aangewend voor de begeleiding overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen, dan kan een gedeeltelijke terugbetaling van het werkingsbudget worden opgelegd. Deze terugbetaling kan maximaal tien procent van het werkingsbudget bedragen en wordt in mindering gebracht van de werkingsmiddelen van het daarop volgende werkingsjaar. | 1 | De pedagogische begeleidingsdiensten wenden de werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, uitsluitend aan voor de begeleiding van de onderwijsinstellingen, de CLB’s en de leersteuncentra in kwestie, en dit overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen. Indien uit de jaarlijkse rapporten, vermeld in artikel 15, § 2, blijkt, met toepassing van de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten, dat deze middelen niet worden aangewend voor de begeleiding overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen, dan kan een gedeeltelijke terugbetaling van het werkingsbudget worden opgelegd. Deze terugbetaling kan maximaal tien procent van het werkingsbudget bedragen en wordt in mindering gebracht van de werkingsmiddelen van het daarop volgende werkingsjaar. |
| 2 | Werkingsmiddelen die niet tijdig aangewend worden, moeten onmiddellijk worden terugbetaald. | 2 | Werkingsmiddelen die niet tijdig aangewend worden, moeten onmiddellijk worden terugbetaald. |
| 3 | Bij afwending van de middelen kan de Vlaamse Regering een administratieve geldboete opleggen van ten hoogste het vijfvoud van de afgewende werkingsmiddelen. De geldboete kan in mindering worden gebracht van de nog aan het bestuur verschuldigde middelen, met inbegrip van andere werkingsmiddelen of -toelagen. | 3 | Bij afwending van de middelen kan de Vlaamse Regering een administratieve geldboete opleggen van ten hoogste het vijfvoud van de afgewende werkingsmiddelen. De geldboete kan in mindering worden gebracht van de nog aan het bestuur verschuldigde middelen, met inbegrip van andere werkingsmiddelen of -toelagen. |
| 1 | § 1. Bij iedere aanvraag tot voorlopige erkenning van een nieuwe instelling onderzoekt de onderwijsinspectie of de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een voorlopige erkenning, vervuld zijn. | 1 | § 1. Bij iedere aanvraag tot voorlopige erkenning van een nieuwe instelling onderzoekt de onderwijsinspectie of de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een voorlopige erkenning, vervuld zijn. |
| 2 | De inspecteur-generaal kan de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht. | 2 | Voor scholen kan de inspecteur-generaal de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht. |
| 3 | Na het onderzoek bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies over de voorlopige erkenning aan de Vlaamse Regering. | 3 | Na het onderzoek bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies over de voorlopige erkenning aan de Vlaamse Regering. |
| 4 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 augustus volgend op de aanvraag van de voorlopige erkenning. Dit is een termijn van orde. | 4 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 augustus volgend op de aanvraag van de voorlopige erkenning. Dit is een termijn van orde. Voor onderwijsinternaten geldt de termijn, vermeld in artikel 7 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten. |
| 5 | § 2. Uiterlijk zes maanden na de start van het schooljaar onderzoekt de onderwijsinspectie, via een doorlichting, of de school voldoet aan de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een erkenning. | 5 | § 2. Uiterlijk zes maanden na de start van het schooljaar onderzoekt de onderwijsinspectie, via een doorlichting, of de school voldoet aan de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een erkenning. |
| 6 | De inspecteur-generaal kan de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht. | 6 | De inspecteur-generaal kan de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken belasten met een specifieke opdracht als vermeld in artikel 8 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. De betrokken inspecteurs-adviseurs van de levensbeschouwelijke vakken maken een verslag op over die specifieke opdracht. |
| 7 | Na de doorlichting bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies als vermeld in artikel 39, § 4, aan de Vlaamse Regering. | 7 | Na de doorlichting bezorgt de onderwijsinspectie een rapport met een advies als vermeld in artikel 39, § 4, aan de Vlaamse Regering. |
| 8 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning over de erkenning. Dit is een termijn van orde. | 8 | De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning over de erkenning. Dit is een termijn van orde. |
| 9 | §3. In afwijking van paragraaf 1 wordt de voorlopige erkenning van de leersteuncentra geregeld in artikel 29 en 30 van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun. |
| 3 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, tegemoetkomt. | 3 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader onderwijskwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, tegemoetkomt. |
| 4 | In het basis- en het secundair onderwijs, met uitzondering voor de nieuwe onderwijsinstellingen, spreekt de onderwijsinspectie ook een evaluatie uit over het gelijke onderwijskansenbeleid. | 4 | In het basis- en het secundair onderwijs, met uitzondering voor de nieuwe onderwijsinstellingen, spreekt de onderwijsinspectie ook een evaluatie uit over het gelijke onderwijskansenbeleid. |
| 5 | 3° in het basis- en het secundair onderwijs een kwaliteitsvol beleid op leerlingenbegeleiding ontwikkelt, implementeert en evalueert, in toepassing van de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van leerlingenbegeleiding. | 5 | 3° in het basis- en het secundair onderwijs een kwaliteitsvol beleid op leerlingenbegeleiding ontwikkelt, implementeert en evalueert, in toepassing van de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van leerlingenbegeleiding; |
| 6 | 4° in het basis- en het secundair onderwijs voor leerlingen met een IAC-verslag kwaliteitsvolle individueel aangepaste curricula realiseert, waarbij er in het buitengewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de mogelijkheid tot terugkeer naar het gewoon onderwijs en er in het gewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de afweging van redelijke aanpassingen; | ||
| 7 | 5° in het secundair onderwijs voor leerlingen met een OV4-verslag kwaliteitsvolle onderwijstrajecten realiseert, waarbij er in het buitengewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de mogelijkheid tot terugkeer naar het gewoon onderwijs en er in het gewoon onderwijs bijkomende aandacht is voor de afweging van redelijke aanpassingen. | ||
| 6 | Tijdens een doorlichting van een CLB gaat de onderwijsinspectie na of het CLB : | 8 | Tijdens een doorlichting van een CLB gaat de onderwijsinspectie na of het CLB : |
| 7 | 1° de CLB-reglementering respecteert; | 9 | 1° de CLB-reglementering respecteert; |
| 8 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, tweede lid, tegemoetkomt. | 10 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen, opgenomen in het referentiekader CLB-kwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, tweede lid, tegemoetkomt. |
| 9 | 3° de kernactiviteiten signaalfunctie en consultatieve leerlingenbegeleiding kwaliteitsvol uitvoert. | 11 | 3° de kernactiviteiten signaalfunctie en consultatieve leerlingenbegeleiding kwaliteitsvol uitvoert. |
| 12 | Tijdens een doorlichting van een onderwijsinternaat gaat de onderwijsinspectie na of het internaat: | ||
| 13 | 1° de onderwijsinternaatsreglementering respecteert; | ||
| 14 | 2° aan de kwaliteitsverwachtingen die opgenomen zijn in het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vermeld in artikel 4, §2, vierde lid, tegemoetkomt. | ||
| 15 | Tijdens een doorlichting van een leersteuncentrum gaat de onderwijsinspectie na of het leersteuncentrum: | ||
| 16 | 1° de reglementering die van toepassing is op de leersteuncentra respecteert; | ||
| 17 | 2° tegemoetkomt aan de kwaliteitsverwachtingen die opgenomen zijn in het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun, vermeld in artikel 4, §2, tweede | ||
| 18 | lid. | ||
| 10 | De inspectie onderzoekt daarbij ook de opdrachten die de instelling eventueel heeft toegewezen aan de scholengemeenschap of de scholengroep waartoe zij behoort. De scholengemeenschappen of de scholengroepen zijn ertoe gehouden de inspectie alle informatie hierover te verstrekken. | 19 | De inspectie onderzoekt daarbij ook de opdrachten die de instelling eventueel heeft toegewezen aan de scholengemeenschap of de scholengroep waartoe zij behoort. De scholengemeenschappen of de scholengroepen zijn ertoe gehouden de inspectie alle informatie hierover te verstrekken. |
| 11 | Als de inspectie tijdens een doorlichting tekorten vaststelt, onderzoekt ze of de instelling deze tekorten al dan niet zelfstandig en zonder externe ondersteuning weg kan werken. | 20 | Als de inspectie tijdens een doorlichting tekorten vaststelt, onderzoekt ze of de instelling deze tekorten al dan niet zelfstandig en zonder externe ondersteuning weg kan werken. |
| 12 | § 2. ... | 21 | § 2. ... |
| 22 | §3. De onderwijsinspectie stelt op basis van het referentiekader onderwijskwaliteit, op basis van het referentiekader CLB-kwaliteit, op basis van het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun en op basis van het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vermeld in artikel 4, §2, eerste tot en met vierde lid, het toezichtkader en de doorlichtingsinstrumenten op en maakt die bekend. | ||
| 13 | § 3. De onderwijsinspectie stelt op basis van het referentiekader onderwijskwaliteit en op basis van het referentiekader CLB-kwaliteit, vermeld in artikel 4, § 2, eerste en tweede lid, het toezichtkader en de doorlichtingsinstrumenten op en maakt die bekend. Het toezichtkader peilt in ieder geval vanuit het referentiekader onderwijskwaliteit naar de reglementaire verplichtingen van instellingen inzake de minimumdoelen, de erkenningsvoorwaarden en de financierings- en subsidiëringsvoorwaarden en naar de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van: | 23 | Voor scholen peilt het toezichtkader in ieder geval vanuit het referentiekader onderwijskwaliteit naar de reglementaire verplichtingen van instellingen inzake de minimumdoelen, de erkenningsvoorwaarden en de financierings- en subsidiëringsvoorwaarden en naar de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van: |
| 14 | 1° het beleid inzake gelijke onderwijskansen; | 24 | 1° het beleid inzake gelijke onderwijskansen; |
| 15 | 2° het zorgbeleid en de leerlingenbegeleiding, met inbegrip van de ondersteuning van leerlingen met bijzondere noden vanuit de ondersteuningsnetwerken; | 25 | 2° het zorgbeleid, de leerlingenbegeleiding en de leersteun; |
| 16 | 3° het talenbeleid; | 26 | 3° het talenbeleid; |
| 17 | 4° het beleid inzake de oriëntering van leerlingen; | 27 | 4° het beleid inzake de oriëntering van leerlingen; |
| 21 | 8° het beleid inzake participatie. | 31 | 8° het beleid inzake participatie. |
| 22 | § 4. De inspectie baseert zich voor de bepaling van de frequentie en de intensiteit van de doorlichting op het profiel van de instelling dat tot stand komt op basis van : | 32 | § 4. De inspectie baseert zich voor de bepaling van de frequentie en de intensiteit van de doorlichting op het profiel van de instelling dat tot stand komt op basis van : |
| 23 | 1° een reeks vooraf vastgestelde en meegedeelde gegevens met betrekking tot de instelling, waaronder de resultaten op de Vlaamse toetsen indien van toepassing. Die gegevens zijn te relateren aan elementen in het referentiekader onderwijskwaliteit of het referentiekader CLB-kwaliteit, vermeld in artikel 4, §2, eerste en tweede lid; | 33 | 1° een reeks vooraf vastgestelde en meegedeelde gegevens over de instelling. Die gegevens zijn te relateren aan elementen in het referentiekader onderwijskwaliteit, het referentiekader CLB-kwaliteit, het referentiekader kwaliteitsvolle leersteun of het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vermeld in artikel 4, §2, eerste tot en met vierde lid; |
| 24 | 2° het vorige doorlichtingsverslag en, in voorkomend geval, de opvolgingsverslagen. | 34 | 2° het vorige doorlichtingsverslag en, in voorkomend geval, de opvolgingsverslagen. |
| 25 | In afwijking van het eerste lid, kan de inspectie, naar aanleiding van ernstige klachten over een instelling, op vraag van de Vlaamse Regering een doorlichting uitvoeren. | 35 | In afwijking van het eerste lid, kan de inspectie, naar aanleiding van ernstige klachten over een instelling, op vraag van de Vlaamse Regering een doorlichting uitvoeren. |
| 8 | 3° advies "erkenning" : dit houdt in dat de nieuwe instelling met ingang van 1 september van het volgende schooljaar erkend is; | 8 | 3° advies "erkenning" : dit houdt in dat de nieuwe instelling met ingang van 1 september van het volgende schooljaar erkend is; |
| 9 | 4° advies "geen erkenning" : dit houdt in dat de nieuwe instelling niet erkend wordt. | 9 | 4° advies "geen erkenning" : dit houdt in dat de nieuwe instelling niet erkend wordt. |
| 10 | § 5. Voor de hele instelling of voor een afzonderlijk structuuronderdeel, en dit eventueel binnen een vestigingsplaats, zijn de volgende adviezen mogelijk: | 10 | § 5. Voor de hele instelling of voor een afzonderlijk structuuronderdeel, en dit eventueel binnen een vestigingsplaats, of voor een leersteuncentrum dat deel uit- maakt van een school voor buitengewoon onderwijs, zijn de volgende adviezen mogelijk: |
| 11 | 1° gunstig advies: dit houdt in dat de erkenning van de instellingof van structuuronderdelenvoortgezet wordt. | 11 | 1° gunstig advies: dit houdt in dat de erkenning van de instelling, of van structuuronderdelen, of van het leersteuncentrum dat deel uitmaakt van een school voor buitengewoon onderwijs, voortgezet wordt. Een gunstig advies kan het bestuur verplichten zich te engageren om aan de tekorten te werken; |
| 12 | Een gunstig advies kan het bestuur verplichten zich te engageren om aan de tekorten te werken. | ||
| 13 | 2° ongunstig advies: dit houdt in dat de procedure tot intrekking van de erkenning van de instellingof van structuuronderdelenopgestart wordt, met daarbij de vermelding van: | 12 | 2° ongunstig advies: dit houdt in dat de procedure tot intrekking van de erkenning van de instelling, of van structuuronderdelen, of van het leersteuncentrum dat deel uitmaakt van een school voor buitengewoon onderwijs, opgestart wordt, met daarbij de vermelding van: |
| 14 | a) de mogelijkheid tot opschorting : dit houdt in dat het bestuur kan verzoeken dat de procedure tot intrekking van de erkenning niet opgestart wordt op voorwaarde dat het bestuur het engagement aangaat om zich bij het werken aan de tekorten extern te laten begeleiden; | 13 | a) de mogelijkheid tot opschorting: dit houdt in dat het bestuur kan verzoeken dat de procedure tot intrekking van de erkenning niet opgestart wordt op voorwaarde dat het bestuur het engagement aangaat om zich bij het werken aan de tekorten extern te laten begeleiden; |
| 15 | b) de onmogelijkheid tot opschorting : dit houdt in dat het bestuur niet kan verzoeken dat de procedure tot intrekking van de erkenning niet opgestart wordt. | 14 | b) de onmogelijkheid tot opschorting: dit houdt in dat het bestuur niet kan verzoeken dat de procedure tot intrekking van de erkenning niet opgestart wordt. |
| 16 | Een ongunstig advies voor een structuuronderdeel binnen een vestigingsplaats , kan nooit automatisch leiden tot de intrekking van de erkenning van dat structuuronderdeel als datzelfde structuuronderdeel ook aangeboden wordt op andere vestigingsplaatsen. | 15 | Een ongunstig advies voor een structuuronderdeel binnen een vestigingsplaats of van het leersteuncentrum dat deel uitmaakt van een school voor buitengewoon onderwijs, kan nooit automatisch leiden tot de intrekking van de erkenning van dat structuuronderdeel als datzelfde structuuronderdeel ook aangeboden wordt op andere vestigingsplaatsen. |
| 16 | Een ongunstig advies voor een leersteuncentrum dat deel uitmaakt van een school voor buitengewoon onderwijs, heeft betrekking op het leersteuncentrum en kan nooit automatisch leiden tot de intrekking van de erkenning van de school voor buitengewoon onderwijs. | ||
| 17 | Een ongunstig advies voor een school voor buitengewoon onderwijs waar een leersteuncentrum deel van uitmaakt, heeft betrekking op de school voor buitengewoon onderwijs en kan nooit automatisch leiden tot de intrekking van de erkenning van het leersteuncentrum. | ||
| 18 | Een tekort op het vlak van het beleid op leerlingenbegeleiding, vermeld in artikel 38, §1, eerste lid, 3°, kan leiden tot de verplichting voor de school om zich extern te laten begeleiden. | ||
| 19 | Een tekort op het vlak van de signaalfunctie en consultatieve leerlingenbegeleiding, vermeld in artikel 38, §1, tweede lid, 3°, kan leiden tot de verplichting voor het CLB om zich extern te laten begeleiden. | ||
| 20 | Een tekort op het vlak van de kwaliteit van de leersteun, vermeld in artikel 38, §1, derde lid, kan leiden tot de verplichting voor het leersteuncentrum om zich extern te laten begeleiden. | ||
| 17 | §6. Tijdens de eerste twee schooljaren van inwerkingtreding van bij decreet of besluit vastgelegde onderwijsdoelen, kan het niet of niet in voldoende mate bereiken of nastreven, naargelang van het geval, van die onderwijsdoelen, niet leiden tot een advies als vermeld in paragraaf 5, eerste lid, 2°. | 21 | §6. Tijdens de eerste twee schooljaren van inwerkingtreding van bij decreet of besluit vastgelegde onderwijsdoelen, kan het niet of niet in voldoende mate bereiken of nastreven, naargelang van het geval, van die onderwijsdoelen, niet leiden tot een advies als vermeld in paragraaf 5, eerste lid, 2°. |
| 18 | : | 22 | : |
| 1 | § 1. De onderwijsinspectie is belast met het kwaliteitstoezicht op de diagnostische praktijk van de centra voor leerlingenbegeleiding in functie van de opmaak van de verslagen, vermeld in de artikelen 15 en 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in de artikelen 294 en 352 van de Codex Secundair Onderwijs. | 1 | § 1. De onderwijsinspectie is belast met het kwaliteitstoezicht op de diagnostische praktijk van de centra voor leerlingenbegeleiding in functie van de opmaak van de verslagen, vermeld in de artikelen 15 en 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in de artikelen 294 en 352 van de Codex Secundair Onderwijs. De onderwijsinspectie heeft daarbij bijzondere aandacht voor CLB’s die systematisch meer GC-verslagen, IAC-verslagen en OV4-verslagen opmaken in vergelijking met andere CLB’s. |
| 2 | Dit kwaliteitstoezicht kan afzonderlijk van de doorlichting uitgevoerd worden . Als beide doorlichtingen ingepland zijn tijdens hetzelfde schooljaar, gebeuren ze geïntegreerd. | 2 | Dit kwaliteitstoezicht kan afzonderlijk van de doorlichting uitgevoerd worden en kan scholen die begeleid worden door het CLB meenemen in het toezicht. Als beide doorlichtingen ingepland zijn tijdens hetzelfde schooljaar, gebeuren ze geïntegreerd. |
| 3 | De inspectie stemt voor de uitvoering van deze opdrachten af met de afdeling Zorginspectie van het Departement Zorg, vermeld in artikel 23, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie. | 3 | De inspectie stemt voor de uitvoering van deze opdrachten af met de afdeling Zorginspectie van het Departement Zorg, vermeld in artikel 23, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie. |
| 4 | De inspectie rapporteert jaarlijks over het kwaliteitstoezicht aan de Vlaamse Regering. | 4 | De inspectie rapporteert jaarlijks over het kwaliteitstoezicht aan de Vlaamse Regering. |
| 1 | §1. De inspecteurs hebben het recht om voor de uitoefening van hun opdracht inzage te krijgen in of kopie te krijgen van persoonsgegevens. De persoonsgegevens hebben betrekking op leerlingen verbonden aan de onderwijsinstellingof begeleid door het centrum voor leerlingenbegeleidingen betreffen de gegevens die de onderwijsinstelling of het centrum voor leerlingenbegeleidingkrachtens de onderwijsof CLB-reglementering in het dossier verwerken, zoals de administratieve gegevens, inschrijvingsgegevens, afwezigheden, studieresultaten en zorggegevens. De bevoegdheid heeft ook betrekking op gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat. | 1 | §1. De inspecteurs hebben het recht om voor de uitoefening van hun opdracht inzage te krijgen in of kopie te krijgen van persoonsgegevens. De persoonsgegevens hebben betrekking op leerlingen die verbonden zijn aan de onderwijsinstelling, of begeleid worden door het centrum voor leerlingenbegeleiding, of ondersteund worden door een leersteuncentrum en op internen die ingeschreven zijn in een onderwijsinternaat. Het betreft de gegevens die de onderwijsinstelling, het centrum voor leerlingenbegeleiding, het leersteuncentrum of het onderwijsinternaat krachtens de onderwijs-, onderwijsinternaats- of CLB-reglementering of de reglementering over de leersteuncentra in het dossier verwerken, zoals de administratieve gegevens, inschrijvingsgegevens, afwezigheden, studieresultaten en zorggegevens. De bevoegdheid heeft ook betrekking op gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat. |
| 2 | Als anonieme gegevens beschikbaar en actueel zijn, vragen de inspecteurs in eerste instantie inzage in die gegevens. Als dat nodig is in het licht van de opdracht, kunnen de inspecteurs inzage vragen in persoonsgegevens, als daarvoor de Europese, federale en Vlaamse regels over het verwerken van die gegevens worden gevolgd. Onder anonieme gegevens wordt verstaan: gegevens die geen betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon of op persoonsgegevens die zodanig anoniem zijn gemaakt dat de betrokkene niet of niet meer identificeerbaar is. | 2 | Als anonieme gegevens beschikbaar en actueel zijn, vragen de inspecteurs in eerste instantie inzage in die gegevens. Als dat nodig is in het licht van de opdracht, kunnen de inspecteurs inzage vragen in persoonsgegevens, als daarvoor de Europese, federale en Vlaamse regels over het verwerken van die gegevens worden gevolgd. Onder anonieme gegevens wordt verstaan: gegevens die geen betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon of op persoonsgegevens die zodanig anoniem zijn gemaakt dat de betrokkene niet of niet meer identificeerbaar is. |
| 3 | De Vlaamse Regering stelt voorwaarden vast om de transparantie en de uitoefening van de rechten van de betrokkenen te verzekeren. | 3 | De Vlaamse Regering stelt voorwaarden vast om de transparantie en de uitoefening van de rechten van de betrokkenen te verzekeren. |
| 1 | Een mandaat bij een bestuur is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie, tenzij het gaat om een politiek mandaat. De inspecteur die een politiek mandaat opneemt, dient dit onmiddellijk te melden. | 1 | Een mandaat bij een bestuur is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie, tenzij het gaat om een politiek mandaat. De inspecteur die een politiek mandaat opneemt, dient dit onmiddellijk te melden. |
| 2 | Een opdracht in een onderwijsinstelling of in een centrum voor leerlingenbegeleiding , waarover de inspectie toezicht houdt, is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie. | 2 | Een opdracht in een onderwijsinstelling, in een centrum voor leerlingenbegeleiding of in een leersteuncentrum, waarover de inspectie toezicht houdt, is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie. |
| 3 | De uitoefening van een ambt bij de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, is onverenigbaar met de uitoefening van een ambt als lid van de inspectie. | 3 | De uitoefening van een ambt bij de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, is onverenigbaar met de uitoefening van een ambt als lid van de inspectie. |