Programmadecreet bij de begroting 2022
50 artikels gewijzigd
| 3 | 2° deze onroerende goederen renoveren, vervangen of bebouwen en ze vervolgens verhuren, onderverhuren of er zakelijke rechten op afstaan; | 3 | 2° deze onroerende goederen renoveren, vervangen of bebouwen en ze vervolgens verhuren, onderverhuren of er zakelijke rechten op afstaan; |
| 4 | 3° bijzondere sociale leningen toestaan. | 4 | 3° bijzondere sociale leningen toestaan. |
| 5 | 4° na goedkeuring door de Vlaamse Regering, het verder afhandelen van aanvullende woonleningen die de provincies hebben toegekend voor het kopen, bouwen en verbouwen van woningen in het Vlaamse Gewest. | ||
| 6 | Het VWF dat volgens het eerste lid, 4°, optreedt als kredietgever wordt toegelaten om op te treden als kredietgever inzake consumentenkrediet als vermeld in artikel VII.159, § 1 en § 2, van het Wetboek van Economisch Recht. | ||
| 7 | c) de verkoop van andere woningen en kavels dan sociale woningen en kavels met toepassing van artikel 5.91, met het oog op het bereiken van het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27; | 7 | c) de verkoop van andere woningen en kavels dan sociale woningen en kavels met toepassing van artikel 5.91, met het oog op het bereiken van het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27; |
| 8 | 4° de verrichtingen van de erkende ondersteuningsstructuur, vermeld in artikel 4.72, krachtens dit boek; | 8 | 4° de verrichtingen van de erkende ondersteuningsstructuur, vermeld in artikel 4.72, krachtens dit boek; |
| 9 | 5° de verrichtingen van de erkende kredietmaatschappijen, vermeld in artikel 5.58, eerste lid, 1°; | 9 | 5° de verrichtingen van de erkende kredietmaatschappijen, vermeld in artikel 5.58; |
| 10 | 6° de volgende verrichtingen van Vlabinvest apb: | 10 | 6° de volgende verrichtingen van Vlabinvest apb: |
| 11 | a) de beslissingen tot beschikbaarstelling, inclusief bewijsstukken, voor verhuring, erfpacht of verkoop van woningen en kavels binnen een woonproject met sociaal karakter; | 11 | a) de beslissingen tot beschikbaarstelling, inclusief bewijsstukken, voor verhuring, erfpacht of verkoop van woningen en kavels binnen een woonproject met sociaal karakter; |
| 1 | De toezichthouder kan een administratieve geldboete opleggen aan de sociale woonorganisaties met uitzondering van de VMSW, aan de erkende ondersteuningsstructuur, vermeld in artikel 4.72, en aan de erkende kredietmaatschappijen, vermeld in artikel 5.58, eerste lid, 1°, die, na schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, een overtreding handhaven van de bepalingen van deze codex of van de uitvoeringsbesluiten ervan die betrekking hebben op de voorwaarden om erkend te kunnen worden en te blijven, of die een overtreding plegen tegen dezelfde reglementaire bepalingen als vermeld in de ingebrekestelling of die een beslissing uitvoeren die geschorst of vernietigd werd. | 1 | De toezichthouder kan een administratieve geldboete opleggen aan de sociale woonorganisaties met uitzondering van de VMSW, aan de erkende ondersteuningsstructuur, vermeld in artikel 4.72, en aan de erkende kredietmaatschappijen, vermeld in artikel 5.58, die, na schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, een overtreding handhaven van de bepalingen van deze codex of van de uitvoeringsbesluiten ervan die betrekking hebben op de voorwaarden om erkend te kunnen worden en te blijven, of die een overtreding plegen tegen dezelfde reglementaire bepalingen als vermeld in de ingebrekestelling of die een beslissing uitvoeren die geschorst of vernietigd werd. |
| 2 | De toezichthouder kan een administratieve geldboete opleggen aan de VMSW, het OCMW, een welzijnsvereniging, de gemeente en een intergemeentelijk samenwerkingsverband die, na schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, de uitoefening van het toezicht, vermeld in artikel 4.79 en 4.81, tweede lid, verhindert, of die de door de Vlaamse Regering bepaalde termijnen om het toezicht mogelijk te maken niet respecteert. De toezichthouder kan een administratieve geldboete opleggen aan de gemeente, het OCMW, de welzijnsvereniging en het intergemeentelijk samenwerkingsverband die, na schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, de herinvesteringsverplichting, vermeld in artikel 4.1/1, niet naleeft. | 2 | De toezichthouder kan een administratieve geldboete opleggen aan de VMSW, het OCMW, een welzijnsvereniging, de gemeente en een intergemeentelijk samenwerkingsverband die, na schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, de uitoefening van het toezicht, vermeld in artikel 4.79 en 4.81, tweede lid, verhindert, of die de door de Vlaamse Regering bepaalde termijnen om het toezicht mogelijk te maken niet respecteert. De toezichthouder kan een administratieve geldboete opleggen aan de gemeente, het OCMW, de welzijnsvereniging en het intergemeentelijk samenwerkingsverband die, na schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, de herinvesteringsverplichting, vermeld in artikel 4.1/1, niet naleeft. |
| 3 | Tegen de ingebrekestelling, vermeld in het eerste en het tweede lid, kan een schriftelijk verweerschrift worden ingediend. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen het verweerschrift moet worden ingediend. | 3 | Tegen de ingebrekestelling, vermeld in het eerste en het tweede lid, kan een schriftelijk verweerschrift worden ingediend. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen het verweerschrift moet worden ingediend. |
| 1 | Het Vlaamse Gewest waarborgt, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering stelt, de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interest en de extra kosten van sociale leningen toegestaan door: | ||
| 2 | 1° de kredietmaatschappijen die, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, door de Vlaamse Regering of door de rechtsvoorganger van de VMSW erkend zijn; | ||
| 3 | 2° elke kredietinstelling, hiertoe erkend bij besluit van de Vlaamse Regering. | ||
| 4 | De waarborg van het Vlaamse Gewest heeft ten hoogste betrekking op het gedeelte van de lening dat 60% van de verkoopwaarde van de woning overschrijdt. | ||
| 1 | Om de erkenning te behouden die ze verkregen met toepassing van artikel 5.58, eerste lid, 1°, zoals dit vóór 1 januari 2022 gold, dienen de kredietmaatschappijen aan de volgende voorwaarden te voldoen: | ||
| 2 | 1° de kredietmaatschappij heeft als hoofdzakelijk maatschappelijk doel het toekennen en beheren van sociale leningen voor het bouwen, kopen, verbouwen, behouden of het energetische renoveren van een bescheiden woning ten behoeve van natuurlijke personen die geen andere woning in volle eigendom bezitten en die woning zelf bewonen of zullen bewonen; | ||
| 3 | 2° de kredietmaatschappij beschikt over een vergunning als kredietgever verkregen bij de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA), vermeld in artikel VII.159, § 1, van het Wetboek van Economisch Recht; | ||
| 4 | 3° de kredietmaatschappij verbindt zich in haar statuten, de voorwaarden, bepalingen en verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk, na te leven en het toezicht van de toezichthouder daarop te aanvaarden; | ||
| 5 | 4° de maatschappelijke zetel of exploitatiezetel van de kredietmaatschappij ligt in het Vlaamse Gewest; | ||
| 6 | 5° de kredietmaatschappij keert een dividend uit dat niet hoger is dan de rentevoet, vastgesteld door de Koning ter uitvoering van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie, toegepast op het gestorte kapitaal, zonder dat dat dividend hoger is dan 25% van de te bestemmen winst van het boekjaar. | ||
| 7 | De Vlaamse Regering stelt aanvullende voorwaarden voor het behoud van de erkenning vast met betrekking tot: | ||
| 8 | 1° de interne en externe controle; | ||
| 9 | 2° het liquiditeitsbeheer en de beleggingen; | ||
| 10 | 3° het minimaal eigen vermogen; | ||
| 11 | 4° de solvabiliteit. | ||
| 12 | Een bescheiden woning, vermeld in het eerste lid, 1°, is hetzij een woning die door de VMSW, een sociale huisvestingsmaatschappij of het VWF wordt bestemd om verkocht te worden aan woonbehoeftige gezinnen of alleenstaanden, hetzij een te bouwen, te kopen, te verbouwen of te behouden woning waarvan de verkoopwaarde maximaal 225.000 euro bedraagt. Dat bedrag wordt verhoogd met 15% als de woning gelegen is in een gemeente die is opgenomen in cluster 1 of cluster 2 van de lijst die is opgenomen in bijlage 19 bij het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 en wordt cumulatief verhoogd met 5%: | ||
| 13 | 1° voor elke persoon ten laste; | ||
| 14 | 2° voor ieder van de ascendenten van de ontlener die op de datum van de leningsaanvraag sedert ten minste zes maanden met hem samenwoont. | ||
| 15 | De maximale verkoopwaarde wordt op 1 januari aangepast aan de gezondheidsindex van de maand november die aan de aanpassing voorafgaat met als basisindex die van de maand november 2012. Het resultaat wordt afgerond naar het eerstvolgende veelvoud van 1000 euro. |
| 1 | §1. De kredietinstelling houdt op de geleende bedragen een bijdrage in ten voordele van het “Waarborgfonds sociale leningen” dat wordt opgericht als een begrotingsfonds als vermeld in artikel 15, §2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019. | ||
| 2 | Aan het Waarborgfonds sociale leningenworden benevens voormelde bijdragen ook de ontvangsten die voortvloeien uit terugwinningen, de inkomsten uit de wederverkoop van ingekochte onroerende goederen en de intresten op belegde sommen toegewezen. | 1 | §1. Aan het Waarborgfonds sociale leningen, dat werd opgericht als een begrotingsfonds als vermeld in artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, worden de ontvangsten die voortvloeien uit terugwinningen, de inkomsten uit de wederverkoop van ingekochte onroerende goederen en de intresten op belegde sommen toegewezen. |
| 3 | §2. De middelen van het fonds kunnen enkel aangewend worden voor de roerende voorheffing op intrestenopbrengsten, bankkosten, tegemoetkomingen aan de kredietmaatschappijen en -instellingen ter uitvoering van de gewestwaarborg, alsook voor de aankoop van onroerende goederen. | 2 | §2. De middelen van het fonds kunnen enkel aangewend worden voor de roerende voorheffing op intrestenopbrengsten, bankkosten, tegemoetkomingen aan de kredietmaatschappijen en -instellingen ter uitvoering van de gewestwaarborg, alsook voor de aankoop van onroerende goederen. |
| 4 | §3. De Vlaamse Regering stelt de gevallen vast waarbij, om bijzondere sociale redenen, de sommen die in het kader van de uitvoering van de waarborg, vermeld in paragraaf 2, aan de kredietmaatschappijen en -instellingen werden betaald, niet worden teruggevorderd bij de kredietnemers. | 3 | §3. De Vlaamse Regering stelt de gevallen vast waarbij, om bijzondere sociale redenen, de sommen die in het kader van de uitvoering van de waarborg, vermeld in paragraaf 2, aan de kredietmaatschappijen en -instellingen werden betaald, niet worden teruggevorderd bij de kredietnemers. |
| 5 | §4. Alle schulden, vorderingen en tegoeden van het Fonds voor de waarborgstelling met betrekking tot huisvesting, vermeld in artikel 28 en 32 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, worden overgenomen door het Waarborgfonds sociale leningen. Op het fonds kan rechtstreeks worden beschikt door de rekenplichtige die de ontvangsten heeft gedaan. | 4 | §4. Alle schulden, vorderingen en tegoeden van het Fonds voor de waarborgstelling met betrekking tot huisvesting, vermeld in artikel 28 en 32 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, worden overgenomen door het Waarborgfonds sociale leningen. Op het fonds kan rechtstreeks worden beschikt door de rekenplichtige die de ontvangsten heeft gedaan. |
| 6 | §5. De Vlaamse Regering regelt het beheer van het fonds en bepaalt de hoogte van de bijdrage, die in geen geval meer mag bedragen dan 0,5% van de geleende bedragen. | ||
| 7 | §6. Het geleende bedrag mag niet hoger zijn dan de verkoopwaarde van de woning. De Vlaamse Regering stelt de overige voorwaarden vast, onder meer inzake de maximumverkoopwaarde van de woning, de minimum- en maximumnormen voor de woningen en de eigendomsvoorwaarden in hoofde van de ontlener. | ||
| 8 | §7. De kredietmaatschappijen, vermeld in artikel 5.58, eerste lid, 1°, kunnen ook leningen toestaan aan leners ter financiering van vroeger aangegane schulden, voor de renovatie, de koop of de bouw van hun woning, onder de voorwaarden die door de Vlaamse Regering worden bepaald. | ||
| 5 | §5. De Vlaamse Regering regelt het beheer van het fonds. |
| 1 | Het Vlaamse Gewest waarborgt, binnen het plafond vermeld in de begrotingsdecreten, en onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering stelt, de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interest en de extra kosten van de kredieten aangegaan door de in artikel 5.58, eerste lid, 1°, vermelde kredietmaatschappijen. De onder deze voorwaarden opgenomen kredieten zijn voor 100% gewaarborgd. |
| 1 | De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder de kredietmaatschappijen, vermeld in artikel 5.58, eerste lid, 1°, kunnen intekenen op het maatschappelijk kapitaal van sociale woonorganisaties, van vennootschappen die erkend zijn bij of krachtens deze codex, en van verzekeringstussenpersonen als vermeld in artikel 1, 3°, van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen. | 1 | De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder de kredietmaatschappijen, vermeld in artikel 5.58, kunnen intekenen op het maatschappelijk kapitaal van sociale woonorganisaties, van vennootschappen die erkend zijn bij of krachtens deze codex, en van verzekeringstussenpersonen als vermeld in artikel 1, 3°, van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen. |
| 2 | De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder sociale woonorganisaties, vennootschappen die erkend zijn bij of krachtens deze codex, kredietmaatschappijen als vermeld in artikel 5.58, eerste lid, 1°, uitgezonderd, en verzekeringstussenpersonen als vermeld in artikel 1, 3°, van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, kunnen intekenen op het maatschappelijk kapitaal van een kredietmaatschappij als vermeld in artikel 5.58, eerste lid, 1°, gezamenlijk voor ten hoogste een vierde van het maatschappelijk kapitaal van de kredietmaatschappij. | 2 | De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaronder sociale woonorganisaties, vennootschappen die erkend zijn bij of krachtens deze codex, kredietmaatschappijen als vermeld in artikel 5.58, uitgezonderd, en verzekeringstussenpersonen als vermeld in artikel 1, 3°, van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, kunnen intekenen op het maatschappelijk kapitaal van een kredietmaatschappij als vermeld in artikel 5.58, eerste lid, 1°, gezamenlijk voor ten hoogste een vierde van het maatschappelijk kapitaal van de kredietmaatschappij. |
| 3 | De kredietmaatschappij wendt de netto-opbrengst van de participatie, vermeld in het eerste lid, aan voor de financiering van de sociale leningen, vermeld in deze codex. | 3 | De kredietmaatschappij wendt de netto-opbrengst van de participatie, vermeld in het eerste lid, aan voor de financiering van de sociale leningen, vermeld in deze codex. |
| 1 | De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast voor het interne beheer en het rekeningstelsel dat de kredietmaatschappijen, vermeld in artikel 5.58, eerste lid, 1°, hanteren. | 1 | De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast voor het interne beheer en het rekeningstelsel dat de kredietmaatschappijen, vermeld in artikel 5.58, hanteren. |
| 1 | Bij uitwinning of ter voorkoming van een uitwinning van de waarborg vermeld in artikel 5.60, kan de Vlaamse Regering het VWF opdracht geven tot overname van de activa en passiva van de in artikel 5.58, eerste lid, 1°, vermelde kredietmaatschappijen. | 1 | Bij uitwinning of ter voorkoming van een uitwinning van de waarborg vermeld in artikel 5.60, kan de Vlaamse Regering het VWF opdracht geven tot overname van de activa en passiva van de in artikel 5.58, vermelde kredietmaatschappijen. |
| 18 | 9° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; | 18 | 9° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; |
| 19 | 10° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; | 19 | 10° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; |
| 20 | 11° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; | 20 | 11° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; |
| 21 | 12° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; | 21 | 12° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; |
| 22 | 13° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; | 22 | 13° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; |
| 23 | 14° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; | 23 | 14° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; |
| 24 | 15° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]:;. | 24 | 15° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]. |
| 25 | 16° verbruiksgegevens. | 25 | 16° verbruiksgegevens. |
| 26 | [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]. | 26 | [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]. |
| 41 | 3° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; | 41 | 3° [... (vernietigd arrest 2023/92 van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2023)]; |
| 42 | 4° de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1° en 2°, aan de organisaties die belast zijn met de uitvoering van het Vlaamse integratieen inburgeringsbeleid voor de realisatie van de verplichting, vermeld in artikel 6.20, eerste lid, 5° en 6° ; | 42 | 4° de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1° en 2°, aan de organisaties die belast zijn met de uitvoering van het Vlaamse integratieen inburgeringsbeleid voor de realisatie van de verplichting, vermeld in artikel 6.20, eerste lid, 5° en 6° ; |
| 43 | 5° de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 13° en 15°, de inschrijving en schrapping in het inschrijvingsregister, de toewijzing van een sociale woning, de weigeringen van een aanbod en de duurtijd van de aaneengesloten inschrijvingen bij een domiciliemaatschappij aan het agentschap dat door de Vlaamse Regering wordt aangewezen om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden en verplichtingen van boek 5, deel 5, titel 3, en de voorwaarden en verplichtingen die de Vlaamse Regering vaststelt conform die titel; | 43 | 5° de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 13° en 15°, de inschrijving en schrapping in het inschrijvingsregister, de toewijzing van een sociale woning, de weigeringen van een aanbod en de duurtijd van de aaneengesloten inschrijvingen bij een domiciliemaatschappij aan het agentschap dat door de Vlaamse Regering wordt aangewezen om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden en verplichtingen van boek 5, deel 5, titel 2 en 3, en de voorwaarden en verplichtingen die de Vlaamse Regering vaststelt conform die titel; |
| 44 | 6° de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, aan de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79, met het oog op het uitoefenen van het toezicht. | 44 | 6° de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, aan de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79, met het oog op het uitoefenen van het toezicht. |
| 45 | 7° de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 16°, aan een private partner voor de berekening van de vergoeding, vermeld in artikel 6.25, eerste lid. | 45 | 7° de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 16°, aan een private partner voor de berekening van de vergoeding, vermeld in artikel 6.25, eerste lid. |
| 10 | 2° artikel 20, tweede lid, en 21 wat de onroerende verrichtingen van de VHM of haar rechtsopvolger en de woonmaatschappijen betreft; | 10 | 2° artikel 20, tweede lid, en 21 wat de onroerende verrichtingen van de VHM of haar rechtsopvolger en de woonmaatschappijen betreft; |
| 11 | 3° artikel 23, wat de akten betreffende de VHM of haar rechtsopvolger en de woonmaatschappijen betreft; | 11 | 3° artikel 23, wat de akten betreffende de VHM of haar rechtsopvolger en de woonmaatschappijen betreft; |
| 12 | 4° artikel 89 wat de akten betreffende de in artikel 5.58, eerste lid, 1°, vermelde kredietmaatschappijen betreft. | 12 | 4° artikel 89 wat de akten betreffende de in artikel 5.58, vermelde kredietmaatschappijen betreft. |
| 13 | §3. In afwijking van §1 blijven de hierna vermelde bepalingen van de Huisvestingscode gelden voor de ernaast vermelde verrichtingen, voor zover die verrichtingen dateren van vóór de inwerkingtreding van de opheffingsbepalingen van §1 die er betrekking op hebben: | 13 | §3. In afwijking van §1 blijven de hierna vermelde bepalingen van de Huisvestingscode gelden voor de ernaast vermelde verrichtingen, voor zover die verrichtingen dateren van vóór de inwerkingtreding van de opheffingsbepalingen van §1 die er betrekking op hebben: |
| 14 | 1° artikel 38, tweede lid, 1°, a) en b), 41, 79, 80bis en 81 tot en met 82bis, wat de door de Staat en het Vlaamse Gewest te dragen lasten betreft inzake gewaarborgde leningen, aangegaan door de VHM, het VWF of hun rechtsvoorgangers; | 14 | 1° artikel 38, tweede lid, 1°, a) en b), 41, 79, 80bis en 81 tot en met 82bis, wat de door de Staat en het Vlaamse Gewest te dragen lasten betreft inzake gewaarborgde leningen, aangegaan door de VHM, het VWF of hun rechtsvoorgangers; |
| 1 | Het verkooprecht bedraagt 10 %. | 1 | Het verkooprecht bedraagt 12 %. |
| 1 | § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 6 % voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop, waarbij door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen. | 1 | § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 3 % voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop, waarbij door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen. |
| 2 | In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief 6% voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 is verleden, als de verkrijger opteert voor de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3. | ||
| 2 | § 2. Om het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, moeten alle volgende voorwaarden vervuld zijn: | 3 | § 2. Om het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, moeten alle volgende voorwaarden vervuld zijn: |
| 3 | 1° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. Als er verschillende verkrijgers zijn, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond; | 4 | 1° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. Als er verschillende verkrijgers zijn, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond; |
| 6 | De koper die de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd. | 7 | De koper die de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd. |
| 7 | § 3. In afwijking van paragraaf 2, 1°, wordt geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als: | 8 | § 3. In afwijking van paragraaf 2, 1°, wordt geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als: |
| 8 | 1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk één jaar na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, vijfde lid; | 9 | 1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk twee jaar na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, vijfde lid; |
| 9 | 2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, zesde lid. | 10 | 2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, zesde lid. |
| 10 | De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd. | 11 | De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd. |
| 11 | § 4. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte. | 12 | § 4. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte. |
| 12 | § 5. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, kan niet worden toegepast als voor de overdracht van het gebouw of gedeelten van het gebouw de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, is genoten. | 13 | § 5. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, kan niet worden toegepast als voor de overdracht van het gebouw of gedeelten van het gebouw de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, is genoten. |
| 14 | § 6. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan niet gecombineerd worden met de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3. | ||
| 1 | § 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, wordt verminderd tot 5 % als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: | 1 | § 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, wordt verminderd tot 1% als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: |
| 2 | 1° de verkrijger verbindt zich ertoe aan de aangekochte woning een ingrijpende energetische renovatie uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 50°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, een gedeeltelijke herbouw uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 46/2°, of een herbouw uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 47/2°, van het voormelde besluit; | 2 | 1° de verkrijger verbindt zich ertoe aan de aangekochte woning een ingrijpende energetische renovatie uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 50°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, een gedeeltelijke herbouw uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 46/2°, of een herbouw uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 47/2°, van het voormelde besluit; |
| 3 | 2° de verkrijger moet binnen een termijn van vijf jaar vanaf de datum van de authentieke aankoopakte een energieprestatiecertificaat bouw als vermeld in artikel 9.2.11 van het Energiebesluit van 19 november 2010, bekomen waaruit blijkt dat de werken die aan de aangekochte woning uitgevoerd zijn, betrekking hebben op werken als vermeld in punt 1° ; | 3 | 2° de verkrijger heeft binnen een termijn van zes jaar vanaf de datum van de authentieke aankoopakte een EPB-aangifte als vermeld in artikel 1.1.3, 47°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, laten indienen waaruit blijkt dat de werken die aan de aangekochte woning uitgevoerd zijn, betrekking hebben op werken als vermeld in punt 1° en dat is voldaan aan alle EPB-eisen, vermeld in titel IX, hoofdstuk I, van het Energiebesluit van 19 november 2010, die op de omgevingsvergunning(en) voor stedenbouwkundige handelingen van het specifieke bouwproject van toepassing zijn; |
| 4 | 3° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. Als er verschillende verkrijgers zijn, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond; | 4 | 3° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. Als er verschillende verkrijgers zijn, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond; |
| 5 | 4° de verkrijger verbindt zich ertoe zijn inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister te nemen op het adres van de aangekochte woning binnen vijf jaar na de datum van de authentieke aankoopakte; | 5 | 4° de verkrijger verbindt zich ertoe zijn inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister te nemen op het adres van de aangekochte woning binnen zes jaar na de datum van de authentieke aankoopakte; |
| 6 | 5° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd. | 6 | 5° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd. |
| 7 | De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 4°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd. | 7 | De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 4°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd. |
| 8 | Als de verkrijger zich ertoe verbindt een gedeeltelijke herbouw of een herbouw uit te voeren als vermeld in het eerste lid, 1°, wordt voor de toepassing van het verlaagd tarief met een woning gelijkgesteld een huis of het geheel of gedeelte van een verdieping van een gebouw dat op een bepaald moment in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de authentieke aankoopakte hoofdzakelijk tot huisvesting heeft gediend van één gezin of een persoon, als de verklaring, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, zevende lid, is gedaan. | ||
| 9 | De koper die de voorwaarde, vermeld in het derde lid, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd | ||
| 10 | In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief 5% voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 is verleden, als de verkrijger opteert voor de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3. | ||
| 8 | § 2. In afwijking van paragraaf 1, 3°, wordt geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als: | 11 | § 2. In afwijking van paragraaf 1, 3°, wordt geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als: |
| 9 | 1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk één jaar na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, zevende lid; | 12 | 1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk twee jaar na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, achtste lid; |
| 10 | 2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, achtste lid. | 13 | 2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, negende lid. |
| 11 | De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd. | 14 | De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd. |
| 12 | § 3. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte. | 15 | § 3. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte. |
| 16 | § 4. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan niet gecombineerd worden met de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3. |
| 8 | Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering, vermeld in paragraaf 1, kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, noch met de vermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°. | 8 | Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering, vermeld in paragraaf 1, kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, noch met de vermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°. |
| 9 | § 5. In afwijking van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, wordt er geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als: | 9 | § 5. In afwijking van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, wordt er geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als: |
| 10 | 1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk één jaar na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, negende lid; | 10 | 1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk twee jaar na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, tiende lid; |
| 11 | 2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, tiende lid. | 11 | 2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, elfde lid. |
| 12 | De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd. | 12 | De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd. |
| 13 | § 6. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte. | 13 | § 6. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte. |
| 1 | § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 10% voor verkoopovereenkomsten van onbebouwde landgoederen en onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type twee of drie als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2° en 3°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet. | ||
| 2 | § 2. Voor de toepassing van het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten naargelang het geval de volgende voorwaarden vervuld zijn: | ||
| 3 | 1° de verkrijgers van het onbebouwde landgoed voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1; | ||
| 4 | 2° de verkrijgers van het onbebouwd onroerend goed voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3. |
| 1 | In geval van zuivere aankoop van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed door een natuurlijke persoon om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, wordt zijn wettelijk aandeel in de belastingen die met toepassing van artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14 verschuldigd waren op de aankoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, in mindering gebracht van zijn wettelijk aandeel in de belastingen, verschuldigd op de nieuwe aankoop, op voorwaarde dat de authentieke akte van de nieuwe aankoop is verleden binnen twee jaar na de datum van het verlijden van de authentieke akte die aanleiding heeft gegeven of geeft tot een van de volgende handelingen : | 1 | In geval van zuivere aankoop van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 wordt verleden door een natuurlijke persoon om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, wordt zijn wettelijk aandeel in de belastingen die met toepassing van artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14 verschuldigd waren op de aankoop van de woning waarvan de authentieke akte voor 1 januari 2022 werd verleden en die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, in mindering gebracht van zijn wettelijk aandeel in de belastingen, verschuldigd op de nieuwe aankoop, op voorwaarde dat de authentieke akte van de nieuwe aankoop is verleden binnen twee jaar na de datum van het verlijden van de authentieke akte die aanleiding heeft gegeven of geeft tot een van de volgende handelingen : |
| 2 | 1° de heffing van het verkooprecht op de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, of de heffing van het verdeelrecht op de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan; | 2 | 1° de heffing van het verkooprecht op de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, of de heffing van het verdeelrecht op de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan; |
| 3 | 2° de vrijstelling van het verkooprecht met toepassing van artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, voor de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, of de vrijstelling van het verdeelrecht met toepassing van artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 1°, voor de verdeling van die woning, waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan. | 3 | 2° de vrijstelling van het verkooprecht met toepassing van artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, voor de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, of de vrijstelling van het verdeelrecht met toepassing van artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 1°, voor de verdeling van die woning, waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan. |
| 1 | § 1. Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van respectievelijk 2800 euro of 960 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan, naargelang het geval, hetzij 2800 euro, hetzij 960 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht. | ||
| 2 | Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 2800 euro of 960 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstige breukdeel van, naargelang het geval, hetzij 2800 euro, hetzij 960 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht. | ||
| 3 | Als er slechts voor een deel van de verkrijging toepassing wordt gemaakt van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 2800 euro of 960 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de verkrijging waarvoor het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, wordt toegepast. | ||
| 4 | Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 240.000 euro. | ||
| 1 | Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11of 2.9.4.2.12, en als de totale belastbare grondslag van de verkrijging niet hoger is dan 200.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van respectievelijk 5600 euro of 4800 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht. | 5 | § 2. Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van respectievelijk 5600 euro of 4800 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht. |
| 2 | Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11of 2.9.4.2.12, en als de totale belastbare grondslag van de verkrijging niet hoger is dan 200.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 5600 euro of 4800 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstig breukdeel van, naar gelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht. | 6 | Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 5600 euro of 4800 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aan- deel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstig breukdeel van, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht. |
| 7 | Als er slechts voor een deel van de verkrijging toepassing wordt gemaakt van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 5600 euro of 4800 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de verkrijging waarvoor het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, wordt toegepast. | ||
| 3 | Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de belastbare grondslag van de verkrijging niet hoger is dan 220.000 euro. | 8 | Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 240.000 euro. |
| 18 | De registratiebelasting die betrekking heeft op het gedeelte van de prijs en de lasten van de verkrijging, dat hoger is dan de conform artikel 2.9.3.0.1 bepaalde heffingsgrondslag van de akte van wederverkoop, wordt niet teruggegeven. | 18 | De registratiebelasting die betrekking heeft op het gedeelte van de prijs en de lasten van de verkrijging, dat hoger is dan de conform artikel 2.9.3.0.1 bepaalde heffingsgrondslag van de akte van wederverkoop, wordt niet teruggegeven. |
| 19 | In geval van gedeeltelijke wederverkoop wordt in het verzoek tot teruggave het deel van de aanschaffingsprijs dat betrekking heeft op het wederverkochte gedeelte, nader aangegeven onder controle van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. | 19 | In geval van gedeeltelijke wederverkoop wordt in het verzoek tot teruggave het deel van de aanschaffingsprijs dat betrekking heeft op het wederverkochte gedeelte, nader aangegeven onder controle van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. |
| 20 | § 2/1. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het bedrag aan registratiebelasting dat meer bedraagt dan het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, artikel 2.9.4.2.12 en artikel 2.9.4.2.14, op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan. In het verzoek tot teruggave moet worden aangetoond dat de woning of bouwgrond die de toepassing van het verlaagde tarief van artikel 2.9.4.2.11, § 1, artikel 2.9.4.2.12 en artikel 2.9.4.2.14, heeft verhinderd, uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging van de andere woning volledig en ten bezwarende titel is vervreemd, en dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging. Bovendien moet in het verzoek tot teruggave worden voldaan aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3. | 20 | § 2/1. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het bedrag aan registratiebelasting dat meer bedraagt dan het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, artikel 2.9.4.2.12 en artikel 2.9.4.2.14, op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan. In het verzoek tot teruggave moet worden aangetoond dat de woning of bouwgrond die de toepassing van het verlaagde tarief van artikel 2.9.4.2.11, § 1, artikel 2.9.4.2.12 en artikel 2.9.4.2.14, heeft verhinderd, uiterlijk twee jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging van de andere woning volledig en ten bezwarende titel is vervreemd, en dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging. Bovendien moet in het verzoek tot teruggave worden voldaan aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3. |
| 21 | § 3. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, waarin wordt aangetoond dat een zuivere verkoop heeft plaatsgevonden door een natuurlijke persoon van een woning in het Vlaamse Gewest, waarin hij op een ogenblik zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de zuivere aankoop van het onroerend goed dat hij als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt , en, in geval van verdeling van een dergelijke woning, waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan. De ontheffing wordt verleend voor het wettelijk aandeel in de registratiebelasting die geheven is op de aankoop van het onroerend goed dat de natuurlijke persoon als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, op voorwaarde dat de authentieke akte van de verkoop of de verdeling is verleden binnen twee jaar, of vijf jaar in geval van de aankoop van een bouwgrond, na de datum van het verlijden van de authentieke akte van de nieuwe aankoop. | 21 | § 3. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, waarin wordt aangetoond dat een zuivere verkoop heeft plaatsgevonden door een natuurlijke persoon van een woning in het Vlaamse Gewest, waarvan de authentieke aankoopakte voor 1 januari 2022 werd verleden, en waarin hij op een ogenblik zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de zuivere aankoop van het onroerend goed dat hij als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt waarvan de akte uiterlijk op 31 december 2023 werd verleden, en, in geval van verdeling van een dergelijke woning, waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan. De ontheffing wordt verleend voor het wettelijk aandeel in de registratiebelasting die geheven is op de aankoop van het onroerend goed dat de natuurlijke persoon als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, op voorwaarde dat de authentieke akte van de verkoop of de verdeling is verleden binnen twee jaar, of vijf jaar in geval van de aankoop van een bouwgrond, na de datum van het verlijden van de authentieke akte van de nieuwe aankoop. |
| 22 | De registratiebelasting, betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest ligt, alsook de aanvullende rechten die om om het even welke reden op een aankoop zijn geheven, zijn uitgesloten van de teruggave, overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf. | 22 | De registratiebelasting, betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest ligt, alsook de aanvullende rechten die om om het even welke reden op een aankoop zijn geheven, zijn uitgesloten van de teruggave, overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf. |
| 23 | De teruggave, overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf, kan in geen geval meer bedragen dan het bedrag van het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting die conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14 verschuldigd was op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht. | 23 | De teruggave, overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf, kan in geen geval meer bedragen dan het bedrag van het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting die conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14 verschuldigd was op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht. |
| 3 | 2° de voorwaarden van het verlaagde tarief dat ze willen verkrijgen, vervuld zijn; | 3 | 2° de voorwaarden van het verlaagde tarief dat ze willen verkrijgen, vervuld zijn; |
| 4 | 3° de voorwaarden van hetzij de vermindering, hetzij de vrijstelling die ze willen verkrijgen, vervuld zijn of vervuld zullen worden; | 4 | 3° de voorwaarden van hetzij de vermindering, hetzij de vrijstelling die ze willen verkrijgen, vervuld zijn of vervuld zullen worden; |
| 5 | 4° ze de toepassing vragen van artikel 2.8.6.0.3, artikel 2.8.6.0.8, artikel 2.8.6.0.9, artikel 2.9.4.2.10, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13, artikel 2.9.4.2.14, artikel 2.9.5.0.1, artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, artikel 2.9.6.0.2, artikel 2.9.6.0.7, artikel 2.10.4.0.1, tweede lid, artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 2°, of artikel 2.10.6.0.2; | 5 | 4° ze de toepassing vragen van artikel 2.8.6.0.3, artikel 2.8.6.0.8, artikel 2.8.6.0.9, artikel 2.9.4.2.10, artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, artikel 2.9.4.2.13, artikel 2.9.4.2.14, artikel 2.9.4.2.15, artikel 2.9.5.0.1, artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, artikel 2.9.6.0.2, artikel 2.9.6.0.7, artikel 2.10.4.0.1, tweede lid, artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 2°, of artikel 2.10.6.0.2; |
| 6 | 5° het geschonken onroerend goed een beschermd monument is en dat het voornemen bestaat toepassing te vragen van artikel 2.8.4.4.1. | 6 | 5° het geschonken onroerend goed een beschermd monument is en dat het voornemen bestaat toepassing te vragen van artikel 2.8.4.4.1. |
| 7 | § 2. Als partijen de toepassing vragen van het abattement, vermeld in artikel 2.10.3.0.2, maken ze ook melding van het aantal kinderen die recht geven op een verhoging van het bedrag, vermeld in dat artikel, met vermelding van hun naam, geboortedatum en afstammingsband. | 7 | § 2. Als partijen de toepassing vragen van het abattement, vermeld in artikel 2.10.3.0.2, maken ze ook melding van het aantal kinderen die recht geven op een verhoging van het bedrag, vermeld in dat artikel, met vermelding van hun naam, geboortedatum en afstammingsband. |
| 16 | 1° melding wordt gemaakt van het goedgekeurde beheersplan, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 2°, van dit decreet, met opgave van de referentie, alsook de datum van de goedkeuring van het beheersplan door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Als het beheersplan nog niet is opgemaakt en goedgekeurd op het moment van het verlijden van de authentieke akte van verkrijging, bestaat de verklaring in de melding dat er een beheersplan opgemaakt zal worden als vermeld in artikel 8.1.1 tot en met 8.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013; | 16 | 1° melding wordt gemaakt van het goedgekeurde beheersplan, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 2°, van dit decreet, met opgave van de referentie, alsook de datum van de goedkeuring van het beheersplan door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Als het beheersplan nog niet is opgemaakt en goedgekeurd op het moment van het verlijden van de authentieke akte van verkrijging, bestaat de verklaring in de melding dat er een beheersplan opgemaakt zal worden als vermeld in artikel 8.1.1 tot en met 8.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013; |
| 17 | 2° de partijen melding maken van hun kennis van artikel 10.5.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. | 17 | 2° de partijen melding maken van hun kennis van artikel 10.5.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. |
| 18 | Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 3, 1°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1: | 18 | Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, de toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 3, 1°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1: |
| 19 | 1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, verhinderen; | 19 | 1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, verhinderen; |
| 20 | 2° wordt gesteld dat de verkrijger de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging volledig en onder bezwarende titel zal vervreemden; | 20 | 2° wordt gesteld dat de verkrijger de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen twee jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging volledig en onder bezwarende titel zal vervreemden; |
| 21 | 3° wordt aangetoond door de verkrijger dat er een causaal verband bestaat tussen de vervreemding, vermeld in punt 2°, en de verkrijging tegen het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1. | 21 | 3° wordt aangetoond door de verkrijger dat er een causaal verband bestaat tussen de vervreemding, vermeld in punt 2°, en de verkrijging tegen het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid. |
| 22 | Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 3, 2°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1: | 22 | Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, de toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 3, 2°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1: |
| 23 | 1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, verhinderen; | 23 | 1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, verhinderen; |
| 24 | 2° wordt gesteld dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, worden onteigend. | 24 | 2° wordt gesteld dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, worden onteigend. |
| 25 | Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 1, derde lid, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1, wordt gesteld dat er in een periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de authentieke aankoopakte een inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister op het adres van het aangekochte goed is geweest. | ||
| 25 | Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 2, 1°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1: | 26 | Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 2, 1°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1: |
| 26 | 1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, verhinderen; | 27 | 1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, verhinderen; |
| 27 | 2° wordt gesteld dat de verkrijger de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging volledig en onder bezwarende titel zal vervreemden; | 28 | 2° wordt gesteld dat de verkrijger de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen twee jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging volledig en onder bezwarende titel zal vervreemden; |
| 28 | 3° wordt aangetoond door de verkrijger dat er een causaal verband bestaat tussen de vervreemding, vermeld in punt 2°, en de verkrijging tegen het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1. | 29 | 3° wordt aangetoond door de verkrijger dat er een causaal verband bestaat tussen de vervreemding, vermeld in punt 2°, en de verkrijging tegen het verlaagde tarief, vermeld in artikel artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid. |
| 29 | Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 2, 2°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1: | 30 | Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 2, 2°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1: |
| 30 | 1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, verhinderen; | 31 | 1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, verhinderen; |
| 31 | 2° wordt gesteld dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, worden onteigend. | 32 | 2° wordt gesteld dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, worden onteigend. |
| 32 | Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.14, § 5, 1°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1: | 33 | Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.14, § 5, 1°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1: |
| 33 | 1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, verhinderen; | 34 | 1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, verhinderen; |
| 34 | 2° wordt gesteld dat de verkrijger de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging volledig en onder bezwarende titel zal vervreemden; | 35 | 2° wordt gesteld dat de verkrijger de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen twee jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging volledig en onder bezwarende titel zal vervreemden; |
| 35 | 3° wordt aangetoond door de verkrijger dat er een causaal verband bestaat tussen de vervreemding, vermeld in punt 2°, en de verkrijging tegen het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1. | 36 | 3° wordt aangetoond door de verkrijger dat er een causaal verband bestaat tussen de vervreemding, vermeld in punt 2°, en de verkrijging tegen het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1. |
| 36 | Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.14, § 5, 2°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1: | 37 | Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.14, § 5, 2°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1: |
| 37 | 1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, verhinderen; | 38 | 1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, verhinderen; |
| 38 | 2° wordt gesteld dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, worden onteigend. | 39 | 2° wordt gesteld dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, worden onteigend. |
| 40 | Als de partijen de toepassing van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.15, § 1, van dit decreet, inroepen voor de aankoop van een onbebouwd onroerend goed, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu toegevoegd. | ||
| 39 | § 4. Voor de toepassing van de vermindering, vermeld in artikel 2.8.5.0.1, moeten in de akte van schenking de voornamen, de achternaam, de woonplaats, de geboorteplaats en de geboortedatum van de kinderen van de belastingplichtige vermeld worden. | 41 | § 4. Voor de toepassing van de vermindering, vermeld in artikel 2.8.5.0.1, moeten in de akte van schenking de voornamen, de achternaam, de woonplaats, de geboorteplaats en de geboortedatum van de kinderen van de belastingplichtige vermeld worden. |
| 40 | Als partijen de toepassing vragen van de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, bevat de akte of het geschrift, vermeld in paragraaf 1, ook het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting, geheven op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt die akte of dat geschrift het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de belastingen, geheven op die vorige aankoop. | 42 | Als partijen de toepassing vragen van de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, bevat de akte of het geschrift, vermeld in paragraaf 1, ook het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting, geheven op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt die akte of dat geschrift het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de belastingen, geheven op die vorige aankoop. |
| 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; | 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; |
| 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; | 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; |
| 21 | 16° voor het verbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 21 | 16° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 22 | 16°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 22 | 17° voor het meeverbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 23 | 17° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 24 | 17°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 23 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; | 25 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; |
| 24 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. | 26 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 27 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 28 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 29 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; | 32 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; |
| 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. | 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. |
| 32 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. | 34 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. |
| 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. | 35 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. |
| 51 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 53 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 52 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 54 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 53 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021, K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen . De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; | 55 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020 en K = 0,1 vanaf het heffingsjaar 2021 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen en voor wat betreft de heffing vanaf het heffingsjaar 2022, op voorwaarde dat het betreffend bedrijf voor de toepassing van het verlaagd tarief overeenkomstig het advies van OVAM voldoende wordt opgevolgd door de certificatie-instelling die instaat voor de certificatie van de geproduceerde granulaten. De opvolging door de certificatie-instelling houdt in dat aansluitend bij de certificatie van de granulaten via de kwaliteitscontrole van de inrichting wordt bewaakt dat de granulaten effectief worden opgeschoond en enkel de residu's die daarbij vrijkomen onder het verlaagd tarief worden afgevoerd. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; |
| 54 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 56 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 55 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 57 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 134 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. | 136 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. |
| 135 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. | 137 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. |
| 138 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. | ||
| 136 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. | 139 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. |
| 137 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. | 140 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1. |
| 138 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. | 141 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. |
| 139 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. | 142 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. |
| 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; | 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; |
| 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; | 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; |
| 21 | 16° voor het verbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 21 | 16° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 22 | 16°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 22 | 17° voor het meeverbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 23 | 17° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 24 | 17°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 23 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; | 25 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; |
| 24 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. | 26 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 27 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 28 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 29 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; | 32 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; |
| 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. | 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. |
| 32 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. | 34 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. |
| 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. | 35 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. |
| 51 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 53 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 52 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 54 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 53 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021, K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen . De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; | 55 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020 en K = 0,1 vanaf het heffingsjaar 2021 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen en voor wat betreft de heffing vanaf het heffingsjaar 2022, op voorwaarde dat het betreffend bedrijf voor de toepassing van het verlaagd tarief overeenkomstig het advies van OVAM voldoende wordt opgevolgd door de certificatie-instelling die instaat voor de certificatie van de geproduceerde granulaten. De opvolging door de certificatie-instelling houdt in dat aansluitend bij de certificatie van de granulaten via de kwaliteitscontrole van de inrichting wordt bewaakt dat de granulaten effectief worden opgeschoond en enkel de residu's die daarbij vrijkomen onder het verlaagd tarief worden afgevoerd. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; |
| 54 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 56 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 55 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 57 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 134 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. | 136 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. |
| 135 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. | 137 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. |
| 138 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. | ||
| 136 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. | 139 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. |
| 137 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. | 140 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1. |
| 138 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. | 141 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. |
| 139 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. | 142 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. |
| 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; | 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; |
| 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; | 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; |
| 21 | 16° voor het verbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 21 | 16° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 22 | 16°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 22 | 17° voor het meeverbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 23 | 17° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 24 | 17°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 23 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; | 25 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; |
| 24 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. | 26 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 27 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 28 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 29 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; | 32 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; |
| 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. | 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. |
| 32 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. | 34 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. |
| 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. | 35 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. |
| 51 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 53 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 52 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 54 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 53 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021, K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen . De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; | 55 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020 en K = 0,1 vanaf het heffingsjaar 2021 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen en voor wat betreft de heffing vanaf het heffingsjaar 2022, op voorwaarde dat het betreffend bedrijf voor de toepassing van het verlaagd tarief overeenkomstig het advies van OVAM voldoende wordt opgevolgd door de certificatie-instelling die instaat voor de certificatie van de geproduceerde granulaten. De opvolging door de certificatie-instelling houdt in dat aansluitend bij de certificatie van de granulaten via de kwaliteitscontrole van de inrichting wordt bewaakt dat de granulaten effectief worden opgeschoond en enkel de residu's die daarbij vrijkomen onder het verlaagd tarief worden afgevoerd. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; |
| 54 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 56 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 55 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 57 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 134 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. | 136 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. |
| 135 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. | 137 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. |
| 138 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. | ||
| 136 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. | 139 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. |
| 137 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. | 140 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1. |
| 138 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. | 141 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. |
| 139 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. | 142 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. |
| 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; | 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; |
| 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; | 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; |
| 21 | 16° voor het verbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 21 | 16° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 22 | 16°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 22 | 17° voor het meeverbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 23 | 17° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 24 | 17°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 23 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; | 25 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; |
| 24 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. | 26 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 27 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 28 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 29 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; | 32 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; |
| 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. | 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. |
| 32 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. | 34 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. |
| 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. | 35 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. |
| 51 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 53 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 52 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 54 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 53 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021, K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen . De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; | 55 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020 en K = 0,1 vanaf het heffingsjaar 2021 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen en voor wat betreft de heffing vanaf het heffingsjaar 2022, op voorwaarde dat het betreffend bedrijf voor de toepassing van het verlaagd tarief overeenkomstig het advies van OVAM voldoende wordt opgevolgd door de certificatie-instelling die instaat voor de certificatie van de geproduceerde granulaten. De opvolging door de certificatie-instelling houdt in dat aansluitend bij de certificatie van de granulaten via de kwaliteitscontrole van de inrichting wordt bewaakt dat de granulaten effectief worden opgeschoond en enkel de residu's die daarbij vrijkomen onder het verlaagd tarief worden afgevoerd. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; |
| 54 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 56 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 55 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 57 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 134 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. | 136 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. |
| 135 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. | 137 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. |
| 138 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. | ||
| 136 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. | 139 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. |
| 137 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. | 140 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1. |
| 138 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. | 141 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. |
| 139 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. | 142 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. |
| 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; | 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; |
| 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; | 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; |
| 21 | 16° voor het verbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 21 | 16° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 22 | 16°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 22 | 17° voor het meeverbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 23 | 17° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 24 | 17°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 23 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; | 25 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; |
| 24 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. | 26 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 27 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 28 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 29 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; | 32 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; |
| 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. | 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. |
| 32 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. | 34 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. |
| 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. | 35 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. |
| 51 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 53 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 52 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 54 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 53 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021, K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen . De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; | 55 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020 en K = 0,1 vanaf het heffingsjaar 2021 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen en voor wat betreft de heffing vanaf het heffingsjaar 2022, op voorwaarde dat het betreffend bedrijf voor de toepassing van het verlaagd tarief overeenkomstig het advies van OVAM voldoende wordt opgevolgd door de certificatie-instelling die instaat voor de certificatie van de geproduceerde granulaten. De opvolging door de certificatie-instelling houdt in dat aansluitend bij de certificatie van de granulaten via de kwaliteitscontrole van de inrichting wordt bewaakt dat de granulaten effectief worden opgeschoond en enkel de residu's die daarbij vrijkomen onder het verlaagd tarief worden afgevoerd. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; |
| 54 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 56 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 55 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 57 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 134 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. | 136 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. |
| 135 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. | 137 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. |
| 138 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. | ||
| 136 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. | 139 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. |
| 137 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. | 140 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1. |
| 138 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. | 141 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. |
| 139 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. | 142 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. |
| 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; | 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; |
| 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; | 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; |
| 21 | 16° voor het verbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 21 | 16° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 22 | 16°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 22 | 17° voor het meeverbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 23 | 17° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 24 | 17°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 23 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; | 25 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; |
| 24 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. | 26 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 27 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 28 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 29 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; | 32 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; |
| 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. | 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. |
| 32 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. | 34 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. |
| 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. | 35 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. |
| 51 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 53 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 52 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 54 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 53 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021, K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen . De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; | 55 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020 en K = 0,1 vanaf het heffingsjaar 2021 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen en voor wat betreft de heffing vanaf het heffingsjaar 2022, op voorwaarde dat het betreffend bedrijf voor de toepassing van het verlaagd tarief overeenkomstig het advies van OVAM voldoende wordt opgevolgd door de certificatie-instelling die instaat voor de certificatie van de geproduceerde granulaten. De opvolging door de certificatie-instelling houdt in dat aansluitend bij de certificatie van de granulaten via de kwaliteitscontrole van de inrichting wordt bewaakt dat de granulaten effectief worden opgeschoond en enkel de residu's die daarbij vrijkomen onder het verlaagd tarief worden afgevoerd. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; |
| 54 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 56 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 55 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 57 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 134 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. | 136 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. |
| 135 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. | 137 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. |
| 138 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. | ||
| 136 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. | 139 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. |
| 137 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. | 140 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1. |
| 138 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. | 141 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. |
| 139 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. | 142 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. |
| 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; | 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; |
| 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; | 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; |
| 21 | 16° voor het verbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 21 | 16° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 22 | 16°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 22 | 17° voor het meeverbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 23 | 17° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 24 | 17°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 23 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; | 25 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; |
| 24 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. | 26 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 27 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 28 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 29 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; | 32 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; |
| 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. | 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. |
| 32 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. | 34 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. |
| 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. | 35 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. |
| 51 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 53 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 52 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 54 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 53 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021, K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen . De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; | 55 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020 en K = 0,1 vanaf het heffingsjaar 2021 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen en voor wat betreft de heffing vanaf het heffingsjaar 2022, op voorwaarde dat het betreffend bedrijf voor de toepassing van het verlaagd tarief overeenkomstig het advies van OVAM voldoende wordt opgevolgd door de certificatie-instelling die instaat voor de certificatie van de geproduceerde granulaten. De opvolging door de certificatie-instelling houdt in dat aansluitend bij de certificatie van de granulaten via de kwaliteitscontrole van de inrichting wordt bewaakt dat de granulaten effectief worden opgeschoond en enkel de residu's die daarbij vrijkomen onder het verlaagd tarief worden afgevoerd. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; |
| 54 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 56 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 55 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 57 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 134 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. | 136 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. |
| 135 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. | 137 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. |
| 138 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. | ||
| 136 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. | 139 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. |
| 137 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. | 140 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1. |
| 138 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. | 141 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. |
| 139 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. | 142 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. |
| 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; | 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; |
| 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; | 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; |
| 21 | 16° voor het verbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 21 | 16° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 22 | 16°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 22 | 17° voor het meeverbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 23 | 17° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 24 | 17°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 23 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; | 25 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; |
| 24 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. | 26 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 27 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 28 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 29 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; | 32 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; |
| 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. | 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. |
| 32 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. | 34 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. |
| 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. | 35 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. |
| 51 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 53 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 52 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 54 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 53 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021, K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen . De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; | 55 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020 en K = 0,1 vanaf het heffingsjaar 2021 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen en voor wat betreft de heffing vanaf het heffingsjaar 2022, op voorwaarde dat het betreffend bedrijf voor de toepassing van het verlaagd tarief overeenkomstig het advies van OVAM voldoende wordt opgevolgd door de certificatie-instelling die instaat voor de certificatie van de geproduceerde granulaten. De opvolging door de certificatie-instelling houdt in dat aansluitend bij de certificatie van de granulaten via de kwaliteitscontrole van de inrichting wordt bewaakt dat de granulaten effectief worden opgeschoond en enkel de residu's die daarbij vrijkomen onder het verlaagd tarief worden afgevoerd. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; |
| 54 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 56 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 55 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 57 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 134 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. | 136 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. |
| 135 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. | 137 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. |
| 138 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. | ||
| 136 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. | 139 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. |
| 137 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. | 140 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1. |
| 138 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. | 141 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. |
| 139 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. | 142 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. |
| 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; | 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; |
| 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; | 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; |
| 21 | 16° voor het verbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 21 | 16° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 22 | 16°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 22 | 17° voor het meeverbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 23 | 17° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 24 | 17°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 23 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; | 25 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; |
| 24 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. | 26 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 27 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 28 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 29 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; | 32 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; |
| 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. | 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. |
| 32 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. | 34 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. |
| 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. | 35 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. |
| 51 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 53 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 52 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 54 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 53 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021, K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen . De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; | 55 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020 en K = 0,1 vanaf het heffingsjaar 2021 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen en voor wat betreft de heffing vanaf het heffingsjaar 2022, op voorwaarde dat het betreffend bedrijf voor de toepassing van het verlaagd tarief overeenkomstig het advies van OVAM voldoende wordt opgevolgd door de certificatie-instelling die instaat voor de certificatie van de geproduceerde granulaten. De opvolging door de certificatie-instelling houdt in dat aansluitend bij de certificatie van de granulaten via de kwaliteitscontrole van de inrichting wordt bewaakt dat de granulaten effectief worden opgeschoond en enkel de residu's die daarbij vrijkomen onder het verlaagd tarief worden afgevoerd. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; |
| 54 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 56 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 55 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 57 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 134 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. | 136 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. |
| 135 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. | 137 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. |
| 138 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. | ||
| 136 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. | 139 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. |
| 137 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. | 140 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1. |
| 138 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. | 141 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. |
| 139 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. | 142 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. |
| 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; | 19 | 14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton; |
| 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; | 20 | 15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton; |
| 21 | 16° voor het verbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 21 | 16° voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 22 | 16°/1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 22 | 17° voor het meeverbranden van afvalstoffenin een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; | 23 | 17° voor het meeverbranden van huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; |
| 24 | 17°/1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022; | ||
| 23 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; | 25 | 18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing; |
| 24 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. | 26 | 19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 27 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 28 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 29 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; | 32 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; |
| 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°en 17° , geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. | 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. |
| 32 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. | 34 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. |
| 33 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. | 35 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°. |
| 51 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 53 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 52 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 54 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 53 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021, K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen . De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; | 55 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020 en K = 0,1 vanaf het heffingsjaar 2021 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen en voor wat betreft de heffing vanaf het heffingsjaar 2022, op voorwaarde dat het betreffend bedrijf voor de toepassing van het verlaagd tarief overeenkomstig het advies van OVAM voldoende wordt opgevolgd door de certificatie-instelling die instaat voor de certificatie van de geproduceerde granulaten. De opvolging door de certificatie-instelling houdt in dat aansluitend bij de certificatie van de granulaten via de kwaliteitscontrole van de inrichting wordt bewaakt dat de granulaten effectief worden opgeschoond en enkel de residu's die daarbij vrijkomen onder het verlaagd tarief worden afgevoerd. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; |
| 54 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 56 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 55 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 57 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 134 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. | 136 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006. |
| 135 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. | 137 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996. |
| 138 | In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996. | ||
| 136 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. | 139 | § 6. De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. |
| 137 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. | 140 | De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5. Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1. |
| 138 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. | 141 | § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd. |
| 139 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°en 17° , en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. | 142 | § 8. Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16°, 16° /1, 17° en 17° /1, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd. |
| 15 | 13° onderwijsinstelling : een pedagogisch geheel waar onderwijs georganiseerd wordt en waaraan een uniek instellingsnummer toegekend is; | 15 | 13° onderwijsinstelling : een pedagogisch geheel waar onderwijs georganiseerd wordt en waaraan een uniek instellingsnummer toegekend is; |
| 16 | 14° onderwijskoepels : een van volgende representatieve groeperingen van inrichtende machten van gesubsidieerde instellingen : | 16 | 14° onderwijskoepels : een van volgende representatieve groeperingen van inrichtende machten van gesubsidieerde instellingen : |
| 17 | a) Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap; | 17 | a) Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten; |
| 18 | b) Provinciaal Onderwijs Vlaanderen; | 18 | b) Provinciaal Onderwijs Vlaanderen; |
| 19 | c) Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs ; | 19 | c) Katholiek Onderwijs Vlaanderen; |
| 20 | d) Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodescholen; | 20 | d) Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodescholen; |
| 21 | e) Vlaams Onderwijs Overlegplatform; | 21 | e) Vlaams Onderwijs Overlegplatform; |
| 22 | f) Federatie van Steinerscholen in Vlaanderen; | 22 | f) Federatie Steinerscholen; |
| 23 | g) Raad van Inrichtende Machten van het Protestants-Christelijk onderwijs VZW; | 23 | g) Raad van Inrichtende Machten van het Protestants-Christelijk Onderwijs (IPCO); |
| 24 | 15° organieke betrekkingen : het geheel van organieke betrekkingen, omgerekend in voltijdse eenheden, waarop de instelling recht heeft bij toepassing van de bestaande reglementering voor de personeelscategorieën, vermeld in : | 24 | 15° organieke betrekkingen : het geheel van organieke betrekkingen, omgerekend in voltijdse eenheden, waarop de instelling recht heeft bij toepassing van de bestaande reglementering voor de personeelscategorieën, vermeld in : |
| 25 | a) artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst en het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; | 25 | a) artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst en het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; |
| 26 | b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; | 26 | b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding; |
| 27 | 16° pedagogische begeleiding : de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen en CLB's in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs en kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding ; | 27 | 16° pedagogische begeleiding : de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen en CLB's in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs en kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie; |
| 28 | 16°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingen uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling; | 28 | 16°/1 referentiekader onderwijskwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvol onderwijs door onderwijsinstellingen uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van de onderwijsinstelling; |
| 29 | 16°/2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB; | 29 | 16°/2 referentiekader CLB-kwaliteit : het kader dat de verwachtingen voor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding door de CLB's uitzet; het kader is opgebouwd rond de vier rubrieken : resultaten en effecten, ontwikkeling stimuleren, kwaliteitsontwikkeling en beleid en het houdt rekening met context en input van het CLB; |
| 2 | Per onderwijskoepel kan één pedagogische begeleidingsdienst in de toelageregeling worden opgenomen. | 2 | Per onderwijskoepel kan één pedagogische begeleidingsdienst in de toelageregeling worden opgenomen. |
| 3 | § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 33, § 1, 6°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs wordt in het gemeenschapsonderwijs door de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, op voorstel van de afgevaardigd bestuurder, een pedagogische begeleidingsdienst opgericht. | 3 | § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 33, § 1, 6°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs wordt in het gemeenschapsonderwijs door de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, op voorstel van de afgevaardigd bestuurder, een pedagogische begeleidingsdienst opgericht. |
| 4 | § 3. Instellingen die geen deel uitmaken van een onderwijskoepel of van het gemeenschapsonderwijs, kunnen zich voor de taken beschreven in artikel 15, met uitzondering van artikel 15, § 1, 1°, contractueel laten begeleiden door één pedagogische begeleidingsdienst. | 4 | § 3. Instellingen die geen deel uitmaken van een onderwijskoepel of van het gemeenschapsonderwijs, kunnen zich voor de taken beschreven in artikel 15 contractueel laten begeleiden door één pedagogische begeleidingsdienst. |
| 5 | Gesubsidieerde instellingen die wel deel uitmaken van een onderwijskoepel kunnen zich voor de taken beschreven in artikel 15, met uitzondering van artikel 15, § 1, 1°, contractueel laten begeleiden door één andere pedagogische begeleidingsdienst dan deze georganiseerd door de eigen onderwijskoepel. | 5 | Gesubsidieerde instellingen die wel deel uitmaken van een onderwijskoepel kunnen zich voor de taken beschreven in artikel 15 contractueel laten begeleiden door één andere pedagogische begeleidingsdienst dan deze georganiseerd door de eigen onderwijskoepel. |
| 1 | § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten hebben de volgende opdrachten : | ||
| 1 | § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten begeleiden de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie en hun personeelsleden in het verstrekken van kwaliteitsonderwijs en kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding, zoals bepaald in artikel 4, § 2. | ||
| 2 | Dit houdt in dat de pedagogische begeleidingsdiensten de volgende doelstellingen realiseren met de begeleiding die ze opzetten, waarbij ze vertrekken vanuit het pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project van de onderwijsinstelling in kwestie of van de eigen missie en het eigen begeleidingsproject van het CLB in kwestie en ze steeds rekening houden met de noden en de vragen van de onder- wijsinstelling of het CLB in kwestie: | ||
| 3 | 1° het versterken van de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden van onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, in rechtstreeks contact, met aandacht voor het versterken van hun pedagogische en didactische handelen en met het oog op de ontwikkeling van alle lerenden; | ||
| 4 | 2° het versterken van de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie als professionele lerende organisatie. De pedagogische begeleidingsdiensten geven hierbij voorrang aan de onderwijsinstellingen of CLB's waar zich de grootste noden op deze vlakken situeren. Om deze onderwijsinstellingen of CLB's te identificeren kunnen de pedagogische begeleidingsdiensten gebruikmaken van verschillende bronnen zoals de gegevens van de pedagogische begeleidingsdienst zelf, de gegevens van de onderwijsinstelling of het CLB in kwestie, de gegevens uit doorlichtingstrajecten uitgevoerd door de onderwijsinspectie van de onderwijsinstelling of het CLB in kwestie, de gegevens die aan de basis liggen van het profiel van de onderwijsinstelling of het CLB zoals bepaald in artikel 38, § 4, of andere resultaten of gegevens die wijzen op een lage kwaliteit van onderwijs of leerlingenbegeleiding; | ||
| 2 | 1° de onderwijsinstellingen in kwestie ondersteunen bij de realisatie van hun eigen pedagogischof agogisch project en de CLB's in kwestie ondersteunen bij de realisatie van hun eigen missie en hun eigen begeleidingsproject; | 5 | 3° het ondersteunen van de onderwijsinstellingen in kwestie bij de realisatie van hun eigen pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project en het ondersteunen van de CLB's in kwestie bij de realisatie van hun eigen missie en hun eigen begeleidingsproject; |
| 3 | 2° de onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie ondersteunen bij het bevorderen van hun onderwijskwaliteit, respectievelijk de kwaliteit van hun leerlingenbegeleiding en bij hun ontwikkeling tot professionele lerende organisatie door : | ||
| 4 | a) netwerkvorming te bevorderen en netwerken te ondersteunen; | ||
| 5 | b) leidinggevenden te ondersteunen of te vormen; | ||
| 6 | c) de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden te ondersteunen binnen een school of centrum en instellingsoverstijgend met bijzondere aandacht voor beginnende personeelsleden, personeelsleden met specifieke opdrachten. Daarnaast dient prioritair aandacht besteed te worden aan de competenties in het kader van het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften; | ||
| 7 | d) het beleidsvoerend vermogen van instellingen te versterken; | ||
| 8 | e) de kwaliteitszorg van instellingen te ondersteunen; | ||
| 9 | 3° op verzoek van het bestuur van de instelling de instelling ondersteunen en begeleiden bij de uitwerking van de aangegeven actiepunten na een doorlichting; | ||
| 10 | 4° onderwijsinnovaties aanreiken, stimuleren en ondersteunen; | ||
| 11 | 5° aanbodgerichte nascholingsactiviteiten aanreiken en aansturen met inbegrip van de nascholing van directies; | ||
| 12 | 6° met verscheidene onderwijsactoren op verschillende niveaus overleggen over onderwijskwaliteit en de kwaliteit van de leerlingenbegeleiding; | ||
| 13 | 7° participeren aan de aansturing of opvolging van ondersteuningsinitiatieven georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Regering die als doelstelling het ondersteunen van instellingen, leerkrachten of begeleiders hebben. | ||
| 14 | § 2. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt driejaarlijks een begeleidingsplan op voor de volgende drie schooljaren. De pedagogische begeleidingsdienst deelt dat begeleidingsplan mee aan de instellingen en aan de Vlaamse Regering. | ||
| 6 | 4° het begeleiden van de implementatie van bepaalde beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering bij de onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, zoals bepaald in artikel 19/2. | ||
| 7 | De nadruk van de begeleiding van de pedagogische begeleidingsdiensten ligt steeds op de ontwikkeling van onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie. Hiervoor is een duurzame relatie met de betrokken instellingen noodzakelijk. | ||
| 8 | § 2. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt vijfjaarlijks een begeleidingsplan op voor de volgende vijf schooljaren. Zij dient dit uiterlijk in bij de bevoegde dienst op 1 april voorafgaand aan de start van het eerste schooljaar van de periode van in totaal vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft. In afwijking hiervan dient iedere pedagogische begeleidingsdienst uiterlijk op 30 september 2022 een begeleidingsplan in bij de bevoegde dienst voor een periode van drie schooljaren die betrekking heeft op de schooljaren 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025. | ||
| 9 | De Vlaamse Regering keurt de begeleidingsplannen goed op basis van de volgende criteria: | ||
| 10 | 1° de uitwerking en de volledigheid van het begeleidingsplan. Daarvoor bevat elk begeleidingsplan een beschrijving van ten minste de volgende elementen en een globale motivering bij de gemaakte keuzes: | ||
| 11 | a) een visie op begeleiding en een duurzame vertaling van deze visie in de begeleidingspraktijk; | ||
| 12 | b) een vertaling van de doelstellingen, vermeld in artikel 15, § 1, 1° tot en met 4°, naar operationele doelstellingen, inclusief het vooropgestelde tijdspad en de geraamde inzet van personeel en werkingsmiddelen; | ||
| 13 | c) de beoogde doelgroepen; | ||
| 14 | d) de wijze waarop de instellingen met de grootste noden, vermeld in artikel 15, § 1, 2°, van het decreet, worden geïdentificeerd en begeleid; | ||
| 15 | e) de wijze waarop rechtstreekse contacten met de beoogde doelgroepen gerealiseerd worden met het oog op de realisatie van een duurzame instellingsnabije relatie als vermeld in paragraaf 1, laatste lid; | ||
| 16 | f) het verwachte bereik van de begeleidingsactiviteiten en de wijze waarop de effectiviteit van deze activiteiten in kaart zal worden gebracht; | ||
| 17 | 2° de ontwikkeling van de pedagogische begeleidingsdienst als organisatie. Daarvoor bevat elk begeleidingsplan een beschrijving van ten minste de volgende elementen en een globale motivering bij de gemaakte keuzes: | ||
| 18 | a) het personeels- en professionaliseringsbeleid; | ||
| 19 | b) het interne kwaliteitszorgbeleid; | ||
| 20 | c) de wijze waarop doelgerichte samenwerking met de andere pedagogische begeleidingsdiensten of permanente ondersteuningscellen wordt gekozen; | ||
| 21 | d) de wijze waarop doelgerichte samenwerking met andere actoren betrokken bij de kwaliteit van onderwijs en leerlingenbegeleiding wordt gekozen; | ||
| 22 | e) de wijze waarop de wetenschappelijke onderbouwing van de begeleiding vorm krijgt; | ||
| 23 | f) de wijze waarop wordt omgegaan met onverwachte of nieuwe vragen en uitdagingen. | ||
| 24 | De Vlaamse Regering bepaalt een sjabloon waarin de begeleidingsplannen worden opgesteld en de verdere procedure voor de goedkeuring van de begeleidingsplannen. De pedagogische begeleidingsdiensten delen de goedgekeurde begeleidingsplannen mee aan de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie. | ||
| 15 | Jaarlijks rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar. De stukken ter verantwoording van de ontvangen werkingsmiddelen moeten op de zetel van de pedagogische begeleidingsdiensten worden bewaard, waar ze voor controle ter beschikking zijn van de bevoegde diensten. | 25 | Jaarlijks rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar. Na de periode van vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft, rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten in hun jaarlijkse rapport over de activiteiten van de ganse periode van vijf schooljaren. De stukken ter verantwoording van de ingezette middelen worden op de zetel van de pedagogische begeleidingsdiensten bewaard, waar ze voor controle ter beschikking zijn van de bevoegde diensten. |
| 26 | De Vlaamse Regering bepaalt welke elementen minimaal in de jaarlijkse rapporten worden opgenomen en bepaalt de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten. | ||
| 16 | § 3. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt een werkingscode op en maakt die bekend bij de instellingen en hun personeelsleden. | 27 | § 3. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt een werkingscode op en maakt die bekend bij de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie en hun personeelsleden. |
| 17 | § 4. Elke pedagogische begeleidingsdienst onderzoekt en bewaakt op systematische wijze haar eigen kwaliteit . De pedagogische begeleidingsdienst kiest zelf de wijze waarop zij dit doet. | 28 | § 4. Elke pedagogische begeleidingsdienst onderzoekt en bewaakt op systematische wijze de kwaliteit van de geboden begeleiding. De pedagogische begeleidingsdienst kiest zelf de wijze waarop zij dit doet, waarbij ze er rekening mee houdt dat een kwaliteitsvolle begeleiding minimaal inhoudt dat de pedagogische begeleidingsdiensten: |
| 29 | 1° zowel inhoudelijk als agogisch werken op een wetenschappelijk onderbouwde wijze en functioneren als professionele organisaties; | ||
| 30 | 2° deelnemen aan overleg met de Vlaamse overheid en andere actoren over de kwaliteit van onderwijs en leerlingenbegeleiding; | ||
| 31 | 3° doelgericht samenwerken, zowel onderling als met andere relevante actoren zoals de lerarenopleidingen, de instellingen hoger onderwijs en de onderwijsinspectie. Doelgericht betekent met het oog op het versterken van de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de begeleiding en kan voor de pedagogische begeleidingsdienst betekenen dat zij een makelaarsrol opneemt. In dit artikel wordt verstaan onder makelaarsrol, de rol die de pedagogische begeleidingsdiensten hebben om de onderwijsinstellingen of de CLB's in kwestie gericht te adviseren over het aanbod van een andere organisatie die expertise kan binnenbrengen die niet bij de pedagogische begeleidingsdiensten zelf aanwezig is. In dat geval voeren de pedagogische begeleidingsdiensten de begeleiding niet zelf uit, maar blijven ze wel de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie verder opvolgen. |
| 1 | § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten kunnen beschikken over een aantal personeelsleden uit de instellingen aan wie een verlof wegens bijzondere opdracht, zoals vermeld in artikel 51quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, is toegekend. | 1 | § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten kunnen beschikken over een aantal personeelsleden uit de instellingen aan wie een verlof wegens bijzondere opdracht, zoals vermeld in artikel 51quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, is toegekend. |
| 2 | Dat verlof wegens bijzondere opdracht kan worden uitgeoefend in 150,5 voltijdse betrekkingen. | ||
| 2 | Dat verlof wegens bijzondere opdracht kan voor schooljaar 2021-2022 worden uitgeoefend in 150,5 voltijdse betrekkingen. Voor schooljaar 2022-2023 kan het verlof wegens bijzondere opdracht worden uitgeoefend in 106 voltijdse betrekkingen. Vanaf schooljaar 2023-2024 kunnen er 53,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht worden uitgeoefend. | ||
| 3 | § 2. De betrekkingen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aandeel in de organieke betrekkingen in de instellingen die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdiensten. Voor de verdeling van de verloven, vermeld in § 1, worden de organieke betrekkingen van de instellingen die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdiensten die niet beschikken over een personeelsformatie, samengeteld. | 3 | § 2. De pedagogische begeleidingsdiensten die niet beschikken over een personeelsformatie hebben samen elk schooljaar recht op 1,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht. De overige betrekkingen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten met personeelsformatie naar rato van het aandeel in de organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen die verbonden zijn aan die pedagogische begeleidingsdiensten. |
| 1 | Voor het begeleiden van de implementatie van bepaalde beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering, zoals bepaald in artikel 15, § 1, eerste lid, 4°, ontvangen de pedagogische begeleidingsdiensten: | ||
| 2 | 1° in het begrotingsjaar 2022 5.000.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen; | ||
| 3 | 2° in het begrotingsjaar 2023 6.500.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen; | ||
| 4 | 3° vanaf het begrotingsjaar 2024 8.000.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen. | ||
| 5 | De aanvullende werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over alle pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst. De Vlaamse Regering bepaalt de beleidsprioriteiten waarvoor de middelen aangewend worden en de verdeling van de middelen over deze beleids prioriteiten. | ||
| 6 | De aanvullende werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, kunnen aangewend worden voor salarissen en werkingskosten. De uitgaven voor de salarissen bedragen minimaal 80 procent van de jaarlijkse middelen. De aanvullende werkingsmiddelen worden vanaf begrotingsjaar 2025 geïndexeerd. 80% van het bedrag volgt de evolutie van de gezondheidsindex en 20% van het bedrag volgt 75% van de gezondheidsindex. | ||
| 7 | De indexering is gebaseerd op de toename van de gezondheidsindex in de maand januari van het begrotingsjaar x-1 ten opzichte van de gezondheidsindex in de maand januari van het begrotingsjaar x-2. |
| 1 | De werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, worden uitbetaald in twee schijven: | ||
| 1 | De werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, worden uitbetaald in twee schijven. Een eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar, een tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar. | 2 | 1° een eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar; |
| 3 | 2° een tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar. | ||
| 2 | Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal 25 % van de jaarlijkse middelen. | 4 | Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal twintig procent van de jaarlijkse middelen. |
| 1 | De pedagogische begeleidingsdiensten wenden de werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, uitsluitend aan voor de begeleiding van de onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, en dit overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen. Indien uit de jaarlijkse rapporten, vermeld in artikel 15, § 2, blijkt, met toepassing van de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten, dat deze middelen niet worden aangewend voor de begeleiding overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen, dan kan een gedeeltelijke terugbetaling van het werkingsbudget worden opgelegd. Deze terugbetaling kan maximaal tien procent van het werkingsbudget bedragen en wordt in mindering gebracht van de werkingsmiddelen van het daarop volgende werkingsjaar. | ||
| 1 | Werkingsmiddelen die niet tijdig aangewend worden, moeten onmiddellijk worden terugbetaald. | 2 | Werkingsmiddelen die niet tijdig aangewend worden, moeten onmiddellijk worden terugbetaald. |
| 2 | Bij afwending van de middelen kan de Vlaamse Regering een administratieve geldboete opleggen van ten hoogste het vijfvoud van de afgewende werkingsmiddelen. De geldboete kan in mindering worden gebracht van de nog aan het bestuur verschuldigde middelen, met inbegrip van andere werkingsmiddelen of -toelagen. | 3 | Bij afwending van de middelen kan de Vlaamse Regering een administratieve geldboete opleggen van ten hoogste het vijfvoud van de afgewende werkingsmiddelen. De geldboete kan in mindering worden gebracht van de nog aan het bestuur verschuldigde middelen, met inbegrip van andere werkingsmiddelen of -toelagen. |
| 1 | § 1. De permanente ondersteuningscellen vermeld in artikel 15 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, hebben als opdracht om de professionalisering van de personeelsleden van de CLB's te versterken. Zij maken hierover afspraken met de pedagogische begeleidingsdienst van het eigen centrumnet. | 1 | § 1. De bepalingen van artikel 15, §§ 2, 3 en 4, zijn van toepassing op de permanente ondersteuningscellen in de CLB's, vermeld in artikel 15 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. Zij maken hierover afspraken met de pedagogische begeleidingsdienst van het betrokken centrumnet. |
| 2 | § 2. Iedere permanente ondersteuningscel stelt driejaarlijks een begeleidingsplan op voor de volgende drie schooljaren. De permanente ondersteuningscel deelt dat begeleidingsplan mee aan de CLB's en aan de Vlaamse Regering. | ||
| 3 | Jaarlijks rapporteren de permanente ondersteuningscellen aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar, met inbegrip van een financiële verantwoording over de ontvangen werkingsmiddelen. | ||
| 4 | § 3. Iedere permanente ondersteuningscel stelt een werkingscode op en maakt die bekend bij de CLB's en hun personeelsleden. | ||
| 5 | § 4. Iedere permanente ondersteuningscel onderzoekt en bewaakt op systematische wijze haar eigen kwaliteit. De permanente ondersteuningscel kiest zelf de wijze waarop zij dit doet. | ||
| 2 | § 2. ... | ||
| 3 | § 3. ... | ||
| 4 | § 4.... | ||
| 6 | § 5. Het begeleidingsplan, de jaarlijkse rapportering en de werkingscode kunnen geïntegreerd worden in de documenten vermeld in artikel 15, § 2 en § 3. | 5 | § 5. Het begeleidingsplan, de jaarlijkse rapportering en de werkingscode van de pedagogische begeleidingsdiensten en de permanente ondersteuningscellen kunnen geïntegreerd worden. |
| 1 | § 1. De Vlaamse Gemeenschap draagt jaarlijks bij in de financiering van de werking van de Vlaamse autonome hogeschool Hogere Zeevaartschool. | 1 | § 1. De Vlaamse Gemeenschap draagt jaarlijks bij in de financiering van de werking van de Vlaamse autonome hogeschool Hogere Zeevaartschool. |
| 2 | De werkingsuitkering draagt bij in de dekking van de gewone uitgaven voor onderwijs, onderzoek, maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening, de financiering van investeringen, de afbetaling van leningen en voor de administratie van de instelling, met inbegrip van de roerende uitrustingen. | 2 | De werkingsuitkering draagt bij in de dekking van de gewone uitgaven voor onderwijs, onderzoek, maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening, de financiering van investeringen, de afbetaling van leningen en voor de administratie van de instelling, met inbegrip van de roerende uitrustingen. |
| 3 | § 2. Het bedrag van de werkingsuitkering bestemd voor de Hogere Zeevaartschool wordt vastgesteld op 4.279.000,00 euro (prijsniveau 2010). Dit bedrag is samengesteld uit : | 3 | § 2. Het bedrag van de werkingsuitkering bestemd voor de Hogere Zeevaartschool wordt vastgesteld op 5.375.631,00 euro (prijsniveau 2021). Dit bedrag is samengesteld uit : |
| 4 | 1° een onderwijssokkel van 200.000,00 euro; | 4 | 1° een onderwijssokkel van 2.000.000,00 euro; |
| 5 | 2° een variabel onderwijsdeel van 4.079.000,00 euro. | 5 | 2° een variabel onderwijsdeel van 3.375.631,00 euro. |
| 6 | Het bedrag, bestemd voor de uitbetaling van de verhoging van het vakantiegeld ter uitvoering van CAO II hoger onderwijs, wordt toegevoegd aan het bedrag van de werkingsuitkering. | 6 | Het bedrag, bestemd voor de uitbetaling van de verhoging van het vakantiegeld ter uitvoering van CAO II hoger onderwijs, wordt toegevoegd aan het bedrag van de werkingsuitkering. |
| 7 | § 3. De bedragen vermeld in § 2 van dit artikel worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, § 9, van de Codex Hoger Onderwijs. | 7 | § 3. De bedragen vermeld in § 2 van dit artikel worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, § 9, van de Codex Hoger Onderwijs. |
| 1 | De Vlaamse Regering kan hetzij op eigen initiatief hetzij op voordracht van "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten experimenteel nieuwe leergebieden voor de basiseducatie of nieuwe studiegebieden voor het secundair volwassenenonderwijs erkennen. | 1 | De Vlaamse Regering kan hetzij op eigen initiatief hetzij op voordracht van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten experimenteel nieuwe leergebieden voor de basiseducatie of nieuwe studiegebieden voor het secundair volwassenenonderwijs erkennen. |
| 2 | Voor een experimenteel nieuw leergebied voor de basiseducatie kent de Vlaamse Regering een deler toe als vermeld in artikel 85, § 2. Voor een experimenteel nieuw studiegebied voor het secundair volwassenenonderwijs kent de Vlaamse Regering een deler toe als vermeld in artikel 98, § 1. | 2 | Voor een experimenteel nieuw leergebied voor de basiseducatie kent de Vlaamse Regering een deler toe als vermeld in artikel 85, § 2. Voor een experimenteel nieuw studiegebied voor het secundair volwassenenonderwijs kent de Vlaamse Regering een deler toe als vermeld in artikel 98, § 1. |
| 3 | De experimenteel erkende leergebieden of studiegebieden worden uiterlijk na vijfjaar door het Vlaams Parlement aan de leergebieden en studiegebieden, vermeld in artikelen 6 of 7, toegevoegd of jaar na jaar opgeheven. De toevoeging of opheffing gebeurt op basis van een advies van de Vlaamse Onderwijsraad en een evaluatie uitgevoerd door een door de Vlaamse Regering samengestelde commissie. | 3 | De experimenteel erkende leergebieden of studiegebieden worden uiterlijk na vijfjaar door het Vlaams Parlement aan de leergebieden en studiegebieden, vermeld in artikelen 6 of 7, toegevoegd of jaar na jaar opgeheven. De toevoeging of opheffing gebeurt op basis van een advies van de Vlaamse Onderwijsraad en een evaluatie uitgevoerd door een door de Vlaamse Regering samengestelde commissie. |
| 1 | § 1. Op voordracht van het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten en na advies van de Vlaamse Onderwijsraad bepaalt de Vlaamse Regering de opleidingsprofielen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7. | 1 | § 1. Op voordracht van de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten en na advies van de Vlaamse Onderwijsraad bepaalt de Vlaamse Regering de opleidingsprofielen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7. |
| 2 | Een opleidingsprofiel omvat ten minste : | 2 | Een opleidingsprofiel omvat ten minste : |
| 3 | 1° het minimale aantal lestijden van een opleiding; | 3 | 1° het minimale aantal lestijden van een opleiding; |
| 1 | De Vlaamse Regering subsidieert één Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs. | 1 | De Vlaamse Regering subsidieert één representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie. |
| 1 | Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs heeft als doelstelling de centra voor basiseducatie te ondersteunen bij de uitvoering van de opdrachten die krachtens dit decreet worden toegekend. | 1 | De representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie heeft als doelstelling de centra voor basiseducatie te ondersteunen bij de uitvoering van de opdrachten die krachtens dit decreet worden toegekend. |
| 2 | Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs realiseert deze doelstelling met respect voor het eigen agogisch project van de betrokken centra. | 2 | De representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie realiseert deze doelstelling met respect voor het eigen agogisch project van de betrokken centra. |
| 1 | Aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs worden volgende opdrachten toegekend: | 1 | Aan de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie worden volgende opdrachten toegekend: |
| 2 | 1° de begeleiding van de centra voor basiseducatie: | 2 | 1° de begeleiding van de centra voor basiseducatie: |
| 3 | a) ondersteunen bij de realisatie van hun eigen agogisch project; | 3 | a) ondersteunen bij de realisatie van hun eigen agogisch project; |
| 1 | Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs kan enkel in aanmerking komen voor subsidiëring als : | 1 | De representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie kan enkel in aanmerking komen voor subsidiëring als : |
| 2 | 1° het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs opgericht wordt in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk conform de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen; | 2 | 1° deze opgericht is in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk conform de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen; |
| 3 | 2° in de algemene vergadering een afgevaardigde van elk deelnemend centrumbestuur opgenomen wordt. De leden van de algemene vergadering kunnen de algemene vergadering via coöptatie aanvullen met externe deskundigen; | 3 | 2° in de algemene vergadering een afgevaardigde van elk deelnemend centrumbestuur opgenomen wordt. De leden van de algemene vergadering kunnen de algemene vergadering via coöptatie aanvullen met externe deskundigen; |
| 4 | 3° driejaarlijks een beleidsplan wordt opgesteld, waarin de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 45, verduidelijkt worden; | 4 | 3° driejaarlijks een beleidsplan wordt opgesteld, waarin de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 45, verduidelijkt worden; |
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering stelt jaarlijks aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs een subsidie ter beschikking van ten minste 160.000 euro vanaf het schooljaar 2020-2021. Die subsidie omvat middelen voor personeelskosten, werkingskosten en investeringen. | 1 | § 1. De Vlaamse Regering stelt jaarlijks aan de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie een subsidie ter beschikking van ten minste 160.000 euro vanaf het begrotingsjaar 2022. Die subsidie omvat middelen voor personeelskosten, werkingskosten en investeringen. |
| 2 | § 2. ... | 2 | § 2. ... |
| 3 | § 3. De subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs wordt uitbetaald in twee schijven en een saldo : | 3 | § 3. De subsidie aan de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie wordt uitbetaald in twee schijven en een saldo : |
| 4 | 1° een eerste schijf van 45 percent wordt uitbetaald uiterlijk op 31 maart; | 4 | 1° een eerste schijf van 45 percent wordt uitbetaald uiterlijk op 31 maart; |
| 5 | 2° een tweede schijf van 45 percent wordt uitbetaald uiterlijk op 30 september; | 5 | 2° een tweede schijf van 45 percent wordt uitbetaald uiterlijk op 30 september; |
| 6 | 3° het saldo van 10 percent wordt uitbetaald nadat het activiteitenverslag en financieel rapport, zoals vermeld in artikel 46, 4°, is overgemaakt aan de bevoegde administratie. | 6 | 3° het saldo van 10 percent wordt uitbetaald nadat het activiteitenverslag en financieel rapport, zoals vermeld in artikel 46, 4°, is overgemaakt aan de bevoegde administratie. |
| 7 | § 4. De middelen, zoals bepaald in § 1, kunnen geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden, indien blijkt dat deze middelen niet worden aangewend voor de realisatie van de opdrachten, vermeld in artikel 45. | 7 | § 4. De middelen, zoals bepaald in § 1, kunnen geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden, indien blijkt dat deze middelen niet worden aangewend voor de realisatie van de opdrachten, vermeld in artikel 45. |
| 8 | Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs heeft zes maanden de tijd om zich opnieuw in orde te stellen met de voorwaarden, vermeld in artikel 46, indien niet meer voldaan wordt aan deze voorwaarden. In het andere geval is het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs niet langer subsidieerbaar. | 8 | De representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie heeft zes maanden de tijd om zich opnieuw in orde te stellen met de voorwaarden, vermeld in artikel 46, indien niet meer voldaan wordt aan deze voorwaarden. In het andere geval is de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie niet langer subsidieerbaar. |
| 9 | § 5. De subsidie wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 9 | § 5. De subsidie wordt aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 10 | § 6. In afwijking van paragraaf 5, wordt het werkingsgedeelte van de jaarlijkse subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs voor het begrotingsjaar 2012 niet aangepast aan de evolutie van de index. | ||
| 11 | § 7. In afwijking van paragraaf 5, wordt het werkingsgedeelte van de jaarlijkse subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs voor het begrotingsjaar 2013 niet aangepast aan de evolutie van de index. | ||
| 12 | § 8. In afwijking van paragraaf 5, wordt het werkingsgedeelte van de jaarlijkse subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs voor het begrotingsjaar 2015 niet aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | ||
| 13 | § 9. ... |
| 1 | Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs kan alle daden stellen die noodzakelijk zijn om de toegekende opdrachten te realiseren en om de toegekende middelen zorgvuldig te beheren. | 1 | De representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie kan alle daden stellen die noodzakelijk zijn om de toegekende opdrachten te realiseren en om de toegekende middelen zorgvuldig te beheren. |
| 1 | Het centrumbestuur informeert het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten op regelmatige tijdstippen over de voortgang van het gecombineerd onderwijs. | 1 | Het centrumbestuur informeert de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten op regelmatige tijdstippen over de voortgang van het gecombineerd onderwijs. |
| 2 | Uiterlijk twee maanden na het schooljaar n+1/n+2 dient het centrumbestuur een eindrapport in bij de Vlaamse Regering. Het eindrapport bevat ten minste : | 2 | Uiterlijk twee maanden na het schooljaar n+1/n+2 dient het centrumbestuur een eindrapport in bij de Vlaamse Regering. Het eindrapport bevat ten minste : |
| 3 | 1° een evaluatie; | 3 | 1° een evaluatie; |
| 5 | Ten laste van het begrotingsjaar 2020 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 5 | Ten laste van het begrotingsjaar 2020 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 6 | Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 6 | Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 7 | Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | ||
| 7 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. | 8 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. |
| 8 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. | 9 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. |
| 1 | In afwijking van artikel 47, § 1, stelt de Vlaamse Regering aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs een subsidie ter beschikking van 54.667 euro voor de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 45, gedurende de maanden september 2021 tot en met december 2021. | ||
| 2 | In afwijking van artikel 47, § 3, wordt de subsidie, vermeld in het eerste lid, uitbetaald nadat het activiteitenverslag en financieel rapport voor de periode september 2021 tot en met december 2021 zijn overgemaakt aan de bevoegde administratie. |