Programmadecreet bij de begroting 2021
18 artikels gewijzigd
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering kan sociale huisvestingsmaatschappijen erkennen om op te treden als kredietbemiddelaar van het Vlaams Woningfonds bij het verstrekken van de bijzondere sociale leningen, vermeld in artikel 5.65. | ||
| 2 | Om erkend te kunnen worden en te blijven moet de sociale huisvestingsmaatschappij financieel gezond zijn en beschikken over personeel dat voldoet aan de vereisten van beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid. De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden opleggen om erkend te worden. | ||
| 3 | De Vlaamse Regering kan de erkenning van de sociale huisvestingsmaatschappij, vermeld in het eerste lid, opheffen. | ||
| 4 | De Vlaamse Regering stelt de procedure vast voor de erkenning en de opheffing van de erkenning. | ||
| 5 | De sociale huisvestingsmaatschappijen die overeenkomstig het eerste lid als kredietbemiddelaar erkend zijn, worden toegelaten om op te treden als krediet- bemiddelaar inzake hypothecair krediet als vermeld in artikel VII.177, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het Wetboek van Economisch Recht en zijn vrijgesteld van de registratieplicht waarin artikel VII.180 van het Wetboek van Economisch Recht voorziet. | ||
| 6 | § 2. Binnen de perken van de kredieten die daarvoor op de begroting van het Vlaamse Gewest ingeschreven worden, kan de Vlaamse Regering, onder de voor- waarden die ze bepaalt, subsidies verlenen voor de werking van de sociale huisvestingsmaatschappijen die erkend zijn als kredietbemiddelaar. De subsidiëring ten laste van de uitgavenbegroting van het Vlaamse Gewest mag nooit meer bedragen dan 100% van de totale kosten. |
| 40 | 1783,20 verhoogd met 97,20 per pk boven 20 | 40 | 1783,20 verhoogd met 97,20 per pk boven 20 |
| 41 | § 2/1. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die na 31 december 2015 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, op basis van de tabel, vermeld in paragraaf 2, met in achtneming van volgende elementen: | 41 | § 2/1. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die na 31 december 2015 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, op basis van de tabel, vermeld in paragraaf 2, met in achtneming van volgende elementen: |
| 42 | 1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief | 42 | 1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving, wordt het tarief |
| 43 | a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram; | 43 | a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram; |
| 44 | b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram; | 44 | b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram; |
| 76 | In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro. | 76 | In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro. |
| 77 | Deze paragraaf is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. | 77 | Deze paragraaf is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. |
| 78 | § 2/2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibus- sen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, vermeld in paragraaf 2/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 2/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief: | ||
| 79 | a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram; | ||
| 80 | b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram. | ||
| 81 | Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. | ||
| 82 | Deze paragraaf is ook van toepassing op de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. | ||
| 78 | § 3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3 500 kilogram niet overschrijdt, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, andere dan die, vermeld in paragraaf 6, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegestane totaalgewicht. | 83 | § 3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3 500 kilogram niet overschrijdt, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, andere dan die, vermeld in paragraaf 6, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegestane totaalgewicht. |
| 79 | § 3/1. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa, met inachtneming van volgende elementen: | 84 | § 3/1. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa, met inachtneming van volgende elementen: |
| 80 | 1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief | 85 | 1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving, wordt het tarief |
| 81 | a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram; | 86 | a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram; |
| 82 | b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram; | 87 | b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram; |
| 138 | In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro. | 143 | In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro. |
| 139 | Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. | 144 | Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. |
| 145 | § 3/3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, wordt de belasting berekend als vermeld in paragraaf 3/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 3/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief: | ||
| 146 | a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram; | ||
| 147 | b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram. | ||
| 148 | Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. | ||
| 149 | Deze paragraaf is ook van toepassing op de motorvoertuigen, vermeld in het eerste lid, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden in- geschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. | ||
| 140 | § 4. Voor de motorfietsen bedraagt de belasting 49,44 euro. | 150 | § 4. Voor de motorfietsen bedraagt de belasting 49,44 euro. |
| 141 | § 5 Voor de autobussen en de autocars bedraagt de belasting 4,44 euro per fiscale paardenkracht als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht niet te boven gaat, met een minimum van 69,94 euro. | 151 | § 5 Voor de autobussen en de autocars bedraagt de belasting 4,44 euro per fiscale paardenkracht als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht niet te boven gaat, met een minimum van 69,94 euro. |
| 1 | Er wordt tot en met 31 december 2020 geen belasting geheven op: | 1 | Er wordt op volgende voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid geen belasting geheven op: |
| 2 | 1° voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas; | 2 | 1° voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas; |
| 3 | 2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer. | 3 | 2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer. |
| 4 | De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden: | ||
| 5 | 1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld; | ||
| 6 | 2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat: | ||
| 7 | a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid; | ||
| 8 | b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. | ||
| 4 | Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig. | 9 | Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig. |
| 5 | Het eerste lid, 1°, is alleen van toepassing op de volgende voertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten: | 10 | Het eerste lid, 1°, is alleen van toepassing op de volgende voertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten: |
| 2 | BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC | 2 | BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC |
| 3 | De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt : | 3 | De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt : |
| 4 | 1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving; | 4 | 1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving; |
| 5 | 2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg; | 5 | 2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg; |
| 6 | f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas; | 6 | f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas; |
| 9 | 3° x = CO2-correctie in functie van de technologische evolutie; x is gelijk aan 0 g CO2/km en wordt jaarlijks verhoogd met 4,5 g CO2/km vanaf het jaar 2013; | 9 | 3° x = CO2-correctie in functie van de technologische evolutie; x is gelijk aan 0 g CO2/km en wordt jaarlijks verhoogd met 4,5 g CO2/km vanaf het jaar 2013; |
| 10 | 4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel : | 10 | 4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel : |
| 11 | Brandstofsoort | ||
| 12 | Euronorm | ||
| 11 | Brandstofsoort Euronorm Bedrag in euro | 13 | Bedrag in euro |
| 14 | Diesel | ||
| 15 | euro 0 | ||
| 12 | Diesel euro 0 2.863,15 | 16 | 2.863,15 |
| 13 | euro 1 840,00 | 17 | euro 1 |
| 18 | 840,00 | ||
| 14 | euro 2 622,57 | 19 | euro 2 |
| 20 | 622,57 | ||
| 15 | euro 3 493,36 | 21 | euro 3 |
| 22 | 493,36 | ||
| 16 | euro 3 + roetfilter 467,06 | 23 | euro 3 + roetfilter |
| 17 | euro 4 467,06 | 24 | 467,06 |
| 25 | euro 4 | ||
| 26 | 467,06 | ||
| 18 | euro 4 + roetfilter 459,35 | 27 | euro 4 + roetfilter |
| 28 | 459,35 | ||
| 19 | euro 5 of EEV 459,35 | 29 | euro 5 of EEV |
| 30 | 459,35 | ||
| 20 | euro 6 454,07 | 31 | euro 6 |
| 32 | 454,07 | ||
| 21 | Benzine, en andere brandstoffen euro 0 1138,78 | 33 | Benzine, en andere brandstoffen |
| 34 | euro 0 | ||
| 35 | 1138,78 | ||
| 22 | euro 1 509,28 | 36 | euro 1 |
| 37 | 509,28 | ||
| 23 | euro 2 152,29 | 38 | euro 2 |
| 39 | 152,29 | ||
| 24 | euro 3 95,53 | 40 | euro 3 |
| 41 | 95,53 | ||
| 25 | euro 4 22,93 | 42 | euro 4 |
| 43 | 22,93 | ||
| 26 | euro 5 of EEV 20,61 | 44 | euro 5 of EEV |
| 27 | euro 6 20,61 | 45 | 20,61 |
| 46 | euro 6 | ||
| 47 | 20,61 | ||
| 28 | 5° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel : | 48 | 5° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel : |
| 29 | ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs waarde LC in % | 49 | ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs |
| 50 | waarde LC in % | ||
| 30 | minder dan 12 volle maanden 100 | 51 | minder dan 12 volle maanden |
| 52 | 100 | ||
| 31 | van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden 90 | 53 | van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden |
| 54 | 90 | ||
| 32 | van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden 80 | 55 | van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden |
| 56 | 80 | ||
| 33 | van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden 70 | 57 | van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden |
| 58 | 70 | ||
| 34 | van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden 60 | 59 | van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden |
| 60 | 60 | ||
| 35 | van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden 50 | 61 | van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden |
| 62 | 50 | ||
| 36 | van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden 40 | 63 | van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden |
| 64 | 40 | ||
| 37 | van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden 30 | 65 | van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden |
| 66 | 30 | ||
| 38 | van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden 20 | 67 | van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden |
| 68 | 20 | ||
| 39 | meer dan 107 volle maanden 10 | 69 | meer dan 107 volle maanden |
| 70 | 10 | ||
| 1 | De belasting wordt voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, die voor de eerste keer worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid na 31 december 2020, berekend volgens de volgende formule: | ||
| 2 | BIV= ((CO2 * f * q) /246)6 * 4500 + c) * LC | ||
| 3 | De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt: | ||
| 4 | 1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving; | ||
| 5 | 2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg; | ||
| 6 | f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas; | ||
| 7 | f = 0,744 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door zowel aardgas als benzine, als ze als benzinewagen gehomologeerd zijn; | ||
| 8 | f = 1 voor andere wegvoertuigen; | ||
| 9 | 3° q = een factor in functie van de Europese emissienormen voor 2025 en 2030; q is gelijk aan 1,07 in 2021 en wordt jaarlijks verhoogd met 0,035 vanaf het jaar 2022; | ||
| 10 | 4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brand- stofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel: | ||
| 11 | Brandstofsoort | ||
| 12 | Euronorm | ||
| 13 | Bedrag in euro | ||
| 14 | Diesel | ||
| 15 | euro 0 | ||
| 16 | 2.863,15 | ||
| 17 | euro 1 | ||
| 18 | 840,00 | ||
| 19 | euro 2 | ||
| 20 | 622,57 | ||
| 21 | euro 3 | ||
| 22 | 493,36 | ||
| 23 | euro 3 + roetfilter | ||
| 24 | 467,06 | ||
| 25 | euro 4 | ||
| 26 | 467,06 | ||
| 27 | euro 4 + roetfilter | ||
| 28 | 459,35 | ||
| 29 | euro 5 of EEV | ||
| 30 | 459,35 | ||
| 31 | euro 6 | ||
| 32 | 454,07 | ||
| 33 | Benzine, en andere brandstoffen | ||
| 34 | euro 0 | ||
| 35 | 1138,78 | ||
| 36 | euro 1 | ||
| 37 | 509,28 | ||
| 38 | euro 2 | ||
| 39 | 152,29 | ||
| 40 | euro 3 | ||
| 41 | 95,53 | ||
| 42 | euro 4 | ||
| 43 | 22,93 | ||
| 44 | euro 5 of EEV | ||
| 45 | 20,61 | ||
| 46 | euro 6 | ||
| 47 | 20,61 | ||
| 48 | 5° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, ver- meld in de volgende tabel: | ||
| 49 | ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs | ||
| 50 | waarde LC in % | ||
| 51 | minder dan 12 volle maanden | ||
| 52 | 100 | ||
| 53 | van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden | ||
| 54 | 90 | ||
| 55 | van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden | ||
| 56 | 80 | ||
| 57 | van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden | ||
| 58 | 70 | ||
| 59 | van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden | ||
| 60 | 60 | ||
| 61 | van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden | ||
| 62 | 50 | ||
| 63 | van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden | ||
| 64 | 40 | ||
| 65 | van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden | ||
| 66 | 30 | ||
| 67 | van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden | ||
| 68 | 20 | ||
| 69 | meer dan 107 volle maanden | ||
| 70 | 10 |
| 1 | De belasting bedraagt nooit minder dan 41,99 euro en nooit meer dan 10.497,70 euro. In afwijking van artikel 2.3.4.1.2 bedraagt de belasting 41,99 euro voor de wegvoertuigen die een eerste keer in het verkeer zijn gesteld 30 jaar geleden of eerder en voor de wegvoertuigen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden: | 1 | De belasting bedraagt nooit minder dan 41,99 euro en nooit meer dan 10.497,70 euro. In afwijking van artikel 2.3.4.1.2 en artikel 2.3.4.1.2/1 bedraagt de belasting 41,99 euro voor de wegvoertuigen die een eerste keer in het verkeer zijn gesteld 30 jaar geleden of eerder en voor de wegvoertuigen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden: |
| 2 | 1° in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht; | 2 | 1° in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht; |
| 3 | 2° in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht; | 3 | 2° in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht; |
| 1 | De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4°, en de bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.3, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2en artikel 2.3.4.1.3, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2015. | 1 | De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4°, en artikel 2.3.4.1.2/1, tweede lid, 4°, en de bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.3, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, 2.3.4.1.2/1 en artikel 2.3.4.1.3, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2015. |
| 1 | Voor voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas, wordt de belasting verminderd met vierduizend euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting als berekend overeenkomstig artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.4, maar zonder toepassing van de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.3.4.1.3. | 1 | Voor voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas, wordt de belasting verminderd met vierduizend euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting als berekend overeenkomstig artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.4, maar zonder toepassing van de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.3.4.1.3. |
| 2 | Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1. | 2 | Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1. |
| 3 | De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend tot en met 31 december 2020 . | 3 | De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend voor voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. |
| 4 | De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voer- tuigen die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden: | ||
| 5 | 1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld; | ||
| 6 | 2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat: | ||
| 7 | a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid; | ||
| 8 | b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. |
| 1 | Er wordt tot en met 31 december 2020 geen belasting geheven op: | 1 | Er wordt voor volgende voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid geen belasting geheven op: |
| 2 | 1° voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas; | 2 | 1° voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas; |
| 3 | 2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer. | 3 | 2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer. |
| 4 | Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig. | 4 | Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig. |
| 5 | Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1. | 5 | Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1. |
| 6 | De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden: | ||
| 7 | 1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld; | ||
| 8 | 2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat: | ||
| 9 | a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuur- lijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprich- ting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-gene- raal Mobiliteit en Verkeersveiligheid; | ||
| 10 | b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. |
| 1 | § 1. Bij wanbetaling binnen de termijnen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, brengen de verschuldigde sommen ten bate van het Vlaamse Gewest, voor de duur van het verwijl, een interest van 7 % op jaarbasis op, berekend per kalendermaand. | 1 | § 1. Bij wanbetaling binnen de termijnen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, brengen de verschuldigde sommen ten bate van het Vlaamse Gewest, voor de duur van het verwijl, een interest van 4 % op jaarbasis op, berekend per kalendermaand. |
| 2 | Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vorige betaling als een som is aangerekend op de hoofdsom van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsvindt. | 2 | Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vorige betaling als een som is aangerekend op de hoofdsom van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsvindt. |
| 3 | De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd als hij geen vijf euro per maand bedraagt. | 3 | De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd als hij geen vijf euro per maand bedraagt. |
| 1 | Bij terugbetaling van belastingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve geldboeten wordt moratoriuminterest toegekend tegen een rentevoet van 7 % op jaarbasis, berekend per kalendermaand. | 1 | Bij terugbetaling van belastingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve geldboeten wordt moratoriuminterest toegekend tegen een rentevoet van 4 % op jaarbasis, berekend per kalendermaand. |
| 2 | Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro. De maand waarin de betaling is uitgevoerd, wordt niet meegerekend, maar de maand waarin aan de belastingschuldige het bericht wordt gestuurd dat de terug te betalen som ter beschikking is, wordt voor een hele maand geteld. | 2 | Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro. De maand waarin de betaling is uitgevoerd, wordt niet meegerekend, maar de maand waarin aan de belastingschuldige het bericht wordt gestuurd dat de terug te betalen som ter beschikking is, wordt voor een hele maand geteld. |
| 3 | Er wordt geen moratoriuminterest toegekend : | 3 | Er wordt geen moratoriuminterest toegekend : |
| 1 | De erfgenaam, legataris of begiftigde die niet alle goederen heeft aangegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.3.1.0.8, betaalt een belastingverhoging die gelijk is aan 20 % van de daardoor verschuldigde aanvullende rechten. | 1 | De erfgenaam, legataris of begiftigde die niet alle goederen heeft aangegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.3.1.0.8, betaalt een belastingverhoging die gelijk is aan 20 % van de daardoor verschuldigde aanvullende rechten. |
| 2 | De belastingverhoging, vermeld in het eerste lid, wordt verminderd tot 10 % van de erdoor verschuldigde aanvullende rechten als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, en binnen tien maanden na hetzij het overlijden, hetzij de start van de aangiftetermijn zoals berekend overeenkomstig artikel 3.3.1.0.6, derde of vierde lid, een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 niet was opgenomen in de aangifte, alsnog aangeeft. | 2 | De belastingverhoging, vermeld in het eerste lid, wordt vervangen door een belastingverhoging conform de onderstaande tabel als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 niet was opgenomen in de aangifte, alsnog aangeeft: |
| 3 | ogenblik van indiening na het verstrijken van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, VCF of artikel 3.3.1.0.6 VCF | ||
| 4 | belastingverhoging in % van de te betalen erfbelasting | ||
| 5 | vanaf de eerste dag van | ||
| 6 | tot en met de laatste dag van | ||
| 7 | maand 1 | ||
| 8 | maand 1 | ||
| 9 | 1 | ||
| 10 | maand 2 | ||
| 11 | maand 2 | ||
| 12 | 2 | ||
| 13 | maand 3 | ||
| 14 | maand 3 | ||
| 15 | 3 | ||
| 16 | maand 4 | ||
| 17 | maand 4 | ||
| 18 | 4 | ||
| 19 | maand 5 | ||
| 20 | maand 5 | ||
| 21 | 5 | ||
| 22 | maand 6 | ||
| 23 | maand 6 | ||
| 24 | 6 | ||
| 25 | maand 7 | ||
| 26 | maand 10 | ||
| 27 | 10 |
| 1 | Als wordt vastgesteld dat de aangegeven waarde van de aangegeven goederen te laag is, is een belastingverhoging verschuldigd, conform de onderstaande tabel : | 1 | Als wordt vastgesteld dat de aangegeven waarde van de aangegeven goederen te laag is, is een belastingverhoging verschuldigd, conform de onderstaande tabel : |
| 2 | verhouding van het tekort in % | 2 | verhouding van het tekort in % |
| 3 | ten opzichte van de aangegeven waarde van het goed belastingverhoging in % van de aanvullende rechten | 3 | ten opzichte van de aangegeven waarde van het goed |
| 4 | belastingverhoging in % van de aanvullende rechten | ||
| 4 | Vanaf tot | 5 | Vanaf |
| 6 | tot | ||
| 5 | 10 25 5 | 7 | 10 |
| 6 | 25 50 10 | 8 | 25 |
| 9 | 5 | ||
| 10 | 25 | ||
| 7 | 50 100 15 | 11 | 50 |
| 12 | 10 | ||
| 13 | 50 | ||
| 8 | 100 20 | 14 | 100 |
| 15 | 15 | ||
| 16 | 100 | ||
| 17 | 20 | ||
| 9 | In afwijking van het eerste lid, wordt de belastingverhoging in voorkomend geval verminderd tot 10 % van de erdoor verschuldigde aanvullende rechtenals een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, en binnen tien maanden na hetzij het overlijden, hetzij de start van de aangiftetermijn zoals berekend overeenkomstig artikel 3.3.1.0.6, derde of vierde lid, voor een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 voor een te lage waarde was opgenomen in de aangifte, alsnog een hogere waarde aangeeft. | 18 | In afwijking van het eerste lid, wordt de belastingverhoging verminderd tot de helft van het percentage van de verschuldigde aanvullende rechten, vermeld in het eerste lid, als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, en binnen tien maanden na hetzij het overlijden, hetzij de start van de aangiftetermijn zoals berekend overeenkomstig artikel 3.3.1.0.6, derde of vierde lid, voor een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 voor een te lage waarde was opgenomen in de aangifte, alsnog een hogere waarde aangeeft. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 30 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2021 een tarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden van brandbare recyclageresidu's afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu's afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie; | ||
| 30 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. | 31 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. |
| 31 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. | 32 | In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen. |
| 50 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 51 | 9° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 51 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; | 52 | 10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu's afkomstig van bouw- en sloopafval; |
| 52 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent . Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; | 53 | 11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021, K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024 voor het storten van recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent tot en met het vierde kwartaal van 2020 en 0,5 gewichtsprocent vanaf het eerste kwartaal van 2021. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % respectievelijk 0,5% overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu's van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu's die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu's die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd; |
| 53 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 54 | 12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 54 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; | 55 | 13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu's dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11° ; |
| 66 | 6° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 67 | 6° in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 67 | 7° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 68 | 7° in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 68 | 8° in het heffingsjaar 2020voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 69 | 8° in de heffingsjaren 2020, 2021 en 2022 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 69 | 9° in het heffingsjaar 2021 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 70 | 9° in het heffingsjaar 2023 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 70 | 10° in het heffingsjaar 2022 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; | 71 | 10° in het heffingsjaar 2024 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd; |
| 71 | 11° in het heffingsjaar 2023 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd. | 72 | 11° in het heffingsjaar 2025 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd. |
| 72 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2. | 73 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid in punt 5° tot 8° hierboven wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2. |
| 73 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° : | 74 | Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° : |
| 74 | a) wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2; | 75 | a) wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2; |
| 75 | b) wordt de hoeveelheid non-ferro kleiner dan 5 mm, kabeltjes en printplaten die gewonnen werd voor afvoer naar en verwerking in een daartoe vergund bedrijf met het oog op de recuperatie van non-ferrometalen en edele metalen vermenigvuldigd met een factor 20. De hoeveelheid non-ferro kleiner dan 5 mm, kabeltjes en printplaten wordt niet meegerekend in de 3 % metalen, vermeld in punt 6° tot 11° hierboven. | 76 | b) wordt de hoeveelheid non-ferro kleiner dan 5 mm, kabeltjes en printplaten die gewonnen werd voor afvoer naar en verwerking in een daartoe vergund bedrijf met het oog op de recuperatie van non-ferrometalen en edele metalen vermenigvuldigd met een factor 20. De hoeveelheid non-ferro kleiner dan 5 mm, kabeltjes en printplaten wordt niet meegerekend in de 3 % metalen, vermeld in punt 6° tot 11° hierboven; |
| 77 | c) wordt de hoeveelheid premix die gewonnen wordt voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 1,5. Een premix is een materiaalmengeling van minstens 55% recycleerbare kunststoffen met onder meer nog metalen (max 2%), hout (max 5%), rubber en PVC, die reeds ontdaan is van zand. De exploitant van de PST-installatie legt aan OVAM jaarlijks een document voor dat aantoont dat het materiaal uitgesorteerd via de premix, effectief ingezet wordt voor materiaalrecyclage. | ||
| 76 | In al die gevallen mag de som van de hoeveelheid materialen die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd, en de hoeveelheid shredderafval die wordt gestort aan het heffingstarief met K = 0,15, niet meer bedragen dan de input van de PST-installatie. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 52, tweede lid, bezorgt de exploitant van de PST-installatie ter staving van het toepassen van het verlaagde heffingstarief vanaf 2011 ieder jaar voor 31 januari aan de OVAM een rapport met een volledige en gedetailleerde massabalans van de verwerkte stromen en van de teruggewonnen stromen met hun respectieve bestemming. | 78 | In al die gevallen mag de som van de hoeveelheid materialen die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd, en de hoeveelheid shredderafval die wordt gestort aan het heffingstarief met K = 0,15, niet meer bedragen dan de input van de PST-installatie. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 52, tweede lid, bezorgt de exploitant van de PST-installatie ter staving van het toepassen van het verlaagde heffingstarief vanaf 2011 ieder jaar voor 31 januari aan de OVAM een rapport met een volledige en gedetailleerde massabalans van de verwerkte stromen en van de teruggewonnen stromen met hun respectieve bestemming. |
| 77 | In afwijking van het tweede lid, 7°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, voor het heffingsjaar 2010 K = 0,15, voor het heffingsjaar 2011 K = 0,3, voor het heffingsjaar 2012 K = 0,6 en met ingang van het heffingsjaar 2013 K = 1. | 79 | In afwijking van het tweede lid, 7°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, voor het heffingsjaar 2010 K = 0,15, voor het heffingsjaar 2011 K = 0,3, voor het heffingsjaar 2012 K = 0,6 en met ingang van het heffingsjaar 2013 K = 1. |
| 1 | De pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsformatie als vermeld in artikel 16, ontvangen jaarlijks 4.584.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen. Van het voormelde bedrag, wordt voor het schooljaar 2019-2020 en schooljaar 2020-2021 478.000 euro gebruikt voor de begeleiding van leerkrachten bij de remediëring van leerlingen in de klasvanaf de opening van de scholen in het derde trimester van het schooljaar 2019-2020 tot en met 30 juni 2021. | 1 | De pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsforma- tie als vermeld in artikel 16, ontvangen in begrotingsjaar 2021 1.606.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen. Van het voormelde bedrag wordt voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 956.000 euro gebruikt voor de begeleiding van leerkrachten bij de remediëring van leerlingen in de klas. Deze aanvullende middelen verdwijnen vanaf begrotingsjaar 2022. |
| 2 | De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de instellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst. | 2 | De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de instellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst. |
| 1 | De bedragen vermeld in de artikelen 18 en 19 in deze afdeling hebben betrekking op het begrotingsjaar 2012. Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 1 | De bedragen vermeld in de artikelen 18 en 19 in deze afdeling hebben betrekking op het begrotingsjaar 2012. Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 2 | De bedragen vermeld in de artikelen 20 en 21/1 in deze afdeling hebben betrekking op het begrotingsjaar 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 2 | Het bedrag, vermeld in het artikel 20 in deze afdeling, heeft betrekking op het begrotingsjaar 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 3 | § 3. De investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur die bestemd is voor het onderwijs, en voor de onroerende investeringen voor de sociale voorzieningen, en tot dekking van de kapitaal- en intrestlasten die voortvloeien uit leningen voor de investeringsuitgaven. | 3 | § 3. De investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur die bestemd is voor het onderwijs, en voor de onroerende investeringen voor de sociale voorzieningen, en tot dekking van de kapitaal- en intrestlasten die voortvloeien uit leningen voor de investeringsuitgaven. |
| 4 | § 4. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in begrotingsjaar 2018 een eenmalige bijkomende investeringsdotatie van 10.000.000 euro. | 4 | § 4. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in begrotingsjaar 2018 een eenmalige bijkomende investeringsdotatie van 10.000.000 euro. |
| 5 | § 5. Als aanvulling op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, ontvangt de Hogere Zeevaartschool in het begrotingsjaar 2021 eenmalige bijkomende investeringsmiddelen ten bedrage van 100.000 euro. | ||
| 4 | Ten laste van het begrotingsjaar 2019 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 643.454,45 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.731.545,55 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 4 | Ten laste van het begrotingsjaar 2019 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 643.454,45 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.731.545,55 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 5 | Ten laste van het begrotingsjaar 2020 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 5 | Ten laste van het begrotingsjaar 2020 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 6 | Ten laste van het begrotingsjaar 2021 worden 32.955,75 aanvullende leraars- uren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | ||
| 6 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. | 7 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. |
| 7 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. | 8 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. |