Decreet over de instroom en het optimaliseren van de studie-efficiëntie in het hoger onderwijs en overige organisatorische aspecten van het hoger onderwijs
28 artikels gewijzigd
| 33 | 19°...; | 33 | 19°...; |
| 34 | 19°/1 Databank Hoger Onderwijs: de databank, vermeld in artikel IV.90; | 34 | 19°/1 Databank Hoger Onderwijs: de databank, vermeld in artikel IV.90; |
| 35 | 19°/2 deliberatiecijfer: een resultaat verworven na het examen op een opleidingsonderdeel waarvoor een student geen creditbewijs verwerft, maar waarvoor een examencommissie beslist dat dit opleidingsonderdeel niet hernomen moet worden; | ||
| 35 | 20° diplomacontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een graad of diploma van een opleiding of die zich inschrijft voor een schakel- of voorbereidingsprogramma; | 36 | 20° diplomacontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een graad of diploma van een opleiding of die zich inschrijft voor een schakel- of voorbereidingsprogramma; |
| 36 | 21° economische unie: overeenkomst over de financiële ondersteuning van een instelling van hoger onderwijs door een andere instelling van hoger onderwijs; | 37 | 21° economische unie: overeenkomst over de financiële ondersteuning van een instelling van hoger onderwijs door een andere instelling van hoger onderwijs; |
| 109 | d) de toekenning van een vrijstelling, zijnde de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; | 110 | d) de toekenning van een vrijstelling, zijnde de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; |
| 110 | e) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld; | 111 | e) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld; |
| 111 | f) het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.246; | 112 | f) het opleggen van een individuele maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.246, § 1 tot en met § 6, § 8 en § 9; |
| 112 | g) het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het contract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven; | 113 | g) het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het contract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven; |
| 113 | h) een beslissing inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma van hoger onderwijs met een Vlaams diploma van hoger onderwijs genomen krachtens artikel II.256; | 114 | h) een beslissing inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma van hoger onderwijs met een Vlaams diploma van hoger onderwijs genomen krachtens artikel II.256; |
| 114 | i) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van ontoereikend leerkrediet of een leerkrediet lager dan of gelijk aan 0, indien niet het gevolg van een algemene reglementaire bepaling; | 115 | i) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van ontoereikend leerkrediet of een leerkrediet lager dan of gelijk aan 0, indien niet het gevolg van een algemene reglementaire bepaling; |
| 115 | j) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van het niet naleven van een opgelegde maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.246; | 116 | j) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van het niet naleven van een opgelegde maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.246; |
| 117 | k) een beslissing over substantiële verschillen in competenties als een creditbewijs meer dan vijf jaar geleden is verworven als vermeld in artikel II.225, § 3, tweede lid; | ||
| 116 | 70° toetredingsovereenkomst : de overeenkomst tussen instellingsbestuur en student bedoeld in artikel II.273; | 118 | 70° toetredingsovereenkomst : de overeenkomst tussen instellingsbestuur en student bedoeld in artikel II.273; |
| 119 | 70°/1: tolerantie: regeling in examenreglement van een instelling hoger onderwijs waarbij de student geen credits verwerft maar voor een beperkt aantal studiepunten toch het vak niet moet hernemen en waarbij de student zelf of de instelling hoger onderwijs beslist voor welke vakken hij dit inzet; | ||
| 117 | 71° verworven studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student een creditbewijs heeft ontvangen; | 120 | 71° verworven studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student een creditbewijs heeft ontvangen; |
| 118 | 72° vestiging van een hogeronderwijsinstelling: het administratief arrondissement, het gerechtelijk arrondissement of de gemeente of een geheel van aan elkaar grenzende gemeenten waar de hogeronderwijsinstelling onderwijsbevoegdheid heeft. Voor de hogescholen die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd als uitsluitend behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, geldt het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad als 1 vestiging; | 121 | 72° vestiging van een hogeronderwijsinstelling: het administratief arrondissement, het gerechtelijk arrondissement of de gemeente of een geheel van aan elkaar grenzende gemeenten waar de hogeronderwijsinstelling onderwijsbevoegdheid heeft. Voor de hogescholen die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd als uitsluitend behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, geldt het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad als 1 vestiging; |
| 122 | 74° volgtijdelijkheid : de door het instellingsbestuur bepaalde regels inzake het gevolgd hebben van of het geslaagd zijn voor een opleidingsonderdeel of opleiding vooraleer een student een examen kan doen over een ander opleidingsonderdeel of een andere opleiding; | 125 | 74° volgtijdelijkheid : de door het instellingsbestuur bepaalde regels inzake het gevolgd hebben van of het geslaagd zijn voor een opleidingsonderdeel of opleiding vooraleer een student een examen kan doen over een ander opleidingsonderdeel of een andere opleiding; |
| 123 | 75° volstrekte meerderheid van stemmen : het feit dat het aantal voorstemmen het aantal tegenstemmen overtreft. | 126 | 75° volstrekte meerderheid van stemmen : het feit dat het aantal voorstemmen het aantal tegenstemmen overtreft. |
| 124 | 76° voorbereidingsprogramma : een programma dat kan worden opgelegd aan een student die niet in het bezit is van een diploma dat op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wenst in te schrijven; | 127 | 76° voorbereidingsprogramma : een programma dat kan worden opgelegd aan een student die niet in het bezit is van een diploma dat op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wenst in te schrijven. Het programma beoogt de ontbrekende competenties van het diploma dat op rechtstreekse wijze toelating verleent bij te brengen. Indien meerdere diploma's rechtstreekse toelating verlenen, gaat het om de gemeenschappelijke ontbrekende competenties; |
| 125 | 77° vrijstelling : de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; | 128 | 77° vrijstelling : de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen; |
| 126 | 77°/1 werkplekleren : leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is; | 129 | 77°/1 werkplekleren : leeractiviteiten die gericht zijn op het verwerven van algemene of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is; |
| 92 | 57° School of Arts: een organisatorische eenheid binnen een hogeschool of over verschillende hogescholen heen waarin, conform artikel II.7, de professioneel gerichte bacheloropleidingen of de academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, of Muziek en podiumkunsten aangeboden worden; | 92 | 57° School of Arts: een organisatorische eenheid binnen een hogeschool of over verschillende hogescholen heen waarin, conform artikel II.7, de professioneel gerichte bacheloropleidingen of de academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, of Muziek en podiumkunsten aangeboden worden; |
| 93 | 58° specificatie van een graad : de toevoeging van de woorden “of Arts”, “of Science”, “of Laws”, “of Medicine”, “of Veterinary Science”, “of Veterinary Medicine” of “of Philosophy” aan een graad; | 93 | 58° specificatie van een graad : de toevoeging van de woorden “of Arts”, “of Science”, “of Laws”, “of Medicine”, “of Veterinary Science”, “of Veterinary Medicine” of “of Philosophy” aan een graad; |
| 94 | 58°/1 starttoets: een instellingsneutrale toets waaraan de student moet deelnemen als voorwaarde voor de eerste inschrijving in bepaalde bacheloropleidingen als vermeld in artikel II.188/1; | ||
| 94 | 59° student : de persoon ingeschreven in een instelling; | 95 | 59° student : de persoon ingeschreven in een instelling; |
| 95 | 60° studentenkoepelvereniging : een erkende studentenkoepelvereniging in de zin van het decreet van 30 maart 1999 houdende de subsidiëring van studenten- en leerlingenkoepelverenigingen; | 96 | 60° studentenkoepelvereniging : een erkende studentenkoepelvereniging in de zin van het decreet van 30 maart 1999 houdende de subsidiëring van studenten- en leerlingenkoepelverenigingen; |
| 5 | b) nieuw aangeboden worden vanaf het academiejaar 2019-2020: ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten; | 5 | b) nieuw aangeboden worden vanaf het academiejaar 2019-2020: ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten; |
| 6 | 3° voor de bachelor-na-bacheloropleidingen van het hoger professioneel onderwijs: ten minste 30 studiepunten; | 6 | 3° voor de bachelor-na-bacheloropleidingen van het hoger professioneel onderwijs: ten minste 30 studiepunten; |
| 7 | 4° voor de bachelor- en masteropleidingen van het academisch onderwijs, met uitzondering van de bachelor- en de masteropleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten en van de masteropleidingen in het studiegebied Geneeskunde : ten minste 30 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten; | 7 | 4° voor de bachelor- en masteropleidingen van het academisch onderwijs, met uitzondering van de bachelor- en de masteropleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten en van de masteropleidingen in de studiegebieden Geneeskunde en Tandheelkunde : ten minste 30 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten; |
| 8 | 5° voor de bachelor- en masteropleidingen van het hoger professioneel en academisch onderwijs in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten: ten minste 30 studiepunten; | 8 | 5° voor de bachelor- en masteropleidingen van het hoger professioneel en academisch onderwijs in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten: ten minste 30 studiepunten; |
| 9 | 6° voor de masteropleidingen in het studiegebied Geneeskunde : ten minste 30 studiepunten. | 9 | 6° voor de masteropleidingen in de studiegebieden Geneeskunde en Tandheelkunde : ten minste 30 studiepunten. |
| 10 | De Vlaamse Regering maakt uiterlijk tegen 31 december 2023 een evaluatie waaruit moet blijken of de maximumgrens van 120 studiepunten, vermeld in het eerste lid, 2°, b), veralgemeend kan worden voor alle initiële professionele-bacheloropleidingen. | 10 | De Vlaamse Regering maakt uiterlijk tegen 31 december 2023 een evaluatie waaruit moet blijken of de maximumgrens van 120 studiepunten, vermeld in het eerste lid, 2°, b), veralgemeend kan worden voor alle initiële professionele-bacheloropleidingen. |
| 13 | a) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts; | 13 | a) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts; |
| 14 | b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts. | 14 | b) in het hoger beroepsonderwijs de graad van gegradueerde kan worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts. |
| 15 | § 2. De LUCA School of Arts kan in de vestiging Diepenbeek opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in volgende studiegebieden : | 15 | § 2. De LUCA School of Arts kan in de vestiging Genk opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in volgende studiegebieden : |
| 16 | 1° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor : | 16 | 1° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor : |
| 17 | a) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts; | 17 | a) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend, op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts; |
| 1 | Gezamenlijke opleidingen, georganiseerd door een Vlaamse instelling voor hoger onderwijs samen met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs die bij succesvolle voltooiing ervan leiden tot een gezamenlijk diploma als vermeld in artikel II.172, § 3, worden beoordeeld aan de hand van de European Approach for Quality Assurance of Joint Programmes, goedgekeurd door de ministers van de Europese Hogeronderwijsruimte. Instellingen kunnen voor de organisatie van die externe beoordeling een beroep doen op een evaluatieorgaan dat bij het European Quality Assurance Register for Higher Education is geregistreerd. Instellingen vragen de toets nieuwe opleiding aan bij de accreditatieorganisatie binnen twee maanden na de publicatie van de externe beoordeling van de opleiding. | 1 | Gezamenlijke opleidingen, georganiseerd door een Vlaamse instelling voor hoger onderwijs samen met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs die samen een geïntegreerd curriculum aanbieden dat bij succesvolle voltooiing ervan leidt tot multi- of gezamenlijke diplomering, worden beoordeeld aan de hand van de European Approach for Quality Assurance of Joint Programmes, goedgekeurd door de ministers van de Europese Hogeronderwijsruimte. Instellingen kunnen voor de organisatie van die externe beoordeling een beroep doen op een evaluatieorgaan dat bij het European Quality Assurance Register for Higher Education is geregistreerd. Instellingen vragen de toets nieuwe opleiding aan bij de accreditatieorganisatie binnen twee maanden na de publicatie van de externe beoordeling van de opleiding. |
| 13 | Een onderzoeksmaster in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, Muziek en podiumkunsten, Nautische wetenschappen kan enkel door een hogeschool worden georganiseerd en aangeboden in samenwerking met een universiteit. | 13 | Een onderzoeksmaster in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, Muziek en podiumkunsten, Nautische wetenschappen kan enkel door een hogeschool worden georganiseerd en aangeboden in samenwerking met een universiteit. |
| 14 | § 8. De studieomvang van de master in de huisartsgeneeskunde en van de master in de specialistische geneeskunde wordt uitgebreid tot 180 studiepunten. Deze uitgebreide studieomvang geldt voor alle studenten die zich voor de eerste keer inschrijven in deze masteropleidingen vanaf het academiejaar 2018-2019 na het voltooien van een masteropleiding in de geneeskunde met een studieomvang van 180 studiepunten. | 14 | § 8. De studieomvang van de master in de huisartsgeneeskunde en van de master in de specialistische geneeskunde wordt uitgebreid tot 180 studiepunten. Deze uitgebreide studieomvang geldt voor alle studenten die zich voor de eerste keer inschrijven in deze masteropleidingen vanaf het academiejaar 2018-2019 na het voltooien van een masteropleiding in de geneeskunde met een studieomvang van 180 studiepunten. |
| 15 | § 9. De studieomvang van de volgende masteropleidingen wordt uitgebreid tot 180 studiepunten: | ||
| 16 | 1° de masteropleiding in de klinische biologie; | ||
| 17 | 2° de masteropleiding in de specialistische tandheelkunde; | ||
| 18 | 3° de masteropleiding in de specialistische mondzorg. | ||
| 19 | De opleiding waarvan de studieomvang wordt uitgebreid wordt geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar dat volgt op het einde van het academiejaar waarin de nieuw bepaalde studieomvang voor de eerste keer geheel doorlopen werd. | ||
| 2 | Instellingen moeten door middel van de organisatie van specifieke studietrajecten met een studieomvang van ten hoogste 60 studiepunten studenten die een masteropleiding van 60 studiepunten hebben voltooid, de mogelijkheid bieden om de graad van master te behalen van de in studieomvang uitgebreide masteropleiding. | 2 | Instellingen moeten door middel van de organisatie van specifieke studietrajecten met een studieomvang van ten hoogste 60 studiepunten studenten die een masteropleiding van 60 studiepunten hebben voltooid, de mogelijkheid bieden om de graad van master te behalen van de in studieomvang uitgebreide masteropleiding. |
| 3 | Studenten die ingeschreven waren in een masteropleiding van 90 of 120 studiepunten in het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarin de vermindering van de studieomvang van de masteropleiding wordt ingevoerd, kunnen hun masteropleiding voltooien binnen de 2 daaropvolgende academiejaren. | 3 | Studenten die ingeschreven waren in een masteropleiding van 90 of 120 studiepunten in het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarin de vermindering van de studieomvang van de masteropleiding wordt ingevoerd, kunnen hun masteropleiding voltooien binnen de 2 daaropvolgende academiejaren. |
| 4 | § 1/1. Studenten die ingeschreven waren in een masteropleiding klinische biologie, specialistische tandheelkunde of specialistische mondzorg in het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang van deze masteropleiding, vermeld in artikel II.160, § 9, wordt ingevoerd, kunnen deze masteropleiding voltooien binnen de vijf daaropvolgende academiejaren of kunnen inschrijven voor de in studieomvang uitgebreide masteropleiding met behoud van de verworven creditbewijzen. | ||
| 4 | § 2. In het academiejaar dat de uitbreiding van de studieomvang van een bacheloropleiding wordt ingevoerd en in de drie academiejaren die daarop volgen kunnen studenten nog het diploma behalen van de bacheloropleiding op basis van de studieomvang van voor de uitbreiding. Deze mogelijkheid bestaat voor : | 5 | § 2. In het academiejaar dat de uitbreiding van de studieomvang van een bacheloropleiding wordt ingevoerd en in de drie academiejaren die daarop volgen kunnen studenten nog het diploma behalen van de bacheloropleiding op basis van de studieomvang van voor de uitbreiding. Deze mogelijkheid bestaat voor : |
| 5 | 1° studenten die reeds in de bacheloropleiding ingeschreven waren vóór het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang wordt ingevoerd; | 6 | 1° studenten die reeds in de bacheloropleiding ingeschreven waren vóór het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang wordt ingevoerd; |
| 2 | 1° voor de opleidingen die erkend zijn als nieuwe opleiding conform artikel II.152; | 2 | 1° voor de opleidingen die erkend zijn als nieuwe opleiding conform artikel II.152; |
| 3 | 2° voor de opleidingen waarvan de studieomvang uitgebreid is of die erkend zijn als onderzoeksmaster, conform hoofdstuk 9, afdeling 4; | 3 | 2° voor de opleidingen waarvan de studieomvang uitgebreid is of die erkend zijn als onderzoeksmaster, conform hoofdstuk 9, afdeling 4; |
| 4 | 2°/1 voor de opleidingen, vermeld in artikel II.160, § 9, waarvan de studieomvang is uitgebreid; | ||
| 4 | 3° voor de opleidingen die geacht geaccrediteerd te zijn conform artikel II.151; | 5 | 3° voor de opleidingen die geacht geaccrediteerd te zijn conform artikel II.151; |
| 5 | 4° voor de opleidingen die een positief accreditatiebesluit met een beperkte geldigheidsduur hebben ontvangen als vermeld in artikel II.170/13, § 4, 2° ; | 6 | 4° voor de opleidingen die een positief accreditatiebesluit met een beperkte geldigheidsduur hebben ontvangen als vermeld in artikel II.170/13, § 4, 2° ; |
| 6 | Het dossier bevat de resultaten en uitkomsten van de regie die het mogelijk maakt de kwaliteit van de opleiding te staven aan de hand van de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1. | 6 | Het dossier bevat de resultaten en uitkomsten van de regie die het mogelijk maakt de kwaliteit van de opleiding te staven aan de hand van de kwaliteitskenmerken, vermeld in artikel II.170/1. |
| 7 | Het beoordelingskader wordt, voor het toegepast kan worden, door de Vlaamse Regering, goedgekeurd na advies van de VLUHR als koepelorganisatie en de studentenkoepelverenigingen. | 7 | Het beoordelingskader wordt, voor het toegepast kan worden, door de Vlaamse Regering, goedgekeurd na advies van de VLUHR als koepelorganisatie en de studentenkoepelverenigingen. |
| 8 | Gezamenlijke opleidingen, die georganiseerd worden door een Vlaamse instelling voor hoger onderwijs samen met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs en die bij succesvolle voltooiing ervan leiden tot een gezamenlijk diploma als vermeld in artikel II.172, § 3, worden beoordeeld aan de hand van de European Approach for Quality Assurance of Joint Programmes, goedgekeurd door de ministers van de Europese Hogeronderwijsruimte. Instellingen kunnen voor de organisatie van die externe beoordeling een beroep doen op een evaluatieorgaan dat bij het European Quality Assurance Register for Higher Education is geregistreerd. Instellingen vragen de accreditatie aan bij de accreditatieorganisatie binnen twee maanden na de publicatie van de externe beoordeling van de opleiding. | 8 | Gezamenlijke opleidingen, die georganiseerd worden door een Vlaamse instelling voor hoger onderwijs samen met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs en die samen een geïntegreerd curriculum aanbieden dat bij succesvolle voltooiing ervan leidt tot multi- of gezamenlijke diplomering, worden beoordeeld aan de hand van de European Approach for Quality Assurance of Joint Programmes, goedgekeurd door de ministers van de Europese Hogeronderwijsruimte. Instellingen kunnen voor de organisatie van die externe beoordeling een beroep doen op een evaluatieorgaan dat bij het European Quality Assurance Register for Higher Education is geregistreerd. Instellingen vragen de accreditatie aan bij de accreditatieorganisatie binnen twee maanden na de publicatie van de externe beoordeling van de opleiding. |
| 2 | Daarenboven moet de student beschikken over 1 van de volgende studiebewijzen: | 2 | Daarenboven moet de student beschikken over 1 van de volgende studiebewijzen: |
| 3 | 1° een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, dat minstens 3 jaar behaald is; | 3 | 1° een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, dat minstens 3 jaar behaald is; |
| 4 | 1°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 3, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025; | ||
| 4 | 2° een diploma van het secundair onderwijs; | 5 | 2° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025; |
| 6 | 2°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025; | ||
| 5 | 3° een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden; | 7 | 3° een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden; |
| 6 | 4° een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden; | 8 | 4° een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden; |
| 1 | Als algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding gelden: | 1 | Als algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding gelden: |
| 2 | 1° een diploma van het secundair onderwijs; | 2 | 1° een diploma van het secundair onderwijs, uitgereikt tot en met het schooljaar 2024-2025; |
| 3 | 1°/1 een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatie niveau 4, uitgereikt vanaf het schooljaar 2024-2025; | ||
| 3 | 2° een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan; | 4 | 2° een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan; |
| 4 | 3° een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid, of | 5 | 3° een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid, of |
| 5 | 4° een diploma of certificaat, uitgereikt in het kader van het hoger beroepsonderwijs; | 6 | 4° een diploma of certificaat, uitgereikt in het kader van het hoger beroepsonderwijs; |
| 7 | 4°/1 een diploma van bachelor of master; | ||
| 6 | 5° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met 1 van de voorgaande diploma’s wordt erkend. | 8 | 5° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met 1 van de voorgaande diploma’s wordt erkend. |
| 7 | Het instellingsbestuur kan personen toelaten die in een land buiten de Europese Unie een diploma of certificaat hebben behaald dat niet als gelijkwaardig is erkend zoals bepaald in punt 5° van lid 1. Dit kan enkel op voorwaarde dat dit document toegang verleent tot een bacheloropleiding in het land waar het is uitgereikt die vergelijkbaar is met een Vlaamse bacheloropleiding én op voorwaarde dat aan de authenticiteitscontrole van de betreffende diploma’s of certificaten is voldaan, voor zover door de Vlaamse overheid maatregelen zijn uitgevaardigd. | 9 | Het instellingsbestuur kan personen toelaten die in een land buiten de Europese Unie een diploma of certificaat hebben behaald dat niet als gelijkwaardig is erkend zoals bepaald in punt 5° van lid 1. Dit kan enkel op voorwaarde dat dit document toegang verleent tot een bacheloropleiding in het land waar het is uitgereikt die vergelijkbaar is met een Vlaamse bacheloropleiding én op voorwaarde dat aan de authenticiteitscontrole van de betreffende diploma’s of certificaten is voldaan, voor zover door de Vlaamse overheid maatregelen zijn uitgevaardigd. |
| 1 | § 1. Voor de inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde geldt naast de algemene toelatingsvoorwaarde, als bijkomende toelatingsvoorwaarde het gunstig gerangschikt zijn op basis van een toelatingsexamen, hierna het toelatingsexamen dierenarts te noemen. Het toelatingsexamen dierenarts wordt georganiseerd door een examencommissie. | ||
| 2 | Het toelatingsexamen dierenarts beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een diergeneeskundige opleiding met succes af te ronden. | ||
| 3 | § 2. Het toelatingsexamen dierenarts is vergelijkend van aard. | ||
| 4 | De kandidaten die ten minste de helft van de punten behalen op elk examenonderdeel, voldoen aan de voorwaarde voor rangschikking. Kandidaten die aan deze voorwaarde voldoen, worden gerangschikt in de volgorde van de behaalde numerieke totaalscore. | ||
| 5 | De gerangschikte kandidaten met de hoogst behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het startquotum, vermeld in paragraaf 3. | ||
| 6 | De lijst met de gunstig gerangschikte kandidaten wordt definitief bekendgemaakt uiterlijk vóór 1 augustus van het jaar waarin het toelatingsexamen dierenarts is georganiseerd. | ||
| 7 | § 3. Het startquotum voor de bacheloropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde bedraagt 240 kandidaten en is gebaseerd op beroeps- en opleidingsgerelateerde parameters. | ||
| 8 | Afhankelijk van de examenresultaten die de kandidaten behalen, kan het startquotum overschreden worden. De cesuur wordt principieel getrokken tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat. | ||
| 9 | De Vlaamse Regering stelt jaarlijks uiterlijk tegen 1 februari het aantal effectieve starters in het lopende academiejaar vast. Indien dit aantal afwijkt van het startquotum dat voor deze opleiding voor dat academiejaar vooropgesteld was, corrigeert de Vlaamse Regering het startquotum voor het volgende academiejaar met dat verschil. | ||
| 10 | Bijkomend kan de Vlaamse Regering bij deze aanpassing van dit startquotum rekening houden met een of meer van de volgende beroeps- en opleidingsgerelateerde criteria: | ||
| 11 | 1° het aantal afgestudeerden in de masteropleiding; | ||
| 12 | 2° het afnemende beroepenveld; | ||
| 13 | 3° de opleidingscapaciteit. | ||
| 14 | § 4. Het toelatingsexamen dierenarts omvat toetsen die betrekking hebben op: | ||
| 15 | 1° wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde, afgestemd op de tweede en de derde graad van het algemeen secundair onderwijs voor de toelatingsexamens georganiseerd tot en met 2024 en afgestemd op de tweede en de derde graad van de doorstroomfinaliteit van het secundair onderwijs voor de toelatingsexamens georganiseerd vanaf 2025; | ||
| 16 | 2° generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van dierenartsen. | ||
| 17 | De Vlaamse Regering legt de nadere regels vast voor de indeling, de wegings-en evaluatiecriteria, met inbegrip van de afrondingsregels, de toetsmethoden en de inhoud van de examens. | ||
| 18 | § 5. Het toelatingsexamen dierenarts wordt georganiseerd conform de volgende regels: | ||
| 19 | 1° het wordt eenmaal per jaar georganiseerd. De organisatie ervan wordt tijdig bekendgemaakt; | ||
| 20 | 2° de Vlaamse Regering kan een examengeld van ten hoogste 50 euro vastleggen als bijdrage in de organisatiekosten. Vanaf 2019 wordt het bedrag aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 januari 2018. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal; | ||
| 21 | 3° de Vlaamse Regering: | ||
| 22 | a) organiseert het toelatingsexamen dierenarts volgens de nadere regels die ze bepaalt en legt die vast in een besluit. Bij de organisatie van het examen wordt voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, in redelijke aanpassingen voorzien; | ||
| 23 | b) legt de modaliteiten vast van de interne beroepsprocedure en de inzageprocedure. De Vlaamse Regering regelt de werking van de examencommissie, vermeld in paragraaf 6, en bepaalt de vergoedingen van de leden; | ||
| 24 | c) bepaalt de nadere regels voor het vergelijkende examen, vermeld in paragraaf 1; | ||
| 25 | 4° de examencommissie, vermeld in paragraaf 6: | ||
| 26 | a) stelt een werkings- en examenreglement op waarin concrete voorschriften zijn opgenomen ter uitvoering van het besluit, vermeld in punt 3° ; | ||
| 27 | b) valideert de examenvragen en evalueert de examenresultaten; | ||
| 28 | c) is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de examens; | ||
| 29 | d) maakt vooraf het examenprogramma bekend en publiceert na afloop van de examens een representatief staal van de examenvragen en antwoorden; | ||
| 30 | 5° de voorzitter van de examencommissie, vermeld in paragraaf 6, maakt de resultaten en de lijst, vermeld in paragraaf 2, bekend. | ||
| 31 | § 6. De toelatingsexamens, vermeld in dit artikel en in artikel II.187, worden georganiseerd door dezelfde examencommissie, zoals omschreven in artikel II.187, § 7. | ||
| 32 | § 7. De toelatingsexamens worden op zodanige wijze georganiseerd dat studenten per academiejaar aan de toelatingsexamens, vermeld in paragraaf 1, en in artikel II.187, §1 en §2, kunnen deelnemen. | ||
| 33 | § 8. De gunstige rangschikking voor het toelatingsexamen dierenarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt alleen aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde als de student uiterlijk op 30 september van dat burgerlijk jaar voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178. | ||
| 34 | § 9. De bijkomende toelatingsvoorwaarde van gunstige rangschikking voor het toelatingsexamen dierenarts, vermeld in paragraaf 1, geldt ook: | ||
| 35 | 1° voor de inschrijving in een bachelor- of masteropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde als de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen of een diploma heeft behaald na een opleiding waarvoor de voormelde bijkomende toelatingsvoorwaarde niet van toepassing is; | ||
| 36 | 2° voor de inschrijving in een bachelor- of masteropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde in geval van een rechtstreekse diplomering als vermeld in artikel II.245. | ||
| 37 | § 10. Studenten die in het academiejaar 2022-2023 ingeschreven zijn in de bachelor-of masteropleiding diergeneeskunde, worden vrijgesteld van het toelatingsexamen dierenarts, vermeld in paragraaf 1. | ||
| 38 | De vrijstelling van het toelatingsexamen dierenarts geldt, met behoud van de toepassing van artikel II.193, ook voor personen die buiten België een diploma van dierenarts hebben behaald en die de toelating hebben om zich aan een universiteit van de Vlaamse Gemeenschap in te schrijven voor een masteropleiding in het studiegebied Diergeneeskunde. | ||
| 39 | § 11. Het bewijs van toelating van een student die gunstig wordt gerangschikt en tijdig voldoet aan de algemene toelatingsvoorwaarde, vermeld in paragraaf 8, blijft onbeperkt geldig. |
| 1 | Onverminderd de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178, wordt de eerste inschrijving voor bepaalde bacheloropleidingen aan de hogescholen of de universiteiten afhankelijk gesteld van de verplichte deelname aan een niet-bindende toelatingsproef. | 1 | § 1. Met behoud van de toepassing van de algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding, vermeld in artikel II.178, wordt de eerste inschrijving voor bepaalde bacheloropleidingen aan de hogescholen of universiteiten afhankelijk gesteld van de verplichte deelname aan een starttoets. Een starttoets is instellingsneutraal, betrouwbaar en valide. Na de afname van de starttoets ontvangen de deelnemers een attest van deelname, dat alleen geldig is voor inschrijving in het lopende academiejaar waarin de test wordt afgenomen of in het academiejaar dat start na de afname van de starttoets. |
| 2 | De niet-bindende toelatingsproef is instellingsneutraal. De resultaten van de niet-bindende toelatingsproef kunnen in geen geval de weigering tot de eerste inschrijving voor een opleiding tot gevolg hebben. Een instelling kan wel beslissen om een remediëring als vermeld in artikel II.246, § 1, 1°, op te leggen aan een student die de vooropgestelde cesuur voor de proef niet behaalt. | ||
| 3 | In uitzonderlijke gevallen kan door de instelling voor een individuele student op gemotiveerde wijze worden afgeweken van de voorwaarde tot verplichte deelname. Ook in dat geval kan de instelling een remediëring opleggen aan die studenten. | ||
| 2 | Een starttoets test startcompetenties die nodig zijn voor het welslagen in de betrokken opleiding. De deelname aan een starttoets gebeurt onder gecontroleerde omstandigheden. Bij de organisatie van een starttoets wordt voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, tweede lid, in redelijke aanpassingen voorzien. | ||
| 3 | Na de afname van de starttoets ontvangt iedere deelnemer een individueel feedbackrapport. Iedere deelnemer heeft het recht om op basis van dit feedbackrapport een gesprek aan te gaan met een studie- of trajectbegeleider in de instelling waar hij zich wenst in te schrijven. | ||
| 4 | De Vlaamse Regering legt, na raadpleging van de VLUHR, bij besluit de lijst vast van de opleidingen waarvoor deelname aan een niet-bindende toelatingsproef een voorwaarde voor inschrijving is. | 4 | De Vlaamse Regering legt, na raadpleging van de VLUHR, bij besluit de lijst vast van de opleidingen waarvoor deelname aan een starttoets een voorwaarde voor inschrijving is. |
| 5 | De hogescholen en universiteiten nemen de bijkomende inschrijvingsvoorwaarde tot het afleggen van een verplichte, niet-bindende toelatingsproef, de modaliteiten waarbinnen dat moet gebeuren, de mogelijke afwijkingen op de verplichte deelname, en, in voorkomend geval, een remediëring die wordt opgelegdin het onderwijs- en examenreglement. | 5 | De hogescholen en universiteiten nemen de bijkomende inschrijvingsvoorwaarde van het afleggen van een starttoets en de verplichte remediëring die wordt opgelegd, op in hun onderwijsreglement. |
| 6 | § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt in de instellingsoverschrijdende reglementen, vermeld in paragraaf 5, opgenomen onder welke voorwaarden en op welke wijze een student of een groep van studenten wordt vrijgesteld van de verplichte deelname aan een starttoets. Elke vrijstelling wordt gemotiveerd. | ||
| 7 | § 3. De resultaten op de starttoetsen kunnen in geen geval de weigering tot inschrijving in de opleiding tot gevolg hebben. | ||
| 8 | De instellingen leggen vanaf het academiejaar 2023-2024 verplichte remediering op aan studenten die de vastgelegde cesuur of cesuren op de starttoets of een toetsonderdeel van de starttoets niet behalen. De cesuur of cesuren voor de starttoetsen worden per toets vastgelegd over de instellingen heen en opgenomen in de instellingsoverschrijdende reglementen, vermeld in paragraaf 5. | ||
| 9 | De instellingen kunnen vanaf het academiejaar 2023-2024 verplichte remediering opleggen aan een student die: | ||
| 10 | 1° is vrijgesteld van deelname aan een starttoets; | ||
| 11 | 2° heeft deelgenomen aan een andere starttoets dan de starttoets die overeenstemt met de opleiding waarvoor de student zich wil inschrijven. | ||
| 12 | De instellingen leggen in de instellingsoverschrijdende reglementen, vermeld in paragraaf 5, vast in welke gevallen ze verplichte remediëring opleggen als vermeld in het derde lid. | ||
| 13 | De verplichte remediëring moet zich richten op die kennis en competenties waarvoor door de starttoets remedieerbare tekorten werden vastgesteld. De instellingen voorzien in een remediëringsaanbod voorafgaand aan de start van het academiejaar alsook in een aanbod dat tijdens het academiejaar intra- of extracurriculair kan opgenomen worden. Elke instelling bepaalt autonoom de omvang en de inhoud van de verplichte remediëring. Indien de remediëring tijdens het academiejaar wordt vormgegeven, mag de omvang van de verplichte remediëring niet meer dan zes studiepunten bedragen. | ||
| 14 | Elke instelling bepaalt autonoom of er evaluatiemomenten of verplichte deelname worden gekoppeld aan de opgelegde remediëring. | ||
| 15 | De VLIR en de VLHORA volgen de validering van de verplichte remediëring en de impact ervan op studenten op. Ze rapporteren hierover jaarlijks aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming. | ||
| 16 | § 4. Een student kan een beroep instellen tegen: | ||
| 17 | 1° zijn resultaten op de starttoets; | ||
| 18 | 2° het niet verkrijgen van een vrijstelling van deelname aan een starttoets; | ||
| 19 | 3° het niet verkrijgen van redelijke aanpassingen bij de deelname aan een starttoets, of de aard van die aanpassingen. | ||
| 20 | De modaliteiten voor het beroep worden vastgelegd in de instellingsoverschrijdende reglementen, vermeld in paragraaf 5. | ||
| 21 | § 5. Alle hogescholen respectievelijk alle universiteiten leggen gezamenlijk binnen respectievelijk de VLHORA en de VLIR een instellingsoverschrijdend reglement vast. Dit bevat minimaal volgende elementen: | ||
| 22 | 1° de cesuur of cesuren voor een starttoets of toetsonderdeel van een starttoets en de consequenties naar verplichte remediëring toe; | ||
| 23 | 2° de consequenties naar verplichte remediëring bij deelname aan een niet-overeenstemmende starttoets of bij vrijstelling van deelname aan een starttoets; | ||
| 24 | 3° de afnamemodaliteiten van de starttoetsen; | ||
| 25 | 4° de vrijstellingen van de verplichte deelname aan een starttoets en de manier waarop de vrijstelling van deelname wordt verleend; | ||
| 26 | 5° de regels over de beroepsprocedure; | ||
| 27 | 6° afspraken rond de toekenning van redelijke aanpassingen bij de deelname aan een starttoets voor studenten met functiebeperkingen als vermeld in artikel II.221, § 2, tweede lid. | ||
| 28 | De instellingsoverschrijdende reglementen worden jaarlijks opgesteld en gevalideerd door respectievelijk de VLHORA en de VLIR volgens hun eigen beslissingsregels. Ze maken deze reglementen over aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, uiterlijk op 15 maart van het jaar waarin de starttoetsen worden afgenomen. De instellingsoverschrijdende reglementen worden door de instellingen openbaar en makkelijk raadpleegbaar gemaakt. | ||
| 29 | § 6. De deelname aan een starttoets is kosteloos. In voorkomend geval genereert ook de opgelegde verplichte remediëring voor de student geen extra kosten, met uitzondering van verschuldigd studiegeld en kosten voor het gebruikelijke cursusmateriaal. |
| 1 | §1. Het instellingsbestuur kan bepalen dat de inschrijving voor sommige masteropleidingen, verder “master-na-masteropleidingen” genoemd, enkel rechtstreeks openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een diploma van een masteropleiding. | 1 | §1. Het instellingsbestuur kan bepalen dat de inschrijving voor sommige masteropleidingen, verder “master-na-masteropleidingen” genoemd, enkel rechtstreeks openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een diploma van een masteropleiding. |
| 2 | Het instellingsbestuur kan de toelating tot een master-na-masteropleiding beperken tot afgestudeerden van masteropleidingen met specifieke opleidingskenmerken. | 2 | Het instellingsbestuur kan de toelating tot een master-na-masteropleiding beperken tot afgestudeerden van masteropleidingen met specifieke opleidingskenmerken. |
| 3 | §2. Op grond van paragraaf 1, tweede lid, wijst het instellingsbestuur voor elke master-na-masteropleiding ten minste 1 masteropleiding aan waarop die master-na-masteropleiding rechtstreeks volgt. Het instellingsbestuur kan de inschrijving wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de bekwaamheid van de student om de master-na-masteropleiding te volgen. Een instelling kan in het studiegebied Geneeskunde daarenboven het aantal inschrijvingen voor een master-na-masteropleiding, rekening houdend met de resultaten van het bekwaamheidsonderzoek, kwantitatief beperken in relatie tot de beschikbare opleidingscapaciteit, waarbij steeds wordt gewerkt op basis van objectieve parameters. Het instellingsbestuur legt de bijkomende inschrijvingsvoorwaarden vast in haar onderwijsreglement, conform artikel II.221, § 1, 5°, b). De beperking van het aantal inschrijvingen in een bepaalde master-na-masteropleiding kan er niet toe leiden dat een student na het behalen van het diploma van master in de geneeskunde geen enkele master-na-masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde kan aanvatten. | 3 | §2. Op grond van paragraaf 1, tweede lid, wijst het instellingsbestuur voor elke master-na-masteropleiding ten minste 1 masteropleiding aan waarop die master-na-masteropleiding rechtstreeks volgt. Het instellingsbestuur kan de inschrijving wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de bekwaamheid van de student om de master-na-masteropleiding te volgen. Een instelling kan in de studiegebieden Geneeskunde en Tandheelkunde daarenboven het aantal inschrijvingen voor een master-na-masteropleiding, rekening houdend met de resultaten van het bekwaamheidsonderzoek, kwantitatief beperken in relatie tot de beschikbare opleidingscapaciteit, waarbij steeds wordt gewerkt op basis van objectieve parameters. Het instellingsbestuur legt de bijkomende inschrijvingsvoorwaarden vast in haar onderwijsreglement, conform artikel II.221, § 1, 5°, b). De beperking van het aantal inschrijvingen in een bepaalde master-na-masteropleiding kan er niet toe leiden dat een student na het behalen van het diploma van master in de geneeskunde geen enkele master-na-masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde kan aanvatten. |
| 4 | Het instellingsbestuur kan voor afgestudeerden van soortgelijke masteropleidingen als de masteropleiding, vermeld in het eerste lid, die gevolgd werden aan een andere onderwijsinstelling, het programma van de master-na-masteropleiding differentiëren naargelang van de graad van inhoudelijke verwantschap, zonder dat de studieomvang aangepast wordt. | 4 | Het instellingsbestuur kan voor afgestudeerden van soortgelijke masteropleidingen als de masteropleiding, vermeld in het eerste lid, die gevolgd werden aan een andere onderwijsinstelling, het programma van de master-na-masteropleiding differentiëren naargelang van de graad van inhoudelijke verwantschap, zonder dat de studieomvang aangepast wordt. |
| 5 | Het instellingsbestuur kan bepalen dat de inschrijving voor een master-na-masteropleiding ook openstaat voor afgestudeerden van andere masteropleidingen dan deze die rechtstreeks toegang geven tot de master-na-masteropleiding, indien zij een voorbereidingsprogramma met succes voltooien. Het instellingsbestuur kan de inhoud en studieomvang van dergelijk voorbereidingsprogramma differentiëren naar gelang van de graad van inhoudelijke verwantschap tussen deze andere masteropleidingen en de in het eerste lid bedoelde masteropleiding. | 5 | Het instellingsbestuur kan bepalen dat de inschrijving voor een master-na-masteropleiding ook openstaat voor afgestudeerden van andere masteropleidingen dan deze die rechtstreeks toegang geven tot de master-na-masteropleiding, indien zij een voorbereidingsprogramma met succes voltooien. Het instellingsbestuur kan de inhoud en studieomvang van dergelijk voorbereidingsprogramma differentiëren naar gelang van de graad van inhoudelijke verwantschap tussen deze andere masteropleidingen en de in het eerste lid bedoelde masteropleiding. |
| 8 | Die verplichting geldt niet voor de bachelor-na-bacheloropleidingen en de master-na-masteropleidingen. | 8 | Die verplichting geldt niet voor de bachelor-na-bacheloropleidingen en de master-na-masteropleidingen. |
| 9 | De instellingen bieden voor de graduaatsopleidingen ten minste één modeltraject aan. De studieomvang ervan per academiejaar kan, in functie van de doelgroep van de opleiding, kleiner zijn dan de omvang vermeld in het eerste lid. | 9 | De instellingen bieden voor de graduaatsopleidingen ten minste één modeltraject aan. De studieomvang ervan per academiejaar kan, in functie van de doelgroep van de opleiding, kleiner zijn dan de omvang vermeld in het eerste lid. |
| 10 | § 4. Een student die zich voor de eerste keer inschrijft in een bepaalde bacheloropleiding in een bepaalde instelling schrijft zich in voor het modeltraject met een studieomvang van 54 tot 66 studiepunten per academiejaar. | ||
| 11 | Deze verplichting geldt niet voor: | ||
| 12 | 1° een student die op grond van zijn dossier een geïndividualiseerd traject als vermeld in paragraaf 2 verkreeg; | ||
| 13 | 2° een student met een bijzonder statuut. De instelling kan voor de groep van studenten met dat bijzonder statuut een modeltraject aanbieden met een afwijkende studieomvang; | ||
| 14 | 3° een student die reeds een bachelor- of masterdiploma heeft behaald of een diploma dat daarmee gelijkwaardig wordt erkend. | ||
| 15 | § 5. Voor bachelor- en masteropleidingen beperkt het instellingsbestuur volgtijdelijkheid tot het moeten gevolgd hebben van een opleidingsonderdeel of opleiding vooraleer een student een ander opleidingsonderdeel kan volgen en hierover een examen kan afleggen. In geval van risico of veiligheidsproblemen kan het instellingsbestuur daarenboven ook vastleggen dat een student moet geslaagd zijn voor een opleidingsonderdeel of een opleiding vooraleer een student een ander opleidingsonderdeel kan volgen en hierover een examen kan afleggen. | ||
| 16 | § 6. Onverminderd de regels rond het leerkrediet heeft een student aan wie in het kader van een bepaalde opleiding een bindende voorwaarde als vermeld in artikel II.246, § 1, derde lid, § 3, tweede lid, en § 4, tweede en derde lid, wordt opgelegd, het recht om binnen het academiejaar waarop de bindende voorwaarde betrekking heeft, minimaal 45 studiepunten in die opleiding op te nemen, tenzij volgtijdelijkheid als vermeld in paragraaf 5 dat niet toelaat. | ||
| 17 | Onverminderd de regels rond het leerkrediet heeft een student aan wie in het kader van een bepaalde opleiding geen bindende voorwaarde als vermeld in artikel II.246, §1, derde lid, §3, tweede lid, en §4, tweede en derde lid, wordt opgelegd en die in een vorig academiejaar niet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen een creditbewijs of een deliberatiecijfer heeft verworven of een tolerantie heeft ingezet, het recht om jaarlijks 72 studiepunten in die opleiding op te nemen, tenzij volgtijdelijkheid als vermeld in paragraaf 5, dat niet toelaat. | ||
| 18 | § 7. Een student die niet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen een creditbewijs of deliberatiecijfer heeft verworven of een tolerantie heeft ingezet, schrijft zich bij een volgende inschrijving in die opleiding ten minste opnieuw in voor alle opleidingsonderdelen waarvoor hij geen creditbewijs of deliberatiecijfer heeft verworven of geen tolerantie heeft ingezet. Als het gaat om een keuzeopleidingsonderdeel of om de opleidingsonderdelen van een bepaalde afstudeerrichting of van een onderwijsvak als vermeld in artikel II.113, kan de student opteren voor een vervangend keuzeopleidingsonderdeel of voor de opleidingsonderdelen van een andere afstudeerrichting of de opleidingsonderdelen van een ander onderwijsvak, binnen de geldende afspraken van de instelling in kwestie. | ||
| 8 | 7° het aantal examenkansen; | 8 | 7° het aantal examenkansen; |
| 9 | 8° de evaluatie- en deliberatieregels; | 9 | 8° de evaluatie- en deliberatieregels; |
| 10 | 9° de mogelijke maatregelen van studievoortgangsbewaking bedoeld in artikel II.246, §1. | 10 | 9° de mogelijke maatregelen van studievoortgangsbewaking bedoeld in artikel II.246. |
| 11 | §2. Het creditcontract omvat ten minste volgende vermeldingen, desgevallend onder verwijzing naar de toepasselijke bepalingen van het onderwijs- en examenreglement: | 11 | §2. Het creditcontract omvat ten minste volgende vermeldingen, desgevallend onder verwijzing naar de toepasselijke bepalingen van het onderwijs- en examenreglement: |
| 12 | 1° het/de opleidingsonderde(e)l(en) waarvoor de student een inschrijving neemt; | 12 | 1° het/de opleidingsonderde(e)l(en) waarvoor de student een inschrijving neemt; |
| 18 | 7° het aantal examenkansen; | 18 | 7° het aantal examenkansen; |
| 19 | 8° de evaluatieregels; | 19 | 8° de evaluatieregels; |
| 20 | 9° de mogelijke maatregelen van studievoortgangsbewaking bedoeld in artikel II.246, §1. | 20 | 9° de mogelijke maatregelen van studievoortgangsbewaking bedoeld in artikel II.246. |
| 21 | §3. Het examencontract omvat ten minste volgende vermeldingen, desgevallend onder verwijzing naar de toepasselijke bepalingen van het onderwijs- en examenreglement: | 21 | §3. Het examencontract omvat ten minste volgende vermeldingen, desgevallend onder verwijzing naar de toepasselijke bepalingen van het onderwijs- en examenreglement: |
| 22 | 1° de in het eerste of het tweede lid bedoelde elementen, naar gelang het gaat om een contract met het oog op het behalen van een graad of een diploma dan wel een contract met het oog op het behalen van een creditbewijs; | 22 | 1° de in het eerste of het tweede lid bedoelde elementen, naar gelang het gaat om een contract met het oog op het behalen van een graad of een diploma dan wel een contract met het oog op het behalen van een creditbewijs; |
| 4 | 2° de helft van het aantal opgenomen studiepunten, afgerond naar het bovenliggende geheel getal, opnieuw toegevoegd aan het individuele leerkrediet als de student verandert tussen 1 december en 15 maart van het desbetreffende academiejaar; | 4 | 2° de helft van het aantal opgenomen studiepunten, afgerond naar het bovenliggende geheel getal, opnieuw toegevoegd aan het individuele leerkrediet als de student verandert tussen 1 december en 15 maart van het desbetreffende academiejaar; |
| 5 | 3° het aantal opgenomen studiepunten afgetrokken van het leerkrediet als de student verandert na 15 maart van het desbetreffende academiejaar. | 5 | 3° het aantal opgenomen studiepunten afgetrokken van het leerkrediet als de student verandert na 15 maart van het desbetreffende academiejaar. |
| 6 | § 3. Het leerkrediet van een student die zich bevindt in een overmachtssituatie en waarvoor een aangepaste examenregeling geen oplossing biedt zoals vastgesteld in het kader van een procedure voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, wordt teruggegeven voor de opgenomen studiepunten die betrekking hebben op de opleidingsonderdelen waarover de student geen examen heeft kunnen afleggen. | 6 | § 3. Een student die zich in een overmachtssituatie bevond waardoor hij niet kon deelnemen aan alle of een gedeelte van de examens voor de opleidingsonderdelen waarvoor hij in een academiejaar studiepunten opgenomen heeft, kan een verzoek indienen om de opgenomen studiepunten waarover de student geen examen heeft kunnen afleggen, terug toe te voegen aan zijn leerkrediet. |
| 7 | De student dient zijn verzoek in bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Het verzoek wordt ingediend uiterlijk binnen een termijn van drie jaar die ingaat op 1 september van het academiejaar waarop het verzoek betrekking heeft. | ||
| 7 | a) de inhoud en de doelstellingen van de opleiding, het opleidingsprogramma en de indeling in opleidingsonderdelen; | 7 | a) de inhoud en de doelstellingen van de opleiding, het opleidingsprogramma en de indeling in opleidingsonderdelen; |
| 8 | b) in voorkomend geval : de afstudeerrichtingen; | 8 | b) in voorkomend geval : de afstudeerrichtingen; |
| 9 | c) de volgtijdelijkheid van de onderscheiden opleidingsonderdelen; | ||
| 9 | c) de volgtijdelijkheid van de onderscheiden opleidingsonderdelen, en in voorkomend geval de risico's of veiligheidsproblemen op basis waarvan die volgtijdelijkheid wordt opgelegd; | ||
| 10 | d) de organisatie van de opleiding in de vorm van modeltrajecten en geïndividualiseerde trajecten; | 10 | d) de organisatie van de opleiding in de vorm van modeltrajecten en geïndividualiseerde trajecten; |
| 11 | 4° voor elk opleidingsonderdeel : de doelstellingen van het opleidingsonderdeel (aard, inhoud, profiel) ; | 11 | 4° voor elk opleidingsonderdeel : de doelstellingen van het opleidingsonderdeel (aard, inhoud, profiel) ; |
| 54 | 18° de regelen inzake de organisatie van informatiesessies voor studenten die zich voor de eerste maal inschrijven aan de instelling; | 54 | 18° de regelen inzake de organisatie van informatiesessies voor studenten die zich voor de eerste maal inschrijven aan de instelling; |
| 55 | 19° de procedure die studenten met functiebeperkingen dienen te volgen om redelijke aanpassingen aan te vragen en de wijze waarop ze binnen de instelling beroep kunnen aantekenen tegen een weigering van aanpassingen; | 55 | 19° de procedure die studenten met functiebeperkingen dienen te volgen om redelijke aanpassingen aan te vragen en de wijze waarop ze binnen de instelling beroep kunnen aantekenen tegen een weigering van aanpassingen; |
| 56 | 20° in voorkomend geval: de bijkomende inschrijvingsvoorwaarde tot het afleggen van een verplichte , niet-bindende toelatingsproef als vermeld in artikel II.188/1, de modaliteiten waarbinnen dat moet gebeuren, de mogelijke afwijkingen op de verplichte deelname, en, in voorkomend geval de remediëring die wordt opgelegd. | 56 | 20° in voorkomend geval: de bijkomende inschrijvingsvoorwaarde van het afleggen van een starttoets en de verplichte remediëring, vermeld in artikel II.188/1, die wordt opgelegd met verwijzing naar het geldende instellingsoverschrijdend reglement; |
| 57 | 21° de maatregelen van studievoortgangsbewaking die kunnen worden opgelegd conform artikel II.246; | ||
| 58 | 22° de wijze waarop omgegaan wordt met overmacht en bijzondere individuele omstandigheden in het kader van de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in artikel II.246; | ||
| 59 | 23° de grens vanaf wanneer een inschrijving kan geweigerd worden in eenzelfde initiële bacheloropleiding, vermeld in artikel II.246, § 3, vierde lid; | ||
| 60 | 24° de grens vanaf wanneer een instelling studieadvies geeft, vermeld in artikel II.246, § 10; | ||
| 61 | 25° de bijzondere statuten toegekend aan een groep van studenten en de voorwaarden en modaliteiten voor de toekenning hiervan | ||
| 57 | §2. De in paragraaf 1, 19° vermelde interne beroepsprocedure beantwoordt minimaal aan de volgende voorwaarden : | 62 | §2. De in paragraaf 1, 19° vermelde interne beroepsprocedure beantwoordt minimaal aan de volgende voorwaarden : |
| 58 | 1° het beroep wordt behandeld door personen die onafhankelijk zijn van de partijen en die niet rechtstreeks betrokken waren bij de beslissing tot weigering van de gevraagde aanpassingen; | 63 | 1° het beroep wordt behandeld door personen die onafhankelijk zijn van de partijen en die niet rechtstreeks betrokken waren bij de beslissing tot weigering van de gevraagde aanpassingen; |
| 4 | §2. Het onderwijs- en examenreglement kan de gevallen bepalen waarin een creditbewijs met een bepaalde graad van verdienste wordt verleend. | 4 | §2. Het onderwijs- en examenreglement kan de gevallen bepalen waarin een creditbewijs met een bepaalde graad van verdienste wordt verleend. |
| 5 | §3. Een creditbewijs blijft onbeperkt geldig binnen de betrokken opleiding aan de instelling waar dit werd behaald. | 5 | §3. Een creditbewijs blijft onbeperkt geldig binnen de betrokken opleiding aan de instelling waar dit werd behaald. |
| 6 | Het instellingsbestuur kan evenwel na verloop van vijf jaar, als het instellingsbestuur substantiële verschillen kan aantonen tussen de competenties die de student volgens het creditbewijs heeft verworven en de huidige beoogde competenties van een opleidingsonderdeel, de student opleggen om die substantiële verschillen te overbruggen door een of meer opleidingsonderdelen volledig of gedeeltelijk op te nemen. De voormelde termijn van vijf jaar wordt berekend vanaf de eerste dag van de maand oktober die volgt op het academiejaar waarin het creditbewijs is verworven. | ||
| 6 | § 4. De hogeronderwijsinstellingen garanderen dat een student bij aanpassingen aan het curriculum zijn reeds verworven studiepunten kan valideren binnen het vernieuwde studieprogramma. De instellingen voorzien hiertoe in de noodzakelijke overgangsmaatregelen in het onderwijs- en examenreglement als vermeld in artikel II.222, 13°. | 7 | § 4.Met behoud van de toepassing van paragraaf 3, tweede lid, garanderen de hogeronderwijsinstellingen dat een student bij aanpassingen aan het curriculum zijn reeds verworven studiepunten kan valideren binnen het vernieuwde studieprogramma. De instellingen voorzien hiertoe in de noodzakelijke overgangsmaatregelen in het onderwijs- en examenreglement als vermeld in artikel II.222, 13°. |
| 1 | De student wordt door de examencommissie voor het geheel van de opleiding geslaagd verklaard als die op gemotiveerde wijze van oordeel is dat de doelstellingen van het opleidingsprogramma globaal verwezenlijkt zijn . De toepassing van dit artikel verwacht dat de student kan aantonen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden en dat hij kan aantonen dat hij de doelstellingen globaal genomen behaald heeft. | 1 | De examencommissie kan een student op gemotiveerde wijze voor het geheel van de opleiding geslaagd verklaren. De examencommissie toetst haar eindoordeel aan de doelstellingen van de opleiding en de eventuele verbijzondering die de student hiervan maakte door zijn opname van specifieke verbredings- of verdiepingskeuzes. De toepassing van dit artikel verwacht ten minste dat de student aangetoond heeft dat er sprake is van bijzondere persoonlijke of familiale omstandigheden en dat voornoemde doelstellingen bereikt werden. |
| 2 | Het feit dat een student globaal geslaagd wordt verklaard, betekent niet dat hij in aanmerking komt voor een creditbewijs voor die opleidingsonderdelen waarvoor hij niet is geslaagd. | 2 | Het feit dat een student globaal geslaagd wordt verklaard, betekent niet dat hij in aanmerking komt voor een creditbewijs voor die opleidingsonderdelen waarvoor hij niet is geslaagd. |
| 1 | § 1. Het instellingsbestuur kan maatregelen van studievoortgangsbewaking nemen: | ||
| 2 | 1° als een student de cesuur voor de proef niet behaalt als vermeld in artikel 188/1, tweede lid, of niet aan de voorwaarde tot verplichte deelname aan die proef heeft voldaan, kan de instelling een remediëring opleggen; | ||
| 1 | § 1. Voor een student aan wie verplichte remediëring als vermeld in artikel II.188/1, § 3, tweede en derde lid, werd opgelegd, gelden de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in het tweede, het derde en het vierde lid. | ||
| 2 | Als een student niet heeft deelgenomen aan de hem opgelegde verplichte remediëring, kan de instelling hiermee rekening houden bij zijn deliberatie. | ||
| 3 | Als een student niet heeft deelgenomen aan de hem opgelegde verplichte remediëring, kan de instelling bindende voorwaarden opleggen. | ||
| 4 | Als een student een opgelegde bindende voorwaarde niet naleeft, kan de inschrijving van deze student een volgend academiejaar geweigerd worden door dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd. | ||
| 5 | § 2. Voor een student in het hoger beroepsonderwijs gelden de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in het tweede en het derde lid. | ||
| 6 | Als een student geen 60% van de ingeschreven studiepunten van een opleiding van het hoger onderwijs verworven heeft in een vorig academiejaar, kan bij een inschrijving in een opleiding van het hoger beroepsonderwijs aan dezelfde of een andere instelling de instelling aan die student een bindende voorwaarde opleggen. | ||
| 7 | Als een student een opgelegde bindende voorwaarde niet naleeft, kan de inschrijving van de student een volgend academiejaar geweigerd worden door dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd. | ||
| 8 | § 3. Voor een student die bij elke eerste inschrijving in een bepaalde initiële bacheloropleiding geen creditbewijs of deliberatiecijfer heeft verworven of geen tolerantie heeft ingezet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen van die inschrijving, gelden de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid. | ||
| 9 | Als een student na zijn eerste inschrijving geen creditbewijs of deliberatiecijfer heeft verworven of geen tolerantie heeft ingezet voor alle opgenomen opleidingsonderdelen moet hij deze bij zijn tweede inschrijving in een volgend academiejaar in dezelfde opleiding verwerven. Deze bepaling blijft gelden als een student een keuzeopleidingsonderdeel bij zijn tweede inschrijving heeft vervangen door een ander keuzeopleidingsonderdeel. Deze bepaling geldt niet als een student van afstudeerrichting of van onderwijsvak als vermeld in artikel II.113, verandert. | ||
| 10 | Als een student niet voldoet aan deze bindende voorwaarde, kan hij zich niet opnieuw inschrijven in de desbetreffende opleiding. | ||
| 11 | Als een student na zijn eerste inschrijving een studierendement behaalt waaruit blijkt dat een volgende inschrijving in deze opleiding geen positief resultaat zal opleveren, kan de instelling de inschrijving in dezelfde initiële bacheloropleiding weigeren. De instelling bepaalt autonoom de grens vanaf wanneer een inschrijving kan geweigerd worden en legt dit vast in het onderwijsreglement. | ||
| 12 | § 4. Voor een student die niet in een opleiding van het hoger beroepsonderwijs is ingeschreven, gelden de maatregelen van studievoortgangsbewaking, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid. | ||
| 3 | 1°/1 als een student geen 60% van de ingeschreven studiepunten verworven heeft een vorig academiejaarkan bij een nieuwe inschrijving aan eenzelfde of andere instelling een bindende voorwaarde opgelegd worden. | 13 | Als een student geen 60% van de ingeschreven studiepunten verworven heeft in een vorig academiejaar, kan bij een nieuwe inschrijving aan eenzelfde of andere instelling de instelling een bindende voorwaarde opleggen. |
| 4 | Deze bindende voorwaarden betreffen in beginsel geen evaluatieen/of deliberatiecriteria die strenger zijn dan de regels die in de instelling algemeen gelden. | ||
| 5 | Het instellingsbestuur kan de studievoortgang van de student wel afhankelijk maken van een deliberatie door het orgaan of de persoon die verantwoordelijk is voor de bepaling van de studievoortgang; | ||
| 14 | Als een student na twee inschrijvingen voor een opleidingsonderdeel geen creditbewijs of deliberatiecijfer verworven heeft of geen tolerantie ingezet heeft voor het betrokken opleidingsonderdeel, kan een volgende inschrijving geweigerd worden of kan bij een nieuwe inschrijving in dezelfde opleiding aan dezelfde instelling de instelling aan die student een bindende voorwaarde opleggen. | ||
| 6 | 1°/2 als een student een opgelegde bindende voorwaarde niet naleeftkan de inschrijving van de student een volgend academiejaar geweigerd worden door dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd; | 15 | Als een student een opgelegde bindende voorwaarde niet naleeft, kan de inschrijving van deze student een volgend academiejaar geweigerd worden door dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd. |
| 7 | 2° indien uit de gegevens van het dossier blijkt dat een volgende inschrijving in het hoger onderwijs geen positief resultaat zal opleveren kan de inschrijving van de student geweigerd worden. | 16 | § 5. Als uit de gegevens van het individueel dossier van een student blijkt dat een volgende inschrijving in het hoger onderwijs geen positief resultaat zal opleveren kan een instelling de inschrijving van de student op gemotiveerde wijze weigeren. |
| 17 | § 6. De bindende voorwaarden die een instelling kan opleggen overeenkomstig dit artikel, worden autonoom bepaald door de instelling. Een instelling kan afwijken van het opleggen van een bindende voorwaarde of van het weigeren van een inschrijving van een student overeenkomstig dit artikel indien een student overmacht of bijzondere individuele omstandigheden kan aantonen. | ||
| 18 | § 7. De maatregelen van studievoortgangsbewaking worden opgenomen in het onderwijsreglement, evenals de wijze waarop overmacht en bijzondere individuele omstandigheden kunnen worden ingeroepen. | ||
| 19 | § 8. De student van wie de inschrijving in een bepaalde opleiding is geweigerd conform paragraaf 3, derde lid, kan zich opnieuw inschrijven in dezelfde opleiding als hij na de weigering tot inschrijving een diploma van het hoger onderwijs heeft verworven, of na een wachttijd van zes academiejaren die volgen op het academiejaar waarin de inschrijving is geweigerd. | ||
| 8 | § 2. Het instellingsbestuur kan in bijzondere gevallen en op objectieve gronden de stage of een ander praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig beëindigen, als de student door zijn gedragingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een beroep waartoe de opleiding die hij volgt, hem opleidt. | 20 | § 9. De instelling kan in bijzondere gevallen en op objectieve gronden de stage of een ander praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig beëindigen, als een student door zijn gedragingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een beroep waartoe de opleiding die hij volgt, hem opleidt. |
| 9 | De student van wie de stage of het praktische opleidingsonderdeel met toepassing van het eerste lid is beëindigd, heeft geen recht op een tweede examenkans als vermeld in artikel II.223, tenzij aan de opgelegde bindende voorwaarden is voldaan. | 21 | De student van wie de stage of het praktische opleidingsonderdeel met toepassing van het eerste lid is beëindigd, heeft geen recht op een tweede examenkans als vermeld in artikel II.223. |
| 10 | De beslissing om een stage of praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig te beëindigen, wordt omstandig gemotiveerd. | 22 | De beslissing om een stage of praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig te beëindigen, wordt omstandig gemotiveerd. |
| 23 | § 10. De instelling geeft een studieadvies aan iedere student die na zijn eerste examenperiode een beperkt aantal studiepunten verworven heeft. De instelling bepaalt autonoom de inhoud van dat advies, de grens vanaf wanneer en de wijze waarop dat advies wordt verleend. | ||
| 24 | § 11. Iedere student heeft het recht om een gesprek aan te gaan met een studie-of trajectbegeleider. | ||
| 25 | § 12. De bepalingen in dit artikel worden vijf jaar na de inwerkingtreding ervan geëvalueerd. De uitkomsten van de evaluatie worden samengebracht in een openbaar verslag. |
| 1 | Er wordt een Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, verder "de Raad" genoemd, opgericht bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. | 1 | Er wordt een Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, verder "de Raad" genoemd, opgericht bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. |
| 2 | De Raad doet als administratief rechtscollege uitspraak over de beroepen die door studenten of personen op wie de beslissing betrekking heeft, worden ingesteld tegen studievoortgangsbeslissingen, na uitputting van de in afdeling 2 bedoelde interne beroepsprocedure. De Raad doet als administratief rechtscollege uitspraak over de verzoeken die studenten in uitvoering van artikel II.204 rechtstreeks bij hem indienen om hun leerkrediet aan te passen omdat ze zich in een overmachtsituatie bevonden en de instelling voor hen geen aangepaste examenregeling heeft geboden. | 2 | De Raad doet als administratief rechtscollege uitspraak over de beroepen die door studenten of personen op wie de beslissing betrekking heeft, worden ingesteld tegen studievoortgangsbeslissingen, na uitputting van de in afdeling 2 bedoelde interne beroepsprocedure. De Raad doet als administratief rechtscollege uitspraak over de verzoeken die studenten in uitvoering van artikel II.204 rechtstreeks bij hem indienen om hun leerkrediet aan te passen omdat ze zich in een overmachtsituatie bevonden. |
| 3 | De beslissingen genomen door het instellingsbestuur en door de Vlaamse overheid en de instellingen in het gestructureerd overleg op grond van de procedure bedoeld in artikel IV.93, kunnen worden aangevochten voor de Raad. De Raad beoordeelt of de bestreden vermeldingen in overeenstemming zijn met de decretale en reglementaire bepalingen en, desgevallend, met de van toepassing zijnde onderwijs- en examenreglementen. De behandeling van een verzoekschrift ter zake door de Raad leidt tot de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of ongegrondheid ervan, of tot de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen beslissing. In dat laatste geval brengt het instellingsbestuur of de door de Vlaamse overheid en de instellingen in het gestructureerd overleg aangewezen persoon de bestreden vermelding onverwijld in overeenstemming met de dragende redenen die hebben geleid tot de uitspraak van de Raad. | 3 | De beslissingen genomen door het instellingsbestuur en door de Vlaamse overheid en de instellingen in het gestructureerd overleg op grond van de procedure bedoeld in artikel IV.93, kunnen worden aangevochten voor de Raad. De Raad beoordeelt of de bestreden vermeldingen in overeenstemming zijn met de decretale en reglementaire bepalingen en, desgevallend, met de van toepassing zijnde onderwijs- en examenreglementen. De behandeling van een verzoekschrift ter zake door de Raad leidt tot de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of ongegrondheid ervan, of tot de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen beslissing. In dat laatste geval brengt het instellingsbestuur of de door de Vlaamse overheid en de instellingen in het gestructureerd overleg aangewezen persoon de bestreden vermelding onverwijld in overeenstemming met de dragende redenen die hebben geleid tot de uitspraak van de Raad. |
| 4 | Personen die nog niet ingeschreven zijn aan een instelling voor hoger onderwijs kunnen tegen een beslissing over een aanvraag om vrijstelling op grond van EVK’s of van een bewijs van bekwaamheid maar 1 keer een beroep instellen bij de Raad ingeval ze in een periode van 4 jaar een aanvraag met dezelfde of vergelijkbare strekking hebben ingediend bij meerdere instellingen. Een dergelijk beroep dat een tweede keer is ingesteld, is onontvankelijk. | 4 | Personen die nog niet ingeschreven zijn aan een instelling voor hoger onderwijs kunnen tegen een beslissing over een aanvraag om vrijstelling op grond van EVK’s of van een bewijs van bekwaamheid maar 1 keer een beroep instellen bij de Raad ingeval ze in een periode van 4 jaar een aanvraag met dezelfde of vergelijkbare strekking hebben ingediend bij meerdere instellingen. Een dergelijk beroep dat een tweede keer is ingesteld, is onontvankelijk. |
| 67 | 440.000 | 67 | 440.000 |
| 68 | 880.000 | 68 | 880.000 |
| 69 | 2023 | 69 | vanaf 2023 |
| 70 | 450.000 | 70 | 450.000 |
| 71 | 900.000 | 71 | 900.000 |
| 79 | In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering het bedrag voor een onderzoeksmaster aanpassen tot maximum 92.394 euro op basis van een gemotiveerd verzoek van de betrokken instelling. Het in paragraaf 6 vastgestelde maximaal bedrag per universiteit kan hierbij niet overschreden worden. | 79 | In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering het bedrag voor een onderzoeksmaster aanpassen tot maximum 92.394 euro op basis van een gemotiveerd verzoek van de betrokken instelling. Het in paragraaf 6 vastgestelde maximaal bedrag per universiteit kan hierbij niet overschreden worden. |
| 80 | §8. Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het aandeel in het onderwijsvariabel deel VOWun dat de opleidingen bachelor in de geneeskunde, master in de geneeskunde, master in de huisartsgeneeskunde van de 4 universiteiten die zowel de bacheloropleiding als masteropleiding in de geneeskunde en masteropleiding in de huisartsgeneeskunde aanbieden, genereren, vastgelegd op een bepaald percentage, zijnde het gemiddeld procentueel aandeel dat die opleidingen in VOWun van de begrotingsjaren 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 genereren. Dit bedrag wordt dan verdeeld onder de 4 universiteiten op basis van het aandeel dat elke universiteit (Universiteit Gent, Universiteit Antwerpen, Vrije Universiteit Brussel en Katholieke Universiteit Leuven) in het aantal uitgereikte diploma’s in de bacheloropleiding geneeskunde en de masteropleidingen – master in de geneeskunde, master in de huisartsgeneeskunde en master in de specialistische geneeskunde – genereert. | 80 | §8. Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het aandeel in het onderwijsvariabel deel VOWun dat de opleidingen bachelor in de geneeskunde, master in de geneeskunde, master in de huisartsgeneeskunde van de 4 universiteiten die zowel de bacheloropleiding als masteropleiding in de geneeskunde en masteropleiding in de huisartsgeneeskunde aanbieden, genereren, vastgelegd op een bepaald percentage, zijnde het gemiddeld procentueel aandeel dat die opleidingen in VOWun van de begrotingsjaren 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 genereren. Dit bedrag wordt dan verdeeld onder de 4 universiteiten op basis van het aandeel dat elke universiteit (Universiteit Gent, Universiteit Antwerpen, Vrije Universiteit Brussel en Katholieke Universiteit Leuven) in het aantal uitgereikte diploma’s in de bacheloropleiding geneeskunde en de masteropleidingen – master in de geneeskunde, master in de huisartsgeneeskunde en master in de specialistische geneeskunde – genereert. |
| 81 | § 9. Vanaf het begrotingsjaar 2026 wordt het aandeel in het variabele onderwijsdeel VOWun dat de opleidingen bachelor in de diergeneeskunde en master in de diergeneeskunde, aangeboden door de Universiteit Gent en de Universiteit Antwerpen, genereren, vastgelegd op een bepaald percentage, namelijk het procentuele aandeel dat die opleidingen in VOWun van het begrotingsjaar 2022 genereren. Dat percentage wordt verdeeld onder de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Gent op basis van het aandeel van die universiteiten in het aantal uitgereikte diploma's in de bacheloropleiding en masteropleiding diergeneeskunde in de periode 20132014 tot en met 2017-2018. | ||
| 17 | 1° in het begrotingsjaar 2022 gelijk aan de som van de producten van het aantal verworven studiepunten per opleiding, vermeld in paragraaf 4, voor het academiejaar 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19; | 17 | 1° in het begrotingsjaar 2022 gelijk aan de som van de producten van het aantal verworven studiepunten per opleiding, vermeld in paragraaf 4, voor het academiejaar 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19; |
| 18 | 2° in het begrotingsjaar 2023 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal verworven studiepunten per opleiding, vermeld in paragraaf 4, over de academiejaren 2020-2021 en 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19; | 18 | 2° in het begrotingsjaar 2023 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal verworven studiepunten per opleiding, vermeld in paragraaf 4, over de academiejaren 2020-2021 en 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19; |
| 19 | 3° vanaf het begrotingsjaar 2023 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal verworven studiepunten per opleiding, vermeld in paragraaf 4, over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19. | 19 | 3° vanaf het begrotingsjaar 2024 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal verworven studiepunten per opleiding, vermeld in paragraaf 4, over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19. |
| 20 | § 4. Voor de vaststelling van het aantal verworven studiepunten per opleiding wordt het aantal studiepunten in aanmerking genomen waarvoor een student onder diplomacontract een creditbewijs ontvangen heeft : | 20 | § 4. Voor de vaststelling van het aantal verworven studiepunten per opleiding wordt het aantal studiepunten in aanmerking genomen waarvoor een student onder diplomacontract een creditbewijs ontvangen heeft : |
| 21 | 1° voor de berekening van FPi-output-initieel : | 21 | 1° voor de berekening van FPi-output-initieel : |
| 23 | 1° in het begrotingsjaar 2022 gelijk aan de som van de producten van het aantal uitgereikte diploma's per opleiding, vermeld in paragraaf 5, voor het academiejaar 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19, en de doorstroombonus, vermeld in paragraaf 6; | 23 | 1° in het begrotingsjaar 2022 gelijk aan de som van de producten van het aantal uitgereikte diploma's per opleiding, vermeld in paragraaf 5, voor het academiejaar 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19, en de doorstroombonus, vermeld in paragraaf 6; |
| 24 | 2° in het begrotingsjaar 2023 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal uitgereikte diploma's per opleiding, vermeld in paragraaf 5, over de academiejaren 2020-2021 en 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19, en de doorstroombonus, vermeld in paragraaf 6; | 24 | 2° in het begrotingsjaar 2023 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal uitgereikte diploma's per opleiding, vermeld in paragraaf 5, over de academiejaren 2020-2021 en 2019-2020, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19, en de doorstroombonus, vermeld in paragraaf 6; |
| 25 | 3° vanaf het begrotingsjaar 2023 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal uitgereikte diploma's per opleiding, vermeld in paragraaf 5, over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19, en de doorstroombonus, vermeld in paragraaf 6. | 25 | 3° vanaf het begrotingsjaar 2024 gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal uitgereikte diploma's per opleiding, vermeld in paragraaf 5, over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2, en het overeenkomstige puntengewicht, vermeld in artikel III.19, en de doorstroombonus, vermeld in paragraaf 6. |
| 26 | § 5. Voor de vaststelling van het aantal uitgereikte diploma's per opleiding komen in aanmerking : | 26 | § 5. Voor de vaststelling van het aantal uitgereikte diploma's per opleiding komen in aanmerking : |
| 27 | 1° voor de berekening van FPi-diploma-initieel : | 27 | 1° voor de berekening van FPi-diploma-initieel : |
| 23 | 2016 en 2017 | 23 | 2016 en 2017 |
| 24 | 2018 en 2019 | 24 | 2018 en 2019 |
| 25 | 2020 en 2021 | ||
| 25 | vanaf 2020 | ||
| 26 | diploma’s | 26 | diploma’s |
| 27 | 0,24 | 27 | 0,24 |
| 1 | § 1. Indien de student een aanvraag indient voor een studietoelage maar voor het academiejaar in kwestie meer studiepunten opneemt dan hij beschikbaar heeft op zijn studietoelagekrediet, wordt het jokerkrediet aangesproken indien hij hiervoor een studietoelage kan ontvangen. | 1 | § 1. Indien de student een aanvraag indient voor een studietoelage maar voor het academiejaar in kwestie meer studiepunten opneemt dan hij beschikbaar heeft op zijn studietoelagekrediet, wordt het jokerkrediet aangesproken indien hij hiervoor een studietoelage kan ontvangen. |
| 2 | Het jokerkrediet wordt aangesproken om het studietoelagekrediet aan te vullen voor zover en in de mate dat het aantal opgenomen studiepunten het studietoelagekrediet overschrijdt, met een maximum van zestig studiepunten. | 2 | Het jokerkrediet wordt aangesproken om het studietoelagekrediet aan te vullen voor zover en in de mate dat het aantal opgenomen studiepunten het studietoelagekrediet overschrijdt, met een maximum van zestig studiepunten. |
| 3 | § 2. Het jokerkrediet omvat bij de eerste aanvraag voor een studietoelage zestig studiepunten. Het jokerkrediet wordt aangevuld met het aantal studiepunten dat aan een student die met een diplomacontract was ingeschreven werd teruggegeven conform de bepalingen, vermeld in artikel II.204, § 3, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013. | ||
| 3 | § 2. Het jokerkrediet omvat zestig studiepunten, en geldt voor de hele studieduur. | 4 | Het jokerkrediet geldt voor de hele studieduur. |