Decreet tot wijziging van artikel 37 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, wat betreft de langdurige gesloten begeleiding
1 artikel gewijzigd
| 1 | § 1. De jeugdrechtbank kan een minderjarige delictpleger toevertrouwen aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar als vermeld in artikel 29, § 2, eerste lid, 8°. De maximumduur kan niet meer bedragen dan de strafmaat die voorzien is als zou het feit zijn gepleegd door een meerderjarige. Elke maatregel voorzien in artikel 20, § 2, 4°, tot het toevertrouwen aan een gesloten afdeling in de gemeenschapsinstelling voor een gesloten oriëntatie en artikel 20, § 2, 5°, tot het toevertrouwen aan een gesloten afdeling in de gemeenschapsinstelling voor een gesloten begeleiding ondergaan ten gevolge van het jeugddelict dat tot het opleggen van deze sanctie aanleiding geeft, wordt toegerekend op de duur van de opgelegde sanctie. | ||
| 2 | De sanctie, vermeld in het eerste lid, kan alleen in de uitzonderlijke omstandigheden, vermeld in paragraaf 4, tweede en derde lid, worden uitgesproken ten aanzien van personen die nog geen zestien jaar waren op het ogenblik van het plegen van het jeugddelict. | ||
| 3 | § 2. De sanctie, vermeld in paragraaf 1, wordt uitgesproken met een bijzonder met redenen omkleed vonnis, en kan alleen worden uitgesproken als aan al de volgende voorwaarden cumulatief voldaan is: | ||
| 4 | 1° de minderjarige delictpleger is zestien jaar of meer op het ogenblik van het plegen van het jeugddelict; | ||
| 5 | 2° er is een vermoeden van schuldbekwaamheid aanwezig. Het betreft een weerlegbaar vermoeden, rekening houdend met de persoonlijkheid en maturiteit van voormelde minderjarige en zijn sociale context; | ||
| 6 | 3° elke andere sanctie is ongepast of heeft gefaald; | ||
| 7 | 4° het jeugddelict dat voormelde minderjarige gepleegd heeft, is een feit als vermeld in de artikelen 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 373, 375, 376, 379, 393, 394, 395, 396, 397, 400, 401, 417ter, 417quater, 428, § 5, 468, 469, 470, 471, 472, 473, 474 en 475 van het Strafwetboek voor zover deze strafbaar zijn met meer dan vijf jaar opsluiting; | ||
| 8 | 5° de fysieke en psychische integriteit van voormelde minderjarige of van derden is in gevaar; | ||
| 9 | 6° een gesloten begeleiding is noodzakelijk. | ||
| 10 | § 3. De sanctie, vermeld in paragraaf 1, houdt een gesloten begeleiding binnen een afdeling van een gemeenschapsinstelling in, gericht op begeleiding en re-integratie, vanaf de datum van de plaatsing tot de dag van de eerstvolgende zittingsdag van de jeugdrechtbank na de dag waarop de minderjarige delictpleger, vermeld in paragraaf 1, de leeftijd van achttien jaar bereikt. Op deze zitting verschijnt de minderjarige delictpleger persoonlijk voor een evaluatie en om een vervolgtraject uit te werken. De sanctie, vermeld in paragraaf 1, kan zich niet verder uitstrekken dan tot de dag waarop de minderjarige delictpleger de leeftijd van vijfentwintig jaar bereikt. | ||
| 11 | § 4. In afwijking van paragraaf 2, 1°, kan de jeugdrechtbank de sanctie, vermeld in paragraaf 1, bevelen ten aanzien van minderjarige delictplegers die nog geen zestien jaar waren op het ogenblik van het plegen van het jeugddelict. | ||
| 12 | Als de cumulatieve voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 2°, 3°, 5° en 6°, vervuld zijn, en als het jeugddelict gepleegd is door een minderjarige die op het ogenblik van de feiten minstens twaalf jaar was en de volle leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt, kan de sanctie, vermeld in paragraaf 1, alleen worden opgelegd als het jeugddelict dat de voormelde minderjarige gepleegd heeft, een feit is als vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 376, 393, 394, 395, 396, 397 en 475 van het Strafwetboek, en de voormelde feiten strafbaar zijn met meer dan tien jaar opsluiting, of een feit is als vermeld in artikel 375 van het Strafwetboek. De maximale duur van de sanctie bedraagt twee jaar. De minderjarige delictpleger wordt geplaatst in de voorbehouden capaciteit, vermeld in artikel 40, § 3, eerste lid, van dit decreet. | ||
| 13 | Als de cumulatieve voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 2°, 3°, 5° en 6°, vervuld zijn, en als het jeugddelict gepleegd is door een minderjarige die op het ogenblik van de feiten minstens veertien jaar was en de volle leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, kan de sanctie, vermeld in paragraaf 1, alleen worden opgelegd als het jeugddelict dat de voormelde minderjarige gepleegd heeft, een feit is als vermeld in artikel 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 376, 393, 394, 395, 396, 397 en 475 van het Strafwetboek, en de voormelde feiten strafbaar zijn met meer dan tien jaar opsluiting, of een feit is als vermeld in artikel 375 van het Strafwetboek. De maximale duur van de sanctie bedraagt vijf jaar. | ||
| 14 | § 5. De minderjarige delictpleger, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, en paragraaf 4, tweede en derde lid, verschijnt halfjaarlijks, persoonlijk voor de jeugdrechtbank met het oog op de evaluatie van de opgelegde sanctie en in voorkomend geval voor het uitwerken en opleggen van een vervolgtraject. | ||
| 15 | Vanaf de leeftijd van achttien jaar verschijnen de minderjarige delictplegers jaarlijks voor de evaluatie van de opgelegde sanctie, en in voorkomend geval voor het uitwerken en opleggen van een vervolgtraject. | ||
| 16 | § 6. De jeugdrechtbank kan de sanctie, vermeld in paragraaf 1, alleen opleggen nadat zij maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken heeft laten verrichten door een multidisciplinair samengesteld team. Het medisch-psychologisch onderzoek is erop gericht de situatie te evalueren in functie van de persoonlijkheid, zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de minderjarige delictpleger. De aard, frequentie en ernst van de feiten die de minderjarige delictpleger ten laste worden gelegd, worden in overweging genomen als ze bijdragen tot de evaluatie van zijn persoonlijkheid. | ||
| 17 | De jeugdrechtbank kan echter: | ||
| 18 | 1° de sanctie ook opleggen zonder dat zij over het verslag van het medisch-psychologisch onderzoek beschikt, als zij constateert dat de minderjarige delict-pleger zich aan dat onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen; | ||
| 19 | 2° de sanctie ook opleggen zonder dat zij een maatschappelijk onderzoek en een medisch-psychologisch onderzoek heeft laten uitvoeren, als bij vonnis al een sanctie genomen is ten aanzien van een minderjarige delictpleger en die een of meer feiten als vermeld in de artikelen 323, 373, 374, 375, 376, 377, 378, 392 393, 394, 401, 468, 469, 470, 471, 472, 473, 474, 475 en 476 van het Strafwetboek, heeft gepleegd, nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt, en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste veroordeling weer een of meer van de voormelde feiten heeft gepleegd. De stukken van de vorige procedure worden bij die van de nieuwe procedure gevoegd; | ||
| 20 | 3° onder dezelfde voorwaarden als vermeld in 2°, de sanctie opleggen ten aanzien van een minderjarige delictpleger die een feit, dat als misdaad wordt omschreven en waarop een straf staat die hoger ligt dan twintig jaar opsluiting of correctionele gevangenisstraf, heeft gepleegd nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en pas wordt vervolgd nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. | ||
| 21 | § 7. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie van de gesloten begeleiding van maximaal twee, vijf of zeven jaar, en de inhoud en de invulling van de opdrachten die hiermee gepaard gaan en de wijze waarop deze opdrachten worden uitgevoerd in de gemeenschapsinstellingen. De Vlaamse Regering kan voor bepaalde specifieke doelgroepen programma's erkennen en de toegankelijkheid tot die programma's bepalen. | ||
| 22 | § 8. Het toevertrouwen van een minderjarige delictpleger aan een afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor personen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet, voor een gesloten begeleiding als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt in voorkomend geval gecombineerd met een terbeschikkingstelling van de jeugdrechtbank van maximaal tien jaar, na het einde van de hier vermelde sanctie. De jeugdrechtbank legt de terbeschikkingstelling op en bepaalt de duur ervan uiterlijk op het moment van de uitspraak van de hier vermelde sanctie. | ||
| 23 | De terbeschikkingstelling kan enkel worden uitgesproken wanneer de volgende voorwaarden cumulatief voldaan zijn: | ||
| 24 | 1° het jeugddelict dat de minderjarige delictpleger gepleegd heeft, is een feit als vermeld in de artikelen 136bis, 136ter, 136quater, 136sexies, 137, 140, 141, 376, eerste lid, 393, 394, 395, 396, 397, 417ter, derde lid, 2°, 428, § 5, 474 en 475 van het Strafwetboek, voor zover deze strafbaar zijn met twintig jaar opsluiting of meer; | ||
| 25 | 2° de minderjarige delictpleger is zich op het ogenblik van de feiten ten volle bewust van de ernst van de feiten en de gevolgen die zijn daad tot gevolg hebben, rekening houdend met zijn persoonlijkheid, zijn omgeving en zijn maturiteitsgraad, onverminderd artikel 71 van het Strafwetboek; | ||
| 26 | 3° een verdere opvolging is noodzakelijk na het aflopen van de sanctie met het oog op de bescherming van de fysieke en psychische integriteit van de minderjarige delictpleger of van derden en gelet op de ernst van de strafbare feiten met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen een hoog risico op recidive. | ||
| 27 | Aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 1°, 2° en 3°, moet cumulatief voldaan zijn op het ogenblik van de beslissing van de jeugdrechtbank tot terbeschikkingstelling en op het ogenblik van het verstrijken van de duur van de met toepassing van paragraaf 1, opgelegde sanctie. De jeugdrechtbank kan de terbeschikkingstelling alleen opleggen nadat zij een maatschappelijk en medisch-psychologisch onderzoek heeft laten verrichten door een multidisciplinair samengesteld team. Het medisch-psychologisch onderzoek is erop gericht de situatie te evalueren in functie van de persoonlijkheid, zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de minderjarige delictpleger en omvat tevens een advies omtrent de voorwaarden als vermeld in het tweede lid, 2° en 3°. Ten vroegste drie maanden en uiterlijk één maand voor het verstrijken van de duur van de met toepassing van paragraaf 1, opgelegde sanctie, spreekt de jeugdrechtbank zich uit over het handhaven, het verminderen van de duur of het opheffen van de terbeschikkingstelling en de wijze waarop zij uitvoering geeft aan de terbeschikkingstelling. De jeugdrechtbank kan deze beslissing enkel nemen op basis van een geactualiseerd maatschappelijk en medisch-psychologisch verslag dat niet ouder mag zijn dan één maand. | ||
| 28 | De terbeschikkingstelling van de jeugdrechtbank die ten aanzien van de minderjarige delictpleger is uitgesproken, neemt aanvang bij het verstrijken van de termijn van de met toepassing van paragraaf 1, opgelegde sanctie. | ||
| 29 | De jeugdrechtbank kan in de uitvoering van de terbeschikkingstelling de minderjarige delictpleger: | ||
| 30 | 1° een ambulante sanctie opleggen; | ||
| 31 | 2° voorwaarden opleggen overeenkomstig artikel 34; | ||
| 32 | 3° toevertrouwen aan een afdeling van een gemeenschapsinstelling ingericht voor personen die een sanctie opgelegd krijgen met toepassing van dit decreet. | ||
| 33 | De jeugdrechtbank kan mits bijzondere motivering ter ondersteuning aan de reactie als vermeld in het voorgaand lid, 1° en 2°, als modaliteit een elektronische monitoring als vermeld in artikel 29, § 4, opleggen. | ||
| 34 | De jeugdrechtbank evalueert uiterlijk binnen de zes maanden na de aanvang van de terbeschikkingstelling en vervolgens elke zes maanden, de uitvoering van de terbeschikkingstelling, met het oog op de handhaving ervan, het wijzigen of het opheffen. | ||
| 35 | De terbeschikkingstelling aan de jeugdrechtbank neemt in elk geval een einde op het ogenblik dat de minderjarige delictpleger de volle leeftijd van vijfentwintig jaar heeft bereikt. Uiterlijk drie maanden voor het bereiken van de leeftijd van vijfentwintig jaar, of in voorkomend geval onmiddellijk na de uitspraak van de jeugdrechtbank zoals bedoeld in het tweede lid, maakt de jeugdrechtbank het gerechtelijk dossier over aan de territoriale bevoegde strafuitvoeringsrechtbank met het oog op de verdere uitvoering van de terbeschikkingstelling op grond van dit decreet uitgesproken en dit overeenkomstig titel XIbis, hoofdstuk 1, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. De jeugdrechtbank kan de beslissing tot het overmaken van het dossier aan de strafuitvoeringsrechtbank enkel nemen op basis van een geactualiseerd maatschappelijk en medisch-psychologisch verslag dat niet ouder mag zijn dan één maand. | ||
| 36 | § 9. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak en inhoud van het medisch-psychologisch onderzoek. |