Artikel VI.5
§1. De middelen worden toegekend aan iedere school voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs, aan iedere school voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs, aan ieder centrum voor volwassenenonderwijs, aan iedere academie en aan ieder centrum voor basiseducatie. Scholen, academies en centra kunnen kiezen om de middelen aan te wenden op niveau van:
- 1°een scholengemeenschap in het basisof het secundair onderwijs, of
- 2°een scholengroep, of
- 3°een samenwerkingsplatform dat kan bestaan uit:
- a)een of meerdere scholengemeenschappen in het basisof secundair onderwijs, en/of
- b)een of meerdere scholengroepen, en/of
- c)een of meerdere scholen voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs, voor zover deze niet behoren tot een scholengemeenschap in het basisonderwijs, en/of
- d)een of meerdere scholen voor gewoon secundair onderwijs, voor zover deze niet behoren tot een scholengemeenschap in het secundair onderwijs, en/of
- e)een of meerdere scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, en/ of
- f)een of meerdere centra voor volwassenenonderwijs, en/of
- g)een of meerdere academies, en/of
- h)een of meerdere centra voor basiseducatie.
De aanwending als vermeld in het eerste lid mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden bijkomend ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking. De niet-naleving van deze bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. De inrichtende macht van de instellingen die middelen samenleggen, moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan het bevoegde agentschap waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen.
De scholengemeenschap, de scholengroep, of het samenwerkingsplatform maakt afspraken over de aanwending van de middelen.
Als scholen, academies of centra beslissen om de middelen, vermeld in het eerste lid, aan te wenden in een samenwerkingsplatform kunnen de daarmee ingerichte betrekkingen niet worden vacant verklaard. Het schoolof centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
§2. Een overeenkomst houdende oprichting van een in §1, 3°, bedoeld samenwerkingsplatform wordt vanaf 1 september 2005 afgesloten steeds voor de duur van zes schooljaren, met uitzondering van de overeenkomst die in werking treedt op 1 september 2011 en slechts geldt voor de duur van drie schooljaren.
Tijdens de betrokken periode kan die overeenkomst worden gewijzigd met toepassing van artikel 125quinquies, § 3 of § 4, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs of van artikel 51, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
Een wijziging van een overeenkomst treedt in werking op dezelfde datum waarop de wijziging in de scholengemeenschap in werking treedt.
De Vlaamse Regering kan het minimum aantal scholen, academies of centra of leerlingen of lesurencursist bepalen dat bij een samenwerkingsplatform moet worden betrokken. Indien het samenwerkingsplatform een scholengemeenschap en/of een scholengroep omvat, kan van deze regeling worden afgeweken.
Het samenwerkingsplatform wordt door het school- of centrumbestuur in kwestie uiterlijk op 1 mei voorafgaand aan de inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst gemeld aan het betrokken Agentschap van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.
Het samenwerkingsplatform kan worden stopgezet op 31 augustus 2021. Nieuwe samenwerkingsplatformen die ingevolge een dergelijke stopzetting worden opgericht, gelden voor de duur van vijf schooljaren. De samenstelling van dit samenwerkingsplatform kan in afwijking van het vierde lid worden gemeld uiterlijk op 1 oktober 2021 aan het betrokken Agentschap van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.