Artikel 6
§1. De organisator heeft de integriteit en het beleidsvoerend vermogen om op een rechtmatige manier, rekening houdend met de geldende normen en waarden, kwaliteitsvolle en duurzame kinderopvang te organiseren.
De naleving van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, blijkt uit de ma-nier waarop de volgende aspecten in de vergunde werking aanwezig zijn:
- 1°duidelijk leiderschap, met een gestructureerde werkomgeving waar de bevoegdheden en verantwoordelijkheden duidelijk worden toebedeeld en waarbij de organisator ervoor zorgt dat alle medewerkers minstens de geïntegreerde aanpak, vermeld in punt 2°, kennen en toepassen;
- 2°een geïntegreerde aanpak van al de volgende thema’s:
- a)infrastructuur, minstens de ruimte, bestemd voor kinderopvang, de uitrusting en de inrichting ervan;
- b)veiligheid en gezondheid, met inbegrip van specifieke brandveiligheidsvoorschriften voor kinderopvanglocaties, met behoud van de toepassing van de federale basisnormen voor de brandveiligheid van gebouwen;
- c)omgang met de kinderen en de gezinnen, waaronder minstens:
- 1)respect voor integriteit en niet-discriminatie;
- 2)pedagogisch beleid met het oog op het stimuleren van de ontwikke-ling van elk kind op lichamelijk, cognitief, sociaal, emotioneel, communicatief, creatief en moreel vlak, en met het oog op het waarborgen van het welbevinden en de betrokkenheid van elk kind;
- 3)betrokkenheid en participatie van de gezinnen;
- 4)huishoudelijk reglement en schriftelijke overeenkomst;
- 5)inlichtingenfiche en aanwezigheidsregister;
- d)personen werkzaam in de kinderopvanglocatie, minstens met betrekking tot:
- 1)de verantwoordelijke, zoals zijn kwalificatie en zijn actieve kennis van de Nederlandse taal;
- 2)de kinderbegeleider, zoals zijn kwalificatie, het aantal kinderbegelei-ders in verhouding tot het aantal tegelijk aanwezige kinderen en voor minstens een van de kinderbegeleiders de actieve kennis van de Nederlandse taal;
- 3)andere personen met regelmatig direct contact;
- e)organisatorisch management van de kinderopvanglocatie, minstens het medewerkersbeleid, de algemene en financiële werking, de leefgroepin-deling en de klachtenbehandeling;
- f)samenwerking met het agentschap, het lokaal loket kinderopvang en het lokaal bestuur;
- 3°een reflectieve, proactieve en reactieve houding met het oog op een voortdurende verbetering van de eigen werking, rekening houdend met de feedback en input van gezinnen, medewerkers en relevante expertise van externe or-ganisaties;
- 4°een innovatieve houding, waarbij er oog is voor vernieuwing, rekening houdend met ontwikkelingen in de omgeving, de samenleving en de regelgeving;
- 5°doeltreffende communicatie en transparantie, waarbij erop gelet wordt dat de nodige en correcte informatie tijdig en duidelijk bij de juiste mensen terechtkomt, waaronder de personen die werken in de kinderopvanglocatie en de gezinnen van de opgevangen kinderen;
- 6°samenwerking en transparante communicatie met het agentschap, het lokaal bestuur, het lokaal loket kinderopvang en andere lokale partners.
De organisator zorgt voor ondersteuning voor zichzelf en voor zijn medewerkers voor alle voorwaarden als vermeld in het eerste en tweede lid.
De organisator kan de naleving van alle voorwaarden als vermeld in het eerste, tweede en derde lid aantonen op basis van onder meer documentatie.
§ 2. ...
§ 3. ...
§4. De organisator controleert bij de aanstelling van elke nieuwe verantwoordelijke en kinderbegeleider en voor elke andere meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie regelmatig direct contact heeft met de opgevangen kinderen, het goed zedelijk gedrag van de betrokkene dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt.
Als de organisator een rechtspersoon is, beschikt de organisator over een uittreksel uit het centraal strafregister op naam van de rechtspersoon. De organisator controleert van de zaakvoerders en bestuurders het goed zedelijk gedrag, dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt.
Artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, artikel 4, eerste lid, 1°, en artikel 5, §1, §2 en §3, eerste, tweede en vijfde lid, van het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister, vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers, zijn van toepassing bij de controle, vermeld in het eerste en tweede lid.
De organisator zorgt er via een schriftelijk document voor dat elke persoon als vermeld in het eerste en tweede lid, die het voorwerp uitmaakt van een strafonderzoek of een veroordeling oploopt met betrekking tot feiten ten aanzien van minderjarigen die een impact hebben op het goed zedelijk gedrag van de betrokken persoon en met name zijn onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen, dat verplicht meldt aan de organisator. Onder schriftelijk document kan ook verstaan worden het arbeidsreglement van een organisator.
De organisator voert een nieuwe controle uit zoals bedoeld in het eerste lid op het ogenblik dat hij informatie ontvangt, ofwel via de meldingsplicht, ofwel op een andere wijze, over het opstarten van een strafonderzoek of over het oplopen van een nieuwe veroordeling met betrekking tot feiten ten aanzien van minderjarigen die een impact hebben op het goed zedelijk gedrag van de betrokken persoon en met name zijn onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen. Het resultaat van de controle of het niet naleven van de meldingsplicht kunnen arbeidsrechtelijke of contractuele gevolgen hebben voor de verantwoordelijke, de kinderbegeleider of de meerderjarige personen die in de kinderopvanglocatie regelmatig direct contact hebben met de opgevangen kinderen.
De organisator vraagt een nieuw uittreksel uit het strafregister op na elke periode van drie jaar.
§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, en maakt daarbij een onderscheid tussen de startvoorwaarden en de werkingsvoorwaarden.
De Vlaamse Regering bepaalt de competenties voor kinderopvang.
§ 6. De inachtneming van de specifieke brandveiligheidsvoorschriften, vermeld in artikel 6, paragraaf 1, 2°, wordt vastgelegd in een attest over brandveiligheid. Dat attest wordt afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin de kinderopvanglocatie gelegen is, met de medewerking van de territoriaal bevoegde brandweerdienst. De Vlaamse Regering kan voorzien in meerdere attesten, die verschillen volgens de mate waarin de specifieke brandveiligheidsvoorschriften in acht genomen zijn.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, minstens het model en de geldigheidsduur van het attest of van elk van de attesten, de regels voor de afgifte en de verlenging van het attest of de attesten. De Vlaamse Regering kan bovendien voorzien in de mogelijkheid van beroep tegen een beslissing van de burgemeester tot weigering van een attest dat de organisatie van een kinderopvanglocatie mogelijk maakt, of tegen het uitblijven van een beslissing van de burgemeester over het afgeven of verlengen van een attest.
§ 7. De Vlaamse Regering kan, op vraag van een organisator, een afwijking toestaan op de naleving van bepaalde vergunningsvoorwaarden die zijn vastgelegd ter uitvoering van paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, op voorwaarde dat de veiligheid van de kinderen en de medewerkers, en de kwaliteit van de kinderopvang voldoende gewaarborgd zijn. De Vlaamse Regering bepaalt de regels om die afwijking toe te staan.