Artikel 26
In het gehele of een gedeelte van het grondgebied van het Gewest is het verboden wild levend of dood te vervoeren of in de handel te brengen. Op dat verbod gelden de volgende uitzonderingen:
- 1°wild mag worden vervoerd of verhandeld vanaf de opening van de jacht op dit wild tot en met de tiende dag die volgt op de sluiting ervan;
- 2°wild mag worden vervoerd als het gaat om specimens die het voorwerp zijn geweest van bestrijding als vermeld in artikel 22;
- 3°wild mag worden vervoerd als het gaat om specimens die het voorwerp zijn geweest van een afwijking met toepassing van artikel 33.
De Vlaamse regering kan jaarlijks bepalen dat het vervoeren of het in de handel brengen van levend of dood wild eveneens verboden is of alleen onder door haar te stellen voorwaarden geoorloofd is in de periode vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild.
Wanneer de jacht in een beperkt gebied geopend is, kan de Vlaamse regering tijdens de betrokken periode machtiging verlenen tot het vervoer van geschoten wild en de voorwaarden bepalen waaronder dit vervoer mag geschieden.
De Vlaamse regering kan eveneens de voorwaarden bepalen waaronder het vervoer en de handel van wildsoorten of delen van wildsoorten waarvoor zij een afschotplan gesteld heeft, mogen plaatshebben.
Onder de door de Vlaamse regering voorgeschreven voorwaarden en het door haar geregelde toezicht, is het vervoer, de opslag en de handel van diepgevroren wild geoorloofd buiten de periode vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild.