§ flandrepo

Decreet tot opheffing van meerdere onderwijsbepalingen

Vlaamse Regering #1819 Staatsblad 20 december 2023 NUMAC 2023048183
143 artikels gewijzigd
+5 −4 decreet-2009-05-08/art. 16
21° het basisonderwijs;21° het basisonderwijs;
32° het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs samen;32° het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs samen;
43° de CLB's.43° de CLB's;
54° de leersteuncentra.
5§ 2. Per 350 organieke betrekkingen in een van de niveaus, vermeld in § 1, heeft een pedagogische begeleidingsdienst recht op een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur.6§ 2. Per 350 organieke betrekkingen in een van de niveaus, vermeld in § 1, heeft een pedagogische begeleidingsdienst recht op een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur.
6Per pedagogische begeleidingsdienst die overeenkomstig het eerste lid over een personeelsformatie beschikt, wordt in een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur voor de centra voor leerlingenbegeleiding voorzien.7Per pedagogische begeleidingsdienst die overeenkomstig het eerste lid over een personeelsformatie beschikt, wordt in een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur voor de centra voor leerlingenbegeleiding en voor de leersteuncentra voorzien.
7§ 3. De berekening gebeurt op basis van het aantal organieke betrekkingen, vastgesteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de onderwijsinstellingen en CLB's die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdienst. 8§ 3. De berekening gebeurt op basis van het aantal organieke betrekkingen, vastgesteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de onderwijsintellingen, CLB’s en leersteuncentra die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdienst. Voor de berekening kan een onderwijskoepel ervoor kiezen om de organieke betrekkingen van de leersteuncentra, vermeld in paragraaf 1, 4°, te laten meetellen bij de personeelsformatie, vermeld in paragraaf 1, 1° of 2°. In voorkomend geval meldt de onderwijskoepel dit aan AGODI uiterlijk op 31 januari 2024.
8§ 4. Als een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft op twintig halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur, kunnen twee halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur worden omgezet in één voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van adviseur-coördinator. Per aanvullende schijf van 35 halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur waarop een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft, kan een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur worden omgezet in één bijkomende halftijdse betrekking van adviseur-coördinator.9§ 4. Als een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft op twintig halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur, kunnen twee halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur worden omgezet in één voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van adviseur-coördinator. Per aanvullende schijf van 35 halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur waarop een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft, kan een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur worden omgezet in één bijkomende halftijdse betrekking van adviseur-coördinator.
9Een pedagogische begeleidingsdienst die recht heeft op minder dan twintig halftijdse betrekkingen, heeft het recht om één halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur om te zetten in één halftijdse betrekking van adviseur-coördinator.10Een pedagogische begeleidingsdienst die recht heeft op minder dan twintig halftijdse betrekkingen, heeft het recht om één halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur om te zetten in één halftijdse betrekking van adviseur-coördinator.
10§ 5. Maximaal 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van elke pedagogische begeleidingsdienst kan worden ingenomen door personeelsleden die vastbenoemd zijn in een betrekking van pedagogisch adviseur of adviseur-coördinator.11§ 5. Maximaal 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van elke pedagogische begeleidingsdienst kan worden ingenomen door personeelsleden die vastbenoemd zijn in een betrekking van pedagogisch adviseur of adviseur-coördinator.
11§ 6. Binnen iedere pedagogische begeleidingsdienst kan, met het oog op de uitoefening van bestuurlijke en organisatorische taken ten behoeve van deze pedagogische begeleidingsdienst, aan maximum drie voltijdse of zes halftijdse vastbenoemde pedagogische adviseurs een verlof wegens opdracht worden toegekend, zoals vermeld in artikel 51quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs.12§ 6. Binnen iedere pedagogische begeleidingsdienst kan, met het oog op de uitoefening van bestuurlijke en organisatorische taken ten behoeve van deze pedagogische begeleidingsdienst, aan maximum drie voltijdse of zes halftijdse vastbenoemde pedagogische adviseurs een verlof wegens opdracht worden toegekend, zoals vermeld in artikel 51quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs.
12§ 7. De pedagogische begeleidingsdienst die op 1 februari 2015 voor het eerst 350 of meer organieke betrekkingen telt in een van de niveaus, vermeld in § 1, zal voor het schooljaar 2015-2016 tot en met het schooljaar 2019-2020 niet over een personeelsformatie beschikken.
13§ 7. ...
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 17
1§ 1. De pedagogische begeleidingsdiensten kunnen beschikken over een aantal personeelsleden uit de instellingen aan wie een verlof wegens bijzondere opdracht, zoals vermeld in artikel 51quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, is toegekend.1§ 1. De pedagogische begeleidingsdiensten kunnen beschikken over een aantal personeelsleden uit de instellingen aan wie een verlof wegens bijzondere opdracht, zoals vermeld in artikel 51quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, is toegekend.
2Dat verlof wegens bijzondere opdracht kan voor schooljaar 2021-2022 worden uitgeoefend in 150,5 voltijdse betrekkingen. Voor schooljaar 2022-2023 kan het verlof wegens bijzondere opdracht worden uitgeoefend in 106 voltijdse betrekkingen. Vanaf schooljaar 2023-2024 kunnen er 53,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht worden uitgeoefend.
2Vanaf schooljaar 2023-2024 kunnen er 53,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht worden uitgeoefend.
3§ 2. De pedagogische begeleidingsdiensten die niet beschikken over een personeelsformatie hebben samen elk schooljaar recht op 1,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht. De overige betrekkingen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten met personeelsformatie naar rato van het aandeel in de organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen die verbonden zijn aan die pedagogische begeleidingsdiensten.3§ 2. De pedagogische begeleidingsdiensten die niet beschikken over een personeelsformatie hebben samen elk schooljaar recht op 1,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht. De overige betrekkingen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten met personeelsformatie naar rato van het aandeel in de organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen die verbonden zijn aan die pedagogische begeleidingsdiensten.
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 185
1In afwijking van artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 september 1984, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2007, wordt met betrekking tot de materies, bedoeld in artikel 11, § 1 en § 2, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, een onderhandelingscomité opgericht. De coördinerend inspecteur-generaal en met ingang van 1 september 2009 de inspecteur-generaal of zijn gemandateerde zit dit onderhandelingscomité voor.1In afwijking van artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 september 1984, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2007, wordt met betrekking tot de materies, bedoeld in artikel 11, § 1 en § 2, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, een onderhandelingscomité opgericht. De inspecteur-generaal of zijn gemandateerde zit dit onderhandelingscomité voor.
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 219
1De personeelsleden van de inspectie die op 31 augustus 2009 tijdelijk zijn aangesteld, tot de proeftijd zijn toegelaten of vastbenoemd zijn in het ambt van inspecteur basisonderwijs, inspecteur secundair onderwijs, inspecteur kunstonderwijs, inspecteur volwassenenonderwijs of inspecteur van de centra op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk tijdelijk aangesteld, tot de proeftijd toegelaten of vastbenoemd in het ambt van inspecteur. Ze behouden hun salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling gunstiger is.1De personeelsleden van de inspectie die op 31 augustus 2009 tijdelijk zijn aangesteld of vastbenoemd zijn in het ambt van inspecteur basisonderwijs, inspecteur secundair onderwijs, inspecteur kunstonderwijs, inspecteur volwassenenonderwijs of inspecteur van de centra op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk tijdelijk aangesteld of vastbenoemd in het ambt van inspecteur. Ze behouden hun salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling gunstiger is.
2De diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur basisonderwijs, inspecteur secundair onderwijs, inspecteur kunstonderwijs, inspecteur volwassenenonderwijs of inspecteur van de centra worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur.2De diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur basisonderwijs, inspecteur secundair onderwijs, inspecteur kunstonderwijs, inspecteur volwassenenonderwijs of inspecteur van de centra worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur.
+1 −1 decreet-2009-05-08/art. 221
1Personeelsleden van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling die op 31 augustus 2009 vastbenoemd, tot de proeftijd zijn toegelaten of tijdelijk zijn aangesteld in het ambt van adviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of in het ambt van navorser bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk vastbenoemd, tot de proeftijd toegelaten of tijdelijk aangesteld in het ambt van inspecteur. Ze behouden hun salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling gunstiger is.1Personeelsleden van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling die op 31 augustus 2009 vastbenoemd of tijdelijk zijn aangesteld in het ambt van adviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of in het ambt van navorser bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk vastbenoemd of tijdelijk aangesteld in het ambt van inspecteur. Ze behouden hun salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling gunstiger is.
2De diensten gepresteerd in het ambt van adviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of navorser bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur.2De diensten gepresteerd in het ambt van adviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of navorser bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur.
+0 −1 decreet-2009-05-08/art. 223 opgeheven
1De personeelsleden die op 31 augustus 2009 een verlof wegens bijzondere opdracht of een verlof wegens opdracht uitoefenen bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of bij de inspectie, krijgen op hun vraag, mits toestemming van hun inrichtende macht en mits instemming van de leidinggevende van een dienst van de Vlaamse Regering tot 31 augustus 2011 een verlof wegens opdracht bij die dienst.
+0 −2 decreet-2009-05-08/art. 224 opgeheven
1In afwijking van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1991 tot uitvoering van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden de kandidaten die geslaagd zijn in de proef, vermeld in artikel 23 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, vanaf 1 mei 2009, ambtshalve toegelaten tot de proeftijd in het ambt van onderwijsadviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling.
2De prestaties die door de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden uitgeoefend binnen een door de Vlaamse Regering aangeduide dienst en die slaan op opdrachten die tot 31 augustus 2009 behoorden tot de opdrachten van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, vermeld in artikel 9, § 1, van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden beschouwd als effectieve prestaties tijdens de proeftijd in het ambt van inspecteur, zoals vermeld in artikel 70.
+1 −2 decreet-2009-05-08/art. 225
1Er kunnen geen personeelsleden tot de proeftijd toegelaten of vastbenoemd worden in het ambt van inspecteur, zolang het percentage, vermeld in artikel 62, § 2, bereikt of overschreden is.1Er kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden in het ambt van inspecteur, zolang het percentage, vermeld in artikel 62, § 2, bereikt of overschreden is.
2In afwijking van het eerste lid kunnen de personeelsleden die op 31 augustus 2009 tot de proeftijd toegelaten zijn, vastbenoemd worden na het doorlopen van de proeftijd als de evaluatie van de proeftijd wordt afgesloten met het gemotiveerd voorstel tot benoeming in vast verband of als na toepassing van artikel 73 respectievelijk de raad van beroep of de Vlaamse Regering beslist heeft om het voorstel tot ontslag te verwerpen.
+5 −3 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 2
10- het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst;10- het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst;
11- het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel;11- het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel;
12- het leerondersteunend personeel;
12die in het gemeenschapsonderwijs worden tewerkgesteld bij de scholengroep of in de volgende instellingen:13die in het gemeenschapsonderwijs worden tewerkgesteld bij de scholengroep of in de volgende instellingen:
13- de scholen van het basisonderwijs, de instellingen van het secundair onderwijs en de academies voor deeltijds kunstonderwijs, in welke vorm ook;14- de scholen van het basisonderwijs, de instellingen van het secundair onderwijs en de academies voor deeltijds kunstonderwijs, in welke vorm ook;
15- de onderwijsinternaten;
14- de autonome internaten en tehuizen;16- de semi-internaten;
15- de semi-internaten en de internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien;
16- de pedagogische begeleidingsdienst;17- de pedagogische begeleidingsdienst;
18- de leersteuncentra;
17- de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel, verder aangeduid als CLB;19- de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel, verder aangeduid als CLB;
18- de centra voor volwassenenonderwijs;20- de centra voor volwassenenonderwijs;
19- het vormingscentrum.21- het vormingscentrum.
20§ 2. Dit decreet is niet van toepassing op de voordrachtgevers zoals bedoeld in de artikelen 68 en 69 van het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs.
22§ 2. ...
21§ 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere omschrijving van de in § 1 genoemde categorieën. In afwachting hiervan blijven evenwel de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht.23§ 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere omschrijving van de in § 1 genoemde categorieën. In afwachting hiervan blijven evenwel de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht.
22De Vlaamse Regering kan in het basisonderwijs de ambten bepalen voor een personeelscategorie van het pedagogisch ondersteunend personeel.24De Vlaamse Regering kan in het basisonderwijs de ambten bepalen voor een personeelscategorie van het pedagogisch ondersteunend personeel.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 12septies
1§ 1. Personeelsleden die in opdracht van de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - verplaatsingen maken met hun eigen wagen, moto of bromfiets hebben recht op de kilometervergoeding gelijk aan het bedrag dat jaarlijks bepaald wordt in uitvoering van artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten. De raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - kan dit bedrag met maximum 10 % verminderen, op voorwaarde dat ze daarnaast een omniumverzekering heeft afgesloten voor dienstverplaatsingen.1§ 1. Personeelsleden die in opdracht van de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - verplaatsingen maken met hun eigen wagen, moto of bromfiets hebben recht op de kilometervergoeding gelijk aan het bedrag dat jaarlijks bepaald wordt in uitvoering van artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten. De raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - kan dit bedrag met maximum 10 % verminderen, op voorwaarde dat ze daarnaast een omniumverzekering heeft afgesloten voor dienstverplaatsingen.
2Personeelsleden die in opdracht van de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - verplaatsingen maken met het openbaar vervoer genieten, bij de inlevering van het vervoerbewijs, de volledige betaling van de erop vermelde bedragen. De verplaatsingen per trein worden terugbetaald aan het tarief van een standaardbiljet 2e klas.2Personeelsleden die in opdracht van de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - verplaatsingen maken met het openbaar vervoer genieten, bij de inlevering van het vervoerbewijs, de volledige betaling van de erop vermelde bedragen. De verplaatsingen per trein worden terugbetaald aan het tarief van een standaardbiljet 2e klas.
3§ 2. In afwijking op paragraaf 1 mag de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 het bedrag van de kilometervergoeding beperken tot 70 procent van de kilometervergoeding die jaarlijks bepaald wordt in uitvoering van artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten en van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 tot 85 procent van voormelde kilometervergoeding.
3§ 2. ...
4§ 3. De bepalingen van dit artikel gelden niet als de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder -een systeem van kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen hanteert, dat gunstiger is dan dit vermeld in paragraaf 1 en 2.4§ 3. De bepalingen van dit artikel gelden niet als de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder -een systeem van kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen hanteert, dat gunstiger is dan dit vermeld in paragraaf 1 en 2.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 17sexies
43° of aan de hand van een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het personeelslid heeft behaald, op voorwaarde dat het getuigschrift, het certificaat of het attest het vereiste niveau van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont. De Vlaamse Regering is gemachtigd een examencommissie in te richten of examens te laten organiseren door een of meerdere instellingen van door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs. De Vlaamse Regering is gemachtigd om een getuigschrift, een certificaat of een attest dat behaald is via een wettelijk of reglementair bepaalde examencommissie, in te schalen in de niveaus van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.43° of aan de hand van een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het personeelslid heeft behaald, op voorwaarde dat het getuigschrift, het certificaat of het attest het vereiste niveau van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont. De Vlaamse Regering is gemachtigd een examencommissie in te richten of examens te laten organiseren door een of meerdere instellingen van door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs. De Vlaamse Regering is gemachtigd om een getuigschrift, een certificaat of een attest dat behaald is via een wettelijk of reglementair bepaalde examencommissie, in te schalen in de niveaus van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
5§ 2. Indien een directeur moeilijkheden ondervindt om een kandidaat aan te werven die de vereiste taalbekwaamheid bezit, kan hij een kandidaat aanwerven die niet over de vereiste taalbekwaamheid beschikt. Op aanvraag kent de minister bevoegd voor onderwijs aan deze kandidaat een tijdelijke afwijking toe die geldt voor een termijn van 3 jaar, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanstelling in een ambt in een personeelscategorie bedoeld in de artikelen 17ter tot en met 17quinquies.5§ 2. Indien een directeur moeilijkheden ondervindt om een kandidaat aan te werven die de vereiste taalbekwaamheid bezit, kan hij een kandidaat aanwerven die niet over de vereiste taalbekwaamheid beschikt. Op aanvraag kent de minister bevoegd voor onderwijs aan deze kandidaat een tijdelijke afwijking toe die geldt voor een termijn van 3 jaar, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanstelling in een ambt in een personeelscategorie bedoeld in de artikelen 17ter tot en met 17quinquies.
6Tijdens voormelde periode van 3 jaar komt het personeelslid dat voormelde afwijking heeft verkregen, niet in aanmerking voor een vaste benoeming of voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, tenzij het personeelslid voor het einde van deze periode aan de voorwaarden inzake taalvereisten, bedoeld in artikel 17ter tot en met 17quinquies, voldoet. Voor het personeelslid dat tijdens het schooljaar 2009-2010 op basis van een hiervoor vermelde taalafwijking werd aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel om een taal te onderwijzen in een opleiding Arabisch richtgraad 1 en 2, Chinees richtgraad 1 en 2, Grieks richtgraad 1 en 2, Japans richtgraad 1 en 2, Pools richtgraad 1 en 2, Russisch richtgraad 1 en 2 of Turks richtgraad 1 en 2 in het studiegebied talen richtgraad 1 en 2, wordt de hiervoor vermelde termijn van 3 jaar met 1 jaar verlengd.6Tijdens voormelde periode van 3 jaar komt het personeelslid dat voormelde afwijking heeft verkregen, niet in aanmerking voor een vaste benoeming of voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, tenzij het personeelslid voor het einde van deze periode aan de voorwaarden inzake taalvereisten, bedoeld in artikel 17ter tot en met 17quinquies, voldoet.
+5 −13 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 31
9§ 4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.9§ 4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
10In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.10In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
11§ 5. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, behoudt het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.
12In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, behoudt het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.
13In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur op 1 september 2020 of op 1 september 2021 een personeelslid op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs als het personeelslid aan volgende voorwaarden voldoet :
141° het personeelslid is op 1 september 2019 overgegaan naar een hogeschool overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
152° het personeelslid was uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en was op diezelfde datum belast met een coördinatieopdracht;
163° het personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs.
17Als het personeelslid deze mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd was in het ambt van lector in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van lector.
18§ 6. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van stafmedewerker, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
19In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van stafmedewerker, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
20§ 7. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
21In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs voor een opdracht van maximum 10 procent van een voltijdse betrekking, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, behoudt het personeelslid voor het volume van de opdracht waarvoor hij op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.
22In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
23In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs voor een opdracht van maximum 10 procent van een voltijdse betrekking, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, behoudt het personeelslid voor het volume van de opdracht waarvoor hij op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.
11§ 5. ...
12§ 6. ...
13§ 7. ...
24§ 8. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buitengewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, mits zijn akkoord, op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.14§ 8. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buitengewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, mits zijn akkoord, op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
25In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buiten- gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.15In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat buiten- gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, of een internaat met permanente openstelling als vermeld in deel III, hoofdstuk 6, van dezelfde codificatie, of een tehuis als vermeld in artikel III.37 van dezelfde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
26Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.16Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.
27De betrekking in een school voor buitengewoon basis- of secundair onderwijs die tot en met 31 augustus 2023 werd ingericht overeenkomstig artikel III.29 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 en vanaf 1 september 2023 overeenkomstig artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs en betreffende coördinatieopdrachten door ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs, of artikel 311 van de Codex Secundair Onderwijs wordt ingericht, is in het schooljaar 2023-2024 niet onderworpen aan de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling.17De betrekking in een school voor buitengewoon basis- of secundair onderwijs die tot en met 31 augustus 2023 werd ingericht overeenkomstig artikel III.29 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 en vanaf 1 september 2023 overeenkomstig artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs en betreffende coördinatieopdrachten door ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs, of artikel 311 van de Codex Secundair Onderwijs wordt ingericht, is in het schooljaar 2023-2024 niet onderworpen aan de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling.
18§9. In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
19In afwijking van paragraaf 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 1, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een tehuis als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
+7 −9 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 42bis
1§1. Dit artikel is van toepassing op een vastbenoemde directeur die titularis is van een volledige betrekking en die gedurende minstens drie opeenvolgende schooljaren voor zijn volledige betrekking gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4.1§1. Dit artikel is van toepassing op een vastbenoemde directeur die titularis is van een volledige betrekking en die gedurende minstens drie opeenvolgende schooljaren voor zijn volledige betrekking gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4.
2§2. Als een vastbenoemde directeur gebruik maakt van een verlofstelsel zoals vermeld in § 4, dan moet de raad van bestuur vóór de aanvang van dat verlofstelsel aan de vastbenoemde directeur meedelen of hij de volledige betrekking waarvan hij titularis is, in de loop van zijn verlof al dan niet zal vacant verklaren en, desgevallend, na welke tijdsspanne dat zal gebeuren.2§2. Als een vastbenoemde directeur gebruik maakt van een verlofstelsel zoals vermeld in § 4, dan moet de raad van bestuur vóór de aanvang van dat verlofstelsel aan de vastbenoemde directeur meedelen of hij de volledige betrekking waarvan hij titularis is, in de loop van zijn verlof al dan niet zal vacant verklaren en, desgevallend, na welke tijdsspanne dat zal gebeuren.
3Met de aanvang van een verlofstelsel wordt zowel de aanvang van de eerste aanvraag van een verlofstelsel als de aanvang van een verlenging bedoeld.3Met de aanvang van een verlofstelsel wordt zowel de aanvang van de eerste aanvraag van een verlofstelsel als de aanvang van een verlenging bedoeld.
4Deze mededeling moet schriftelijk gebeuren en minstens voor kennisneming ondertekend worden door de betrokken directeur. Als de betrokken directeur weigert voor kennisname te tekenen, bezorgt de raad van bestuur zijn beslissing aan de directeur met een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft vanaf de dag van verzending. Deze brief wordt voor de verdere procedure beschouwd als de voor kennisgeving ondertekende mededeling. Deze kennisgeving kan niet meer gewijzigd worden, tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de betrokken directeur.4Deze mededeling moet schriftelijk gebeuren en minstens voor kennisneming ondertekend worden door de betrokken directeur. Als de betrokken directeur weigert voor kennisname te tekenen, bezorgt de raad van bestuur zijn beslissing aan de directeur met een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft vanaf de dag van verzending. Deze brief wordt voor de verdere procedure beschouwd als de voor kennisgeving ondertekende mededeling. Deze kennisgeving kan niet meer gewijzigd worden, tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de betrokken directeur.
5Bij gebrek aan schriftelijke mededeling kan de raad van bestuur de volledige betrekking niet vacant verklaren tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de vastbenoemde directeur.5Bij gebrek aan schriftelijke mededeling kan de raad van bestuur de volledige betrekking niet vacant verklaren tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de vastbenoemde directeur.
6De vacantverklaring bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden als de betrokken directeur voor een periode van minstens drie opeenvolgende schooljaren voltijds afwezig is geweest omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. Om de duur van de betrokken periode te bepalen, wordt alleen rekening gehouden met ononderbroken perioden van afwezigheid vanaf de voor kennisgeving ondertekende mededeling.6De vacantverklaring bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden als de betrokken directeur voor een periode van minstens drie opeenvolgende schooljaren voltijds afwezig is geweest omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. Om de duur van de betrokken periode te bepalen, wordt alleen rekening gehouden met ononderbroken perioden van afwezigheid vanaf de voor kennisgeving ondertekende mededeling.
7§ 3. In afwijking op § 2, en tot en met 1 september 2012, gelden volgende bepalingen voor de vastbenoemde directeur die op 1 september 2009 al afwezig is, omdat hij gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4.
8Als een vastbenoemde directeur op 1 september 2009 minstens gedurende de twee voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was, omdat hij gebruik maakte van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 5 en hij ook gedurende het volledige schooljaar 2009-2010 ononderbroken gebruikt maakt van één of meerdere verlofstelsels vermeld in § 4, dan kan de raad van bestuur zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2010 in aanmerking nemen voor vacantverklaring, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.
9Als een directeur op 1 september 2009 slechts gedurende het volledige voorgaande schooljaar ononderbroken afwezig was omdat hij gebruik maakte van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4 en hij ook gedurende de volledige schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 ononderbroken gebruikt maakt van één of meerdere verlofstelsels vermeld in § 4, dan kan de raad van bestuur zijn volledige betrekking in aanmerking nemen voor vacantverklaring vanaf 1 september 2011 maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.
10Als de in deze paragraaf bedoelde vastbenoemde directeur ook op 1 september 2012 afwezig is of blijft omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4, dan kan de raad van bestuur vanaf dat ogenblik gebruik maken van de bepalingen van § 2.
7§3. ...
11§4. De in § 1 bedoelde verlofstelsels zijn :8§4. De in § 1 bedoelde verlofstelsels zijn :
12a) verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vastbenoemd zijn;9a) verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vastbenoemd zijn;
13b) verlof voor het uitoefenen van een mandaat dat toegekend wordt aan de algemeen directeur of coördinerend directeur vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2001 betreffende de mandaten van directeur, algemeen directeur en coördinerend directeur in het niet-tertiair onderwijs;10b) verlof voor het uitoefenen van een mandaat dat toegekend wordt aan de algemeen directeur of coördinerend directeur vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2001 betreffende de mandaten van directeur, algemeen directeur en coördinerend directeur in het niet-tertiair onderwijs;
20i) verlof toegekend aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld zoals bepaald in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;17i) verlof toegekend aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld zoals bepaald in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
21j) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;18j) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
22k) een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009 betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voor de personeelsleden van het onderwijs, die een personeelslid tot en met 31 augustus 2017 heeft opgenomen.
19k) ...
23§5. De directeur wiens betrekking in toepassing van dit artikel vacant werd verklaard, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of terbeschikkingstelling.20§5. De directeur wiens betrekking in toepassing van dit artikel vacant werd verklaard, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of terbeschikkingstelling.
24Op het ogenblik dat de betrokken directeur geen gebruik meer maakt van de in § 4 bedoelde verlofstelsels, wordt hij ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was nog niet werd ingenomen door een andere vastbenoemde titularis. In dat geval wordt hij opnieuw titularis van de betrokken betrekking.21Op het ogenblik dat de betrokken directeur geen gebruik meer maakt van de in § 4 bedoelde verlofstelsels, wordt hij ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was nog niet werd ingenomen door een andere vastbenoemde titularis. In dat geval wordt hij opnieuw titularis van de betrokken betrekking.
22§6. In afwijking van paragraaf 2 geldt volgende bepaling voor de vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat. Als een vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat op 1 september 2023 minstens gedurende de drie voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was in het ambt van beheerder in een internaat, omdat hij gebruikmaakte van een of meerdere verlofstelsels als vermeld in paragraaf 4, kan de raad van bestuur zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2023 in aanmerking nemen voor vacantverklaring, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 56ter
11- de salarisschalen11- de salarisschalen
12- de nuttige ervaring12- de nuttige ervaring
13§ 3. Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming worden de concordanties die voor 1 september 2005 werden vastgelegd, beschouwd als zijnde vastgelegd overeenkomstig dit artikel.
13§ 3. ...
+0 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 77bis opgeheven
+2 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 88
75° de definitieve pensionering;75° de definitieve pensionering;
86° het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel;86° het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel;
97° de weigering van een vastbenoemde lector van een centrum voor volwassenenonderwijs om op 1 september 2019 over te gaan naar een hogeschool, zoals bedoeld in artikel 103undecies.
97° ...;
108° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.
10In afwijking van punt 2° geeft het bereiken van de leeftijdsgrens geen aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.11In afwijking van punt 2° geeft het bereiken van de leeftijdsgrens geen aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
11Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :12Dergelijke verlenging kan slechts onder volgende voorwaarden :
+0 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 97 opgeheven
+0 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 98 opgeheven
+0 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 100ter opgeheven
1Alle beroepen die tijdens het schooljaar 2007-2008 werden ingediend bij de kamer van beroep tegen een ontslag om dringende redenen of tegen een tuchtstraf worden geacht conform de regelgeving te zijn ingediend.
+0 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 100quater opgeheven
1In het buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de internaten, kunnen vanaf het schooljaar 2006-2007 geen personeelsleden meer tijdelijk worden aangesteld of worden vastbenoemd in betrekkingen in de categorie van het opvoedend hulppersoneel of het administratief personeel.
+0 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 100decies opgeheven
+0 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 100duodecies opgeheven
1Met ingang van 1 juli 2015 heeft een nieuwe vaste benoeming voor een personeelslid dat is aangesteld in een ambt van een opvangcentrum, geen uitwerking ten aanzien van de overheid.
+0 −21 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 100terdecies opgeheven
1§ 1. Met het oog op een vaste benoeming op 1 oktober 2018 moet de raad van bestuur volgende betrekkingen in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel vacant verklaren :
21° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 1 mei 2018 een verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar geniet als vermeld in artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
32° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 1 mei 2018 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
4De lijst van deze vacant verklaarde betrekkingen wordt voor 10 september 2018 openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend.
5§ 2. Onverminderd artikel 28, § 1, moet de raad van bestuur met het oog op een vaste benoeming op 1 januari 2021 bijkomend ook betrekkingen vacant verklaren die beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
61° de betrekking is ingericht in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel;
72° de vastbenoemde titularis van de betrekking, vermeld in punt 1°, is voor zijn volledige opdracht of voor een deel van zijn opdracht voor een volledig schooljaar afwezig omwille van een of meer van volgende verlofstelsels :
8a) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 77quater van dit decreet;
9b) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 77quater van dit decreet;
10c) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
11d) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de Federale Regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de Federale Regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
12e) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen en of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
13f) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
14g) verlof toegekend aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld zoals bepaald in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
15h) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
16i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties.
17Deze vacant verklaarde betrekkingen worden toegevoegd aan de lijst van de vacant verklaarde betrekkingen, vermeld in artikel 28, § 2.
18§ 3. Onverminderd artikel 28, § 1, moet de raad van bestuur met het oog op een vaste benoeming op 1 januari 2021 bijkomend ook betrekkingen vacant verklaren die uiterlijk op 15 november 2020 beantwoorden aan de volgende voorwaarden:
191° betrekkingen in het gewoon secundair onderwijs die de school inricht met uren-leraar die de school in toepassing van artikel 21 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of van artikel 90, § 1, 9°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap tijdens het schooljaar 2019-2020 heeft overgedragen;
202° betrekkingen die een school voor gewoon secundair onderwijs inricht met uren-leraar die ze heeft ontvangen van een andere school van hetzelfde schoolbestuur of van een ander schoolbestuur binnen hetzelfde net, volgens artikel 19 of volgens artikel 20 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
21De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt voor 30 november 2020 openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend.
+0 −18 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 100sexiesdecies opgeheven
1§ 1. In afwijking van artikel 28 moet de raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - met het oog op een vaste benoeming op 1 juli 2021 als vermeld in artikel 100septies decies, betrekkingen vacant verklaren. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen omvat:
21° alle vacante betrekkingen in de betrokken instelling of instellingen op 15 mei 2021;
32° de betrekkingen die in de periode van 15 mei tot en met 1 juli 2021 vacant zullen worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis. De raad van bestuur kan deze betrekkingen vacant verklaren;
43° de betrekking van een vastbenoemd personeelslid dat uiterlijk op 15 mei 2021 in toepassing van artikel V.75, § 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Op het ogenblik van deze terbeschikkingstelling wordt de betrekking waar het personeelslid titularis van is een vacante betrekking;
54° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat perso- neelslid op 15 mei 2021 een verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar geniet als vermeld in artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
65° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingen- begeleiding;
76° de betrekking of het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 voor een volledig schooljaar afwezig is omwille van een of meer van volgende verlofstelsels:
8a) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 77quater van dit decreet;
9b) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 77quater van dit decreet;
10c) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
11d) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de Federale Regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de Federale Regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
12e) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen en of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
13f) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met artikel 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
14g) verlof toegekend aan personeelsleden die ter beschikking van de koning worden gesteld zoals bepaald in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrich- tingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
15h) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
16i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties.
17In afwijking van het eerste lid bepaalt de raad van bestuur voor haar centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onder- handelingen in het bevoegde lokaal comité welke vacante betrekkingen hij vacant verklaart. De raad van bestuur moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokaal comité geen akkoord wordt bereikt vacant verklaren als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De raad van bestuur moet met het oog op de vaste benoeming op 1 juli 2021 alleszins de betrekkingen, vermeld in het eerste lid, 4°, 5° en 6°, vacant verklaren.
18§ 2. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt voor 15 juni 2021 openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend.
+0 −14 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 100septiesdecies opgeheven
1§ 1. In afwijking van artikel 36 kan de raad van bestuur een personeelslid op 1 juli 2021 vast benoemen in een ambt in een vacant verklaarde betrekking als vermeld in artikel 100sexies decies, als dat personeelslid op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de bepalingen van artikel 17, met uitzondering van paragraaf 1, 7°, en daarenboven:
21° op 31 mei 2021 360 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in het betrokken ambt in een of meer instellingen van de scholengroep. Als het een leraar betreft die is aangesteld op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs moeten de 360 dagen gepresteerd zijn in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
32° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten;
43° op 30 juni 2021 in een instelling van de scholengroep waar hij de in punt 1° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven, is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling waar het personeelslid is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van deze scholengemeenschap. Is het personeelslid op 30 juni 2021 aangesteld in het ambt van leraar met een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor dat vereiste bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, geldt. Is het personeelslid op 30 juni 2021 aangesteld in het ambt van leraar met een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, in een opleiding, module, vak of specialiteit dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor die opleiding, die module, dat vak of die specialiteit en daarenboven ook voor alle opleidingen, modules, vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. Voor het personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling en voor het personeelslid bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij
5is vast benoemd en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, moeten, voor zover hij het ambt van leraar uitoefent, de 360 dagen dienstanciënniteit verworven zijn in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
64° als laatste evaluatie in het ambt in kwestie geen evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen bij de scholengroep waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid niet is geëvalueerd, wordt die voorwaarde geacht voldaan te zijn. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in een instelling van de scholengroep die behoort tot een scholengemeenschap, geldt deze bepaling voor alle instellingen van die scholengroep die behoren tot die scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen in een instelling van de scholengroep die niet behoort tot een scholengemeenschap, geldt deze bepaling voor alle instellingen van die scholengroep die niet behoren tot een scholengemeenschap.
7De vaste benoeming is slechts mogelijk als het personeelslid de betrekking in hoofdambt uitoefent.
8§ 2. Als er meerdere personeelsleden zijn die zich kandidaat stellen voor vaste benoeming in eenzelfde betrekking moet de raad van bestuur bij de toewijzing van de vaste benoeming in die betrekking de volgende volgorde respecteren:
91° de personeelsleden die in de scholengroep deeltijds benoemd zijn in het ambt;
102° de tijdelijke personeelsleden die in de scholengroep uiterlijk op 30 juni 2021 in het ambt tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
113° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt ten minste 580 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de scholengroep. Voor het bepalen van deze 580 dagen dienstanciënniteit wordt, in afwijking van artikel 4, § 1, a, het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. De raad van bestuur kan beslissen om een tijdelijk personeelslid dat voldoet aan deze voorwaarde niet vast te benoemen, als het personeelslid in het ambt uiterlijk op 30 juni 2021 van de eerste evaluator een beoordeling met werkpunten heeft gekregen. De raad van bestuur deelt de weigering via een schriftelijke motivatie mee aan het personeelslid. Dit geldt ook als het tijdelijk personeelslid de enige kandidaat is voor de vacant verklaarde betrekking;
124° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt waarvoor ze zich kandidaat stellen ten minste 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de scholengroep. De raad van bestuur kan beslissen om een tijdelijk personeelslid dat voldoet aan deze voorwaarde niet vast te benoemen, op voorwaarde dat het personeelslid dan een schriftelijke motivatie krijgt waarin de raad van bestuur opneemt om welke redenen ze de vaste benoeming weigert. Dit geldt ook als het tijdelijk personeelslid de enige kandidaat is voor de vacant verklaarde betrekking.
13De raad van bestuur kan binnen elke groep, vermeld in het eerste lid, bijkomende criteria bepalen om een vaste benoeming toe te kennen. Deze criteria worden onderhandeld in het daartoe bevoegde lokaal onderhandelingscomité.
14§ 3. In afwijking van artikel 37, § 3, wordt de vaste benoeming toegekend op 1 juli 2021 na de vacantverklaring, voor zover de betrekking op dezelfde datum nog vacant is.
+0 −5 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 102 opgeheven
1§ 1. Op het ogenblik dat ter uitvoering van het artikel 16, § 2, van de wet van 7 juli 1970 betref-fende de algemene structuur van het hoger onderwijs, de onderwijsinstellingen van het hoger kunstonderwijs worden ingedeeld onder het hoger onderwijs van het lange type en op het ogenblik dat de rechtspositieregeling voor de personeelsleden van deze onderwijsinstellingen van kracht wordt, worden deze onderwijsinstellingen en hun personeelsleden onttrokken aan het toepassingsgebied van dit decreet.
2§ 2. In afwachting dat door het Vlaams Parlement de rechtspositie wordt geregeld van de personeelsleden van het hoger onderwijs van het lange type en is onderhavig decreet van toepassing op het personeel van de instellingen van het hoger onderwijs van het lange type.
3§ 3. In afwijking op § 2 zijn, tot op een door de Vlaamse regering te bepalen datum, artikel 3, 4°; artikel 21; artikel 23, § 1, b, tweede en derde streepje; artikel 30, artikelen 32 tot en met 34; artikel 35, 2°; artikel 36, § 1, 1°; artikel 40, § 1; artikel 42, 2°; artikel 46, 1° en 4° en artikelen 90 tot en met 94 niet van toepassing op het bestuurs- en onderwijzend personeel van de instellingen voor het hoger onderwijs van het lange type, de instellingen voor het hoger onderwijs van de tweede en derde graad en de instellingen voor het hoger kunstonderwijs.
4Het bepaalde in artikel 36, § 1, tweede lid, staat niet in de weg dat, in afwijking van § 2, tot op een door de Vlaamse regering te bepalen datum, vaste benoemingen in een niet-uitsluitend ambt kunnen worden gedaan.
5In afwachting van de uitvoering van de bepalingen van artikel 10, § 6 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, bepaalt voor het hoger onderwijs van het lange type, het hoger onderwijs van de tweede en derde graad en het hoger kunstonderwijs, het bevoegde bestuursorgaan van het Gemeenschapsonderwijs, de specificatie van de bekwaamheidsbewijzen.
+0 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 103 opgeheven
+0 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 103bis opgeheven
1De personeelsleden die in het basisonderwijs aangesteld zijn als leermeester godsdienst belast met anglicaanse godsdienst hebben tot en met 31 augustus 2013 recht op de salarisschaal 121.
+0 −6 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 103ter opgeheven
1De personeelsleden die in het gewoon of het buitengewoon secundair onderwijs aangesteld zijn als godsdienstleerkracht belast met anglicaanse godsdienst, hebben tot en met 31 augustus 2013 :
21° in de eerste graad en in de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs recht op de salarisschaal 300;
32° in de tweede graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs en in de derde en vierde graad van het beroepssecundair onderwijs recht op de salarisschaal 384;
43° in de derde graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs recht op de salarisschaal 301;
54° in opleidingsvorm 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs, recht op de salarisschaal 300;
65° in opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs recht op dezelfde salarisschaal als in de overeenkomende graad en onderwijsvorm van het gewoon secundair onderwijs.
+0 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 103quater opgeheven
1Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming zijn de salarissen die op basis van diensten gepresteerd tot en met 31 augustus 2013 overeenkomstig artikel 103bis of artikel 103ter van dit decreet werden uitgekeerd aan godsdienstleerkrachten belast met anglicaanse godsdienst in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs in hoofde van deze personeelsleden, definitief verworven.
+0 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 103quinquies opgeheven
+0 −17 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 103sexies
1§ 1. De prestaties die een personeelslid tussen 1 september 2002 en 31 augustus 2006 geleverd heeft in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon secundair onderwijs, kunnen beschouwd worden als gepresteerd in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers. Hiertoe pleegt de raad van bestuur of haar afgevaardigde overleg met ieder van de betrokken personeelsleden.
2Als de raad van bestuur of haar afgevaardigde en een personeelslid overeenkomen dat de verrichte prestaties beschouwd worden als prestaties in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers, dan wordt een individueel concordantieformulier opgesteld. Dit formulier, waaruit ook gedetailleerd blijkt welke prestaties beschouwd worden als prestaties in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers, wordt ondertekend door de raad van bestuur of haar afgevaardigde en door het betrokken personeelslid. De concordantie heeft dan uitwerking met ingang van 1 september 2006 en moet ingediend worden ten laatste op 15 september 2006. De concordantie is persoonsgebonden en eenmalig.
3§ 2. Als de raad van bestuur of haar afgevaardigde en een personeelslid terzake geen overeenkomst bereiken, dan deelt de raad van bestuur of haar afgevaardigde de reden hiervan schriftelijk mee aan het betrokken personeelslid. Het personeelslid kan dan bij de Commissie Bezwaarschriften, hierna commissie genoemd, tot uiterlijk twintig kalenderdagen nadat de beslissing van de raad van bestuur hem werd meegedeeld een gemotiveerd bezwaarschrift neerleggen. Het personeelslid kan zich ook tot de commissie wenden als de raad van bestuur nalaat om een beslissing te nemen. In dat geval dient het bezwaarschrift uiterlijk op 5 oktober bij de commissie ingediend te worden.
4Dat bezwaarschrift houdt in dat het personeelslid een eigen voorstel indient tot concordantie naar het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers op grond van § 1 of dat het personeelslid een voorstel indient om geen concordantie te verkrijgen.
5De commissie hoort de betrokken partijen. Ze houdt bij haar uitspraak eveneens rekening met de bepalingen van § 1.
6Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid niet aanvaardt, is de door de raad van bestuur gemaakte keuze in hoofde van het personeelslid bindend en definitief vanaf 1 september 2006.
7Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid aanvaardt, is deze beslissing ten aanzien van de raad van bestuur bindend en definitief vanaf 1 september 2006.
8De commissie bestaat uit de administrateur-generaal van het Agentschap voor Onderwijsdiensten of zijn afgevaardigde en de bevoegde leden van het college van inspecteurs-generaal of hun afgevaardigden.
9§ 3. De individuele concordantie bedoeld in § 1 heeft voor gevolg dat :
101° de diensten, gepresteerd in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, worden geacht ook te zijn gepresteerd in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;
112° voor personeelsleden die vastbenoemd zijn, de draagwijdte van hun vaste benoeming zoals bedoeld in artikel 40bis, § 1, wordt uitgebreid met het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;
123° het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, wordt geacht ook te zijn verworven voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;
134° een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verworven voor de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, ook geldt voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;
145° een reaffectatie of wedertewerkstelling in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, ook blijft gelden als reaffectatie of wedertewerkstelling in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers.
15§ 4. De kandidaatstellingen die in toepassing van dit decreet plaatsvonden voor de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs voor het schooljaar 2006-2007, worden - waar nodig - geacht gebeurd te zijn voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers.
16§ 5. In afwijking van artikel 28bis, § 2, deelt de raad van bestuur tijdens het schooljaar 2006-2007 de lijst van vacant verklaarde betrekkingen in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs mee na 15 september 2006 en vóór 15 oktober 2006. De vacante betrekkingen worden vastgesteld op basis van de toestand op 15 september 2006.
17De vacante betrekkingen in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die werden meegedeeld vóór 15 mei 2006 op basis van de toestand op 15 april 2006, hebben geen uitwerking.
+0 −3 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 103duodecies opgeheven
1De hierna volgende personeelsleden die op 31 december 2018 aangesteld zijn in een betrekking in een specifieke lerarenopleiding en die na de stopzetting van die opleiding overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, naar een hogeschool overgaan, delen uiterlijk op 1 januari 2019 aan de raad van bestuur van het centrum voor volwassenenonderwijs mee of zij na de stopzetting van de specifieke lerarenopleiding aan de hogeschool of de universiteit willen werken die de financiering voor die opleiding overneemt :
21° de vastbenoemde lector, voor het deel van zijn opdracht waarvoor hij niet ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking;
32° de lector die tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur in een vacante betrekking.
+0 −16 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 103terdecies opgeheven
1§ 1. De bevoegde dienst van het Ministerie van Onderwijs en Vorming bezorgt ieder centrum voor volwassenenonderwijs dat een HBO5-opleiding of een specifieke lerarenopleiding aanbiedt, uiterlijk op 1 januari 2019 een nominatieve lijst van de volgende personeelsleden van het centrum voor volwassenenonderwijs :
21° de lectoren die aan de HBO5-opleiding verbonden zijn;
32° de lectoren die aan de specifieke lerarenopleiding verbonden zijn;
43° de leden van het bestuurs- en ondersteunend personeel.
5In afwijking van het eerste lid worden de personeelsleden met een terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen niet op de personeelslijst opgenomen.
6Er wordt voor elk van de in het eerste lid vermelde groepen een aparte personeelslijst opgemaakt. Voor de in het eerste lid, 1° en 2°, vermelde groepen worden twee deellijsten gemaakt, met name :
71° een deellijst voor de personeelsleden die overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, overgenomen worden door een hogeschool;
82° een deellijst voor de personeelsleden die overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/4 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, zonder openbare vacature en vergelijkende selectieprocedure door een hogeschool kunnen overgenomen worden. De vastbenoemde personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking in het ambt van lector worden op de tweede deellijst opgenomen.
9§ 2. Een in paragraaf 1 vermelde lijst bevat de volgende gegevens :
101° de voor- en achternaam;
112° het stamboeknummer;
123° het ambt en de daaraan verbonden salarisschaal;
134° het statuut (vastbenoemd, ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tijdelijk aangesteld voor doorlopende duur, tijdelijk aangesteld voor bepaalde duur);
145° de aanduiding `titularis' of `vervanger van een titularis';
156° de omvang van de opdracht in de opleiding op 31 december 2018;
167° de werkelijk uitgeoefende omvang van de betrekking op 31 december 2018 met vermelding van het eventuele verlofstelsel.
+0 −5 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 103quaterdecies opgeheven
1Ieder centrum voor volwassenenonderwijs verifieert de door het Ministerie van Onderwijs en Vorming bezorgde lijst. Het centrum stuurt de lijst voor 1 februari 2019 naar het Ministerie van Onderwijs en Vorming terug met de volgende vermeldingen :
21° rechtzettingen van administratieve onjuistheden van de bezorgde gegevens;
32° de vastbenoemde personeelsleden die niet naar een hogeschool willen overgaan overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
43° de dienstanciënniteit van de personeelsleden;
54° op de lijst met de vastbenoemde lectoren en lectoren met een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking aan een specifieke lerarenopleiding : de voorkeur van het personeelslid om over te gaan naar de hogeschool of de universiteit die de financiering van de specifieke lerarenopleiding overneemt.
+0 −2 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gemeenschapsonderwijs/art. 103quinquiesdecies opgeheven
1De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, bezorgt uiterlijk op 15 februari 2019 aan ieder centrum voor volwassenenonderwijs dat een hbo5-opleiding aanbiedt en aan de hogeschool waarmee het centrum een intentieverklaring over die opleiding afgesloten heeft, de geverifieerde en gecorrigeerde lijsten met de in artikel 103ter decies, § 1, eerste lid, 1° en 3°, vermelde personeelsleden.
2De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, bezorgt uiterlijk op 15 februari 2019 aan ieder centrum voor volwassenenonderwijs dat een specifieke lerarenopleiding aanbiedt en aan de hogeschool en universiteit waarmee het centrum een intentieverklaring over die opleiding afgesloten heeft, de geverifieerde en gecorrigeerde lijsten met de in artikel 103ter decies, § 1, eerste lid, 2° en 3°, vermelde personeelsleden.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 17septies
1§ 1. Personeelsleden die in opdracht van de inrichtende macht verplaatsingen maken met hun eigen wagen, moto of bromfiets hebben recht op de kilometervergoeding gelijk aan het bedrag dat jaarlijks bepaald wordt in uitvoering van artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten. De inrichtende macht kan dit bedrag met maximum 10 % verminderen, op voorwaarde dat ze daarnaast een omniumverzekering heeft afgesloten voor dienstverplaatsingen.1§ 1. Personeelsleden die in opdracht van de inrichtende macht verplaatsingen maken met hun eigen wagen, moto of bromfiets hebben recht op de kilometervergoeding gelijk aan het bedrag dat jaarlijks bepaald wordt in uitvoering van artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten. De inrichtende macht kan dit bedrag met maximum 10 % verminderen, op voorwaarde dat ze daarnaast een omniumverzekering heeft afgesloten voor dienstverplaatsingen.
2Personeelsleden die in opdracht van de inrichtende macht verplaatsingen maken met het openbaar vervoer genieten, bij de inlevering van het vervoerbewijs, de volledige betaling van de erop vermelde bedragen. De verplaatsingen per trein worden terugbetaald aan het tarief van een standaardbiljet 2e klas.2Personeelsleden die in opdracht van de inrichtende macht verplaatsingen maken met het openbaar vervoer genieten, bij de inlevering van het vervoerbewijs, de volledige betaling van de erop vermelde bedragen. De verplaatsingen per trein worden terugbetaald aan het tarief van een standaardbiljet 2e klas.
3§ 2. In afwijking op paragraaf 1 mag de inrichtende macht van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 het bedrag van de kilometervergoeding beperken tot 70 procent van de kilometervergoeding die jaarlijks bepaald wordt in uitvoering van artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten en van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 tot 85 procent van voormelde kilometervergoeding.
3§ 2. ...
4§ 3. De bepalingen van dit artikel gelden niet als de inrichtende macht een systeem van kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen hanteert, dat gunstiger is dan dit vermeld in paragraaf 1 en 2.4§ 3. De bepalingen van dit artikel gelden niet als de inrichtende macht een systeem van kilometervergoeding voor dienstverplaatsingen hanteert, dat gunstiger is dan dit vermeld in paragraaf 1 en 2.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 19sexies
43° of aan de hand van een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het personeelslid heeft behaald op voorwaarde dat het getuigschrift, het certificaat of het attest het vereiste niveau van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont. De Vlaamse Regering is gemachtigd een examencommissie in te richten of examens te laten organiseren door een of meerdere instellingen van door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs. De Vlaamse Regering is gemachtigd om een getuigschrift, een certificaat of een attest dat behaald is via een wettelijk of reglementair bepaalde examencommissie, in te schalen in de niveaus van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.43° of aan de hand van een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het personeelslid heeft behaald op voorwaarde dat het getuigschrift, het certificaat of het attest het vereiste niveau van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont. De Vlaamse Regering is gemachtigd een examencommissie in te richten of examens te laten organiseren door een of meerdere instellingen van door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs. De Vlaamse Regering is gemachtigd om een getuigschrift, een certificaat of een attest dat behaald is via een wettelijk of reglementair bepaalde examencommissie, in te schalen in de niveaus van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
5§ 2. Indien een inrichtende macht moeilijkheden ondervindt om een kandidaat aan te werven die de vereiste taalbekwaamheid bezit, kan ze een kandidaat aanwerven die niet over de vereiste taalbekwaamheid beschikt. Op aanvraag kent de minister bevoegd voor onderwijs aan deze kandidaat een tijdelijke afwijking toe die geldt voor een termijn van 3 jaar, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanstelling in een ambt in een personeelscategorie bedoeld in de artikelen 19ter tot en met 19quinquies.5§ 2. Indien een inrichtende macht moeilijkheden ondervindt om een kandidaat aan te werven die de vereiste taalbekwaamheid bezit, kan ze een kandidaat aanwerven die niet over de vereiste taalbekwaamheid beschikt. Op aanvraag kent de minister bevoegd voor onderwijs aan deze kandidaat een tijdelijke afwijking toe die geldt voor een termijn van 3 jaar, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanstelling in een ambt in een personeelscategorie bedoeld in de artikelen 19ter tot en met 19quinquies.
6Tijdens voormelde periode van 3 jaar komt het personeelslid dat voormelde afwijking heeft gekregen, niet in aanmerking voor een vaste benoeming of voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, tenzij het personeelslid voor het einde van deze periode aan de voorwaarden inzake taalvereisten, bedoeld in artikel 19ter tot en met 19quinquies, voldoet. Voor het personeelslid dat tijdens het schooljaar 2009-2010 op basis van een hiervoor vermelde taalafwijking werd aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel om een taal te onderwijzen in een opleiding Arabisch richtgraad 1 en 2, Chinees richtgraad 1 en 2, Grieks richtgraad 1 en 2, Japans richtgraad 1 en 2, Pools richtgraad 1 en 2, Russisch richtgraad 1 en 2 of Turks richtgraad 1 en 2 in het studiegebied talen richtgraad 1 en 2, wordt de hiervoor vermelde termijn van 3 jaar met 1 jaar verlengd.6Tijdens voormelde periode van 3 jaar komt het personeelslid dat voormelde afwijking heeft gekregen, niet in aanmerking voor een vaste benoeming of voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, tenzij het personeelslid voor het einde van deze periode aan de voorwaarden inzake taalvereisten, bedoeld in artikel 19ter tot en met 19quinquies, voldoet.
+2 −8 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 33
17De vaste benoeming gaat in 1 januari volgend op de vacantverklaring, voor zover de betrekkingen bedoeld in deze paragraaf op die datum nog vacant zijn.17De vaste benoeming gaat in 1 januari volgend op de vacantverklaring, voor zover de betrekkingen bedoeld in deze paragraaf op die datum nog vacant zijn.
18§ 2. De Vlaamse regering kan voor de categorieën van personeelsleden die ze aanwijst, de vaste benoeming afhankelijk maken van een onderwijsopdracht waarvan zij het minimum bepaalt. Bij de vaststelling van de categorieën zal de Vlaamse regering zich inzonderheid laten leiden door de situatie op de arbeidsmarkt en door het aantal wegens ontstentenis van betrekking in deze categorie ter beschikking gestelde vastbenoemde personeelsleden en de specifieke kenmerken van sommige ambten, opleidingen, modules, vakken en specialiteiten.18§ 2. De Vlaamse regering kan voor de categorieën van personeelsleden die ze aanwijst, de vaste benoeming afhankelijk maken van een onderwijsopdracht waarvan zij het minimum bepaalt. Bij de vaststelling van de categorieën zal de Vlaamse regering zich inzonderheid laten leiden door de situatie op de arbeidsmarkt en door het aantal wegens ontstentenis van betrekking in deze categorie ter beschikking gestelde vastbenoemde personeelsleden en de specifieke kenmerken van sommige ambten, opleidingen, modules, vakken en specialiteiten.
19§ 3. Met ingang van 1 februari 1994 en tot een door de Vlaamse regering te bepalen datum kan een vaste benoeming geen uitwerking hebben ten aanzien van de overheid indien ze wordt uitgesproken:
20- in het voltijds secundair onderwijs in het ambt van leraar met de specialiteit huishoudkunde, de specialiteit kleding en de specialiteit verpleegkunde, ongeacht de graad van de onderwijsvorm en ongeacht of het een technisch of een praktisch vak betreft;
21- in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvormen 1, 2 en 3 in het ambt van leraar algemene en sociale vorming, specialiteit lichamelijke opvoeding;
22- in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvorm 3 in de ambten van leraar beroepsgerichte vorming met de specialiteit gezinstechnieken, de specialiteit kleding en de specialiteit textiel;
23- in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvorm 4 in het ambt van leraar met de specialiteit kleding, de specialiteit gezinstechnieken en de specialiteit textiel, ongeacht of het een technisch of een praktisch vak betreft;
24- in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvorm 4 in het ambt van leraar in het algemeen vak lichamelijke opvoeding, ongeacht de graad en de onderwijsvorm. (Met ingang van 1 februari 1998 heeft de vaste benoeming terug uitwerking t.a.v. de overheid; zie: B.V.R. 9 maart 1999, B.S., 7 mei 1999)
25De bepalingen van voorgaand lid zijn niet van toepassing op de wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde personeelsleden die voor een vaste benoeming in aanmerking komen.
19§ 3. ..
26§ 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, bepaalt de inrichtende macht afzonderlijk voor haar Centra voor Volwassenenonderwijs en voor haar academies voor deeltijds kunstonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokale onderhandelingscomité welke vacante betrekkingen ze meedeelt in respectievelijk de centra voor volwassenenonderwijs en de academies voor deeltijds kunstonderwijs .20§ 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, bepaalt de inrichtende macht afzonderlijk voor haar centra voor volwassenenonderwijs, voor haar academies voor deeltijds kunstonderwijs en voor haar leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun, jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokaal comité welke vacante betrekkingen ze meedeelt in respectievelijk de centra voor volwassenenonderwijs, de academies voor deeltijds kunstonderwijs en de leersteuncentra of leersteuncentra als vermeld in artikel 20, §2, van het decreet van 5 mei 2023 over leersteun.
27De inrichtende macht moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokale onderhandelingscomité geen akkoord wordt bereikt, meedelen als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De inrichtende macht moet alleszins jaarlijks de betrekkingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, 5° en 6°, meedelen.21De inrichtende macht moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokale onderhandelingscomité geen akkoord wordt bereikt, meedelen als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De inrichtende macht moet alleszins jaarlijks de betrekkingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, 5° en 6°, meedelen.
+7 −9 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 39bis
1§1. Dit artikel is van toepassing op een vastbenoemde directeur die titularis is van een volledige betrekking en die gedurende minstens drie opeenvolgende schooljaren voor zijn volledige betrekking gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4.1§1. Dit artikel is van toepassing op een vastbenoemde directeur die titularis is van een volledige betrekking en die gedurende minstens drie opeenvolgende schooljaren voor zijn volledige betrekking gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4.
2§2. Als een vastbenoemde directeur gebruik maakt van een verlofstelsel zoals vermeld in § 4, dan moet de inrichtende macht vóór de aanvang van dat verlofstelsel aan de vastbenoemde directeur meedelen of zij de volledige betrekking waarvan hij titularis is, in de loop van zijn verlof al dan niet als een vacante betrekking zal beschouwen en, desgevallend, na welke tijdsspanne dat zal gebeuren.2§2. Als een vastbenoemde directeur gebruik maakt van een verlofstelsel zoals vermeld in § 4, dan moet de inrichtende macht vóór de aanvang van dat verlofstelsel aan de vastbenoemde directeur meedelen of zij de volledige betrekking waarvan hij titularis is, in de loop van zijn verlof al dan niet als een vacante betrekking zal beschouwen en, desgevallend, na welke tijdsspanne dat zal gebeuren.
3Met de aanvang van een verlofstelsel wordt zowel de aanvang van de eerste aanvraag van een verlofstelsel als de aanvang van een verlenging bedoeld.3Met de aanvang van een verlofstelsel wordt zowel de aanvang van de eerste aanvraag van een verlofstelsel als de aanvang van een verlenging bedoeld.
4Deze mededeling moet schriftelijk gebeuren en minstens voor kennisneming ondertekend worden door de betrokken directeur. Als de betrokken directeur weigert voor kennisname te tekenen, bezorgt de inrichtende macht zijn beslissing aan de directeur met een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft vanaf de dag van verzending. Deze brief wordt voor de verdere procedure beschouwd als de voor kennisgeving ondertekende mededeling. Deze kennisgeving kan niet meer gewijzigd worden, tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de betrokken directeur.4Deze mededeling moet schriftelijk gebeuren en minstens voor kennisneming ondertekend worden door de betrokken directeur. Als de betrokken directeur weigert voor kennisname te tekenen, bezorgt de inrichtende macht zijn beslissing aan de directeur met een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft vanaf de dag van verzending. Deze brief wordt voor de verdere procedure beschouwd als de voor kennisgeving ondertekende mededeling. Deze kennisgeving kan niet meer gewijzigd worden, tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de betrokken directeur.
5Bij gebrek aan schriftelijke mededeling kan de inrichtende macht de volledige betrekking niet als een vacante betrekking beschouwen, tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de vastbenoemde directeur.5Bij gebrek aan schriftelijke mededeling kan de inrichtende macht de volledige betrekking niet als een vacante betrekking beschouwen, tenzij met uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de vastbenoemde directeur.
6Het beschouwen als een vacante betrekking bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden als de betrokken directeur voor een periode van minstens drie opeenvolgende schooljaren voltijds afwezig is geweest omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. Om de duur van de betrokken periode te bepalen, wordt alleen rekening gehouden met ononderbroken perioden van afwezigheid vanaf de voor kennisgeving ondertekende mededeling.6Het beschouwen als een vacante betrekking bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden als de betrokken directeur voor een periode van minstens drie opeenvolgende schooljaren voltijds afwezig is geweest omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. Om de duur van de betrokken periode te bepalen, wordt alleen rekening gehouden met ononderbroken perioden van afwezigheid vanaf de voor kennisgeving ondertekende mededeling.
7§ 3. In afwijking op § 2, en tot en met 1 september 2012, gelden volgende bepalingen voor de vastbenoemde directeur die op 1 september 2009 al afwezig is, omdat hij gebruik maakt van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4.
8Als een vastbenoemde directeur op 1 september 2009 minstens gedurende de twee voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was, omdat hij gebruik maakte van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4 en hij ook gedurende het volledige schooljaar 2009-2010 ononderbroken gebruikt maakt van één of meerdere verlofstelsels vermeld in § 4, dan kan de inrichtende macht zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2010 als een vacante betrekking beschouwen, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.
9Als een directeur op 1 september 2009 slechts gedurende het volledige voorgaande schooljaar ononderbroken afwezig was omdat hij gebruik maakte van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4 en hij ook gedurende de volledige schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 ononderbroken gebruikt maakt van een of meerdere verlofstelsels vermeld in § 4, dan kan de inrichtende macht zijn volledige betrekking als een vacante betrekking beschouwen vanaf 1 september 2011 maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.
10Als de in deze paragraaf bedoelde vastbenoemde directeur ook op 1 september 2012 afwezig is of blijft omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4, dan kan de inrichtende macht vanaf dat ogenblik gebruik maken van de bepalingen van § 2.
7§3. ...
11§4. De in § 1 bedoelde verlofstelsels zijn :8§4. De in § 1 bedoelde verlofstelsels zijn :
12a) verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vastbenoemd zijn;9a) verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vastbenoemd zijn;
13b) verlof voor het uitoefenen van een mandaat dat toegekend wordt aan de algemeen directeur of coördinerend directeur vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2001 betreffende de mandaten van directeur, algemeen directeur en coördinerend directeur in het niet-tertiair onderwijs;10b) verlof voor het uitoefenen van een mandaat dat toegekend wordt aan de algemeen directeur of coördinerend directeur vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2001 betreffende de mandaten van directeur, algemeen directeur en coördinerend directeur in het niet-tertiair onderwijs;
19h) politiek verlof zoals bepaald in artikel V.29 en volgende van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs;16h) politiek verlof zoals bepaald in artikel V.29 en volgende van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs;
20i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;17i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
21j) een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009 betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voor de personeelsleden van het onderwijs, die een personeelslid tot en met 31 augustus 2017 heeft opgenomen.
18j) ...
22§5. De directeur wiens betrekking in toepassing van dit artikel als vacant werd beschouwd, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of terbeschikkingstelling.19§5. De directeur wiens betrekking in toepassing van dit artikel als vacant werd beschouwd, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof of terbeschikkingstelling.
23Op het ogenblik dat de betrokken directeur geen gebruik meer maakt van de in § 4 bedoelde verlofstelsels, wordt hij ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was nog niet werd ingenomen door een andere vastbenoemde titularis. In dat geval wordt hij opnieuw titularis van de betrokken betrekking.20Op het ogenblik dat de betrokken directeur geen gebruik meer maakt van de in § 4 bedoelde verlofstelsels, wordt hij ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was nog niet werd ingenomen door een andere vastbenoemde titularis. In dat geval wordt hij opnieuw titularis van de betrokken betrekking.
21§6. In afwijking van paragraaf 2 geldt volgende bepaling voor de vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat. Als een vastbenoemde directeur in een onderwijsinternaat op 1 september 2023 minstens gedurende de drie voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was in het ambt van beheerder in een internaat, omdat hij gebruikmaakte van een of meerdere verlofstelsels als vermeld in paragraaf 4, kan de inrichtende macht zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2023 als een vacante betrekking beschouwen, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.
+6 −15 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 45
1§ 1. De mutatie bestaat in het toewijzen bij een andere inrichtende macht van een andere betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. Een mutatie geschiedt niet dan op verzoek van een personeelslid.1§ 1. De mutatie bestaat in het toewijzen bij een andere inrichtende macht van een andere betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. Een mutatie geschiedt niet dan op verzoek van een personeelslid.
2§ 2. De nieuwe affectatie bestaat in het toewijzen van een personeelslid aan een instelling of centrum ingericht door dezelfde inrichtende macht in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid
3vastbenoemd is. In de instellingen en centra van het gesubsidieerd vrij onderwijs geschiedt de nieuwe affectatie niet dan met akkoord van het personeelslid. Dit akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds één instelling met een tweede, en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.2§ 2. De nieuwe affectatie bestaat in het toewijzen van een personeelslid aan een instelling of centrum ingericht door dezelfde inrichtende macht in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is. In de instellingen en centra van het gesubsidieerd vrij onderwijs geschiedt de nieuwe affectatie niet dan met akkoord van het personeelslid. Dit akkoord is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds één instelling met een tweede, en derde graad en eventueel het HBO5 van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité.
4§ 3. In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.3§ 3. In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van onderwijzer, in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, in het ambt van kinderverzorger, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst of in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van kleuteronderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van kleuteronderwijzer.
5In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.4In afwijking van paragraaf 1 kan een inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van kleuteronderwijzer, in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding, in het ambt van leermeester godsdienst, in het ambt van leermeester niet-confessionele zedenleer of in één van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van onderwijzer, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer.
8§ 4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.7§ 4bis. In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
9In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.8In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt in het buitengewoon basisonderwijs of in het buitengewoon secundair onderwijs, mits zijn akkoord een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt van het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
10§ 5. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, behoudt het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.
11In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, behoudt het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.
12In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht op 1 september 2020 of op 1 september 2021 een personeelslid op zijn verzoek een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs als het personeelslid aan volgende voorwaarden voldoet :
131° het personeelslid is op 1 september 2019 overgegaan naar een hogeschool overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
142° het personeelslid was uiterlijk op 1 september 2017 vast benoemd in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en was op diezelfde datum belast met een coördinatieopdracht;
153° het personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs.
16Als het personeelslid deze mutatie opneemt, heeft het personeelslid voor het volume van de coördinatieopdracht waarvoor hij op 1 september 2017 vast benoemd was in het ambt van lector in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs recht op de salarisschaal die verbonden was aan het ambt van lector.
17§ 6. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van stafmedewerker, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
18In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs en op diezelfde datum belast is met een coördinatieopdracht, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van stafmedewerker, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt.
19§ 7. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
20In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs voor een opdracht van maximum 10 procent van een voltijdse betrekking, mits zijn akkoord op 1 september 2019 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, behoudt het personeelslid voor het volume van de opdracht waarvoor hij op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.
21In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
22In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector in een centrum voor volwassenenonderwijs voor een opdracht van maximum 10 procent van een voltijdse betrekking, op zijn verzoek op 1 september 2019 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, behoudt het personeelslid voor het volume van de opdracht waarvoor hij op 31 augustus 2019 vast benoemd is in het ambt van lector de salarisschaal verbonden aan het ambt van lector.
9§ 5. ...
10§ 6. ...
11§ 7. ...
23§ 8. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onder- wijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.12§ 8. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onder- wijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
24In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervings- ambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitenge- woon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.13In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.20 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 of een internaat gewoon onderwijs als vermeld in deel III, hoofdstuk 4, afdeling 2, van de voormelde codificatie, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervings- ambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitenge- woon secundair onderwijs of in een internaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
25Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.14Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger secundair onderwijs (ten minste hso) wordt geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van administratief medewerker in het basisonderwijs of het secundair onderwijs. Voor het personeelslid blijft de salarisschaal gelden die hem op grond van de reglementering die gold op 31 augustus 2023 werd verleend voor het ambt waarin hij was aangesteld.
15§9. In afwijking van paragraaf 2 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.35 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, mits zijn akkoord op 1 september 2023 een nieuwe affectatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze affectatie aanvaardt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
16In afwijking van paragraaf 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat uiterlijk op 31 augustus 2023 vastbenoemd is in een ambt in een internaat als vermeld in artikel III.35 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, op zijn verzoek op 1 september 2023 een mutatie toewijzen in een vacante betrekking in een wervingsambt in het gewoon of buitengewoon basisonderwijs, in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in een onderwijsinternaat, op voorwaarde dat dit personeelslid beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor dat ambt. Als het personeelslid deze mutatie opneemt, houdt dit in dat het personeelslid ook de salarisschaal verbonden aan dit ambt aanvaardt.
+0 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 51bis
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 62
54° de definitieve pensionering;54° de definitieve pensionering;
65° het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel;65° het einde van de verlenging van de aanstelling zoals voorzien in het tweede lid van dit artikel;
76° de weigering van een vastbenoemde lector van een centrum voor volwassenenonderwijs om op 1 september 2019 over te gaan naar een hogeschool, zoals bedoeld in artikel 84vicies semel;
76° ...;
87° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.87° de weigering van een vastbenoemd personeelslid van een internaat om opgenomen te worden in het transitiekader en om aldus op 1 september 2023 over te gaan naar een voorziening conform de regeling, vermeld in artikel 5, §2, van het decreet van 28 april 2023 over de transitie van personeelsleden van sommige instellingen van Onderwijs naar Welzijn.
9In afwijking van punt 2° geeft het bereiken van de leeftijdsgrens geen aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.9In afwijking van punt 2° geeft het bereiken van de leeftijdsgrens geen aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging als het betrokken personeelslid en zijn inrichtende macht overeenkomen de aanstelling te verlengen.
+1 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 74quater
11- de salarisschalen;11- de salarisschalen;
12- de nuttige ervaring.12- de nuttige ervaring.
13§ 3. Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming worden de concordanties die voor 1 september 2005 werden vastgelegd, beschouwd als zijnde vastgelegd overeenkomstig dit artikel.
13§ 3. ...
+0 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 76 opgeheven
+0 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 76bis opgeheven
1De personeelsleden die in het basisonderwijs aangesteld zijn als leermeester godsdienst belast met anglicaanse godsdienst hebben tot en met 31 augustus 2013 recht op de salarisschaal 121.
+0 −6 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 76ter opgeheven
1De personeelsleden die in het gewoon of het buitengewoon secundair onderwijs aangesteld zijn als godsdienstleerkracht belast met anglicaanse godsdienst, hebben tot en met 31 augustus 2013 :
21° in de eerste graad en in de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs recht op de salarisschaal 300;
32° in de tweede graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs en in de derde en vierde graad van het beroepssecundair onderwijs recht op de salarisschaal 384;
43° in de derde graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs recht op de salarisschaal 301;
54° in opleidingsvorm 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs, recht op de salarisschaal 300;
65° in opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs recht op dezelfde salarisschaal als in de overeenkomende graad en onderwijsvorm van het gewoon secundair onderwijs.
+0 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 76quater opgeheven
1Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming zijn de salaristoelagen die op basis van diensten gepresteerd tot en met 31 augustus 2013, overeenkomstig artikel 76bis of artikel 76ter van dit decreet, werden uitgekeerd aan godsdienstleerkrachten belast met anglicaanse godsdienst in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs in hoofde van deze personeelsleden definitief verworven.
+0 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 80 opgeheven
+0 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 81 opgeheven
+0 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 82 opgeheven
+0 −0 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 84duodecies opgeheven
+0 −17 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 84terdecies opgeheven
1§ 1. De prestaties die een personeelslid tussen 1 september 2002 en 31 augustus 2006 geleverd heeft in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon secundair onderwijs, kunnen beschouwd worden als gepresteerd in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers. Hiertoe pleegt de inrichtende macht of haar afgevaardigde overleg met ieder van de betrokken personeelsleden.
2Als de inrichtende macht of haar afgevaardigde en een personeelslid overeenkomen dat de verrichte prestaties beschouwd worden als prestaties in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers, dan wordt een individueel concordantieformulier opgesteld. Dit formulier, waaruit ook gedetailleerd blijkt welke prestaties beschouwd worden als prestaties in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers, wordt ondertekend door de inrichtende macht of haar afgevaardigde en door het betrokken personeelslid. De concordantie heeft dan uitwerking met ingang van 1 september 2006 en moet ingediend worden ten laatste op 15 september 2006. De concordantie is persoonsgebonden en eenmalig.
3§ 2. Als de inrichtende macht of haar afgevaardigde en een personeelslid terzake geen overeenkomst bereiken, dan deelt de inrichtende macht of haar afgevaardigde de reden hiervan schriftelijk mee aan het betrokken personeelslid. Het personeelslid kan dan bij de Commissie Bezwaarschriften, hierna commissie genoemd, tot uiterlijk twintig kalenderdagen nadat de beslissing van de inrichtende macht hem werd meegedeeld een gemotiveerd bezwaarschrift neerleggen. Het personeelslid kan zich ook tot de commissie wenden als de inrichtende macht nalaat om een beslissing te nemen. In dat geval dient het bezwaarschrift uiterlijk op 5 oktober bij de commissie ingediend te worden.
4Dat bezwaarschrift houdt in dat het personeelslid een eigen voorstel indient tot concordantie naar het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers op grond van § 1 of dat het personeelslid een voorstel indient om geen concordantie te verkrijgen.
5De commissie hoort de betrokken partijen. Ze houdt bij haar uitspraak eveneens rekening met de bepalingen van § 1.
6Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid niet aanvaardt, is de door de inrichtende macht gemaakte keuze in hoofde van het personeelslid bindend en definitief vanaf 1 september 2006.
7Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid aanvaardt, is deze beslissing ten aanzien van de inrichtende macht bindend en definitief vanaf 1 september 2006.
8De commissie bestaat uit de administrateur-generaal van het Agentschap voor Onderwijsdiensten of zijn afgevaardigde en de bevoegde leden van het college van inspecteurs-generaal of hun afgevaardigden.
9§ 3. De individuele concordantie bedoeld in § 1 heeft voor gevolg dat :
101° de diensten, gepresteerd in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, worden geacht ook te zijn gepresteerd in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;
112° voor personeelsleden die vastbenoemd zijn, de draagwijdte van hun vaste benoeming zoals bedoeld in artikel 40bis, § 1, wordt uitgebreid met het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;
123° het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, wordt geacht ook te zijn verworven voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;
134° een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verworven voor de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, ook geldt voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers;
145° een reaffectatie of wedertewerkstelling in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, ook blijft gelden als reaffectatie of wedertewerkstelling in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers.
15§ 4.De kandidaatstellingen die in toepassing van dit decreet plaatsvonden voor de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs voor het schooljaar 2006-2007, worden - waar nodig - geacht gebeurd te zijn voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers.
16§ 5. In afwijking van artikel 33, § 1, deelt de inrichtende macht tijdens het schooljaar 2006-2007 de vacante betrekkingen in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs mee na 15 september 2006 en vóór 15 oktober 2006. De vacante betrekkingen worden vastgesteld op basis van de toestand op 15 september 2006.
17De vacante betrekkingen in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die werden meegedeeld vóór 15 mei 2006 op basis van de toestand op 15 april 2006, hebben geen uitwerking.
+0 −8 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 84quaterdecies opgeheven
1§ 1. Voor de personeelsleden die in juni 2008 in dienst zijn in een gesubsidieerd internaat als contractueel personeelslid worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid in een functie van studiemeester-opvoeder in een gesubsidieerd internaat beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 6, 23, 31, 35, 74 en 77. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het ambt van studiemeester-opvoeder in de personeelscategorie van het opvoedend hulppersoneel in een internaat.
2Een personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven.
3De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2008 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door de inrichtende macht die het ontslag heeft gegeven.
4§ 2. Voor de personeelsleden die in juni 2008 in dienst zijn in een gesubsidieerd internaat van het gesubsidieerd officieel onderwijs als tijdelijk personeelslid ten laste van de inrichtende macht worden de diensten gepresteerd als tijdelijk personeelslid ten laste van de inrichtende macht in een functie van studiemeester-opvoeder in een gesubsidieerd internaat beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 6, 23, 31, 35, 74 en 77. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het ambt van studiemeester-opvoeder in de personeelscategorie van het opvoedend hulppersoneel in een internaat.
5Een personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven.
6De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het tijdelijk personeelslid ten laste van de inrichtende macht dat vóór juni 2008 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door de inrichtende macht die het ontslag heeft gegeven.
7§ 3. In afwijking van de bepalingen van hoofdstuk III deelt de inrichtende macht vóór 15 oktober 2008 aan de personeelsleden die de voorwaarden voor vaste benoeming vervullen de vacante betrekkingen mee van studiemeester-opvoeder, die kunnen worden ingericht op basis van artikel 27, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving en artikel 17, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs. De vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 15 september 2008. In een vacante betrekking die op deze wijze werd meegedeeld, kan op 1 januari 2009 worden vastbenoemd.
8§ 4. In afwijking van de bepalingen van artikel 23, kan het personeelslid bedoeld in § 1 dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, op straffe van verlies van zijn recht voor schooljaar 2008-2009, vóór 15 augustus 2008 bij de inrichtende macht kandideren met een ter post aangetekende brief.
+0 −1 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 84octiesdecies opgeheven
1De vastbenoemde personeelsleden van het Hoger Instituut voor Readaptatiewetenschappen Leuven die bij de overname van de opleiding Sociale readaptatiewetenschappen door de Katholieke Hogeschool Leuven onder de voorwaarden vallen van artikel 307sexies van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en geen gebruik wensen te maken van dit artikel, blijven personeelslid van het CVO HIRL en worden op het ogenblik van de overdracht van deze opleiding ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking.
+0 −20 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 84undevicies opgeheven
1§ 1. Met het oog op een vaste benoeming op 1 oktober 2018 deelt de inrichtende macht volgende betrekkingen in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel mee als vacante betrekkingen :
21° het deel van de betrekking van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 1 mei 2018 een verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar geniet als vermeld in artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
32° het deel van de betrekking van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 1 mei 2018 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
4De mededeling van deze vacante betrekkingen gebeurt voor 10 september 2018.
5§ 2. Onverminderd artikel 33, § 1 en § 4, moet de inrichtende macht met het oog op een vaste benoeming op 1 januari 2021 bijkomend ook betrekkingen als vacante betrekkingen meedelen die beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
61° de betrekking is ingericht in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel;
72° de vastbenoemde titularis van de betrekking, vermeld in punt 1°, is voor zijn volledige opdracht of voor een deel van zijn opdracht voor een volledig schooljaar afwezig omwille van een of meer van volgende verlofstelsels :
8a) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 51quater van dit decreet;
9b) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 51quater van dit decreet;
10c) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs of zoals bepaald in het koninklijk besluit van 16 december 1981 betreffende het syndicaal verlof in het Gesubsidieerd onderwijs;
11d) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de Federale Regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de Federale Regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
12e) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen en of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
13f) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
14g) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
15h) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties.
16Deze betrekkingen worden toegevoegd aan de mededeling van de vacante betrekkingen, vermeld in artikel 33, § 1.
17§ 3. Onverminderd artikel 33, § 1 en § 4, moet de inrichtende macht met het oog op een vaste benoeming op 1 januari 2021 bijkomend ook betrekkingen als vacante betrekkingen meedelen die uiterlijk op 15 november 2020 beantwoorden aan de volgende voorwaarden:
181° betrekkingen in het gewoon secundair onderwijs die de school inricht met uren-leraar die de school in toepassing van artikel 21 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of van artikel 90, § 1, 9°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap tijdens het schooljaar 2019-2020 heeft overgedragen;
192° betrekkingen die een school voor gewoon secundair onderwijs inricht met uren-leraar die ze heeft ontvangen van een andere school van hetzelfde schoolbestuur of van een ander schoolbestuur binnen hetzelfde net, of volgens artikel 19 of volgens artikel 20 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
20De inrichtende macht deelt de vacante betrekkingen uiterlijk voor 30 november 2020 mee op de wijze die vermeld is in artikel 33, § 1.
+0 −3 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 84viciesbis opgeheven
1De hierna volgende personeelsleden die op 31 december 2018 aangesteld zijn in een betrekking in een specifieke lerarenopleiding en na de stopzetting van die opleiding overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, naar een hogeschool overgaan, delen uiterlijk op 1 januari 2019 aan de raad van bestuur van het centrum voor volwassenenonderwijs mee of zij na de stopzetting van de specifieke lerarenopleiding aan de hogeschool of de universiteit willen werken die de financiering voor die opleiding overneemt :
21° de vastbenoemde lector, voor het deel van zijn opdracht waarvoor hij niet ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking;
32° de lector die tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur in een vacante betrekking.
+0 −16 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 84viciester opgeheven
1§ 1. De bevoegde dienst van het Ministerie van Onderwijs en Vorming bezorgt ieder centrum voor volwassenenonderwijs dat een hbo5-opleiding of een specifieke lerarenopleiding aanbiedt, uiterlijk op 1 januari 2019 een nominatieve lijst van de volgende personeelsleden van het centrum :
21° de lectoren die aan de hbo5-opleiding verbonden zijn;
32° de lectoren die aan de specifieke lerarenopleiding verbonden zijn;
43° de leden van het bestuurs- en ondersteunend personeel.
5In afwijking van het eerste lid worden de personeelsleden met een terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen niet op de personeelslijst opgenomen.
6Er wordt voor elk van de in het eerste lid vermelde groepen een aparte personeelslijst opgemaakt. Voor de in het eerste lid, 1° en 2°, vermelde groepen worden twee deellijsten gemaakt, met name :
71° een deellijst voor de personeelsleden die overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, overgenomen worden door een hogeschool;
82° een deellijst voor de personeelsleden die overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/4 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, zonder openbare vacature en vergelijkende selectieprocedure door een hogeschool kunnen overgenomen worden. De vastbenoemde personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking in het ambt van lector worden op de tweede deellijst opgenomen.
9§ 2. Een in paragraaf 1 vermelde lijst bevat de volgende gegevens :
101° de voor- en achternaam;
112° het stamboeknummer;
123° het ambt en de daaraan verbonden salarisschaal;
134° het statuut (vastbenoemd, terbeschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tijdelijk aangesteld voor doorlopende duur, tijdelijk aangesteld voor bepaalde duur);
145° de aanduiding `titularis' of `vervanger van een titularis';
156° de omvang van de opdracht in de opleiding op 31 december 2018;
167° de werkelijk uitgeoefende omvang van de betrekking op 31 december 2018 met vermelding van het eventuele verlofstelsel.
+0 −5 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 84viciesquater opgeheven
1Ieder centrum voor volwassenenonderwijs verifieert de door het Ministerie van Onderwijs en Vorming bezorgde lijst. Het centrum stuurt de lijst voor 1 februari 2019 naar het Ministerie van Onderwijs en Vorming terug met de volgende vermeldingen :
21° rechtzettingen van administratieve onjuistheden van de bezorgde gegevens;
32° de vastbenoemde personeelsleden die niet naar een hogeschool willen overgaan overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel V.206/1 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
43° de dienstanciënniteit van de personeelsleden;
54° op de lijst met de vastbenoemde lectoren en lectoren met een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking aan een specifieke lerarenopleiding : de voorkeur van het personeelslid om over te gaan naar de hogeschool of de universiteit die de financiering van de specifieke lerarenopleiding overneemt.
+0 −2 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 84viciesquinquies opgeheven
1De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, bezorgt uiterlijk op 15 februari 2019 aan ieder centrum voor volwassenenonderwijs dat een hbo5-opleiding aanbiedt en aan de hogeschool waarmee het centrum een intentieverklaring over die opleiding afgesloten heeft, de geverifieerde en gecorrigeerde lijsten met de in artikel 84vicies ter, § 1, eerste lid, 1° en 3°, vermelde personeelsleden.
2De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, bezorgt uiterlijk op 15 februari 2019 aan ieder centrum voor volwassenenonderwijs dat een specifieke lerarenopleiding aanbiedt en aan de hogeschool en universiteit waarmee het centrum een intentieverklaring over die opleiding afgesloten heeft, de geverifieerde en gecorrigeerde lijsten met de in artikel 84vicies ter, § 1, eerste lid, 2° en 3°, vermelde personeelsleden.
+0 −18 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 84viciessexies opgeheven
1§ 1. In afwijking van artikel 33, moet de inrichtende macht met het oog op een vaste benoeming op 1 juli 2021, voor 15 juni 2021 aan de personeelsleden van haar instellingen de vacante betrekkingen meedelen. Behoort een instelling tot een scholengemeenschap dan deelt de inrichtende macht van die instelling de vacante betrekkingen in haar instellingen die behoren tot die scho- lengemeenschap mee aan de personeelsleden van de scholengemeenschap. De mededeling van de vacante betrekkingen omvat:
21° alle vacante betrekkingen in de betrokken instelling of instellingen op 15 mei 2021;
32° eventueel de betrekkingen die in de periode van 15 mei tot en met 1 juli 2021 vacant zullen worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis. De inrichtende macht kan deze betrekkingen eveneens meedelen als vacante betrekking met het oog op een vaste benoeming;
43° de betrekking van een vastbenoemd personeelslid dat uiterlijk op 15 mei 2021 in toepassing van artikel V.75, § 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Op het ogenblik van deze terbeschikkingstelling wordt de betrekking waar het personeelslid titularis van is een vacante betrekking;
54° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 een verlof wegens verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar geniet als vermeld in artikel 5, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
65° het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onder- wijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 50 of 55 jaar geniet als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingen- begeleiding;
76° de betrekking of het deel van de betrekking in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel van een vastbenoemd personeelslid waarvoor dat personeelslid op 15 mei 2021 van dat schooljaar voor een volledig schooljaar afwezig is omwille van een of meer van volgende verlofstelsels:
8a) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 51quater van dit decreet;
9b) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 51quater van dit decreet;
10c) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs of zoals bepaald in het koninklijk besluit van 16 december 1981 betreffende het syndicaal verlof in het Gesubsidieerd onderwijs;
11d) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de Federale Regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de Federale Regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
12e) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen en of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
13f) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met artikel 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
14g) verlof voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties;
15h) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof en de afwezigheid voor verminderde prestaties.
16De mededeling van de vacante betrekkingen bevat een duidelijke omschrijving van de aangeboden betrekkingen en vermeldt de vorm waarin en de termijn waarbinnen een personeelslid moet kandideren, evenals de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vaste benoeming. Dit bericht wordt aan alle in het eerste lid bedoelde personeelsleden meegedeeld en openbaar gemaakt.
17§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, bepaalt de inrichtende macht afzonder- lijk voor haar centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks op basis van een beleids- plan en na onderhandelingen in het bevoegde lokale onderhandelingscomité welke vacante betrekkingen ze meedeelt.
18De inrichtende macht moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokale onderhandelingscomité geen akkoord wordt bereikt, meedelen als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren. De inrichtende macht moet met het oog op de vaste benoeming op 1 juli 2021 alleszins de betrekkingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, 5° en 6°, meedelen.
+0 −30 decreet-rechtspositie-personeelsleden-gesubsidieerd-onderwij/art. 84viciessepties opgeheven
1§ 1. In afwijking van artikel 31 kan een inrichtende macht een personeelslid op 1 juli 2021 vast benoemen in een ambt in een vacant ver- klaarde betrekking als vermeld in artikel 84vicies sexies, als dat personeelslid op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de voorwaarden van artikel 19 en hij, rekening houdend met artikel 77, daarenboven:
21° op 31 mei 2021 ten minste 360 dagen dienstanciënniteit heeft verworven in het bedoelde ambt in een of meer instellingen van de inrichtende macht. Als het een leraar betreft in het bezit van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs moeten de 360 dagen gepresteerd zijn in het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
32° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn, vermeld in de oproep tot de kandidaten;
43° op 30 juni 2021 in een instelling van de inrichtende macht waar hij de in punt 1° vereiste dienstanciënniteit heeft verworven, tijdelijk is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling waar het personeelslid tijdelijk is aangesteld niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid tijdelijk is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de inrichtende macht in de scholengemeenschap. Is het personeelslid op 30 juni 2021 aangesteld in het ambt van leraar met een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle opleidingen, modules of vakken en specialiteiten waarvoor dat vereiste bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, geldt. Is het personeelslid op
530 juni 2021 aangesteld in het ambt van leraar met een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, in een opleiding, module, vak of specialiteit dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor die opleiding, die module, dat vak of die specialiteit en daarenboven ook voor alle opleidingen, modules, vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. Voor het personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling en voor het personeelslid bedoeld in hoofdstuk IVbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij is vast benoemd en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, moeten, voor zover hij het ambt van leraar uitoefent, de 360 dagen dienstanciënniteit verworven zijn in de opleiding, de module, het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking;
64° als laatste evaluatie in het betrokken ambt geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" verkregen heeft bij de inrichtende macht waar de vacante betrekking zich situeert. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de inrichtende macht die behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die behoren tot deze scholengemeenschap. Als het personeelslid de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kreeg in een instelling van de inrichtende macht die niet behoort tot een scholengemeenschap, dan geldt deze bepaling voor alle instellingen van deze inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn.
7De vaste benoeming is slechts mogelijk als het personeelslid de betrekking in hoofdambt uitoefent.
8§ 2.Als er meerdere personeelsleden zijn die zich kandidaat stellen voor vaste benoeming in eenzelfde betrekking moet de inrichtende macht, onverminderd artikel 35, § 2 en § 3, bij de toewijzing van de vaste benoeming in die betrekking de volgende volgorde respecteren:
91° de personeelsleden die bij de inrichtende macht deeltijds benoemd zijn in het ambt;
102° de tijdelijke personeelsleden die bij de inrichtende macht uiterlijk op 30 juni 2021 in het ambt tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;
113° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt ten minste 580 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de inrichtende macht of desgevallend in een of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap. Voor het bepalen van deze 580 dagen dienstanciënniteit wordt, in afwijking van artikel 6, § 1, a), het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. De inrichtende macht kan beslissen om een tijdelijk personeelslid dat voldoet aan deze voorwaarde niet vast te benoemen, als het personeelslid in het ambt uiterlijk op 30 juni 2021 van de eerste evaluator een beoordeling met werkpunten heeft gekregen. De inrichtende macht deelt de weigering via een schriftelijke motivatie mee aan het personeelslid. Dit geldt ook als het tijdelijk personeelslid de enige kandidaat is voor de vacant verklaarde betrekking;
124° de tijdelijke personeelsleden die uiterlijk op 31 mei 2021 in het ambt waarvoor ze zich kandidaat stellen ten minste 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in een of meer instellingen van de inrichtende macht. De inrichtende macht kan beslissen om een tijdelijk personeelslid dat voldoet aan deze voorwaarde niet vast te benoemen, op voorwaarde dat het personeelslid dan een schriftelijke motivatie krijgt waarin de inrichtende macht opneemt om welke redenen ze de vaste benoeming weigert. Dit geldt ook als het tijdelijk personeelslid de enige kandidaat is voor de vacant verklaarde betrekking.
13De inrichtende macht kan binnen elke groep, vermeld in het eerste lid, bij- komende criteria bepalen om een vaste benoeming toe te kennen. Deze criteria worden onderhandeld in het daartoe bevoegde lokaal onderhandelingscomité.
14§ 3. In de instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs wordt elke benoeming in een wervingsambt en elke wijziging ervan schriftelijk vastgesteld. De overeenkomst vermeldt ten minste:
151° de benaming en het adres van de inrichtende macht en van de instelling waarin het personeelslid tewerkgesteld wordt;
162° de identiteit van het personeelslid;
173° het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;
184° in voorkomend geval, het pedagogisch project, de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.
19De overeenkomst van benoeming wordt opgemaakt in ten minste twee exemplaren, waarvan één bestemd voor het personeelslid.
20§ 4. In de instellingen van het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt elke benoeming in een wervingsambt en elke wijziging ervan vastgesteld bij besluit van de inrichtende macht. Het besluit vermeldt ten minste:
211° de benaming en het adres van de inrichtende macht en van de instelling waarin het personeelslid tewerkgesteld wordt;
222° de identiteit van het personeelslid;
233° het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;
244° in voorkomend geval, het pedagogisch project, de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden.
25Een afschrift van dit besluit wordt meegedeeld aan het betrokken personeelslid.
26§ 5. Bij ontstentenis van hetzij de schriftelijke overeenkomst bedoeld in paragraaf 3, hetzij het besluit bedoeld in paragraaf 4, wordt het personeelslid geacht vast benoemd te zijn voor het ambt, voor de opdracht en in de betrekking die het werkelijk uitoefent.
27§ 6. Het personeelslid wordt benoemd bij een inrichtende macht en geaffecteerd aan een instelling van deze inrichtende macht.
28§ 7. De Vlaamse Regering bepaalt de regels volgens welke de vaste benoeming, de nieuwe affectatie en de mutatie worden meegedeeld aan het Departement Onderwijs opdat zij zouden uitwerking hebben ten aanzien van de overheid.
29§ 8. De Vlaamse Regering bepaalt de gevolgen van een nieuwe vaste benoeming ten aanzien van de door het betrokken personeelslid voorheen reeds verkregen vaste benoeming, met dien verstande dat een personeelslid slechts vast benoemd kan zijn ten belope van maximaal één voltijdse betrekking in hoofdambt. Het voltijds karakter wordt bepaald in functie van de prestaties vereist voor een voltijdse betrekking in het ambt van de nieuwe benoeming.
30§ 9. In afwijking van artikel 33, § 1, gaat de vaste benoeming in op 1 juli 2021 volgend op de vacantverklaring, voor zover de betrekking op die datum nog vacant is.
+0 −1 decreet-1997-02-25/art. 37septies
21§ 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn:21§ 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn:
221° het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen.221° het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen.
23Voor de schooljaren 2019-2020 en 2020-2021 komen eveneens in aanmerking voor voorrang: de leefeenheid ontving in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen. Met leefeenheid wordt bedoeld, een of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook een of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen of studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres;
242° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.232° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.
25§ 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.24§ 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de indicatoren, vermeld in paragraaf 3, aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 37septies decies
1Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 37quindecies duidt de Vlaamse Regering per provincie, een LOP-deskundige en een onderwijsinspecteur aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen.1Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 37quindecies duidt de Vlaamse Regering per provincie, een LOP-deskundige aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen.
+1 −1 decreet-1997-02-25/art. 37/58
13Het LOP maakt de bepaalde aantallen bekend aan alle belanghebbenden.13Het LOP maakt de bepaalde aantallen bekend aan alle belanghebbenden.
14Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands, mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1.14Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands, mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1.
15§ 4. Leerlingen die naast de voorwaarde, vermeld in paragraaf 2, ook beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 37/60, tellen niet mee voor het bereiken van het in paragraaf 3 vermelde aantal. Deze leerlingen worden ingeschreven tot het contingent voor de leerlingen die beantwoorden aan één of meerdere van de indicatoren, vermeld in artikel 37/60, § 3, bereikt is.
15§ 4. ...
+11 −12 decreet-1997-02-25/art. 79
1§ 1. Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsbudgetten voor het gewoon basisonderwijs 402.900.000 euro.
2§ 2. 1° Vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs.
32° Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs.
1§ 1. ...
2§ 2. 1° ...
32° ...
43° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs.43° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het gewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon basisonderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het gewoon basisonderwijs.
5§ 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van 402.900.000 euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.
6Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.5§ 3. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.
7De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :6De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :
81° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :71° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :
12a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;11a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
13b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.12b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
143° in afwijking van § 3, 2°, is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 en 2011 gelijk aan 1.
154° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4.
165° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4.
176° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4;
187° het bedrag voor begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 8.101.000 euro;
198° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van paragraaf 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 69.545.000 euro.
133°...
144° ...
155° ...
166° ..;
177° ...;
188° ...
20De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.19De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.
21§ 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 486.000 euro.
20§ 4. ...
+0 −3 decreet-1997-02-25/art. 80
73§ 4. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van volgende formule :73§ 4. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van volgende formule :
74B_SchK = B - V1 - V2 - B_lli.74B_SchK = B - V1 - V2 - B_lli.
75Voor het begrotingsjaar 2010 wordt het B_SchK bepaald door toepassing van volgende formule :
76B_SchK = GPP_SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 81, 1° en 2°,
77waarbij : GPP_SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009.
+11 −12 decreet-1997-02-25/art. 85bis
1§ 1. Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsmiddelen voor het buitengewoon basisonderwijs 35.599.000 euro.
2§ 2. 1° Vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs.
32° Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs.
1§ 1. ...
2§ 2. 1° ...
32° ...
43° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs;43° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon basisonderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon basisonderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het Gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar voor het buitengewoon basisonderwijs;
5§ 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van 35.599.000 euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.
6Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.5§ 3. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.
7De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :6De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :
81° A1 = 0,6 +0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :71° A1 = 0,6 +0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :
12a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;11a) Cx-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
13b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.12b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
143° in afwijking van 2° is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 en 2011 gelijk aan 1;
154° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4.
165° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4.
176° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4;
187° het bedrag voor begrotingsjaar 2015, verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 731.000 euro;
198° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van § 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 983.000 euro.
133° ...;
144° ...
155° ...
166° ...;
177° ...;
188° ....
20De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.19De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.
21§ 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 53.000 euro.
20§ 4. ....
+0 −3 decreet-1997-02-25/art. 85ter
9§ 3. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule :9§ 3. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule :
10B_SchK = B - V1 - V2.10B_SchK = B - V1 - V2.
11Voor het begrotingsjaar 2010 wordt het B_SchK bepaald door toepassing van volgende formule :
12B_SchK = GPP_SchK2009 x het totale aantal punten verkregen na toepassing van artikel 85quater, 1° en 2°,
13waarbij : GPP_SchK2009 de geldwaarde per punt is voor het begrotingsjaar 2009, zoals vastgesteld na de derde begrotingscontrole 2009.
+0 −18 decreet-1997-02-25/art. 87bis opgeheven
1§ 1. ...
2§ 2. ...
3De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend:
41° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij:
5a) punten 1 = de som van het totale aantal punten voor schoolkenmerk 1 en 2, berekend na de toepassing van artikel 81, voor de leerlingen van het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar en het totaal aantal punten voor schoolkenmerk 3, 4, 5 en 6 zoals berekend na toepassing van artikel 85quater, voor de leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het vorige schooljaar;
6b) punten 0 = de som van het totale aantal punten voor schoolkenmerk 1 en 2, berekend na de toepassing van artikel 81, voor de leerlingen van het gewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het voorlaatste schooljaar en het totale aantal punten voor schoolkenmerk 3, 4, 5 en 6, zoals berekend na toepassing van artikel 85quater, voor de leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs op de eerste schooldag van februari van het voorlaatste schooljaar;
72° A2 = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
8a) Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
9b) Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
10De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.
11§ 3. Voor het begrotingsjaar 2019 wordt een extra werkingsbudget van 10.000.000 euro toegekend aan de scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019. Deze middelen kunnen ook aangewend worden tijdens het schooljaar 2019-2020.
12Het extra werkingsbudget per school is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal kleuters in de school op 1 februari 2018, met de G_Kl, waarbij:
13G_Kl = het extra werkingsbudget vermeld in het eerste lid, gedeeld door het totaal aantal kleuters in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs op 1 februari 2018.
14Het extra werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uitbetaald uiterlijk op 31 maart 2019.";
15§ 4. Voor het begrotingsjaar 2019 wordt een extra werkingsbudget van 397.607 euro toegekend aan het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019. Deze middelen kunnen ook aangewend worden tijdens het schooljaar 2019-2020.
16Het extra werkingsbudget per school is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal kleuters in de school op 1 februari 2018, met de G_Kl, waarbij:
17G_Kl = het extra werkingsbudget, vermeld in het eerste lid, gedeeld door het totaal aantal kleuters in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs op 1 februari 2018.
18Het extra werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uitbetaald uiterlijk op 31 maart 2019.
+0 −1 decreet-1997-02-25/art. 87ter opgeheven
1Aan scholen voor buitengewoon basisonderwijs die actief zijn in het ondersteuningsmodel, in toepassing van de artikelen 172quinquies en 172quinquies/1, wordt voor het schooljaar 2021-2022 eenmalig een budget toegekend in functie van het professionaliseren van ondersteuners. Voor het begrotingsjaar 2021 gaat het om 957.284 euro en voor het begrotingsjaar 2022 gaat het om 1.915.237 euro. De middelen worden ingezet om in het schooljaar 2021-2022 en in het eerste trimester van het schooljaar 2022-2023 personeelsleden aan te stellen die ondersteuners vervangen tijdens een periode van professionalisering. De Vlaamse Regering legt daartoe het verdelingsmechanisme over de scholen, de toepassingsmodaliteiten en de modaliteiten met betrekking tot het lokaal sociaal overleg vast.
+0 −3 decreet-1997-02-25/art. 87quater opgeheven
1§ 1. Voor het schooljaar 2021-2022 wordt een extra werkingsbudget van 7.692.000 euro toegekend aan scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, exclusief type 5. Ten laste van dit werkingsbudget moet personeel worden aangeworven voor beleidsondersteuning of administratieve ondersteuning conform artikel 154, § 2.
2§ 2. Het extra werkingsbudget per school wordt berekend door het aantal regelmatige leerlingen, dat de school telt op de eerste schooldag van februari 2021, te vermenigvuldigen met 10,53 euro.
3Het werkingsbudget wordt aan de schoolbesturen uiterlijk vóór 1 februari 2022 uitbetaald.
+0 −1 decreet-1997-02-25/art. 137 opgeheven
1Het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming voert jaarlijks een monitoring uit van de bepalingen in deze sectie. Hierbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de evolutie van de verschillende componenten van de basisomkadering. De resultaten van deze monitoring worden aan de Regering bezorgd.
+12 −3 decreet-1997-02-25/art. 141
1§1. Het lestijdenpakket wordt aangewend vanaf 1 september en geldt voor de duur van een schooljaar.1§1. Het lestijdenpakket wordt aangewend vanaf 1 september en geldt voor de duur van een schooljaar.
2§2. Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, op de instapdata vermeld in artikel 12, § 2, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar.2§2. Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, op de instapdata vermeld in artikel 12, § 2, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar.
3Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, van scholen die, na hun programmatieperiode, een vestigingsplaats met kleuteronderwijs opgericht hebben conform artikel 108bis, gedurende het tweede, derde en vierde bestaansjaar van deze vestigingsplaats, voor zover het niveau kleuter in deze vestigingsplaats nog bestaat, op de instapdag vermeld in artikel 12, § 2, 1°, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar.3Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, van scholen die, na hun programmatieperiode, een vestigingsplaats met kleuteronderwijs opgericht hebben conform artikel 108bis, gedurende het tweede, derde en vierde bestaansjaar van deze vestigingsplaats, voor zover het niveau kleuter in deze vestigingsplaats nog bestaat, op de instapdag vermeld in artikel 12, § 2, 1°, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar.
4Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, van scholen die, na hun programmatieperiode, een niveau kleuter opgericht hebben conform artikel 110, gedurende het tweede, derde en vierde bestaansjaar van dit niveau, voor zover dit niveau nog bestaat, op de instapdag vermeld in artikel 12, § 2, 1°, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar.4Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon kleuteronderwijs, van scholen die, na hun programmatieperiode, een niveau kleuter opgericht hebben conform artikel 110, gedurende het tweede, derde en vierde bestaansjaar van dit niveau, voor zover dit niveau nog bestaat, op de instapdag vermeld in artikel 12, § 2, 1°, 5°, 6° en 7°, herberekend tijdens het lopende schooljaar.
5De betrekkingen die worden ingericht op basis van herberekende lestijden komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.5De betrekkingen die worden ingericht op basis van herberekende lestijden komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.
6§ 3. Onder de voorwaarden die de regering bepaalt, worden voor het schooljaar 2016-2017 de lestijden voor het kleuteronderwijs berekend volgens artikel 132, § 1, herberekend op 1 juni 2016 bij een stijging in de school van het aantal kleuters dat voldoet aan artikel 133, § 1, c), of artikel 173quinquies/2, § 1, 2°.
6§3. ...
7§4. Een school kan tijdens de schooljaren 2023-2024 en 2024-2025 het lestijdenpakket, vermeld in paragraaf 1, ook aanwenden voor het inzetten van een gastleraar. Het aantal vacante lestijden dat aan gastleraren kan worden besteed, wordt door het schoolbestuur vastgelegd na onderhandeling in het lokaal comité. Per gastleraar kan maximum het aantal lestijden worden aangewend dat overeenstemt met een derde van een voltijdse lesopdracht.
8Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de school. Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, geeft in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, in een of enkele onderdelen van een specifiek leergebied gastlessen in de school of op een andere locatie in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma en vanuit zijn deskundigheid of ervaring in dat leergebied.
9Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 – model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van het voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven. Daarnaast toont de voormelde gastleraar die gastlessen geeft in een school die in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, aan dat hij de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheerst op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De voormelde gastleraar bewijst de voormelde vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
101° met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuursen onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal;
112° met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
123° met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
134° met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.
14Bij de wijze van aanwending, vermeld in het eerste lid, worden lestijden ten belope van de lesopdracht van de gastleraar omgezet in een krediet. De regering bepaalt de wijze van melding van voormelde aanwending aan de dienst van de administratie die de regering aanwijst, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.
15De maatregelen, vermeld in deze paragraaf, worden geëvalueerd tijdens het schooljaar 2024-2025.
+0 −0 decreet-1997-02-25/art. 153viciessepties opgeheven
+0 −1 decreet-1997-02-25/art. 153duodetricies opgeheven
1Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2018 en houdt op uitwerking te hebben op 1 juli 2020.
+0 −3 decreet-1997-02-25/art. 172sexies opgeheven
1Voor begrotingsjaar 2018 wordt een extra werkingsbudget van 9.000.000 euro toegekend aan de scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar 2018-2019.
2Dit werkingsbudget moet worden aangewend om in het basisonderwijs de leerkracht in de klas te ondersteunen. De criteria met betrekking tot de aanwending van het werkingsbudget in de school, moeten onderhandeld worden in het bevoegde lokaal comité. Als de school deel uitmaakt van een scholengemeenschap, maakt de scholengemeenschap afspraken over de aanwending van de middelen.
3De regering bepaalt de verdeling van het extra werkingsbudget over de scholen, de berekeningswijze per school en houdt daarbij minstens rekening met het aantal leerlingen per school, en de uitbetalingsmodaliteiten.
+0 −0 decreet-1997-02-25/art. 172septies opgeheven
+0 −10 decreet-1997-02-25/art. 173quinquies/2 opgeheven
1§ 1. Aan de scholen voor gewoon basisonderwijs die aan een van volgende criteria voldoen, wordt een extra toelage toegekend uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands voor het schooljaar 2015-2016 die berekend wordt volgens paragraaf 2 :
21° de school kent op de eerste schooldag van februari 2016 een stijging van het aantal kleuters die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2015-2016;
32° de school telt op de eerste schooldag van februari 2016 minstens één leerling die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar jonger dan vijf jaar is en die op de eerste schooldag van februari 2016, gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet :
4a) hij is een nieuwkomer, dit wil zeggen dat hij pas vanaf 1 juli 2015 of later in België verblijft;
5b) hij heeft niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal;
6c) hij beheerst onvoldoende de onderwijstaal om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;
7d) hij is maximaal negen maanden ingeschreven, vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen, in een school met het Nederlands als onderwijstaal.
8§ 2. De extra toelage waar de school recht op heeft, is 950 euro maal (C + (D-C)), waarbij, als D-C negatief is, dit gelijkgesteld wordt aan 0.
9C = het totale aantal kleuters in de school dat op de eerste schooldag van februari 2016 voldoet aan paragraaf 1, 2° ;
10D = de totale stijging aan kleuters in de school, die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), op de eerste schooldag van februari van 2016 ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2015-2016.
+0 −11 decreet-1997-02-25/art. 173quinquies/3 opgeheven
1§ 1. Aan de scholen voor gewoon basisonderwijs die aan een van de volgende criteria voldoen, wordt in het schooljaar 2016-2017 een extra toelage toegekend uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands die berekend wordt volgens paragraaf 2:
21° de school kent op 14 november 2016 een stijging van het aantal kleuters die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2016-2017;
32° de school telt op 14 november 2016 minstens één leerling die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar jonger dan vijf jaar is en die op 14 november 2016, gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet:
4a) hij is een nieuwkomer, dit wil zeggen dat hij pas vanaf 1 juli 2016 of later in België verblijft;
5b) hij heeft niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal;
6c) hij beheerst onvoldoende de onderwijstaal om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;
7d) hij is maximaal negen maanden ingeschreven, vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen, in een school met het Nederlands als onderwijstaal.
8§ 2. De extra toelage waar de school recht op heeft, is 950 euro maal (C + (D-C)), waarbij, als D-C negatief is, dit gelijkgesteld wordt aan 0.
9C = het totale aantal kleuters in de school dat op 14 november 2016 voldoet aan paragraaf 1, 2° ;
10D = de totale stijging aan kleuters in de school, die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), op 14 november 2016 ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor schooljaar 2016-2017.
11§ 3. De scholen kunnen de extra toelage berekend volgens paragraaf 2 uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands voor het schooljaar 2016-2017 aanwenden.
+0 −12 decreet-1997-02-25/art. 173quinquies/4 opgeheven
1§ 1. Aan de scholen voor gewoon basisonderwijs die aan een van volgende criteria voldoen, wordt in het schooljaar 2017-2018 een extra toelage toegekend uitsluitend voor activiteiten als vermeld in paragraaf 3 en die berekend wordt volgens paragraaf 2:
21° de school vertoont op 27 oktober 2017 een stijging van het aantal kleuters die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor het schooljaar 2017-2018;
32° de school telt op 27 oktober 2017 minstens één leerling die uiterlijk op 31 december van het lopende schooljaar jonger is dan vijf jaar en die op 27 oktober 2017 gelijktijdig aan al de volgende voorwaarden voldoet:
4a) hij is een nieuwkomer, dat wil zeggen dat hij pas sinds 1 juli 2017 of later in België verblijft;
5b) hij heeft niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal;
6c) hij beheerst onvoldoende de onderwijstaal om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;
7d) hij is maximaal negen maanden ingeschreven, vakantiemaanden juli en augustus niet inbegrepen, in een school met het Nederlands als onderwijstaal.
8§ 2. De extra toelage waar de school recht op heeft, vermeld in paragraaf 1, wordt berekend conform de volgende formule: 950 euro x (C + (D-C)), waarbij:
91° als D-C negatief is, dit gelijkgesteld wordt aan 0;
102° C: het totale aantal kleuters in de school, die op 27 oktober 2017 voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 2° ;
113° D: de totale stijging aan kleuters in de school, die voldoen aan het leerlingenkenmerk, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, c), op 27 oktober 2017 ten opzichte van de teldag voor de berekening van het werkingsbudget voor het schooljaar 2017-2018.
12§ 3. De scholen, vermeld in paragraaf 1, mogen de extra toelage berekend conform paragraaf 2, uitsluitend voor activiteiten in het kader van initiatie in en versterking van het Nederlands voor het schooljaar 2017-2018 aanwenden.
+0 −4 decreet-1997-02-25/art. 188 opgeheven
1Scholen die een herstructurering hebben doorgevoerd op 1 september 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 of 2007 hebben de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar als teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen tijdens het schooljaar van de herstructurering.
2In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor kleuteronderwijs of van een niveau kleuteronderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.
3In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor basisonderwijs of lager onderwijs of van een onderwijsniveau lager onderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de vijf daaropvolgende schooljaren.
4In het geval van oprichting van een type in een school voor buitengewoon basisonderwijs geldt die teldag voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.
+0 −1 decreet-1997-02-25/art. 188bis opgeheven
1Scholen die opgericht werden op 1 september 2004, 2005, 2006 of 2007 hebben een programmatieperiode van vier schooljaren.
+0 −4 decreet-1997-02-25/art. 188ter opgeheven
1De teldag voor de berekening van het werkingsbudget is voor scholen die op 1 september 2002, 2003, 2004, 2005, 2006 of 2007 betrokken waren bij een herstructurering, voor het schooljaar van de herstructurering, de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.
2In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor kleuteronderwijs of van een niveau kleuteronderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.
3In geval van oprichting van een vestigingsplaats voor basisonderwijs of lager onderwijs of van een onderwijsniveau lager onderwijs in een school of vestigingsplaats voor gewoon basisonderwijs geldt die teldag voor de hele school voor het schooljaar van oprichting en de vijf daaropvolgende schooljaren.
4In het geval van oprichting van een type in een school voor buitengewoon basisonderwijs geldt die teldag voor het schooljaar van oprichting en de twee daaropvolgende schooljaren.
+0 −1 decreet-1997-02-25/art. 188quater opgeheven
1Scholen die voor het schooljaar 2007-2008 van de regering een afwijking gekregen hebben op de rationalisatienormen, komen in aanmerking om een beroep te doen op de bepalingen van artikel 115 voor het schooljaar 2008-2009.
+0 −0 decreet-1997-02-25/art. 194quinquies opgeheven
+0 −1 decreet-1997-02-25/art. 194sexies opgeheven
1In afwijking van artikel 139ter, 139ter /1 en 139quater behouden de scholen voor gewoon basisonderwijs tijdens het schooljaar 2011-2012 de aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijkonderwijskansenbeleid, die ze in het schooljaar 2010-2011 hebben ontvangen.
+0 −1 decreet-1997-02-25/art. 194septies opgeheven
1Gedurende het schooljaar 2010-2011 zijn artikel 139septies en 139octies niet van toepassing.
+0 −2 decreet-1997-02-25/art. 194octies opgeheven
1Er wordt, voor de schooljaren 2012-2013, 2013-2014 en 2014-2015 voorzien in een sociale overgangsmaatregel voor de scholen die aan de voorwaarden vervat in bijlage 4 van dit decreet voldoen en dit volgens de bepalingen van deze bijlage.
2De betrekkingen die worden ingericht op basis van deze sociale maatregel komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.
+0 −99 decreet-1997-02-25/art. Bijlage 4 opgeheven
1Bijlage 4. - Sociale maatregel in het kader van het nieuwe omkaderingssysteem in het gewoon basisonderwijs tijdens de schooljaren 2012-2013, 2013-2014 en 2014-2015 bij het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997
2A. Lager onderwijs
3I. De additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs worden, in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2012-2013, toegekend aan scholen die aan de voorwaarde, zoals bepaald in II, voldoen en worden berekend volgens de bepalingen van III.
4II. Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen :
5Het quotiënt 24A/B is groter dan 16. Waarbij :
61° A = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013 zoals bepaald in artikel 132.
72° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 2, en de additionele lestijden volgens de schalen in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 1, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 173quater worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.
8III. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het lager onderwijs zijn gelijk aan K op voorwaarde dat K een positief getal is en voor afronding groter of gelijk is aan 1. In alle andere gevallen ontvangt de school geen additionele lestijden volgens de schalen voor het lager onderwijs.
9Waarbij K het resultaat is van volgende berekening :
10K = G - (C+2)
11Waarbij :
12o K als volgt wordt afgerond : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
13o C = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 2, en de additionele lestijden volgens de schalen in het lager onderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 1, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 173quater worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.
14o G = (E/D)*F waarbij :
15o E = de som van :
16° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden toegekend op basis van artikel 173 quater, waar de school voor het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had;
17° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding waar de school in het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had;
18° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag.
19° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag.
20o D = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011-2012.
21o F = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013.
22o Als het resultaat van E/D groter is dan 1,6, dan wordt E/D gelijkgesteld aan 1,6.
23§ 2. In afwijking van § 1 worden, voor een school die ontstaat op 1 september 2012 uit een fusie, zoals bepaald in artikel 3, 15°, D en E als volgt bepaald :
24o D = het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs dat de verschillende scholen die fusioneren telden op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011 - 2012.
25o E = de som van :
26° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden toegekend op basis van artikel 173 quater, waar de scholen die fusioneren voor het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden;
27° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding waar de scholen die fusioneren in het lager onderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden;
28° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag.
29° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag.
30§ 3. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2012 tot 31 augustus 2013.
31§ 4. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2012-2013 vallen ten laste van het schoolbestuur.
32§ 5. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :
33- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;
34- de betrekkingen in het ambt van onderwijzer;
35- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.
36IV. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2013-2014 = K*(2/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
37§ 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2013 tot 31 augustus 2014.
38§ 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2013-2014 vallen ten laste van het schoolbestuur.
39§ 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :
40- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;
41- de betrekkingen in het ambt van onderwijzer;
42- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.
43V. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2014-2015 = K*(1/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
44§ 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2014 tot 31 augustus 2015.
45§ 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2014-2015 vallen ten laste van het schoolbestuur.
46§ 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :
47- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;
48- de betrekkingen in het ambt van onderwijzer;
49- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.
50B. Kleuteronderwijs
51VI. De additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs worden, in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2012-2013, toegekend aan scholen die aan de voorwaarde, zoals bepaald in VII, voldoen en worden berekend volgens de bepalingen van VIII.
52VII. Om recht te hebben op additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs dient de school aan de volgende voorwaarde te voldoen :
53Het quotiënt van 24A/B is groter dan 16.
54Waarbij :
551° A = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telt op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013 zoals bepaald in artikel 132.
562° B = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 1, en de additionele lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 4, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 141, § 2, worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.
57VIII. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen toegekend aan de school voor het kleuteronderwijs zijn gelijk aan K op voorwaarde dat K een positief getal is en voor afronding groter of gelijk is aan 1. In alle andere gevallen ontvangt de school geen additionele lestijden volgens de schalen voor het kleuteronderwijs.
58Waarbij K het resultaat is van volgende berekening : K = G - (C+2)
59Waarbij :
60o K als volgt wordt afgerond : als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
61o C = de som van de lestijden volgens de schalen van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 132, en de SES-lestijden van de school in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 134, § 1, en de additionele lestijden volgens de schalen in het kleuteronderwijs, zoals bepaald in artikel 135, § 4, in het schooljaar 2012-2013. De lestijden bepaald in artikel 141, § 2, worden niet in rekening gebracht bij het bepalen van deze som.
62o G = (E/D)*F waarbij :
63o E = de som van :
64° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden bepaald in artikel 141, § 2, waar de school voor het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had;
65° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding, uitgezonderd de herrekende lestijden op de instapdagen, waar de school in het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op had;
66° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag.
67° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid, toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had.
68° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de school in het schooljaar 2011-2012 recht op had, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de school op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de school op dezelfde teldag.
69o D = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011-2012.
70o F = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de school telde op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2012-2013.
71o Als het resultaat van E/D groter is dan 1,6, dan wordt E/D gelijkgesteld aan 1,6.
72§ 2. In afwijking van § 1 worden, voor een school die ontstaat op 1 september 2012 uit een fusie, zoals bepaald in artikel 3, 15°, D en E als volgt bepaald :
73o D = het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs dat de verschillende scholen die fusioneren telden op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het schooljaar 2011-2012.
74o E = de som van :
75° het aantal lestijden volgens de schalen, uitgezonderd de lestijden bepaald in artikel 141, § 2, waar de scholen die fusioneren voor het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden;
76° het aantal aanvullende lestijden voor lichamelijke opvoeding, uitgezonderd de herrekende lestijden op de instapdagen, waar de scholen die fusioneren in het kleuteronderwijs in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden;
77° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, met uitzondering van diegene toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag.
78° het aantal aanvullende lestijden voor het voeren van een gelijke kansenbeleid, toegekend in het kader van de kleuterparticipatie, waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden.
79° het aantal aanvullende lestijden ter ondersteuning van de integratie van de anderstalige leerlingen voor de Nederlandstalige scholen in de rand- en taalgrensgemeenten, voor de scholen in de gemeenten die grenzen aan de randgemeenten en/of aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voor de scholen in de gemeenten die bepaald worden door de Vlaamse Gemeenschap waar de scholen die fusioneren in het schooljaar 2011-2012 recht op hadden, vermenigvuldigd met het aantal regelmatige leerlingen kleuteronderwijs in de scholen die fusioneren op de teldag voor de berekening van de lestijden volgens de schalen in het schooljaar 2011-2012, gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen in de scholen die fusioneren op dezelfde teldag.
80§ 3. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2012 tot 31 augustus 2013.
81§ 4. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2012-2013 vallen ten laste van het schoolbestuur.
82§ 5. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :
83- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;
84- de betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer;
85- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.
86IX. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2013-2014 = K*(2/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
87§ 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2013 tot 31 augustus 2014.
88§ 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2013-2014 vallen ten laste van het schoolbestuur.
89§ 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :
90- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;
91- de betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer;
92- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.
93X. § 1. De additionele lestijden volgens de schalen in het kader van de sociale maatregel voor het schooljaar 2014-2015 = K*(1/3), als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier wordt er afgerond naar het hogere gelegen geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
94§ 2. Het aantal additionele lestijden volgens de schalen, bekomen ten gevolge van de berekening, wordt gefinancierd of gesubsidieerd vanaf 1 september 2014 tot 31 augustus 2015.
95§ 3. Te veel ingerichte betrekkingen vanaf 1 september van het schooljaar 2014-2015 vallen ten laste van het schoolbestuur.
96§ 4. Uit de additionele lestijden volgens de schalen bekomen ten gevolge van de berekening kunnen betrekkingen en opdrachten worden ingericht in de volgende ambten :
97- de onderwijsopdracht van de directeur en adjunct-directeur;
98- de betrekkingen in het ambt van kleuteronderwijzer;
99- de betrekkingen in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 22/1 opgeheven
1Deze onderafdeling is van toepassing op de wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel, die worden vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en in artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsi-dieerd onderwijs van 27 maart 1991 en die worden tewerkgesteld in het secundair onderwijs.
+0 −10 codex-secundair-onderwijs/art. 22/2 opgeheven
1Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt begrepen onder :
21° reguliere vervanging : een vervanging van een afwezigheid van minder dan een schooljaar die voldoet aan volgende voorwaarden :
3- het te vervangen personeelslid is aangesteld in een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het onderwijs;
4- het personeelslid dat afwezig is, kan worden vervangen volgens de gangbare financierings- en subsidiëringsregels;
52° samenwerkingsplatform :
6- een scholengemeenschap of;
7- meerdere scholengemeenschappen of;
8- een scholengemeenschap en één of meer scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren of;
9- meerdere scholengemeenschappen en één of meer scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren;
103° inzetbaarheidspercentage : de verhouding tussen de totale duur van de uitgeoefende reguliere vervangingen, uitgedrukt in kalenderdagen, en de totale duur van de aanstelling, uitgedrukt in kalenderdagen, telkens vermenigvuldigd met het volume van de opdracht.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 22/3 opgeheven
1Tijdens het schooljaar 2018-2019 en het schooljaar 2019-2020 wordt een pilootproject `lerarenplatform' opgezet om tijdelijk aangestelde personeelsleden werkzekerheid te bieden.
+0 −5 codex-secundair-onderwijs/art. 22/4 opgeheven
1In het secundair onderwijs kunnen een aantal projectscholen die deel uitmaken van een samenwerkingsplatform deelnemen binnen het voorziene aantal voltijdse equivalenten. De selectie van de samenwerkingsplatformen gebeurt door de Vlaamse Regering op voorstel van de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners op basis van volgende criteria :
2- evenredige spreiding over de netten volgens lesurenpakket;
3- geografische spreiding;
4- grootte van het samenwerkingsplatform;
5- de inhoud van de protocollen van de onderhandelingen.
+0 −5 codex-secundair-onderwijs/art. 22/5 opgeheven
1De deelnemende scholen moeten in het bevoegde lokaal comité onderhandelen over :
2- de deelname aan het lerarenplatform;
3- de criteria van aanstelling van de betrokken personeelsleden;
4- de criteria van inzetbaarheid van de betrokken personeelsleden in pedagogisch zinvolle taken;
5- de inzetbaarheid in de verschillende scholengemeenschappen indien het samenwerkingsplatform bestaat uit meerdere scholengemeenschappen of in de scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 22/6 opgeheven
1De totale som van de uren-leraar en lesuren zoals bepaald in artikel 22/8 van alle deelnemende scholen mag niet meer bedragen dan 167.448 uren-leraar/lesuren. Het aantal beschikbare voltijdse equivalenten bedraagt 394,69 voor het secundair onderwijs voor het totaal van alle deelnemende scholen. De omzetting van voltijds equivalenten naar lesuren of uren-leraar gebeurt door het aantal voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 21,47.
+0 −5 codex-secundair-onderwijs/art. 22/7 opgeheven
1Alle deelnemende scholen ontvangen lesuren of uren-leraar voor de aanstelling van personeelsleden in het lerarenplatform. Het volume van deze lesuren of uren-leraar per deelnemende school wordt berekend a rato van het aandeel van de lesuren of uren-leraar van vorig schooljaar van de betreffende school ten opzichte van het totaal aantal lesuren of uren-leraar van vorig schooljaar van alle deelnemende scholen samen waarbij onder het totaal aantal lesuren of uren-leraar wordt verstaan de som van het totale aantal :
2- uren-leraar voor de levensbeschouwelijke en de niet-levensbeschouwelijke vakken;
3- uren-leraar geïntegreerd ondersteuningsaanbod;
4- lesuren voor levensbeschouwing en niet-levensbeschouwing;
5- lesuren geïntegreerd ondersteuningsaanbod.
+0 −3 codex-secundair-onderwijs/art. 22/8 opgeheven
1De lesuren en uren-leraar voor het lerarenplatform worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsplatform. Deze lesuren en uren-leraar kunnen niet worden overgedragen naar het volgende schooljaar of naar een ander samenwerkingsplatform.
2Het personeelslid in het lerarenplatform krijgt een aanstelling die ten vroegste aanvangt op 1 oktober en uiterlijk eindigt op het einde van het schooljaar. De aanstelling is alleen mogelijk in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel.
3De decreten Rechtspositie zijn van toepassing voor wat betreft de tijdelijke aanstelling, maar de betrekking komt niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren, muteren, reaffecteren of wedertewerkstellen in deze betrekkingen.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 22/9 opgeheven
1Het personeelslid wordt voor ten minste een halftijdse opdracht aangesteld in de scholen die deel uitmaken van het samenwerkingsplatform. De halftijdse opdracht kan bestaan uit lesuren en uren-leraar voor het lerarenplatform en andere lesuren en uren-leraar.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 22/10 opgeheven
1Een personeelslid in het lerarenplatform wordt ingezet voor reguliere vervangingen.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 22/11 opgeheven
1Als het personeelslid niet kan worden ingezet voor reguliere vervangingen, wordt het op basis van zijn bekwaamheidsbewijs ingezet in zinvolle pedagogische taken.
+0 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 22/12 opgeheven
1De personeelsleden aangesteld in het lerarenplatform moeten op het niveau van het samenwerkingsplatform samen een inzetbaarheidspercentage van 85 procent bereiken.
2Als het bereikte inzetbaarheidspercentage op positieve of negatieve wijze afwijkt van dit vooropgesteld percentage, zal dit verschil - op positieve of negatieve wijze - worden verrekend op de middelen lerarenplatform die in voorkomend geval het daarop volgend schooljaar worden toegekend aan het samenwerkingsplatform. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage lager lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lesuren/uren-leraar dat wordt toegekend aan een samenwerkingsplatform verminderd met het aantal lesuren/uren-leraar dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken. Indien het bereikte inzetbaarheidspercentage hoger lag dan het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage, wordt het aantal lesuren/uren-leraar vermeerderd met het aantal lesuren/uren-leraar dat overeenkomt met het aantal dat nodig was om het vooropgestelde inzetbaarheidspercentage te bereiken.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 22/13 opgeheven
1Het pilootproject lerarenplatform wordt opgevolgd en gemonitord in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X, van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van het overkoepelend onderhandelingscomité met de overheid en de sociale partners, met het oog op een mogelijke verdere implementatie van de maatregel.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 22/14 opgeheven
1Deze afdeling treedt in werking op 1 oktober 2018 en houdt op uitwerking te hebben op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 22/17 opgeheven
1Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2018 en houdt op uitwerking te hebben op 1 juli 2020.
+5 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 25
4Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.4Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.
5§ 4. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.5§ 4. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.
6§ 5. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met HBO5 verpleegkunde, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.6§ 5. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs, met beroepssecundair onderwijs of met hoger beroepsonderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
7Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.7Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
8Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.8Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
10Voor de toepassing van deze bepalingen :10Voor de toepassing van deze bepalingen :
111° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld niet in aanmerking genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische verpleegkunde, stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde;111° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld niet in aanmerking genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische verpleegkunde, stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde;
122° komen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, in aanmerking in de school voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht. De uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd;122° komen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, in aanmerking in de school voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht. De uren-leraar, aangewend voor gastleraren, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd;
133° mogen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een school die uitsluitend de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert gevoegd worden bij één school die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die geen eerste graad organiseert.133° mogen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een school die uitsluitend de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert gevoegd worden bij één school die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die geen eerste graad organiseert.
14§ 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daar aan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.14§ 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daar aan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
16Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.16Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
17Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.17Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.
18Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.18Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor gastleraren, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.
19§ 7. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.19§ 7. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.
20In afwijking van het eerste lid van deze paragraaf, wordt voor de berekening van de globale puntenenveloppe voor schooljaar 2023-2024 geen rekening gehouden met de lesuren beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld waarin ondersteuners zijn aangesteld in schooljaar 2022-2023.
20§ 8. De door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar of lesuren, ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld, bedoeld in § 5, § 6 en § 7, die in een school of centrum ontoereikend zijn om het door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten, of een veelvoud daarvan, te genereren, kunnen op het niveau van de scholengemeenschap samengevoegd worden om alsnog tot desbetreffend aantal punten, of een veelvoud daarvan, te leiden.21§ 8. De door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar of lesuren, ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld, bedoeld in § 5, § 6 en § 7, die in een school of centrum ontoereikend zijn om het door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten, of een veelvoud daarvan, te genereren, kunnen op het niveau van de scholengemeenschap samengevoegd worden om alsnog tot desbetreffend aantal punten, of een veelvoud daarvan, te leiden.
21§ 9. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :22§ 9. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
37§ 12. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.38§ 12. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.
38§ 13. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 9 en § 10, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.39§ 13. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 9 en § 10, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.
39§ 14. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2 tot en met § 6, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (24)
40§ 14. ...
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 26
16§ 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.16§ 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een school met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.
17§ 7. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.17§ 7. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.
18§ 8. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2 en § 3, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (25)
18§ 8. ...
+2 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 27
2§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.2§ 2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.
3§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.3§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke school voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die school ten minste 420, 630, 840, 1.050, 1.260, 1.470, 1.680, 1.890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.
4In afwijking van het eerste lid wordt voor de berekening van de globale puntenenveloppe voor schooljaar 2023-2024 geen rekening gehouden met de lesuren beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld waarin ondersteuners zijn aangesteld in schooljaar 2022-2023.
4§ 4. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt die varieert naargelang van de omvang van de leerlingenpopulatie. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. In afwijking hierop heeft een school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5 die beschouwd wordt als een ziekenhuisschool elk schooljaar recht op 82 punten.5§ 4. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt die varieert naargelang van de omvang van de leerlingenpopulatie. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. In afwijking hierop heeft een school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5 die beschouwd wordt als een ziekenhuisschool elk schooljaar recht op 82 punten.
5§ 5. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.6§ 5. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de school op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle scholen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.
6§ 6. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.7§ 6. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.
7§ 7. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (26)
8§ 7. ...
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 28
6Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.6Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op 1 februari van het voorafgaand schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna indien die datum op een vrije dag valt het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
7Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.7Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.
8Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.8Voor de toepassing van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor gastleraren, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.
9§ 4. De invoering van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld in § 2 en § 3, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft. (27)
9§ 4. ...
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 29
6De scholengemeenschap verschaft ten aanzien van het lokaal comité van de scholengemeenschap en ten aanzien van het personeel van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van voorafname van de puntenenveloppe creëert op het niveau van de scholengemeenschap. Tevens toont de scholengemeenschap aan dat de aldus ingerichte betrekkingen haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op het niveau van de scholengemeenschap daadwerkelijk gestalte geven.6De scholengemeenschap verschaft ten aanzien van het lokaal comité van de scholengemeenschap en ten aanzien van het personeel van de scholen die tot de scholengemeenschap behoren, volledige klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van voorafname van de puntenenveloppe creëert op het niveau van de scholengemeenschap. Tevens toont de scholengemeenschap aan dat de aldus ingerichte betrekkingen haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op het niveau van de scholengemeenschap daadwerkelijk gestalte geven.
7De verdeling van de puntenenveloppe mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar.7De verdeling van de puntenenveloppe mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar.
8§ 2. In afwijking van § 1, eerste lid, kent de scholengemeenschap tot en met het schooljaar 2013-2014 aan elke instelling voor buitengewoon secundair onderwijs die op of na 1 september 2011 voor het eerst toetreedt tot een scholengemeenschap, ten minste het aantal punten toe dat zij voor deze instelling ontvangt volgens de parameters vastgelegd in artikel 25, § 9, 3°.
8§ 2. ...
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 62
1De gewone leerlingencoëfficiënten tot vaststelling van het aantal wekelijkse uren-leraar voor scholen die behoren tot een scholengemeenschap en gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, worden verhoogd met :1De gewone leerlingencoëfficiënten tot vaststelling van het aantal wekelijkse uren-leraar voor scholen die behoren tot een scholengemeenschap en gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, worden verhoogd met :
21° 0,10 : voor de eerste graad;21° 0,10 : voor de eerste graad;
32° 0,20 : voor de tweede, de derde en de vierde graad en het hoger beroepsonderwijs. (61)32° 0,20 : voor de tweede en de derde graad en het hoger beroepsonderwijs. (61)
+1 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 110/5
8c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;8c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;
94° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen;94° door het voorleggen van het bewijs dat hij negen jaar als regelmatige leerling onderwijs heeft gevolgd in het Nederlandstalige lager en secundair onderwijs. Dit gebeurt op basis van attesten daartoe uitgereikt door de betrokken schoolbesturen;
105° voor inschrijvingen die betrekking hebben op het schooljaar 2015-2016 of het schooljaar 2016-2017 of het schooljaar 2017-2018 door het voorleggen van het bewijs dat hij het Nederlands beheerst op minstens niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. Dit gebeurt op basis van één van volgende stukken:
11a) een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs of een daarmee gelijkwaardig Nederlandstalig studiebewijs, dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
12b) een attest van niveaubepaling uitgevoerd door een Huis van het Nederlands dat het vereiste niveau van kennis van het Nederlands aantoont;
13c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid.
105° ...
14§ 3. Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.11§ 3. Een schoolbestuur bepaalt voor zijn scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een aantal leerlingen dat wordt vooropgesteld voor de inschrijving bij voorrang van leerlingen met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is.
15Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 55 % leerlingen in de school met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Binnen het LOP van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan afgesproken worden om een hoger percentage dan 55 te hanteren.12Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, moet gericht zijn op het verwerven of het behoud van 55 % leerlingen in de school met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is. Binnen het LOP van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan afgesproken worden om een hoger percentage dan 55 te hanteren.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 110/7
21§ 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn:21§ 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn:
221° het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar, dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen.221° het gezin, vermeld in artikel 3, § 1, 17°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, heeft in het schooljaar, dat voorafgaat aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één selectieve participatietoeslag leerling ontvangen, of het gezin heeft een beperkt inkomen.
23Voor de schooljaren 2019-2020 en 2020-2021 komen eveneens in aanmerking voor voorrang: de leefeenheid, ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of het gezin heeft een beperkt inkomen. Met leefeenheid wordt bedoeld, een of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook een of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen of studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres;
242° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.232° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.
25§ 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de in paragraaf 3 opgesomde indicatoren aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.24§ 4. De Vlaamse Regering kan de wijze waarop het voldoen aan de in paragraaf 3 opgesomde indicatoren aangetoond wordt, bepalen en kan hiervoor een procedure vastleggen.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 110/17
1Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 110/15, duidt de Vlaamse Regering per provincie een LOP-deskundige en een onderwijsinspecteur aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen.1Voor de toepassing van de bemiddeling, vermeld in artikel 110/15, duidt de Vlaamse Regering per provincie een LOP-deskundige aan die voor de gemeenten buiten het werkingsgebied van een LOP de taken van het LOP opnemen.
+0 −3 codex-secundair-onderwijs/art. 125 opgeheven
1Teneinde overeenstemming te bereiken met de structuur, zoals vermeld in voorgaande artikel, wordt per 1 september 2009 :
21° de optie verpleegkunde van de vierde graad van het beroepssecundair onderwijs van rechtswege omgezet naar een gelijknamige opleiding van het hoger beroepsonderwijs met een duurtijd van zes semesters;
32° elke tot en met het schooljaar 2008-2009 bestaande optie van het derde leerjaar van de derde graad van het technisch of het kunstsecundair onderwijs aangeduid als specialisatiejaar, van rechtswege omgezet naar een gelijknamige optie aangeduid als Se-n-Se met een duurtijd van twee semesters en gerangschikt als specifiek. (124)
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 126
3230) podiumkunsten.3230) podiumkunsten.
33De Vlaamse Regering rangschikt elk structuuronderdeel in één van desbetreffende studiegebieden.33De Vlaamse Regering rangschikt elk structuuronderdeel in één van desbetreffende studiegebieden.
34Voor de toepassing van deze bepaling wordt met structuuronderdeel bedoeld : een optie van de tweede, derde of vierde graad en de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. (125)34Voor de toepassing van deze bepaling wordt met structuuronderdeel bedoeld : een optie van de derde graad en de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs. (125)
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 133 opgeheven
1De opties « elektronica militaire wapensystemen », « militaire en sociale wetenschappen » en « militaire bewapeningstechnieken » van het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs zijn voorbehouden voor de instellingen van de Krijgsmacht. Op deze opties zijn de bepalingen van artikelen 126, 127 en 128 niet van toepassing. (132)
+9 −8 codex-secundair-onderwijs/art. 133/4
20Binnen de finaliteit doorstroom zijn de studierichtingen van het algemeen secundair onderwijs domeinoverschrijdend en zijn de studierichtingen van het technisch en kunstsecundair onderwijs domeingebonden.20Binnen de finaliteit doorstroom zijn de studierichtingen van het algemeen secundair onderwijs domeinoverschrijdend en zijn de studierichtingen van het technisch en kunstsecundair onderwijs domeingebonden.
21Sommige studierichtingen zijn niche-studierichtingen. Het aanbod ervan wordt aan beperkingen of voorwaarden gekoppeld vanuit macrodoelmatigheid.21Sommige studierichtingen zijn niche-studierichtingen. Het aanbod ervan wordt aan beperkingen of voorwaarden gekoppeld vanuit macrodoelmatigheid.
22Het Se-n-Se bevat studierichtingen die een van de volgende zaken doen:
231° beroepsgericht specialiseren;
22De 7de leerjaren zijn studierichtingen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
231° gericht zijn op instroom arbeidsmarkt;
242° voorbereiden op het hoger onderwijs, met in elk geval één studierichting die volgt op studierichtingen met finaliteit arbeidsmarkt van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad en die leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding.242° gericht zijn op het hoger onderwijs, met in elk geval één studierichting die volgt op studierichtingen met finaliteit arbeidsmarkt van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad en die leidt tot een diploma dat toegang verleent tot een bacheloropleiding.
25In de matrix:25In de matrix:
261° worden ook het studieaanbod van het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd en het studieaanbod van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3, opgenomen onder de finaliteit arbeidsmarkt;261° wordt het studieaanbod van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 3, opgenomen onder de finaliteit arbeidsmarkt;
272° wordt ook het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 1 en 2, opgenomen, maar buiten de ordening op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen;272° wordt het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 1 en 2, opgenomen, maar buiten de ordening op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen;
283° wordt het onthaaljaar niet opgenomen;283° wordt het onthaaljaar niet opgenomen;
294° wordt het Se-n-Se niet aan onderwijsvormen gekoppeld, behoudens bij financiering als die ook voor andere structuuronderdelen dan Se-n-Se op onderwijsvormen is gebaseerd.294° worden de 7de leerjaren niet aan onderwijsvormen gekoppeld, behalve bij financiering als die ook voor andere structuuronderdelen dan de 7de leerjaren op onderwijsvormen is gebaseerd
30.
30Met inachtname van het eerste tot en met het achtste lid legt de Vlaamse Regering de matrix vast.31Met inachtname van het eerste tot en met het achtste lid legt de Vlaamse Regering de matrix vast.
31De Vlaamse Regering bepaalt ook de niche-studierichtingen en de beperkingen of voorwaarden die, per niche-studierichting, aan het aanbod zijn gekoppeld.32De Vlaamse Regering bepaalt ook de niche-studierichtingen en de beperkingen of voorwaarden die, per niche-studierichting, aan het aanbod zijn gekoppeld.
88De Vlaamse Regering rangschikt de studierichtingen, vermeld in het eerste lid, in de disciplines, vermeld in het derde lid.89De Vlaamse Regering rangschikt de studierichtingen, vermeld in het eerste lid, in de disciplines, vermeld in het derde lid.
89§ 2. De studierichtingen van de finaliteit doorstroom en de dubbele finaliteit leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4.90§ 2. De studierichtingen van de finaliteit doorstroom en de dubbele finaliteit leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4.
90Het Se-n-Se in het derde leerjaar van de derde graad waarmee een diploma behaald kan worden dat toegang verleent tot een bacheloropleiding, leidt tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4.91Het 7de leerjaar dat gericht is op het hoger onderwijs en waarmee een diploma behaald kan worden dat toegang verleent tot een bacheloropleiding, leidt tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 4.
91De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 3.92De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt leiden in het tweede leerjaar van de derde graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 3.
92De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt kunnen in het tweede leerjaar van de tweede graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 2 leiden, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 14 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.93De studierichtingen van de finaliteit arbeidsmarkt kunnen in het tweede leerjaar van de tweede graad tot een bewijs van onderwijskwalificatie niveau 2 leiden, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 14 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.
93Het Se-n-Se in het derde leerjaar van de derde graad als beroepsgerichte specialisatie leidt tot een of meer bewijzen van beroepskwalificaties niveau 3 of 4, eventueel aangevuld met een of meer bewijzen van deelkwalificaties.94Het 7de leerjaar dat gericht is op instroom arbeidsmarkt leidt tot een of meer bewijzen van beroepskwalificaties niveau 3 of 4, eventueel aangevuld met een of meer bewijzen van deelkwalificaties.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 148 opgeheven
1Het gefinancierd en gesubsidieerd secundair onderwijs wordt verstrekt gedurende een maximum aantal wekelijkse lestijden. (147)
+0 −5 codex-secundair-onderwijs/art. 149 opgeheven
1Het gefinancierd en gesubsidieerd secundair onderwijs wordt verstrekt gedurende een maximum aantal wekelijkse lestijden dat op 32 is vastgesteld, met uitzondering van het onderwijs in :
21° het tweede leerjaar van de eerste graad met tenminste 4 wekelijkse lestijden praktische vakken en het beroepsvoorbereidend leerjaar, waarvoor dit maximum 34 bedraagt;
32° de derde graad van het algemeen secundair onderwijs met tenminste 2 wekelijkse lestijden lichamelijke opvoeding en tenminste 1 wekelijkse lestijd artistieke opvoeding of esthetica, waarvoor dit maximum 33 bedraagt;
43° het technisch, het kunst- en het beroepssecundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, waarvoor dit maximum 36 bedraagt.
5De hiervoor vermelde maxima kunnen worden overschreden door
+0 −29 codex-secundair-onderwijs/art. 153 opgeheven
1§ 1. Zowel in het eerste leerjaar A als in het eerste leerjaar B worden ten minste zevenentwintig wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming.
2§ 2. Op voorwaarde dat hetzelfde studiepeil voor de basisvorming wordt gegarandeerd, kan de Vlaamse Regering aan scholen individuele afwijkingen verlenen van het in § 1 vermelde aantal wekelijkse lesuren. De afwijkingen dienen gebaseerd te zijn, op de aan de betrokken scholen, eigen programmatische, methodologische of pedagogische inzichten.
3§ 3. Voor het eerste leerjaar A bestaat de basisvorming, bedoeld in § 1, uit de volgende vakken :
4- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
5- Nederlands;
6- Frans;
7- wiskunde;
8- geschiedenis;
9- aardrijkskunde;
10- natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en vervangen vanaf 1 september 2010 door natuurwetenschappen;
11- artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding;
12- lichamelijke opvoeding;
13- technologische opvoeding en vervangen vanaf 1 september 2010 door techniek;
14- eventueel Engels.
15Deze basisvorming dient georganiseerd te worden op grond van minstens een zelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school dient gevolgd te worden.
16§ 4. Voor het eerste leerjaar B bestaat de basisvorming, bedoeld in § 1, uit volgende vakken :
17- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
18- Nederlands;
19- wiskunde;
20- maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde;
21- natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en vervangen vanaf 1 september 2010 door natuurwetenschappen;
22- artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding;
23- lichamelijke opvoeding;
24- technologische opvoeding en vervangen vanaf 1 september 2010 door techniek;
25- eventueel Frans en vervangen vanaf 1 september 2010 door Frans.
26Deze basisvorming dient georganiseerd te worden op grond van minstens een zelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school, van het eerste leerjaar B dient gevolgd te worden.
27Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans onder project algemene vakken vergt vanaf 1 september 2010 altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het eerste leerjaar B.
28§ 5. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van de § 3 en § 4 :
29« - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie;". (152)
+0 −27 codex-secundair-onderwijs/art. 154 opgeheven
1§ 1. In het tweede leerjaar van de eerste graad worden ten minste vierentwintig wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming.
2§ 2. De basisvorming, bedoeld in § 1, bestaat uit volgende vakken :
3- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
4- Nederlands;
5- Frans;
6- Engels;
7- wiskunde;
8- geschiedenis;
9- aardrijkskunde;
10- natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk en vervangen vanaf 1 september 2011 door natuurwetenschappen;
11- artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding;
12- lichamelijke opvoeding;
13- technologische opvoeding en vervangen vanaf 1 september 2010 door techniek.
14Deze basisvorming dient voor ten minste veertien wekelijkse lesuren georganiseerd te worden op grond van minstens een zelfde minimumleerplan dat door alle leerlingen van eenzelfde school dient gevolgd te worden.
15§ 3. In het beroepsvoorbereidend leerjaar worden ten minste zestien wekelijkse lesuren besteed aan de basisvorming die bestaat uit volgende vakken :
16- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
17- Nederlands;
18- wiskunde;
19- maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde;
20- natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk en vervangen vanaf 1 september 2011 door natuurwetenschappen;
21- artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding;
22- lichamelijke opvoeding;
23- eventueel Frans en vervangen vanaf 1 september 2011 door Frans.
24Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans onder project algemene vakken vergt vanaf 1 september 2011 altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het beroepsvoorbereidende leerjaar.
25§ 4. Op voorwaarde dat hetzelfde studiepeil voor de basisvorming wordt gegarandeerd kan de Vlaamse Regering aan scholen individuele afwijkingen verlenen van het in § 1 en § 3 vermelde aantal wekelijkse lesuren. De afwijkingen dienen gebaseerd te zijn op de aan de betrokken scholen eigen programmatische, methodologische of pedagogische inzichten.
26§ 5. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van de § 2 en § 3 als volgt :
27« - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie;". (153)
+0 −29 codex-secundair-onderwijs/art. 156 opgeheven
1§ 1. In het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad van het algemeen secundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
2- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
3- Nederlands;
4- Frans;
5- Engels;
6- wiskunde;
7- geschiedenis;
8- aardrijkskunde;
9- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm;
10- lichamelijke opvoeding.
11§ 2. In het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad van het technisch en het kunstsecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
12- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
13- Nederlands;
14- Frans of Engels en vervangen vanaf 1 september 2012 door Frans en Engels in het eerste leerjaar van de tweede graad en vanaf 1 september 2013 in het tweede leerjaar van de tweede graad;
15- wiskunde;
16- geschiedenis;
17- aardrijkskunde;
18- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm;
19- lichamelijke opvoeding.
20§ 3. In het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
21- godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer;
22- Nederlands;
23- wiskunde en/of toegepaste natuurwetenschappen en/of toegepaste fysica en/of toegepaste chemie en/of toegepaste biologie, al of niet in een geïntegreerde vorm;
24- maatschappelijke vorming of natuurwetenschappen en geschiedenis en/of aardrijkskunde;
25- lichamelijke opvoeding.
26- Frans of Engels vanaf 1 september 2010 in het eerste leerjaar van de tweede graad en vanaf 1 september 2011 in het tweede leerjaar van de tweede graad.
27Twee of meer van deze vakken kunnen worden geïntegreerd onder "project algemene vakken". De integratie van het vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken vergt vanaf 1 september 2010 altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs.
28§ 4. Voor de gesubsidieerde vrije scholen is het eerste vak van § 1 tot en met § 3 :
29« - godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie; ». (155)
+0 −8 codex-secundair-onderwijs/art. 168/1 opgeheven
1§ 1. De instellingen voor secundair onderwijs die in toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de organisatie van CLIL-projecten in het secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 4 juli 2008, gedurende het schooljaar 2009-2010 een dergelijk project organiseren, mogen gedurende het schooljaar 2010-2011 dit project verder zetten, overeenkomstig de bepalingen van het besluit in kwestie, met dien verstande dat de organisatie :
21° op één leerlingencohorte betrekking heeft;
32° zowel in het eerste als in het tweede leerjaar van een graad mag plaatsvinden;
43° niet aan een leerlingennorm is onderworpen;
54° geen extra middelen genereert.
6§ 2. De scholen voor secundair onderwijs die gedurende het schooljaar 2010-2011 een CLIL-project organiseren, behouden tot aan een datum te bepalen door de Vlaamse Regering de mogelijkheid tot het aanbieden van CLIL, onder de volgende voorwaarden :
71° CLIL wordt georganiseerd in overeenstemming met de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de organisatie van CLIL-projecten in het secundair onderwijs, maar met dien verstande dat het niet aan een leerlingennorm is onderworpen en geen extra middelen genereert;
82° over het behoud van de mogelijkheid tot organisatie van CLIL werd vooraf onderhandeld in het bevoegde lokale comité van de betrokken school.
+0 −11 codex-secundair-onderwijs/art. 168/2 opgeheven
1De scholen die gedurende het schooljaar 2010-2011 deelnemen aan één van de tijdelijke projecten, vermeld in het decreet van 10 juli 2008 houdende verlenging van sommige van de tijdelijke projecten die zijn vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs, kunnen gedurende de schooljaren 2011-2012 en 2012-2013 :
21° structuuronderdelen organiseren die ze zonder normering hebben geprogrammeerd, op basis van een afwijking van de vigerende decretale en reglementaire bepalingen verkregen ingevolge hetzelfde decreet van 10 juli 2008, onder de volgende voorwaarden :
3a) het structuuronderdeel komt niet voor in het regulier voltijds gewoon secundair onderwijs;
4b) het structuuronderdeel werd door de betrokken school al georganiseerd tijdens het schooljaar 2010-2011;
5c) het structuuronderdeel werd, na kennisname van een positieve evaluatie door de onderwijsinspectie en een expertenpanel, positief geadviseerd door de stuurgroep, vermeld in hetzelfde besluit van 23 juni 2006;
62° leerplannen hanteren die geen overheidsgoedkeuring behoeven, op basis van een afwijking van de vigerende decretale en reglementaire bepalingen verkregen ingevolge hetzelfde decreet van 10 juli 2008, onder de volgende voorwaarden :
7a) de leerplannen worden enkel toegepast binnen de in 1° bedoelde structuuronderdelen;
8b) de in a) bedoelde toepassing vond al in het schooljaar 2010-2011 plaats;
93° aspecten van modulaire onderwijsinrichting invoeren, op basis van een afwijking van de vigerende decretale en reglementaire bepalingen verkregen ingevolge hetzelfde decreet van 10 juli 2008, onder de volgende voorwaarden :
10a) de aspecten van modulaire onderwijsinrichting worden enkel toegepast binnen de in 1° bedoelde structuuronderdelen;
11b) de in a) bedoelde toepassing vond al in het schooljaar 2010-2011 plaats.
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 195
1§ 1. De rationalisatienorm voor een school die enkel de vierde graad of hoger beroepsonderwijs organiseert, wordt vastgesteld op 100.1§ 1. De rationalisatienorm voor een school die enkel hoger beroepsonderwijs organiseert, wordt vastgesteld op 100.
2§ 2. De respectieve rationalisatienormen vermeld in artikel 190 tot en met 194 worden verhoogd met 100 indien de school naast andere graden eveneens een vierde graad of hoger beroepsonderwijs organiseert. (194)2§ 2. De respectieve rationalisatienormen vermeld in artikel 190 tot en met 194 worden verhoogd met 100 indien de school naast andere graden eveneens hoger beroepsonderwijs organiseert. (194)
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 216
3a) aantal uren-leraar : de uren, verkregen in toepassing van de bepalingen inzake het aantal wekelijkse uren leraar dat aan elke school wordt toegekend, en, in voorkomend geval, in toepassing van de bepalingen inzake deeltijds beroepssecundair onderwijs, vermeerderd of verminderd met de uren-leraar ingevolge herverdeling van uren-leraar door het schoolbestuur van de school, door overname van uren-leraar van het voorgaande schooljaar, door overname van uren-leraar van een andere school, ingevolge fusie of door toetreding tot een scholengemeenschap;3a) aantal uren-leraar : de uren, verkregen in toepassing van de bepalingen inzake het aantal wekelijkse uren leraar dat aan elke school wordt toegekend, en, in voorkomend geval, in toepassing van de bepalingen inzake deeltijds beroepssecundair onderwijs, vermeerderd of verminderd met de uren-leraar ingevolge herverdeling van uren-leraar door het schoolbestuur van de school, door overname van uren-leraar van het voorgaande schooljaar, door overname van uren-leraar van een andere school, ingevolge fusie of door toetreding tot een scholengemeenschap;
4b) plage-uren : de uren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren, vereist voor het ambt met volledige prestaties van leraar of godsdienstleraar, ongeacht het feit of deze uren wel of niet worden geput uit de uren, bedoeld onder a).4b) plage-uren : de uren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren, vereist voor het ambt met volledige prestaties van leraar of godsdienstleraar, ongeacht het feit of deze uren wel of niet worden geput uit de uren, bedoeld onder a).
5§ 2. Scholen die behoren tot een scholengemeenschap : vanaf het schooljaar 2004-2005 : ten opzichte van de som van de aantallen uren-leraar van de individuele scholen mogen binnen de scholengemeenschap maximum 1,3 % plage-uren worden georganiseerd.
5§ 2. Scholen die behoren tot een scholengemeenschap.
6Vanaf het schooljaar 2011-2012 : enerzijds mag ten opzichte van het aantal uren-leraar van de individuele school maximum 3 procent plage-uren worden georganiseerd en anderzijds mogen ten opzichte van de som van de aantallen uren-leraar van de individuele scholen binnen de scholengemeenschap maximum 1,3 procent plage-uren worden georganiseerd.6Vanaf het schooljaar 2011-2012 : enerzijds mag ten opzichte van het aantal uren-leraar van de individuele school maximum 3 procent plage-uren worden georganiseerd en anderzijds mogen ten opzichte van de som van de aantallen uren-leraar van de individuele scholen binnen de scholengemeenschap maximum 1,3 procent plage-uren worden georganiseerd.
7§ 3. Scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap : vanaf het schooljaar 2002-2003 mag het maximum % niet hoger liggen dan het % van het schooljaar 2001-2002.7§ 3. Scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap.
8Vanaf het schooljaar 2011-2012 : het maximum procent plage-uren mag niet hoger liggen dan het procent van het schooljaar 2001-2002. Het maximum procent plage-uren wordt evenwel vastgelegd op 3 procent indien het procent van het schooljaar 2001-2002 meer dan 3 procent bedraagt.8Vanaf het schooljaar 2011-2012 : het maximum procent plage-uren mag niet hoger liggen dan het procent van het schooljaar 2001-2002. Het maximum procent plage-uren wordt evenwel vastgelegd op 3 procent indien het procent van het schooljaar 2001-2002 meer dan 3 procent bedraagt.
9§ 4. De scholengemeenschappen en de scholen informeren de bevoegde onderhandelingsorganen over de verdeling en aanwending van de plage-uren.9§ 4. De scholengemeenschappen en de scholen informeren de bevoegde onderhandelingsorganen over de verdeling en aanwending van de plage-uren.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 242
11d) de organisatie van neutraal onderwijs, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 1 (V1) te noemen;11d) de organisatie van neutraal onderwijs, conform artikel 24, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 1 (V1) te noemen;
12e) het aanbod van de keuze tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 2 (V2) te noemen.12e) het aanbod van de keuze tussen onderricht in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer, conform artikel 24, § 1, vierde lid, van de gecoördineerde Grondwet, hierna voorafname 2 (V2) te noemen.
13In afwijking van het eerste lid, 1°, b), wordt voor het begrotingsjaar 2020 voor de scholen die tellen conform artikel 169, onder leerlingenkenmerk 2 begrepen, het krijgen van een schooltoelage: er wordt een schooltoelage gegeven aan de leerling als vermeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap uitbetaald ten gunste van de leerling, hierna leerlingenkenmerk 2 te noemen. Voor de toepassing van dit artikel worden de leerlingen die alleen door ongewettigde afwezigheid geen recht op een schooltoelage hadden, ook meegerekend.
14§ 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld :13§ 2. Leerlingenkenmerk 4 wordt als volgt vastgesteld :
151° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een school, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd;141° in een eerste fase wordt de schoolse vertraging van alle buurten berekend. De berekening van de schoolse vertraging is gebaseerd op alle leerlingen van het gewoon onderwijs die school hebben gelopen in een school, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Per buurt wordt het percentage vijftienjarige leerlingen berekend die de afgelopen zes tot tien jaar op vijftienjarige leeftijd twee of meer jaar schoolse vertraging hebben opgelopen. Buurten waarvan de berekening van de schoolse vertraging gebaseerd is op minder dan vijftig vijftienjarigen worden hierna dunbevolkte buurten genoemd;
+10 −12 codex-secundair-onderwijs/art. 243
1§ 1. Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsmiddelen voor het gewoon voltijds secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs 394.419.000 euro.
2§ 2. 1° Vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds beroepssecundair onderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.
32° Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.
1§ 1. ...
2§ 2. 1° ...
32° ...
43° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.43° Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.
5§ 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van 394.419.000 euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.
6Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.5§ 3. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.
7De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :6De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :
81° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :71° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :
13b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.12b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
14De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.13De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.
153° in afwijking van 2° is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 gelijk aan 1;
164° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4.
175° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4.
186° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4;
197° het bedrag voor het begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1° tot en met 6°, wordt in het begrotingsjaar 2015 met 17.127.000 euro verminderd.
20§ 4. Het bedrag verkregen door toepassing van § 3 wordt voor de begrotingsjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2015 verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2, en met 70 % van de loonkosten die vrijkomen door toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen.
21Het bedrag, verkregen door de toepassing van § 3, wordt voor het begrotingsjaar 2016 verhoogd met 40 % van de loonkosten die vrijkomen door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen. (242)
143° ...;
154° ...
165° ...
176° ...;
187° ...
19§ 4. ...
+0 −3 codex-secundair-onderwijs/art. 288 opgeheven
1In afwijking van artikel 286 is de financiering of subsidiering van een school voor buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4, type 5, op 1 september 2014 mogelijk, zonder een bijkomende programmatie of programmatienorm, op voorwaarde dat deze school van opleidingsvorm 4, type 5:
21° ofwel gehecht is aan een universitair ziekenhuis, en daar tot 31 augustus 2014 een secundaire afdeling was van een school voor buitengewoon basisonderwijs type 5;
32° ofwel gehecht is aan een residentiële setting, die valt onder toepassing van artikel 289/1.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 289/1 opgeheven
1In afwijking van artikel 289 kan een op 31 augustus 2014 bestaande school van buitengewoon secundair met opleidingsvorm 1, type 4, die verbonden is aan een revalidatiecentrum, per 1 september 2014 de gehele opleidingsvorm 1, type 4, omvormen tot een opleidingsvorm 4, type 5. Het schoolbestuur meldt dit uiterlijk op 1 juli 2014 aan AgODi.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 290/1
15De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.15De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi en de onderwijsinspectie.
16§ 3. De scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die tijdens het schooljaar 2014- 2015 een aanbod type 1 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 259, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering.16§ 3. De scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die tijdens het schooljaar 2014- 2015 een aanbod type 1 aanboden, bieden vanaf 1 september 2015 het basisaanbod aan als vermeld in artikel 259, § 1, 1°. Dit wordt niet beschouwd als een herstructurering.
17De oprichting van een type in het schooljaar 2015-2016 wordt niet beschouwd als een herstructurering.
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 299
5- voor bestaande scholen die bij een herstructurering betrokken zijn, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of de subsidiëring of de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm.5- voor bestaande scholen die bij een herstructurering betrokken zijn, hetzij door een fusie, hetzij door de opname in de financiering of de subsidiëring of de afschaffing of de omvorming van een opleidingsvorm.
6Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren. In afwijking van de voorgaande zin is met toepassing van artikel 290/2 voor de opname in de financiering of de subsidiering de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de drie daaropvolgende schooljaren.6Bij de opname in de financiering of de subsidiëring is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de twee daaropvolgende schooljaren. In afwijking van de voorgaande zin is met toepassing van artikel 290/2 voor de opname in de financiering of de subsidiering de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar en van de drie daaropvolgende schooljaren.
7In geval van oprichting van een nieuw type, met uitzondering van het schooljaar 2015-2016, alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar. Als het nieuwe type met toepassing van artikel 290/2 pas na de eerste lesdag van oktober wordt opgericht blijft de teldatum 1 februari van het voorafgaande schooljaar.7In geval van oprichting van een nieuw type, alsook in geval van fusie, afschaffing van een opleidingsvorm of omvorming is de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar. Als het nieuwe type met toepassing van artikel 290/2 pas na de eerste lesdag van oktober wordt opgericht blijft de teldatum 1 februari van het voorafgaande schooljaar.
8Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel.8Deze teldatum geldt telkens voor de school in kwestie in haar geheel.
92° in het type 5 het aantal bepaald door de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen :92° in het type 5 het aantal bepaald door de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen :
10a) gedurende de periode van 12 maanden die voorafgaat aan 1 februari van het jaar waarin het betrokken schooljaar een aanvang neemt, indien het type gedurende heel deze duur georganiseerd was, of indien de school valt onder toepassing van artikel 288;10a) gedurende de periode van 12 maanden die voorafgaat aan 1 februari van het jaar waarin het betrokken schooljaar een aanvang neemt, indien het type gedurende heel deze duur georganiseerd was;
11b) in andere gevallen, gedurende de eerste 30 dagen te rekenen vanaf de openstelling van het type, of gedurende een periode te bepalen door de Vlaamse Regering.11b) in andere gevallen, gedurende de eerste 30 dagen te rekenen vanaf de openstelling van het type, of gedurende een periode te bepalen door de Vlaamse Regering.
+1 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 310
1In afwijking op artikel 309, § 3, komen niet in aanmerking de leerlingen, die hetzij :1In afwijking op artikel 309, § 3, komen niet in aanmerking de leerlingen, die hetzij :
2a) ...;2a) ...;
3b) huisonderwijs volgen;3b) ...;
4c) in een medische instelling of ziekenhuis verblijven en buitengewoon onderwijs van type 5 volgen;4c) in een medische instelling of ziekenhuis verblijven en buitengewoon onderwijs van type 5 volgen;
5d) tijdens de schooluren revalidatie krijgen of therapeutische behandelingen ondergaan in één van de disciplines die binnen de personeelsformatie in het onderwijs voorkomen van personen van wie het ambt noch door onderwijs, noch door welzijn wordt gefinancierd of gesubsidieerd. (309)5d) tijdens de schooluren revalidatie krijgen of therapeutische behandelingen ondergaan in één van de disciplines die binnen de personeelsformatie in het onderwijs voorkomen van personen van wie het ambt noch door onderwijs, noch door welzijn wordt gefinancierd of gesubsidieerd. (309)
+0 −7 codex-secundair-onderwijs/art. 314/1 opgeheven
1§ 1. Er wordt gedurende de schooljaren 2013-2014, 2014-2015, 2015-2016, 2016-2017, 2017-2018, 2018-2019, 2019-2020, 2020-2021 en 2021-2022 aan de scholen van het buitengewoon secundair onderwijs die voldoen aan de voorwaarden bepaald in deze onderafdeling toegestaan dat, in afwijking van het artikel 20, maximum 61 lesuren, die deel uitmaken van het lesurenpakket, vermeld in de artikelen 298, 301, 302 en 303, toegekend aan een school voor buitengewoon secundair onderwijs overgedragen kunnen worden aan een centrum voor deeltijdse vorming of aan een andere instelling met ervaring in het begeleiden van de doelgroep vermeld in artikel III.314/2 en omgezet kunnen worden in kredieten. In voorkomend geval beslist het schoolbestuur, na onderhandeling in het lokale comité, over de overdracht van maximum 61 lesuren naar een centrum voor deeltijdse vorming of een andere instelling voor realisatie van leerlinggebonden activiteiten voor de doelgroep vermeld in artikel III.314/2.
2§ 2. De omzetting van lesuren en uren van een school voor buitengewoon secundair onderwijs in een krediet voor een centrum voor deeltijdse vorming of voor een andere instelling, bestemd voor de organisatie van leerlinggebonden activiteiten voor de doelgroep vermeld in artikel 314/2 wordt als volgt vastgesteld :
31° het aantal lesuren en uren dat wordt omgezet in kredieten, wordt vermenigvuldigd met veertig, dat is het aantal weken openstelling per jaar, zodat een aantal jaarlesuren en een aantal jaaruren wordt verkregen. Dat resultaat, dat in de loop van het schooljaar niet meer kan worden gewijzigd, wordt vóór 1 oktober van het schooljaar in kwestie aan het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming meegedeeld;
42° het bedrag dat wordt toegepast bij de omzetting van lesuren, wordt vastgesteld op 31,72 euro, het bedrag dat wordt toegepast bij de omzetting van uren wordt vastgelegd op 22,46 euro. Dat bedrag wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat bedrag wordt vanaf 1 januari 1990 aan de spilindex 138,01 gekoppeld. De indexaanpassingen die na 1 oktober van het schooljaar gebeuren, hebben evenwel pas uitwerking met ingang van het daaropvolgende schooljaar;
53° het product van het aantal jaarlesuren en jaaruren dat wordt overgedragen met het geïndexeerd bedrag vormt het krediet dat voorbehouden is voor de organisatie van leerlinggebonden activiteiten door het centrum voor deeltijdse vorming of door een andere instelling.
6Indien het krediet wordt toegekend aan een centrum voor deeltijdse vorming, wordt dit krediet toegekend, samen met de eerste schijf van de uitbetaling van de persoonlijke ontwikkelingstrajecten, vermeld in artikel 95 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.
7Indien het krediet wordt toegekend aan een andere instelling, wordt dit krediet toegekend in de loop van de maand februari van het schooljaar in kwestie.
+0 −7 codex-secundair-onderwijs/art. 314/2 opgeheven
1§ 1. In de scholen van buitengewoon secundair onderwijs, bedoeld in deze onderafdeling wordt buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 1, type 3 georganiseerd.
2De jongeren in de opleidingsvorm en het type vermeld in het vorig lid hebben ernstige gedrags- of emotionele stoornissen, vastgesteld door een psychiater. Deze jongeren functioneren daarenboven op het niveau van licht verstandelijke beperking. Door de complexiteit van hun problematiek zijn deze leerlingen niet in staat om voltijds onderwijs te lopen in het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs en hebben zij een problematisch schoolverloop.
3§ 2. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, stellen zich open voor de doelgroep vermeld in paragraaf 1, en dit voor minimum 6 en maximum 24 leerlingen.
4§ 3. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, werken samen met andere scholen van voltijds of centra van deeltijds gewoon secundair onderwijs voor de opvang van de doelgroep vermeld in paragraaf 1.
5§ 4. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, werken samen met internaten met een werking gericht op de ambulante begeleiding of opvang van de doelgroep vermeld in paragraaf 1.
6§ 5. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, werken samen met CLB's, voor de inschaling van de doelgroep vermeld in paragraaf 1.
7§ 6. De scholen, bedoeld in deze onderafdeling, werken samen met een centrum voor deeltijdse vorming of met een andere instelling met ervaring in het begeleiden van de doelgroep vermeld in paragraaf 1, die bereid zijn ondersteuning te bieden voor leerling-gebonden activiteiten voor de doelgroep vermeld in paragraaf 1.
+0 −4 codex-secundair-onderwijs/art. 314/3 opgeheven
1§ 1. Een stuurgroep volgt de scholen, bedoeld in deze onderafdeling, op en evalueert hen. Deze stuurgroep bestaat uit ten minste één lid van de onderwijsinspectie, ten minste één afgevaardigde van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming, en ten minste één afgevaardigde per representatieve vakorganisatie en eveneens, naargelang de school, ten minste één afgevaardigde van ofwel het gemeenschapsonderwijs, ofwel de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd officieel onderwijs ofwel van het gesubsidieerd vrij onderwijs.
2§ 2. Steeds vanuit de optiek om het onderwijs voor de doelgroep van gedragsmoeilijke leerlingen te bevorderen, moet de evaluatie, vermeld in paragraaf 1, resulteren in beleidsbeslissingen over eventuele decretale, reglementaire of andere maatregelen of acties op het vlak van optimalisering van het buitengewoon en gewoon secundair onderwijs voor leerlingen met ernstige gedrags- of emotionele stoornissen of een verlenging van deze maatregel.
3§ 3. De betrokken schoolbesturen, scholen, internaten, CLB's, centra en instellingen verlenen hun volledige medewerking aan de opvolging en evaluatie vermeld in paragraaf 1.
4De betrokken scholen brengen jaarlijks verslag uit bij de stuurgroep. Na de bespreking van het verslag op de stuurgroep, zijn er bijsturingen mogelijk. De inhoud van het verslag wordt bepaald door de stuurgroep. Dit verslag wordt uiterlijk op 30 juni ingediend bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 314/4 opgeheven
1De bepalingen van deze onderafdeling treden in werking op 1 september 2011 en houden op van kracht te zijn op 31 augustus 2022.
+10 −12 codex-secundair-onderwijs/art. 324
1§ 1.Voor het begrotingsjaar 2009, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2008-2009, is het startbedrag voor de werkingsmiddelen voor het buitengewoon secundair onderwijs 23.865.000 euro.
1§ 1.....
2§ 2. De berekening van het werkingsbudget vanaf begrotingsjaar 2010 gebeurt als volgt :2§ 2. De berekening van het werkingsbudget vanaf begrotingsjaar 2010 gebeurt als volgt :
31° vanaf begrotingsjaar 2010 tot en met begrotingsjaar 2015 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon secundair onderwijs jaarlijks berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs, vermeerderd met 30 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar;
42° voor het begrotingsjaar 2016 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs, vermeerderd met 60 % van de loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar;
31° ...;
42° ...;
53° vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.53° vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het werkingsbudget voor het buitengewoon secundair onderwijs berekend op basis van de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap van het vorige begrotingsjaar als werkingsbudget bestemd zijn voor het buitengewoon secundair onderwijs, vermeerderd met de volledige loonkosten van de leden van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar.
6§ 3. Voor het begrotingsjaar 2009 wordt het bedrag van 23.865.000 euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.
7Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.6§ 3. Vanaf begrotingsjaar 2010 wordt het bedrag, verkregen na de toepassing van § 2, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2.
8De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :7De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend :
91° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :81° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij :
14b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.13b) Cx-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
15De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.14De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht.
163° in afwijking van 2° is de A2-coëfficiënt voor het begrotingsjaar 2010 gelijk aan 1;
174° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2012 de coëfficiënt A2= 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4.
185° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4.
196° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6 (Cx-1/Cx-2) + 0,4;
207° het bedrag voor het begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1° tot en met 6°, wordt in het begrotingsjaar 2015 met 1.119.000 euro verminderd.
21§ 4. Het bedrag verkregen door toepassing van § 3 wordt voor de begrotingsjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2015 verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2, en met 70 % van de loonkosten die vrijkomen door toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen.
22Het bedrag, verkregen door de toepassing van § 3, wordt voor het begrotingsjaar 2016 verhoogd met 40 % van de loonkosten die vrijkomen door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen. (323)
153° ...;
164° ...
175° ...
186° ...;
197° ...
20§ 4. ...
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 330/4 opgeheven
1Aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs die actief zijn in het ondersteuningsmodel, in toepassing van artikel 314/8 en 314/9, wordt voor het schooljaar 2021-2022 eenmalig een budget toegekend in functie van het professionaliseren van ondersteuners. Voor het begrotingsjaar 2021 gaat het om 475.716 euro en voor begrotingsjaar 2022 gaat het om 951.763 euro. De middelen worden ingezet om in het schooljaar 2021-2022 en in het eerste trimester van het schooljaar 2022-2023 personeelsleden aan te stellen die ondersteuners vervangen tijdens een periode van professionalisering. De Vlaamse Regering legt daartoe het verdelingsmechanisme over de scholen, de toepassingsmodaliteiten en de modaliteiten met betrekking tot het lokaal sociaal overleg vast.
+2 −2 codex-secundair-onderwijs/art. 350
1Artikel 123/21, 124, 126, 128, 133/1 tot en met 133/7, 134, 134/1, 134/2, 136, 136/3 tot en met 136/6, 148, 149, 150, 151, 152, 153, 154, 156, 157 en 157/2 tot en met 157/9, zijn ook van toepassing voor opleidingsvorm 4 in de scholen met opleidingsvorm 4, behalve voor het onthaalonderwijs dat er niet kan worden georganiseerd.1Artikel 123/21, 124, 126, 128, 133/1 tot en met 133/7, 134, 134/1, 134/2, 136, 136/3 tot en met 136/6, 150, 151, 152, 157 en 157/2 tot en met 157/9, zijn ook van toepassing voor opleidingsvorm 4 in de scholen met opleidingsvorm 4, behalve voor het onthaalonderwijs dat er niet kan worden georganiseerd.
2In opleidingsvorm 4 moet een gemeenschappelijk curriculum van het gewoon voltijds secundair onderwijs gevolgd worden en moeten er eveneens, naargelang de noden van de leerlingen, gepaste en redelijke aanpassingen genomen worden, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen. De klassenraad werkt hiervoor op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de ouders.
2In opleidingsvorm 4 wordt een gemeenschappelijk curriculum van het gewoon voltijds secundair onderwijs gevolgd. Dat gemeenschappelijk curriculum wordt aangepast volgens de onderwijsbehoeften en ondersteuningsbehoeften van de leerlingen, rekening houdend met de bepalingen van artikel 122/1/1.
+0 −1 codex-secundair-onderwijs/art. 357/50
2Studievoortgang binnen een aanloopstructuuronderdeel of tussen aanloopstructuuronderdelen van hetzelfde standaardtraject is van rechtswege mogelijk op basis van het behalen van een afgewerkte set van beroepsgerichte competenties, ongeacht de voortgang in de algemeenvormende competenties.2Studievoortgang binnen een aanloopstructuuronderdeel of tussen aanloopstructuuronderdelen van hetzelfde standaardtraject is van rechtswege mogelijk op basis van het behalen van een afgewerkte set van beroepsgerichte competenties, ongeacht de voortgang in de algemeenvormende competenties.
3Voor een regelmatige leerling die zijn aanloopstructuuronderdeel in de loop van of op het einde van het schooljaar beëindigt, beslist de klassenraad, na evaluatie, over de studiebekrachtiging. De studiebekrachtiging in aanloopstructuuronderdelen is gebaseerd op beroepskwalificaties of op onderdelen ervan.3Voor een regelmatige leerling die zijn aanloopstructuuronderdeel in de loop van of op het einde van het schooljaar beëindigt, beslist de klassenraad, na evaluatie, over de studiebekrachtiging. De studiebekrachtiging in aanloopstructuuronderdelen is gebaseerd op beroepskwalificaties of op onderdelen ervan.
4Voor leerlingen op niveau van de tweede graad, ingeschreven in een aanloopstructuuronderdeel als vermeld in artikel 357/43, eerste lid, 1°, waarvoor gedurende het traject in de aanloopfase blijkt dat de overstap naar het bovenliggende structuuronderdeel "duaal" 2e graad niet mogelijk is, kan de klassenraad beslissen om de doelen van het bovenliggende structuuronderdeel "duaal" 2e graad na te streven in een kwalificerend traject op maat. De school moet deze noodzaak kunnen aantonen. Dit moet voorgelegd kunnen worden aan de onderwijsinspectie bij een doorlichting als bedoeld in artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. Aan een leerling die voldoet aan de bepalingen uit dit lid, en die alle doelen behaalt van het bovenliggende structuuronderdeel "duaal" 2e graad, als vastgelegd in het standaardtraject, vermeld in artikel 357/7, kan de studiebekrachtiging uitgereikt worden zoals die is opgenomen in het standaardtraject van het duale structuuronderdeel.
5De Vlaamse Regering legt de lijst van studiebewijzen vast die uitgereikt kunnen worden in aanloopstructuuronderdelen.4De Vlaamse Regering legt de lijst van studiebewijzen vast die uitgereikt kunnen worden in aanloopstructuuronderdelen.
+0 −1 decreet-2018-04-27/art. 117 opgeheven
1De beleidsplannen en de beleidscontracten die bij de inwerkingtreding van dit decreet lopen, worden op dat ogenblik geëvalueerd en ze worden aangepast als dat nodig is. Op het einde van de looptijd worden de voormelde beleidsplannen en beleidscontracten vervangen door samenwerkingsafspraken.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd