programmadecreet bij de begroting 2020
16 artikels gewijzigd
| 1 | Om nascholings- en begeleidingsactiviteiten te organiseren voor de eigen personeelsleden en voor de personeelsleden van de door hen begeleide instellingen ontvangen de pedagogische begeleidingsdiensten jaarlijks een bedrag van 1.221.000 euro. | 1 | Om nascholings- en begeleidingsactiviteiten te organiseren voor de eigen personeelsleden en voor de personeelsleden van de door hen begeleide instellingen ontvangen de pedagogische begeleidingsdiensten jaarlijks een bedrag van 1.148.000 euro. |
| 2 | De middelen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen. | 2 | De middelen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen. |
| 1 | De bedragen verkregen door toepassing van de artikelen 18, 19, 21/1, 22, 27/2 en 28 worden vanaf het begrotingsjaar 2020 verminderd met 580.000 euro. |
| 1 | § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis. | 1 | § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis. De regering kan bijkomend mogelijke redenen van de afwezigheid bepalen. Deze redenen dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde. |
| 2 | § 2. De regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid omwille van een chronische ziekte en een langdurige afwezigheid. | 2 | § 2. De regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid en een langdurige afwezigheid. |
| 3 | Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid vanwege een chronische ziekte. | 3 | Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid. |
| 4 | § 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van lestijden tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. | 4 | § 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van lestijden tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. |
| 5 | De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden, vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. | 5 | De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden, vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. |
| 1 | § 1. Synchroon internetonderwijs, verder in deze onderafdeling SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen. | 1 | § 1. Synchroon internetonderwijs, verder in deze onderafdeling SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen. |
| 2 | SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden. | 2 | SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden. |
| 3 | § 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is: | 3 | § 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is: |
| 4 | 1° de leerling wordt minstens 5 jaar vóór 1 januari van het lopende schooljaar; | 4 | 1° de leerling wordt minstens 5 jaar vóór 1 januari van het lopende schooljaar; |
| 5 | 2° de school beschikt over bewijsstukken voor de afwezigheid van de leerling ten gevolge van ziekte of ongeval ; | 5 | 2° de leerling is afwezig wegens ziekte of ongeval en de school beschikt over de bewijsstukken; |
| 6 | 3° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De ouders brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts; | 6 | 3° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De ouders brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts; |
| 7 | 4° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol: | 7 | 4° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol: |
| 10 | c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken. | 10 | c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken. |
| 11 | De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen. | 11 | De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen. |
| 12 | § 2/1. De Vlaamse Regering kan bijkomende in aanmerking komende leerlingen en de respectieve voorwaarden bepalen. De redenen voor de afwezigheid op school dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde. | ||
| 12 | § 3. Het schoolbestuur is verplicht om de ouders van leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO. | 13 | § 3. Het schoolbestuur is verplicht om de ouders van leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO. |
| 13 | § 4. De uitdrukkelijke vraag van de ouders voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren. | 14 | § 4. De uitdrukkelijke vraag van de ouders voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren. |
| 1 | Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden de werkingsmiddelen voor het kleuteronderwijs gelijkgeschakeld met die van het lager onderwijs. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd daartoe een regeling uit te werken. |
| 16 | 5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4. | 16 | 5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4. |
| 17 | 6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4; | 17 | 6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4; |
| 18 | 7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 8.101.000 euro. | 18 | 7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 8.101.000 euro; |
| 19 | 8° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van paragraaf 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 70.282.000 euro. | ||
| 19 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. | 20 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. |
| 20 | § 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 486.000 euro. | 21 | § 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 486.000 euro. |
| 55 | mso-bidi-language:#0400;&rgtaco; | 55 | mso-bidi-language:#0400;&rgtaco; |
| 56 | § 1. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 79, wordt een budget van 3 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : | 56 | § 1. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 79, wordt een budget van 3 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : |
| 57 | V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %), waarbij : | 57 | V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 3,97 %), waarbij : |
| 58 | 1° B = werkingsbudget verkregen na de toepassing van artikel 79; | 58 | 1° B = werkingsbudget verkregen na de toepassing van artikel 79; |
| 59 | 2° lln_Neu = leerlingen in het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs; | 59 | 2° lln_Neu = leerlingen in het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs; |
| 61 | 4° lln_LB = leerlingen van het officieel gewoon lager onderwijs. | 61 | 4° lln_LB = leerlingen van het officieel gewoon lager onderwijs. |
| 62 | § 2. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na toepassing van artikel 79, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : | 62 | § 2. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na toepassing van artikel 79, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : |
| 63 | V2 = B * lln_LB * 4,5 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %). | 63 | V2 = B * lln_LB * 3,97 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 3,97 %). |
| 64 | § 3. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 79 en na toepassing van § 1 en § 2, wordt een percentage berekend dat in aanmerking komt voor verdeling op basis van de leerlingenkenmerken. Dat budget wordt berekend volgens de volgende formule : | 64 | § 3. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 79 en na toepassing van § 1 en § 2, wordt een percentage berekend dat in aanmerking komt voor verdeling op basis van de leerlingenkenmerken. Dat budget wordt berekend volgens de volgende formule : |
| 65 | (B - V1 - V2) * Pjaar x = B_lli, waarbij : | 65 | (B - V1 - V2) * Pjaar x = B_lli, waarbij : |
| 1 | B_SchK, vermeld in artikel 80, § 4, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 1 en 2, vermeld in artikel 78, § 1 : | 1 | B_SchK, vermeld in artikel 80, § 4, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 1 en 2, vermeld in artikel 78, § 1 : |
| 2 | 1° voor de leerlingen van het kleuteronderwijs en van het lager onderwijs wordt het puntengewicht als volgt bepaald : | 2 | 1° voor de leerlingen van het kleuteronderwijs en van het lager onderwijs wordt het puntengewicht bepaald op 8 punten; |
| 3 | a) voor een kleuter : 6 punten, met dien verstande dat het aantal regelmatige kleuters op de eerste schooldag van februari worden gewogen met volgend percentage : 88,48 %; | ||
| 4 | b) voor een leerling lager onderwijs : 8 punten; | ||
| 5 | 2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk vermeld in § 1, het aantal leerlingen geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht verkregen na toepassing van 1°; | 3 | 2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk vermeld in § 1, het aantal leerlingen geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht verkregen na toepassing van 1°; |
| 6 | 3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP_SchK te noemen. | 4 | 3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP_SchK te noemen. |
| 16 | 5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4. | 16 | 5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4. |
| 17 | 6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4; | 17 | 6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4; |
| 18 | 7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015, verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 731.000 euro. | 18 | 7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015, verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 731.000 euro; |
| 19 | 8° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van § 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 994.000 euro. | ||
| 19 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. | 20 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. |
| 20 | § 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 53.000 euro. | 21 | § 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 53.000 euro. |
| 1 | § 1. Van het werkingsbudget buitengewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 85bis, wordt een budget van 3 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : | 1 | § 1. Van het werkingsbudget buitengewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 85bis, wordt een budget van 3 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : |
| 2 | V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 %+ lln_LB * 4,5 %), waarbij : | 2 | V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 %+ lln_LB * 3,97 %), waarbij : |
| 3 | 1° B = werkingsbudget verkregen na toepassing van artikel 85bis ; | 3 | 1° B = werkingsbudget verkregen na toepassing van artikel 85bis ; |
| 4 | 2° lln_Neu = leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs; | 4 | 2° lln_Neu = leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs; |
| 5 | 3° lln_tot = het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs; | 5 | 3° lln_tot = het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs; |
| 6 | 4° lln_LB = leerlingen van het officieel buitengewoon lager onderwijs. | 6 | 4° lln_LB = leerlingen van het officieel buitengewoon lager onderwijs. |
| 7 | § 2. Van het werkingsbudget buitengewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 85bis, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : | 7 | § 2. Van het werkingsbudget buitengewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 85bis, wordt een budget van 3,97 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : |
| 8 | V2 = B * lln_LB * 4,5 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %). | 8 | V2 = B * lln_LB * 3,97 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 3,97 %). |
| 9 | § 3. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule : | 9 | § 3. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule : |
| 10 | B_SchK = B - V1 - V2. | 10 | B_SchK = B - V1 - V2. |
| 1 | B_SchK zoals bepaald in artikel 85ter, § 3, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 3, 4, 5, en 6: | 1 | B_SchK zoals bepaald in artikel 85ter, § 3, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 3, 4, 5, en 6: |
| 2 | 1° voor de leerlingen van het buitengewoon onderwijs wordt het puntengewicht als volgt vastgesteld: | 2 | 1° voor de leerlingen van het buitengewoon onderwijs wordt het puntengewicht als volgt vastgesteld: |
| 3 | a) buitengewoon kleuteronderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 3) 9 punten; | 3 | a) buitengewoon kleuteronderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 3) 13 punten; |
| 4 | b) buitengewoon kleuteronderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 4) 11 punten; | 4 | b) buitengewoon kleuteronderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 4) 15 punten; |
| 5 | c) buitengewoon lager onderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 5) 13 punten; | 5 | c) buitengewoon lager onderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 5) 13 punten; |
| 6 | d) buitengewoon lager onderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 6) 15 punten. | 6 | d) buitengewoon lager onderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 6) 15 punten. |
| 7 | Met dien verstande dat in het buitengewoon kleuteronderwijs het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari wordt gewogen met volgend percentage: 94,5 %; | ||
| 8 | 2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in punt 1°, het aantal leerlingen, geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht; | 7 | 2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in punt 1°, het aantal leerlingen, geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht; |
| 9 | 3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. | 8 | 3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. |
| 1 | § 1. Vanaf het begrotingsjaar X, startend in begrotingsjaar 2017, wordt een extra werkingsbudget van 10.000.000 euro toegekend aan het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2017-2018. | ||
| 2 | Het extra werkingsbudget per school is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal kleuters in de school op de teldag vermeld in artikel 87, met de G_Kl, waarbij: | ||
| 3 | G_Kl = het extra werkingsbudget vermeld in paragraaf 1, eerste lid, na toepassing van paragraaf 2, gedeeld door het totaal aantal kleuters in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs op de teldag vermeld in artikel 87. | ||
| 4 | Het extra werkingsbudget wordt elk schooljaar aan het schoolbestuur uitbetaald vóór 31 december van het lopende schooljaar. | ||
| 5 | § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2019 wordt het extra werkingsbudget vermeld in paragraaf 1, eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. | ||
| 1 | § 1. ... | ||
| 2 | § 2. ... | ||
| 6 | De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend: | 3 | De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend: |
| 7 | 1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij: | 4 | 1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij: |
| 4 | b) het deeltijds beroepssecundair onderwijs; | 4 | b) het deeltijds beroepssecundair onderwijs; |
| 5 | c) de alternerende beroepsopleiding in het buitengewoon secundair onderwijs; | 5 | c) de alternerende beroepsopleiding in het buitengewoon secundair onderwijs; |
| 6 | De Vlaamse Regering kan beslissen de punten a, b of c toch te beschouwen als secundair onderwijs. | ||
| 6 | 2° ...; | 7 | 2° ...; |
| 7 | 3° toelatingsvoorwaarden : de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 291 tot en met 295. (115) | 8 | 3° toelatingsvoorwaarden : de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 291 tot en met 295. (115) |
| 1 | § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis. | 1 | § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis. De Vlaamse Regering kan bijkomend mogelijke redenen van de afwezigheid bepalen. Deze redenen dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde. |
| 2 | § 2. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid omwille van een chronische ziekte en een langdurige afwezigheid. | 2 | § 2. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid en een langdurige afwezigheid. |
| 3 | Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid vanwege een chronische ziekte. | 3 | Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid. |
| 4 | § 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van uren-leraar en lesuren tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. | 4 | § 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van uren-leraar en lesuren tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. |
| 5 | § 4. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op tijdelijk onderwijs aan huis te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis. | 5 | § 4. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op tijdelijk onderwijs aan huis te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis. |
| 1 | § 1. Synchroon internetonderwijs, verder in dit hoofdstuk SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen. | 1 | § 1. Synchroon internetonderwijs, verder in dit hoofdstuk SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen. |
| 2 | SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden. | 2 | SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden. |
| 3 | § 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is: | 3 | § 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is: |
| 4 | 1° de school beschikt over bewijsstukken voor de afwezigheid van de leerling ten gevolge van ziekte of ongeval ; | 4 | 1° de leerling is afwezig wegens ziekte of ongeval en de school beschikt over de bewijsstukken; |
| 5 | 2° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De betrokken personen brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts; | 5 | 2° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De betrokken personen brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts; |
| 6 | 3° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol: | 6 | 3° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol: |
| 9 | c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken. | 9 | c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken. |
| 10 | De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen. | 10 | De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen. |
| 11 | § 2/1. De Vlaamse Regering kan bijkomende in aanmerking komende leerlingen en de respectieve voorwaarden bepalen. De redenen voor de afwezigheid op school dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde. | ||
| 11 | § 3. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO. | 12 | § 3. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO. |
| 12 | § 4. De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren. | 13 | § 4. De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren. |
| 1 | Het werkingsbudget van de gefinancierde en de gesubsidieerde centra wordt vastgesteld in de jaarlijkse begroting. | 1 | § 1. Het werkingsbudget van de gefinancierde en de gesubsidieerde centra wordt vastgesteld in de jaarlijkse begroting. |
| 2 | Voor de permanente ondersteuning wordt het bedrag per omkaderingsgewicht per jaar vastgelegd op 2 390 euro. | 2 | Voor de permanente ondersteuning wordt het bedrag per omkaderingsgewicht per jaar vastgelegd op 2 390 euro. |
| 3 | Het werkingsbudget van een centrum is gelijk aan het gegarandeerde werkingsbudget en een extra werkingsbudget. | 3 | Het werkingsbudget van een centrum is gelijk aan het gegarandeerde werkingsbudget en een extra werkingsbudget. |
| 8 | 2° Cx-1 gelijk is aan de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1; | 8 | 2° Cx-1 gelijk is aan de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1; |
| 9 | 3° Cx-2 gelijk is aan de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. | 9 | 3° Cx-2 gelijk is aan de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. |
| 10 | § 2. De werkingsbudgetten die worden vastgesteld in toepassing van paragraaf 1 worden vanaf het begrotingsjaar 2020 met 909.000 euro verminderd. | ||