Artikel 41
§1. Met toepassing van de voorwaarden, vermeld in artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen alle rechtspersonen die de bescherming beogen van de rechten van de mens of fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden, in rechte optreden namens hun collectieve belang in alle geschillen waartoe dit decreet aanleiding kan geven.
§1bis. Alle privaatrechtelijke rechtspersonen die zich in hun statuten tot doel hebben gesteld het recht om niet gediscrimineerd te worden te verdedigen of discriminatie te bestrijden, kunnen namens en voor rekening van een persoon die meent te worden gediscrimineerd in rechte optreden in alle geschillen waartoe dit decreet aanleiding kan geven.
§2. In alle geschillen op het gebied van de arbeidsbetrekkingen, vermeld in artikel 20, eerste lid, 1° tot en met 3°, en in alle geschillen met betrekking tot arbeidsgerelateerde aspecten als vermeld in artikel 20, eerste lid, 7°, waartoe dit decreet aanleiding kan geven, kunnen de volgende verenigingen en organisaties in rechte optreden namens hun collectieve belang of in naam en voor rekening van een persoon die meent te worden gediscrimineerd :
- 1°de representatieve organisaties van werknemers, werkgevers, de middenstand en de landbouw die zitting hebben in de SERV-raad;
- 2°de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties, zoals bepaald in artikel 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
- 3°de representatieve organisaties in de zin van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
- 4°de representatieve organisaties van de zelfstandigen.
§3. Als de vordering, vermeld in paragraaf 1bis of 2, wordt ingesteld in naam en voor rekening van een persoon die meent te worden gediscrimineerd, is die vordering alleen ontvankelijk met diens instemming.
§4. Het Vlaams Mensenrechteninstituut, vermeld in het decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut, kan ambtshalve of op verzoek van het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is, binnen de door het rechtscollege bepaalde redelijke termijn, schriftelijke opmerkingen indienen over de toepassing van het discriminatieverbod. Het Vlaams Mensenrechteninstituut beslist autonoom, gemotiveerd en in lijn met zijn bevoegdheden en op basis van het collectief belang over de indiening van eventuele opmerkingen.
De raad van bestuur van het Vlaams Mensenrechteninstituut stelt een interne procedure en afwegingskader vast voor de toepassing van de mogelijkheid om opmerkingen in te dienen. Het Vlaams Mensenrechteninstituut rapporteert jaarlijks over de toepassing van deze bepaling aan het Vlaams Parlement via het jaarverslag, vermeld in artikel 43, §1, van het decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut.
Met de toestemming van het betrokken rechtscollege kan het Vlaams Mensenrechteninstituut ook mondelinge opmerkingen maken.
Alleen met het oog op de formulering van zijn opmerkingen kan het Vlaams Mensenrechteninstituut het betrokken rechtscollege verzoeken om alle stukken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de zaak toe te zenden of te laten toezenden.
Als het Vlaams Mensenrechteninstituut opmerkingen indient, krijgen de andere partijen de gelegenheid om op die opmerkingen te antwoorden.