Artikel 19
Er is sprake van het weigeren van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap als aanpassingen worden geweigerd die geen onevenredige belasting betekenen, of waarvan de belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen. Als aanpassing wordt beschouwd, elke concrete maatregel, van materiële of immateriële aard, die de beperkende invloed van een onaangepaste omgeving op de participatie van een persoon met een handicap neutraliseert.
De redelijkheid van de aanpassing, vermeld in het eerste lid, wordt beoordeeld op basis van onder meer de volgende indicatoren:
- 1°de financiële impact van de aanpassing, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele ondersteunende financiële tegemoetkomingen en de financiële draagkracht van degene op wie de aanpassingsplicht rust;
- 2°de organisatorische impact van de aanpassing;
- 3°de te verwachten frequentie en duur van het gebruik van de aanpassing door personen met een handicap;
- 4°de impact van de aanpassing op de levenskwaliteit van een daadwerkelijke of potentiële gebruiker met een handicap of daadwerkelijke of potentiële gebruikers met een handicap;
- 5°de impact van de aanpassing op de omgeving en op andere gebruikers;
- 6°het ontbreken van gelijkwaardige alternatieven;
- 7°het verzuim van voor de hand liggende of wettelijk verplichte normen.