programmadecreet bij de begroting 2020
51 artikels gewijzigd
| 1 | Aan de belastingplichtige rechtspersoon wordt een belastingkrediet toegekend dat gelijk is aan : | 1 | Aan de belastingplichtige rechtspersoon wordt een belastingkrediet toegekend dat gelijk is aan : |
| 2 | 1° 2,5 % van het kadastraal inkomen als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 1, van toepassing is; | ||
| 3 | 2° 1,6 % van het kadastraal inkomen als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 2 of § 2/1, van toepassing is; | ||
| 2 | 1° ...; | ||
| 3 | 2° ...; | ||
| 4 | 3° 2,5 % van het kadastraal inkomen vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, tweede lid, als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, van toepassing is. | 4 | 3° 2,5 % van het kadastraal inkomen vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, tweede lid, als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, van toepassing is. |
| 5 | Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, kan nooit meer bedragen dan de onroerende voorheffing, na toepassing van vrijstellingen en verminderingen. | 5 | Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, kan nooit meer bedragen dan de onroerende voorheffing, na toepassing van vrijstellingen en verminderingen. |
| 3 | waarbij : | 3 | waarbij : |
| 4 | 1° F = factor, die 1 is voor de wegen of wegsegmenten, vermeld in punt 3°, die limitatief opgesomd zijn in bijlage 2, en 0 voor alle andere wegen of wegsegmenten; | 4 | 1° F = factor, die 1 is voor de wegen of wegsegmenten, vermeld in punt 3°, die limitatief opgesomd zijn in bijlage 2, en 0 voor alle andere wegen of wegsegmenten; |
| 5 | 2° Bt = basistarief van de heffing, met waarde 11,3 eurocent; | 5 | 2° Bt = basistarief van de heffing, met waarde 13 eurocent; |
| 6 | 3° A = variatie in functie van wegtype W met een tarief dat hoger is dan nul eurocent, gedifferentieerd volgens de volgende tabel : | 6 | 3° A = variatie in functie van wegtype W met een tarief dat hoger is dan nul eurocent, gedifferentieerd volgens de volgende tabel : |
| 7 | wegtype (W) | 7 | wegtype (W) |
| 17 | maximaal toegestane totaalgewicht | 17 | maximaal toegestane totaalgewicht |
| 18 | G | 18 | G |
| 19 | maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 3,5 ton enlager dan 12 ton | 19 | maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 3,5 ton en lager dan 12 ton |
| 20 | - 5,0 | ||
| 20 | -9,8 | ||
| 21 | maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan of gelijk aan 12 ton en niet hoger dan of gelijk aan 32 ton | 21 | maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan of gelijk aan 12 ton en niet hoger dan of gelijk aan 32 ton |
| 22 | 0 | ||
| 22 | -1,7 | ||
| 23 | maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 32 ton | 23 | maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 32 ton |
| 24 | 0,4 | 24 | 0,7 |
| 25 | 5° En = variatie in functie van de hoogte van de EURO-emissieklasse, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vijfde lid, 1; | 25 | 5° En = variatie in functie van de hoogte van de EURO-emissieklasse, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vijfde lid, 1; |
| 26 | 6° Et = variatie in functie van de tijd; | 26 | 6° Et = variatie in functie van de tijd; |
| 1 | § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 7 % voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop, waarbij door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen. | 1 | § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 6 % voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop, waarbij door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen. |
| 2 | § 2. Om het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, moeten alle volgende voorwaarden vervuld zijn: | 2 | § 2. Om het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, moeten alle volgende voorwaarden vervuld zijn: |
| 3 | 1° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. Als er verschillende verkrijgers zijn, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond; | 3 | 1° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. Als er verschillende verkrijgers zijn, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond; |
| 1 | § 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, wordt verminderd tot 6 % als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: | 1 | § 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, wordt verminderd tot 5 % als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: |
| 2 | 1° de verkrijger verbindt zich ertoe aan de aangekochte woning een ingrijpende energetische renovatie uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 50°, van het Energiebesluit van 19 november 2010; | 2 | 1° de verkrijger verbindt zich ertoe aan de aangekochte woning een ingrijpende energetische renovatie uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 50°, van het Energiebesluit van 19 november 2010; |
| 3 | 2° de verkrijger moet binnen een termijn van vijf jaar vanaf de datum van de authentieke aankoopakte een energieprestatiecertificaat bouw als vermeld in artikel 9.2.11 van het Energiebesluit van 19 november 2010, bekomen waaruit blijkt dat de renovatiewerken die aan de aangekochte woning uitgevoerd zijn, betrekking hebben op werken als vermeld in punt 1° ; | 3 | 2° de verkrijger moet binnen een termijn van vijf jaar vanaf de datum van de authentieke aankoopakte een energieprestatiecertificaat bouw als vermeld in artikel 9.2.11 van het Energiebesluit van 19 november 2010, bekomen waaruit blijkt dat de renovatiewerken die aan de aangekochte woning uitgevoerd zijn, betrekking hebben op werken als vermeld in punt 1° ; |
| 1 | § 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, wordt verminderd tot 1 % wanneer deze verkrijging naast de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, ook voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.4.2.10. | 1 | § 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, wordt verminderd tot 1 % wanneer deze verkrijging naast de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, ook voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.4.2.10. |
| 2 | § 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, is het bedrag, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°, en in afwijking daarvan, minstens gelijk aan 6 % van de belastbare grondslag, ongeacht de eventuele toepassing van paragraaf 7. | 2 | § 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, is het bedrag, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°, minstens het bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen het verkooprecht, geheven met toepassing van artikel 2.9.4.2.14, § 1, en het verkooprecht, verschuldigd bij toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 1, en dit ongeacht de eventuele toepassing van paragraaf 7. |
| 3 | De verkrijgers dienen voor de toepassing van het tarief, vermeld in paragraaf 1, en in afwijking van artikel 2.9.4.2.10, § 2, 3°, te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, tiende lid. | 3 | De verkrijgers dienen voor de toepassing van het tarief, vermeld in paragraaf 1, en in afwijking van artikel 2.9.4.2.10, § 2, 3°, te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, tiende lid. |
| 4 | § 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, is exclusief btw. | 4 | § 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, is exclusief btw. |
| 1 | § 1. De organisaties, vermeld in artikel 11, 12, 13 en 16, kunnen met subsidies die op basis van dit decreet zijn toegekend, een reserve aanleggen conform het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof. | 1 | § 1. De organisaties, vermeld in artikel 11, 12, 13 en 16, kunnen met subsidies die op basis van dit decreet zijn toegekend, een reserve aanleggen conform artikel 75 en 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019. |
| 2 | § 2. De Vlaamse Regering kan voor de subsidies, vermeld in artikel 20 en 21, nader bepalen op welke wijze en wanneer een aanvraagdossier wordt ingediend, en op welke wijze en wanneer beslissingen worden genomen en bekendgemaakt. | 2 | § 2. De Vlaamse Regering kan voor de subsidies, vermeld in artikel 20 en 21, nader bepalen op welke wijze en wanneer een aanvraagdossier wordt ingediend, en op welke wijze en wanneer beslissingen worden genomen en bekendgemaakt. |
| 3 | De Vlaamse Regering kan de procedures voor de beoordeling van de dossiers nader bepalen. | 3 | De Vlaamse Regering kan de procedures voor de beoordeling van de dossiers nader bepalen. |
| 9 | - het ELFM-project betreft een stortplaats; | 9 | - het ELFM-project betreft een stortplaats; |
| 10 | - de afgraving en herontwikkeling is opgenomen in een bodemsaneringsproject of levert een grondstoffen-, energie- of ruimtewinst op; | 10 | - de afgraving en herontwikkeling is opgenomen in een bodemsaneringsproject of levert een grondstoffen-, energie- of ruimtewinst op; |
| 11 | c) vanaf 1 juli 2016 : 15 euro per ton voor het storten van niet-brandbare, niet-recycleerbare slibresidu's afkomstig van PST-installaties op een daarvoor vergunde stortplaats; | 11 | c) vanaf 1 juli 2016 : 15 euro per ton voor het storten op een daarvoor vergunde stortplaats van zandachtige niet-recycleerbare procesresidu's afkomstig van PST-installaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere verwerkingswijzen dan storten onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn; |
| 12 | 7° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van residu's afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. | 12 | 7° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van residu's afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. |
| 13 | 8° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van slibresidu's afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. | 13 | 8° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van slibresidu's afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. |
| 14 | 9° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen; | 14 | 9° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen; |
| 15 | 10° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton; | 15 | 10° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton; |
| 16 | 11° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2019 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu's van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor 2017, 2018 en 2019 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd; | 16 | 11° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2022 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu's van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor vanaf 2017 tot en met 2022 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd; |
| 17 | 12° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton; | 17 | 12° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton; |
| 18 | 13° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton; | 18 | 13° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton; |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor de verwerking van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 123 | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. | 123 | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. |
| 124 | Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn; | 124 | Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn; |
| 125 | 7° voor wat betreft het in het Vlaamse Gewest geproduceerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval. | 125 | 7° voor wat betreft het buiten het Vlaamse Gewest ingezameld en in het Vlaamse Gewest gesorteerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval. |
| 126 | In het eerste lid, 1°, wordt onder asbesthoudende afvalstoffen verstaan : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen. | 126 | In het eerste lid, 1°, wordt onder asbesthoudende afvalstoffen verstaan : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen. |
| 127 | § 4. De volgende activiteiten zijn niet aan een milieuheffing onderworpen : | 127 | § 4. De volgende activiteiten zijn niet aan een milieuheffing onderworpen : |
| 9 | - het ELFM-project betreft een stortplaats; | 9 | - het ELFM-project betreft een stortplaats; |
| 10 | - de afgraving en herontwikkeling is opgenomen in een bodemsaneringsproject of levert een grondstoffen-, energie- of ruimtewinst op; | 10 | - de afgraving en herontwikkeling is opgenomen in een bodemsaneringsproject of levert een grondstoffen-, energie- of ruimtewinst op; |
| 11 | c) vanaf 1 juli 2016 : 15 euro per ton voor het storten van niet-brandbare, niet-recycleerbare slibresidu's afkomstig van PST-installaties op een daarvoor vergunde stortplaats; | 11 | c) vanaf 1 juli 2016 : 15 euro per ton voor het storten op een daarvoor vergunde stortplaats van zandachtige niet-recycleerbare procesresidu's afkomstig van PST-installaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere verwerkingswijzen dan storten onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn; |
| 12 | 7° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van residu's afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. | 12 | 7° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van residu's afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. |
| 13 | 8° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van slibresidu's afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. | 13 | 8° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van slibresidu's afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. |
| 14 | 9° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen; | 14 | 9° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen; |
| 15 | 10° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton; | 15 | 10° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton; |
| 16 | 11° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2019 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu's van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor 2017, 2018 en 2019 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd; | 16 | 11° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2022 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu's van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor vanaf 2017 tot en met 2022 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd; |
| 17 | 12° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton; | 17 | 12° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton; |
| 18 | 13° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton; | 18 | 13° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton; |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor de verwerking van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 123 | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. | 123 | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. |
| 124 | Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn; | 124 | Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn; |
| 125 | 7° voor wat betreft het in het Vlaamse Gewest geproduceerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval. | 125 | 7° voor wat betreft het buiten het Vlaamse Gewest ingezameld en in het Vlaamse Gewest gesorteerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval. |
| 126 | In het eerste lid, 1°, wordt onder asbesthoudende afvalstoffen verstaan : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen. | 126 | In het eerste lid, 1°, wordt onder asbesthoudende afvalstoffen verstaan : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen. |
| 127 | § 4. De volgende activiteiten zijn niet aan een milieuheffing onderworpen : | 127 | § 4. De volgende activiteiten zijn niet aan een milieuheffing onderworpen : |
| 9 | - het ELFM-project betreft een stortplaats; | 9 | - het ELFM-project betreft een stortplaats; |
| 10 | - de afgraving en herontwikkeling is opgenomen in een bodemsaneringsproject of levert een grondstoffen-, energie- of ruimtewinst op; | 10 | - de afgraving en herontwikkeling is opgenomen in een bodemsaneringsproject of levert een grondstoffen-, energie- of ruimtewinst op; |
| 11 | c) vanaf 1 juli 2016 : 15 euro per ton voor het storten van niet-brandbare, niet-recycleerbare slibresidu's afkomstig van PST-installaties op een daarvoor vergunde stortplaats; | 11 | c) vanaf 1 juli 2016 : 15 euro per ton voor het storten op een daarvoor vergunde stortplaats van zandachtige niet-recycleerbare procesresidu's afkomstig van PST-installaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere verwerkingswijzen dan storten onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn; |
| 12 | 7° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van residu's afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. | 12 | 7° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van residu's afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. |
| 13 | 8° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van slibresidu's afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. | 13 | 8° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van slibresidu's afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. |
| 14 | 9° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen; | 14 | 9° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen; |
| 15 | 10° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton; | 15 | 10° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton; |
| 16 | 11° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2019 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu's van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor 2017, 2018 en 2019 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd; | 16 | 11° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2022 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu's van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor vanaf 2017 tot en met 2022 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd; |
| 17 | 12° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton; | 17 | 12° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton; |
| 18 | 13° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton; | 18 | 13° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton; |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor de verwerking van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 123 | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. | 123 | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. |
| 124 | Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn; | 124 | Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn; |
| 125 | 7° voor wat betreft het in het Vlaamse Gewest geproduceerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval. | 125 | 7° voor wat betreft het buiten het Vlaamse Gewest ingezameld en in het Vlaamse Gewest gesorteerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval. |
| 126 | In het eerste lid, 1°, wordt onder asbesthoudende afvalstoffen verstaan : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen. | 126 | In het eerste lid, 1°, wordt onder asbesthoudende afvalstoffen verstaan : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen. |
| 127 | § 4. De volgende activiteiten zijn niet aan een milieuheffing onderworpen : | 127 | § 4. De volgende activiteiten zijn niet aan een milieuheffing onderworpen : |
| 9 | - het ELFM-project betreft een stortplaats; | 9 | - het ELFM-project betreft een stortplaats; |
| 10 | - de afgraving en herontwikkeling is opgenomen in een bodemsaneringsproject of levert een grondstoffen-, energie- of ruimtewinst op; | 10 | - de afgraving en herontwikkeling is opgenomen in een bodemsaneringsproject of levert een grondstoffen-, energie- of ruimtewinst op; |
| 11 | c) vanaf 1 juli 2016 : 15 euro per ton voor het storten van niet-brandbare, niet-recycleerbare slibresidu's afkomstig van PST-installaties op een daarvoor vergunde stortplaats; | 11 | c) vanaf 1 juli 2016 : 15 euro per ton voor het storten op een daarvoor vergunde stortplaats van zandachtige niet-recycleerbare procesresidu's afkomstig van PST-installaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere verwerkingswijzen dan storten onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn; |
| 12 | 7° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van residu's afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. | 12 | 7° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van residu's afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. |
| 13 | 8° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van slibresidu's afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. | 13 | 8° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van slibresidu's afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017. |
| 14 | 9° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen; | 14 | 9° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen; |
| 15 | 10° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton; | 15 | 10° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton; |
| 16 | 11° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2019 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu's van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor 2017, 2018 en 2019 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd; | 16 | 11° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2022 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu's van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor vanaf 2017 tot en met 2022 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd; |
| 17 | 12° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton; | 17 | 12° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton; |
| 18 | 13° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton; | 18 | 13° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton; |
| 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. | 25 | In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert. |
| 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. | 26 | In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %. |
| 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor de verwerking van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. | 27 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor het verbranden of meeverbranden van verpulpingsresidu's en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton. |
| 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. | 28 | In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.. |
| 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. | 29 | In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. |
| 123 | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. | 123 | Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand. |
| 124 | Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn; | 124 | Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn; |
| 125 | 7° voor wat betreft het in het Vlaamse Gewest geproduceerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval. | 125 | 7° voor wat betreft het buiten het Vlaamse Gewest ingezameld en in het Vlaamse Gewest gesorteerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu's afkomstig van dit papier- en kartonafval. |
| 126 | In het eerste lid, 1°, wordt onder asbesthoudende afvalstoffen verstaan : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen. | 126 | In het eerste lid, 1°, wordt onder asbesthoudende afvalstoffen verstaan : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen. |
| 127 | § 4. De volgende activiteiten zijn niet aan een milieuheffing onderworpen : | 127 | § 4. De volgende activiteiten zijn niet aan een milieuheffing onderworpen : |
| 15 | m) de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies in Brussel; | 15 | m) de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies in Brussel; |
| 16 | n) de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad; | 16 | n) de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad; |
| 17 | o) de diensten van de Vlaamse overheid. | ||
| 17 | 2° de vastbenoemde of tot de proeftijd toegelaten personeelsleden bedoeld in : | 18 | 2° de vastbenoemde of tot de proeftijd toegelaten personeelsleden bedoeld in : |
| 18 | a) artikel 2, §1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs; | 19 | a) artikel 2, §1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs; |
| 1 | Gedurende de periode(n) van bijzonder verlof betaalt de accreditatieorganisatie de personeelskost terug aan de instelling van oorsprong. | 1 | Gedurende de periode(n) van bijzonder verlof betaalt de accreditatieorganisatie de personeelskost terug aan de instelling van oorsprong. |
| 2 | Onverminderd het eerste lid worden personeelsleden, bedoeld in artikel II.31, 1°, o), verloond door de entiteit van oorsprong, in de bij de accreditatieorganisatie gebruikelijke loonschaal. |
| 43 | d) Universiteit Hasselt 9.010,96. | 43 | d) Universiteit Hasselt 9.010,96. |
| 44 | Vanaf het begrotingsjaar 2020 volgen deze bedragen de evolutie van de gezondheidsindex. | 44 | Vanaf het begrotingsjaar 2020 volgen deze bedragen de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 45 | § 8. Naast de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 2, 5, 6 en 7, ontvangen vanaf het begrotingsjaar 2020 de volgende universiteiten de hierna vermelde bijkomende uitkering, uitgedrukt in euro, als bijdrage in het dekken van de kosten, vermeld in paragraaf 1 en 2: | ||
| 46 | a) Katholieke Universiteit Leuven | ||
| 47 | 714.551,84 | ||
| 48 | b) Vrije Universiteit Brussel | ||
| 49 | 236.277,78 | ||
| 50 | c) Universiteit Antwerpen | ||
| 51 | 40.159,42 | ||
| 52 | d) Universiteit Hasselt | ||
| 53 | 9.010,96 | ||
| 54 | Vanaf het begrotingsjaar 2021 volgen deze bedragen de evolutie van de gezondheidsindex. | ||
| 10 | §8. De Vlaamse Regering kan een deel van de maandelijkse termijnen inhouden en desgevallend terugvorderen indien de Vlaamse Regering vaststelt dat de instellingen de beheersovereenkomst niet naleven. | 10 | §8. De Vlaamse Regering kan een deel van de maandelijkse termijnen inhouden en desgevallend terugvorderen indien de Vlaamse Regering vaststelt dat de instellingen de beheersovereenkomst niet naleven. |
| 11 | § 9. De bedragen voor de instellingen voor postinitieel onderwijs, met uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 4 berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. | 11 | § 9. De bedragen voor de instellingen voor postinitieel onderwijs, met uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 4 berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. |
| 12 | § 10. Het bedrag voor de Vlerick Business School, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 met 121.000 euro verminderd. | ||
| 13 | Het bedrag voor de Antwerp Management School, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 met 63.000 euro verminderd. | ||
| 25 | §5. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 3 kunnen lopende beheersovereenkomsten maximaal 2 keer met ten hoogste 1 jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar af te sluiten. Indien na deze verlenging(en) naar het oordeel van de Vlaamse Regering de betrokken instelling een deugdelijk beleidsplan heeft voorgelegd, kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal 4 jaar worden gesloten. | 25 | §5. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 3 kunnen lopende beheersovereenkomsten maximaal 2 keer met ten hoogste 1 jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar af te sluiten. Indien na deze verlenging(en) naar het oordeel van de Vlaamse Regering de betrokken instelling een deugdelijk beleidsplan heeft voorgelegd, kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal 4 jaar worden gesloten. |
| 26 | § 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016 en van 400.000 euro vanaf 2018 niet in rekening gebracht. | 26 | § 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % worden de bijkomende toelagen van 250.000 euro in 2015 en 2016 en van 400.000 euro vanaf 2018 niet in rekening gebracht. |
| 27 | § 7. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2020 met 265.000 euro verminderd. | ||
| 1 | Om nascholings- en begeleidingsactiviteiten te organiseren voor de eigen personeelsleden en voor de personeelsleden van de door hen begeleide instellingen ontvangen de pedagogische begeleidingsdiensten jaarlijks een bedrag van 1.221.000 euro. | 1 | Om nascholings- en begeleidingsactiviteiten te organiseren voor de eigen personeelsleden en voor de personeelsleden van de door hen begeleide instellingen ontvangen de pedagogische begeleidingsdiensten jaarlijks een bedrag van 1.148.000 euro. |
| 2 | De middelen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen. | 2 | De middelen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen. |
| 1 | De bedragen verkregen door toepassing van de artikelen 18, 19, 21/1, 22, 27/2 en 28 worden vanaf het begrotingsjaar 2020 verminderd met 580.000 euro. |
| 11 | § 7. In afwijking van paragraaf 5, wordt het werkingsgedeelte van de jaarlijkse subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs voor het begrotingsjaar 2013 niet aangepast aan de evolutie van de index. | 11 | § 7. In afwijking van paragraaf 5, wordt het werkingsgedeelte van de jaarlijkse subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs voor het begrotingsjaar 2013 niet aangepast aan de evolutie van de index. |
| 12 | § 8. In afwijking van paragraaf 5, wordt het werkingsgedeelte van de jaarlijkse subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs voor het begrotingsjaar 2015 niet aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 12 | § 8. In afwijking van paragraaf 5, wordt het werkingsgedeelte van de jaarlijkse subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs voor het begrotingsjaar 2015 niet aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 13 | § 9. Vanaf begrotingsjaar 2020 wordt de subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs met 6 % verminderd. | ||
| 8 | § 2. De subsidie zoals bepaald in paragraaf 1 kan geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden, indien blijkt dat deze middelen niet worden aangewend voor de realisatie van de opdracht bepaald in paragraaf 1. | 8 | § 2. De subsidie zoals bepaald in paragraaf 1 kan geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden, indien blijkt dat deze middelen niet worden aangewend voor de realisatie van de opdracht bepaald in paragraaf 1. |
| 9 | § 3. De subsidie wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 9 | § 3. De subsidie wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 10 | § 4. Vanaf begrotingsjaar 2020 wordt de subsidie met 6 % verminderd. | ||
| 1 | De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n-1/n een werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. De Vlaamse Regering bepaalt de werkingstoelage per lesuurcursist . | 1 | De centra voor basiseducatie ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar n-1/n een werkingstoelage per lesuurcursist, berekend op basis van het gemiddelde aantal gerealiseerde lesurencursist van de referteperiodes van 1 januari n-4 tot en met 31 december n-2. Vanaf het begrotingsjaar 2020 bedraagt de werkingstoelage per lesuurcursist 1,8741 euro. |
| 2 | De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n-1/n recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar. | 2 | De werkingstoelage wordt betaald in twee schijven vanaf het begrotingsjaar 2020. De eerste schijf wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. De eerste schijf bedraagt 50 percent van het totale bedrag waarop het centrum voor het schooljaar n-1/n recht heeft. Het resterende saldo wordt uitbetaald tijdens het tweede semester van het begrotingsjaar. |
| 3 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 3 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 1 | Vanaf het schooljaar 2019-2020 wordt jaarlijks een bedrag van 1.621.466,46 euro aan de centra voor basiseducatie toegekend voor de ondersteuning van het Netwerk Basiseducatie en de eigen werking. | ||
| 2 | De Vlaamse Regering kan vanwege de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar afwijken van het totale te verdelen bedrag, vermeld in het eerste lid. | ||
| 3 | Elk centrum voor basiseducatie heeft vanaf 1 september 2019 recht op hetzelfde aandeel aan werkingsmiddelen als het aandeel aan werkingsmiddelen waarop het centrum volgens de berekening van artikel 89 recht heeft. | ||
| 4 | Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | ||
| 5 | Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag, vermeld in het eerste lid, verminderd met 6 %. |
| 28 | § 4. Het totale volume aan werkingsmiddelen volgt de evolutie van de gewogen financieringspunten voor het bijkomend bedrag dat berekend wordt op basis van de formule, vermeld in paragraaf 3. | 28 | § 4. Het totale volume aan werkingsmiddelen volgt de evolutie van de gewogen financieringspunten voor het bijkomend bedrag dat berekend wordt op basis van de formule, vermeld in paragraaf 3. |
| 29 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 29 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 30 | Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %. | ||
| 3 | Ten laste van het begrotingsjaar 2018 worden 33.970,40 aanvullende leraarsuren, 496,83 aanvullende punten en een bedrag van 579.000,23 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 96,40 aanvullende vte, 1.589,46 aanvullende punten en een bedrag van 1.339.999,77 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 3 | Ten laste van het begrotingsjaar 2018 worden 33.970,40 aanvullende leraarsuren, 496,83 aanvullende punten en een bedrag van 579.000,23 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 96,40 aanvullende vte, 1.589,46 aanvullende punten en een bedrag van 1.339.999,77 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 4 | Ten laste van het begrotingsjaar 2019 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 643.454,45 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.731.545,55 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | 4 | Ten laste van het begrotingsjaar 2019 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 643.454,45 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.731.545,55 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. |
| 5 | Ten laste van het begrotingsjaar 2020 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend. | ||
| 5 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. | 6 | § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject. |
| 6 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. | 7 | § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt. |
| 31 | 4° schooljaar 2022-2023 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt); | 31 | 4° schooljaar 2022-2023 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt); |
| 32 | 5° schooljaar 2023-2024 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt). | 32 | 5° schooljaar 2023-2024 : (werkingstoelage, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum gemiddeld in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 108, § 3, heeft bereikt). |
| 33 | § 4. Het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte en punten en de werkingstoelage waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 niet minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde vte en punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze vte, punten en werkingstoelagen in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde vte en punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, worden voor elk centrum deze verliezen gecompenseerd a rato van: | 33 | § 4. Het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte en punten waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 2 niet minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde vte en punten voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze vte en punten in toepassing van paragraaf 1 en 2 minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde vte en punten voor het schooljaar 2019-2020, worden voor elk centrum deze verliezen gecom- penseerd a rato van: |
| 34 | 1° 100 % voor het schooljaar 2020-2021; | 34 | 1° 100 % voor het schooljaar 2020-2021; |
| 35 | 2° 66 % voor het schooljaar 2021-2022; | 35 | 2° 66 % voor het schooljaar 2021-2022; |
| 36 | 3° 33 % voor het schooljaar 2022-2023. | 36 | 3° 33 % voor het schooljaar 2022-2023. |
| 37 | Het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde leraarsuren en punten en de werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 niet minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde leraarsuren en punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze leraarsuren, punten en werkingstoelagen in toepassing van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde leraarsuren en punten en de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, worden voor elk centrum deze verliezen gecompenseerd a rato van: | 37 | De werkingstoelage waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 3 niet minder bedragen dan 94 % van de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze werkingstoelage in toepassing van paragraaf 3 minder bedraagt dan 94 % van de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, wordt dit verlies gecompenseerd a rato van: |
| 38 | 1° 100 % voor het schooljaar 2020-2021; | 38 | 1° 100 % voor het schooljaar 2020-2021; |
| 39 | 2° 66 % voor het schooljaar 2021-2022; | 39 | 2° 66 % voor het schooljaar 2021-2022; |
| 40 | 3° 33 % voor het schooljaar 2022-2023. | 40 | 3° 33 % voor het schooljaar 2022-2023. |
| 41 | Het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde leraarsuren en punten waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 1 en 2 niet minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde leraarsuren en punten voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze leraarsuren en punten in toepassing van paragraaf 1 en 2 minder bedragen dan 100 % van het aantal gesubsidieerde leraarsuren en punten voor het schooljaar 2019-2020, worden voor elk centrum deze verliezen gecompenseerd a rato van: | ||
| 42 | 1° 100 % voor het schooljaar 2020-2021; | ||
| 43 | 2° 66 % voor het schooljaar 2021-2022; | ||
| 44 | 3° 33 % voor het schooljaar 2022-2023. | ||
| 45 | De werkingstoelage waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft voor de schooljaren 2020-2021 tot en met 2022-2023 kan in toepassing van paragraaf 3 niet minder bedragen dan 94 % van de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020. Indien deze werkingstoelage in toepassing van paragraaf 3 minder bedraagt dan 94 % van de werkingstoelage voor het schooljaar 2019-2020, wordt dit verlies gecompenseerd a rato van: | ||
| 46 | 1° 100 % voor het schooljaar 2020-2021; | ||
| 47 | 2° 66 % voor het schooljaar 2021-2022; | ||
| 48 | 3° 33 % voor het schooljaar 2022-2023. | ||
| 1 | § 1. Bij elk op 1 januari 2007 bestaand Vlaams ministerie wordt er een fonds, in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, opgericht voor de aanwending van de terugbetaling van salarissen van personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties. | 1 | § 1. Bij elk op 1 januari 2007 bestaand Vlaams ministerie wordt er een fonds, in de zin van artikel 15, § 2 en § 3, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, opgericht voor de aanwending van de terugbetaling van salarissen van personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties. |
| 2 | § 2. Aan ieder fonds worden toegewezen : | 2 | § 2. Aan ieder fonds worden toegewezen : |
| 3 | - alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden van het betrokken Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties; | 3 | - alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden van het betrokken Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties; |
| 4 | - een gedeelte van het vastleggings- en ordonnanceringssaldo op 31 december 2006 dat bij besluit van de Vlaamse Regering zal worden vastgesteld. | 4 | - een gedeelte van het vastleggings- en ordonnanceringssaldo op 31 december 2006 dat bij besluit van de Vlaamse Regering zal worden vastgesteld. |
| 5 | § 3. De middelen van ieder fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden en weddentoelagen van de ter vervanging aangeworven personeelsleden . | 5 | § 3. De middelen van ieder fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden en weddentoelagen van de ter vervanging aangeworven personeelsleden of van de personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of organisaties. |
| 6 | § 4. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin worden toegewezen : | 6 | § 4. Aan het fonds van het Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin worden toegewezen : |
| 7 | - alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. | 7 | - alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden welke op basis van het decreet van 15 december 2006 betreffende de aanstelling van bedienaars der erediensten en moreel consulenten bij sommige rechtspersonen worden aangesteld bij instellingen van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. |
| 1 | Aan een heffing op de winning van grondwater, hierna genoemd de heffing grondwater, is elke natuurlijke of rechtspersoon onderworpen die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest één of meer van de volgende grondwaterwinningen heeft geëxploiteerd: | 1 | Aan een heffing op de winning van grondwater, hierna genoemd de heffing grondwater, is elke natuurlijke of rechtspersoon onderworpen die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest één of meer van de volgende grondwaterwinningen heeft geëxploiteerd: |
| 2 | 1° grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening; | 2 | 1° grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening; |
| 3 | 2° grondwaterwinningen van ten minste 30.000 m3 per jaar ; | 3 | 2° grondwaterwinningen van ten minste 30.000 m3 per jaar bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, § 2; |
| 4 | 3° grondwaterwinningen van 500 tot minder dan 30.000 m3 per jaar . | 4 | 3° grondwaterwinningen van 500 tot minder dan 30.000 m3 per jaar bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, § 2. |
| 5 | Onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van het grondwater wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige grondwater te zijn inzake de in vorig lid vermelde exploitatie: | 5 | Onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van het grondwater wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige grondwater te zijn inzake de in vorig lid vermelde exploitatie: |
| 6 | 1° a) de vergunninghouder aan wie overeenkomstig het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning de vergunning is verleend; | 6 | 1° a) de vergunninghouder aan wie overeenkomstig het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning de vergunning is verleend; |
| 1 | De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage en vergoeding als vermeld in artikel 4.3.2.1, vragen aan de heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, §2, eerste lid, 1° en 2° . | 1 | De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage en vergoeding als vermeld in artikel 4.3.2.1, vragen aan de heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, §2, eerste lid, 1° en 2° . |
| 2 | De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen bovengemeentelijke bijdrage als vermeld in artikel 4.3.1.1.1, en een vergoeding als vermeld in artikel 4.3.1.2.1, vragen aan de heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, §2, eerste lid, 3° . | 2 | De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen vergoeding als vermeld in artikel 4.3.1.2.1, vragen aan de heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, §2, eerste lid, 3° . |
| 3 | De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen bovengemeentelijke bijdrage en vergoeding als vermeld in artikel 4.3.2.1, vragen voor het geloosde afvalwatervolume of het verbruikte water dat het voorwerp uitmaakt van een contract als vermeld in artikel 2.6.2.1., waarin de vergoeding vermeld wordt. | 3 | De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen bovengemeentelijke bijdrage en vergoeding als vermeld in artikel 4.3.2.1, vragen voor het geloosde afvalwatervolume of het verbruikte water dat het voorwerp uitmaakt van een contract als vermeld in artikel 2.6.2.1., waarin de vergoeding vermeld wordt. |
| 4 | De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen gemeentelijke vergoeding als vermeld in artikel 4.3.2.1, vragen voor de lozing van grondwater dat onttrokken wordt bij de bronbemalingen die technisch noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van bouwkundige werken, of de aanleg van openbare nutsvoorzieningen, vermeld in indelingsrubriek 53.2 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM. | 4 | De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen gemeentelijke vergoeding als vermeld in artikel 4.3.2.1, vragen voor de lozing van grondwater dat onttrokken wordt bij de bronbemalingen die technisch noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van bouwkundige werken, of de aanleg van openbare nutsvoorzieningen, vermeld in indelingsrubriek 53.2 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM. |
| 1 | § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis. | 1 | § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis. De regering kan bijkomend mogelijke redenen van de afwezigheid bepalen. Deze redenen dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde. |
| 2 | § 2. De regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid omwille van een chronische ziekte en een langdurige afwezigheid. | 2 | § 2. De regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid en een langdurige afwezigheid. |
| 3 | Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid vanwege een chronische ziekte. | 3 | Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid. |
| 4 | § 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van lestijden tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. | 4 | § 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van lestijden tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. |
| 5 | De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden, vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. | 5 | De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden, vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen. |
| 1 | § 1. Synchroon internetonderwijs, verder in deze onderafdeling SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen. | 1 | § 1. Synchroon internetonderwijs, verder in deze onderafdeling SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen. |
| 2 | SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden. | 2 | SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden. |
| 3 | § 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is: | 3 | § 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is: |
| 4 | 1° de leerling wordt minstens 5 jaar vóór 1 januari van het lopende schooljaar; | 4 | 1° de leerling wordt minstens 5 jaar vóór 1 januari van het lopende schooljaar; |
| 5 | 2° de school beschikt over bewijsstukken voor de afwezigheid van de leerling ten gevolge van ziekte of ongeval ; | 5 | 2° de leerling is afwezig wegens ziekte of ongeval en de school beschikt over de bewijsstukken; |
| 6 | 3° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De ouders brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts; | 6 | 3° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De ouders brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts; |
| 7 | 4° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol: | 7 | 4° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol: |
| 10 | c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken. | 10 | c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken. |
| 11 | De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen. | 11 | De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen. |
| 12 | § 2/1. De Vlaamse Regering kan bijkomende in aanmerking komende leerlingen en de respectieve voorwaarden bepalen. De redenen voor de afwezigheid op school dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde. | ||
| 12 | § 3. Het schoolbestuur is verplicht om de ouders van leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO. | 13 | § 3. Het schoolbestuur is verplicht om de ouders van leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO. |
| 13 | § 4. De uitdrukkelijke vraag van de ouders voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren. | 14 | § 4. De uitdrukkelijke vraag van de ouders voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren. |
| 1 | Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden de werkingsmiddelen voor het kleuteronderwijs gelijkgeschakeld met die van het lager onderwijs. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd daartoe een regeling uit te werken. |
| 16 | 5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4. | 16 | 5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4. |
| 17 | 6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4; | 17 | 6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4; |
| 18 | 7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 8.101.000 euro. | 18 | 7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015 verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 8.101.000 euro; |
| 19 | 8° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van paragraaf 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 70.282.000 euro. | ||
| 19 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. | 20 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. |
| 20 | § 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 486.000 euro. | 21 | § 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 486.000 euro. |
| 55 | mso-bidi-language:#0400;&rgtaco; | 55 | mso-bidi-language:#0400;&rgtaco; |
| 56 | § 1. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 79, wordt een budget van 3 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : | 56 | § 1. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 79, wordt een budget van 3 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : |
| 57 | V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %), waarbij : | 57 | V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 3,97 %), waarbij : |
| 58 | 1° B = werkingsbudget verkregen na de toepassing van artikel 79; | 58 | 1° B = werkingsbudget verkregen na de toepassing van artikel 79; |
| 59 | 2° lln_Neu = leerlingen in het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs; | 59 | 2° lln_Neu = leerlingen in het gewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs; |
| 61 | 4° lln_LB = leerlingen van het officieel gewoon lager onderwijs. | 61 | 4° lln_LB = leerlingen van het officieel gewoon lager onderwijs. |
| 62 | § 2. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na toepassing van artikel 79, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : | 62 | § 2. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na toepassing van artikel 79, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : |
| 63 | V2 = B * lln_LB * 4,5 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %). | 63 | V2 = B * lln_LB * 3,97 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 3,97 %). |
| 64 | § 3. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 79 en na toepassing van § 1 en § 2, wordt een percentage berekend dat in aanmerking komt voor verdeling op basis van de leerlingenkenmerken. Dat budget wordt berekend volgens de volgende formule : | 64 | § 3. Van het werkingsbudget gewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 79 en na toepassing van § 1 en § 2, wordt een percentage berekend dat in aanmerking komt voor verdeling op basis van de leerlingenkenmerken. Dat budget wordt berekend volgens de volgende formule : |
| 65 | (B - V1 - V2) * Pjaar x = B_lli, waarbij : | 65 | (B - V1 - V2) * Pjaar x = B_lli, waarbij : |
| 1 | B_SchK, vermeld in artikel 80, § 4, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 1 en 2, vermeld in artikel 78, § 1 : | 1 | B_SchK, vermeld in artikel 80, § 4, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 1 en 2, vermeld in artikel 78, § 1 : |
| 2 | 1° voor de leerlingen van het kleuteronderwijs en van het lager onderwijs wordt het puntengewicht als volgt bepaald : | 2 | 1° voor de leerlingen van het kleuteronderwijs en van het lager onderwijs wordt het puntengewicht bepaald op 8 punten; |
| 3 | a) voor een kleuter : 6 punten, met dien verstande dat het aantal regelmatige kleuters op de eerste schooldag van februari worden gewogen met volgend percentage : 88,48 %; | ||
| 4 | b) voor een leerling lager onderwijs : 8 punten; | ||
| 5 | 2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk vermeld in § 1, het aantal leerlingen geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht verkregen na toepassing van 1°; | 3 | 2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk vermeld in § 1, het aantal leerlingen geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht verkregen na toepassing van 1°; |
| 6 | 3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP_SchK te noemen. | 4 | 3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken, hierna GPP_SchK te noemen. |
| 16 | 5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4. | 16 | 5° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2013 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4. |
| 17 | 6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4; | 17 | 6° in afwijking van punt 2° is voor het begrotingsjaar 2015 de coëfficiënt A2 = 0,6(Cx-1/Cx-2) + 0,4; |
| 18 | 7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015, verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 731.000 euro. | 18 | 7° het bedrag voor begrotingsjaar 2015, verkregen na toepassing van § 3, 1°, en § 3, 6°, wordt verminderd met 731.000 euro; |
| 19 | 8° het bedrag voor begrotingsjaar 2020 verkregen na toepassing van § 3, 1° en 2°, wordt verhoogd met 994.000 euro. | ||
| 19 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. | 20 | De A2-coëfficiënt wordt voor 100 % in rekening gebracht. |
| 20 | § 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 53.000 euro. | 21 | § 4. Het bedrag, verkregen door de toepassing van paragraaf 3, wordt voor het begrotingsjaar 2017 verhoogd met 53.000 euro. |
| 1 | § 1. Van het werkingsbudget buitengewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 85bis, wordt een budget van 3 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : | 1 | § 1. Van het werkingsbudget buitengewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 85bis, wordt een budget van 3 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V1. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : |
| 2 | V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 %+ lln_LB * 4,5 %), waarbij : | 2 | V1 = B * lln_Neu * 3 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 %+ lln_LB * 3,97 %), waarbij : |
| 3 | 1° B = werkingsbudget verkregen na toepassing van artikel 85bis ; | 3 | 1° B = werkingsbudget verkregen na toepassing van artikel 85bis ; |
| 4 | 2° lln_Neu = leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs; | 4 | 2° lln_Neu = leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs van het Gemeenschapsonderwijs; |
| 5 | 3° lln_tot = het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs; | 5 | 3° lln_tot = het totale aantal leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs; |
| 6 | 4° lln_LB = leerlingen van het officieel buitengewoon lager onderwijs. | 6 | 4° lln_LB = leerlingen van het officieel buitengewoon lager onderwijs. |
| 7 | § 2. Van het werkingsbudget buitengewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 85bis, wordt een budget van 4,5 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : | 7 | § 2. Van het werkingsbudget buitengewoon basisonderwijs verkregen na de toepassing van artikel 85bis, wordt een budget van 3,97 % voorafgenomen voor scholen die voldoen aan schoolkenmerk V2. Die voorafname wordt berekend volgens de volgende formule : |
| 8 | V2 = B * lln_LB * 4,5 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 4,5 %). | 8 | V2 = B * lln_LB * 3,97 % / (lln_tot + lln_Neu * 3 % + lln_LB * 3,97 %). |
| 9 | § 3. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule : | 9 | § 3. Het werkingsbudget dat verdeeld wordt op basis van de schoolkenmerken, hierna B_SchK te noemen, wordt bepaald door de toepassing van de volgende formule : |
| 10 | B_SchK = B - V1 - V2. | 10 | B_SchK = B - V1 - V2. |
| 1 | B_SchK zoals bepaald in artikel 85ter, § 3, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 3, 4, 5, en 6: | 1 | B_SchK zoals bepaald in artikel 85ter, § 3, wordt als volgt verdeeld over de schoolkenmerken 3, 4, 5, en 6: |
| 2 | 1° voor de leerlingen van het buitengewoon onderwijs wordt het puntengewicht als volgt vastgesteld: | 2 | 1° voor de leerlingen van het buitengewoon onderwijs wordt het puntengewicht als volgt vastgesteld: |
| 3 | a) buitengewoon kleuteronderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 3) 9 punten; | 3 | a) buitengewoon kleuteronderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 3) 13 punten; |
| 4 | b) buitengewoon kleuteronderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 4) 11 punten; | 4 | b) buitengewoon kleuteronderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 4) 15 punten; |
| 5 | c) buitengewoon lager onderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 5) 13 punten; | 5 | c) buitengewoon lager onderwijs niet type 4 (= schoolkenmerk 5) 13 punten; |
| 6 | d) buitengewoon lager onderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 6) 15 punten. | 6 | d) buitengewoon lager onderwijs wel type 4 (= schoolkenmerk 6) 15 punten. |
| 7 | Met dien verstande dat in het buitengewoon kleuteronderwijs het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van februari wordt gewogen met volgend percentage: 94,5 %; | ||
| 8 | 2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in punt 1°, het aantal leerlingen, geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht; | 7 | 2° voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in punt 1°, het aantal leerlingen, geteld zoals bepaald in artikel 87, vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht; |
| 9 | 3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. | 8 | 3° het B_SchK wordt vervolgens gedeeld door het totale aantal te verdelen punten. |
| 1 | § 1. Vanaf het begrotingsjaar X, startend in begrotingsjaar 2017, wordt een extra werkingsbudget van 10.000.000 euro toegekend aan het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, voor het schooljaar X-X+1, startend in schooljaar 2017-2018. | ||
| 2 | Het extra werkingsbudget per school is het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal kleuters in de school op de teldag vermeld in artikel 87, met de G_Kl, waarbij: | ||
| 3 | G_Kl = het extra werkingsbudget vermeld in paragraaf 1, eerste lid, na toepassing van paragraaf 2, gedeeld door het totaal aantal kleuters in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs op de teldag vermeld in artikel 87. | ||
| 4 | Het extra werkingsbudget wordt elk schooljaar aan het schoolbestuur uitbetaald vóór 31 december van het lopende schooljaar. | ||
| 5 | § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2019 wordt het extra werkingsbudget vermeld in paragraaf 1, eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. | ||
| 1 | § 1. ... | ||
| 2 | § 2. ... | ||
| 6 | De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend: | 3 | De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend: |
| 7 | 1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij: | 4 | 1° A1 = 0,6 + 0,4 (punten 1/punten 0), waarbij: |
| 1 | AGION wordt er toe gemachtigd verbintenissen aan te gaan voor huursubsidies voor een totaal van maximaal 15.200.000 euro subsidie per jaar. | 1 | AGION wordt er toe gemachtigd verbintenissen aan te gaan voor huursubsidies voor een totaal van maximaal 20.200.000 euro subsidie per jaar. |
| 2 | Dit bedrag wordt gekoppeld aan de consumptieprijsindex van december 2016, basis 2013, en wordt jaarlijks op 1 januari berekend. | 2 | Dit bedrag wordt gekoppeld aan de consumptieprijsindex van december 2016, basis 2013, en wordt jaarlijks op 1 januari berekend. |
| 8 | 2° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-2. | 8 | 2° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-2. |
| 9 | De A-coëfficiënt wordt voor 100% in rekening gebracht. | 9 | De A-coëfficiënt wordt voor 100% in rekening gebracht. |
| 10 | Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale werkingsbudget verminderd met 170.000 euro. Dit bedrag wordt over de academies gespreid a rato van het aantal toegekende lestijden zoals hierboven vermeld. | ||
| 7 | De A-coëfficiënt wordt voor 100% in rekening gebracht. | 7 | De A-coëfficiënt wordt voor 100% in rekening gebracht. |
| 8 | § 2. De Vlaamse Regering regelt de wijze waarop het bedrag, berekend conform paragraaf 1, uitbetaald wordt aan de academies. | 8 | § 2. De Vlaamse Regering regelt de wijze waarop het bedrag, berekend conform paragraaf 1, uitbetaald wordt aan de academies. |
| 9 | § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag, vermeld in paragraaf 1, verminderd met 104.000 euro. | ||
| 23 | Daarbij worden de werkingsmiddelen telkens berekend conform de bepalingen in artikel 83 tot en met 84. | 23 | Daarbij worden de werkingsmiddelen telkens berekend conform de bepalingen in artikel 83 tot en met 84. |
| 24 | De totaliteit van het volume aan punten wordt berekend conform artikel 140, § 4. | 24 | De totaliteit van het volume aan punten wordt berekend conform artikel 140, § 4. |
| 25 | § 6. Vanaf het begrotingsjaar 2020 worden de werkingsmiddelen, vermeld in de paragrafen 2 en 3, verminderd met 13.000 euro. | ||
| 2 | Voor de berekening van het werkingsbudget per samenwerkingsinitiatief wordt het aantal deelnemende leerlingen vermenigvuldigd met 20,8 euro. | 2 | Voor de berekening van het werkingsbudget per samenwerkingsinitiatief wordt het aantal deelnemende leerlingen vermenigvuldigd met 20,8 euro. |
| 3 | § 2. Het maximale puntenvolume per samenwerkingsinitiatief bedraagt 35 punten. | 3 | § 2. Het maximale puntenvolume per samenwerkingsinitiatief bedraagt 35 punten. |
| 4 | Het maximale werkingsbudget per samenwerkingsinitiatief bedraagt 1059 euro. | 4 | Het maximale werkingsbudget per samenwerkingsinitiatief bedraagt 995 euro. |
| 5 | Het globale volume aan werkingsmiddelen wordt berekend conform artikel 140, § 5. | 5 | Het globale volume aan werkingsmiddelen wordt berekend conform artikel 140, § 5. |
| 4 | b) het deeltijds beroepssecundair onderwijs; | 4 | b) het deeltijds beroepssecundair onderwijs; |
| 5 | c) de alternerende beroepsopleiding in het buitengewoon secundair onderwijs; | 5 | c) de alternerende beroepsopleiding in het buitengewoon secundair onderwijs; |
| 6 | De Vlaamse Regering kan beslissen de punten a, b of c toch te beschouwen als secundair onderwijs. | ||
| 6 | 2° ...; | 7 | 2° ...; |
| 7 | 3° toelatingsvoorwaarden : de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 291 tot en met 295. (115) | 8 | 3° toelatingsvoorwaarden : de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 291 tot en met 295. (115) |
| 1 | § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis. | 1 | § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis. De Vlaamse Regering kan bijkomend mogelijke redenen van de afwezigheid bepalen. Deze redenen dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde. |
| 2 | § 2. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid omwille van een chronische ziekte en een langdurige afwezigheid. | 2 | § 2. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis. De regering maakt hierbij een onderscheid tussen een veelvuldige afwezigheid en een langdurige afwezigheid. |
| 3 | Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid vanwege een chronische ziekte. | 3 | Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een veelvuldige afwezigheid. |
| 4 | § 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van uren-leraar en lesuren tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. | 4 | § 3. De regering bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt, welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en de voorwaarden tot het verkrijgen van uren-leraar en lesuren tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. |
| 5 | § 4. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op tijdelijk onderwijs aan huis te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis. | 5 | § 4. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op tijdelijk onderwijs aan huis te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis. |
| 1 | § 1. Synchroon internetonderwijs, verder in dit hoofdstuk SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen. | 1 | § 1. Synchroon internetonderwijs, verder in dit hoofdstuk SIO te noemen, biedt leerlingen voor wie het tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school de mogelijkheid om op afstand, via digitale toepassingen, rechtstreeks en in interactie met de leerkrachten en klasgenoten de lessen te volgen. |
| 2 | SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden. | 2 | SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met de school, leerkrachten en medeleerlingen behouden. |
| 3 | § 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is: | 3 | § 2. Leerlingen komen in aanmerking voor SIO als aan volgende voorwaarden voldaan is: |
| 4 | 1° de school beschikt over bewijsstukken voor de afwezigheid van de leerling ten gevolge van ziekte of ongeval ; | 4 | 1° de leerling is afwezig wegens ziekte of ongeval en de school beschikt over de bewijsstukken; |
| 5 | 2° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De betrokken personen brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts; | 5 | 2° het gebruik van SIO is verenigbaar met de medische toestand van de leerling. De betrokken personen brengen de behandelende arts op de hoogte; de school informeert de CLB-arts; |
| 6 | 3° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol: | 6 | 3° SIO is voor de betrokken leerling haalbaar en zinvol: |
| 9 | c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken. | 9 | c) de leerling en de school maken er optimaal gebruik van. Het CLB is betrokken. |
| 10 | De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen. | 10 | De regering kan bijkomende criteria met betrekking tot zinvolheid en haalbaarheid voor de leerling vastleggen. |
| 11 | § 2/1. De Vlaamse Regering kan bijkomende in aanmerking komende leerlingen en de respectieve voorwaarden bepalen. De redenen voor de afwezigheid op school dienen gerechtvaardigd en gegrond te zijn en worden gemotiveerd en geattesteerd door een bevoegde derde. | ||
| 11 | § 3. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO. | 12 | § 3. Het schoolbestuur is verplicht om de betrokken personen bij leerlingen die recht hebben of zullen hebben op SIO te informeren over het recht op, de mogelijkheden en de modaliteiten van SIO. |
| 12 | § 4. De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren. | 13 | § 4. De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen voor een leerling als vermeld in paragraaf 2, verplicht het schoolbestuur ertoe om SIO te organiseren. |
| 1 | Het werkingsbudget van de gefinancierde en de gesubsidieerde centra wordt vastgesteld in de jaarlijkse begroting. | 1 | § 1. Het werkingsbudget van de gefinancierde en de gesubsidieerde centra wordt vastgesteld in de jaarlijkse begroting. |
| 2 | Voor de permanente ondersteuning wordt het bedrag per omkaderingsgewicht per jaar vastgelegd op 2 390 euro. | 2 | Voor de permanente ondersteuning wordt het bedrag per omkaderingsgewicht per jaar vastgelegd op 2 390 euro. |
| 3 | Het werkingsbudget van een centrum is gelijk aan het gegarandeerde werkingsbudget en een extra werkingsbudget. | 3 | Het werkingsbudget van een centrum is gelijk aan het gegarandeerde werkingsbudget en een extra werkingsbudget. |
| 8 | 2° Cx-1 gelijk is aan de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1; | 8 | 2° Cx-1 gelijk is aan de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1; |
| 9 | 3° Cx-2 gelijk is aan de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. | 9 | 3° Cx-2 gelijk is aan de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. |
| 10 | § 2. De werkingsbudgetten die worden vastgesteld in toepassing van paragraaf 1 worden vanaf het begrotingsjaar 2020 met 909.000 euro verminderd. | ||
| 1 | § 1. Het Fonds voor verwerking en analyse van gezondheidsindicatoren ten behoeve van derden, de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en de aanhangsels bij het protocolakkoord van 20 maart 2003 van 11 december 2006 en 2 maart 2009, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, voor de uitvoering van Europese overeenkomsten en voor de uitvoering van het Protocolakkoord van 28 september 2012 tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet inzake preventie, met aanhangsel van 18 juni 2012, voor de uitvoering van de overeenkomst (1 augustus 2015-31 juli 2016) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid, voor de uitvoering van het protocolakkoord van 5 februari 2016 tussen de federale overheid en de Vlaamse Gemeenschap betreffende de aankoop van vaccins voor vaccinatie van asielzoekers, voor de uitvoering van het avenant van 16 januari 2017 bij de overeenkomst (1 augustus 2015 - 31 december 2017) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid, voor de uitvoering van het avenant van 1 oktober 2018 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2019) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid en voor de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid; voor de uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen, meer bepaald voor de afhandeling van de kosten verbonden aan het goedkeuringsprotocol alternatieve beheersmaatregelen, en voor de uitvoering van het decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid van 21 november 2003, meer bepaald het principe `vervuiler betaalt' als vermeld in artikel 54, § 3, van het decreet, wordt opgericht, hierna het Fonds te noemen. | 1 | § 1. Het Fonds voor verwerking en analyse van gezondheidsindicatoren ten behoeve van derden, de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en de aanhangsels bij het protocolakkoord van 20 maart 2003 van 11 december 2006 en 2 maart 2009, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, voor de uitvoering van Europese overeenkomsten en voor de uitvoering van het Protocolakkoord van 28 september 2012 tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet inzake preventie, met aanhangsel van 18 juni 2012, voor de uitvoering van de overeenkomst (1 augustus 2015-31 juli 2016) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid, voor de uitvoering van het protocolakkoord van 5 februari 2016 tussen de federale overheid en de Vlaamse Gemeenschap betreffende de aankoop van vaccins voor vaccinatie van asielzoekers, voor de uitvoering van het avenant van 16 januari 2017 bij de overeenkomst (1 augustus 2015 - 31 december 2017) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid, voor de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid en voor de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid; voor de uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen, meer bepaald voor de afhandeling van de kosten verbonden aan het goedkeuringsprotocol alternatieve beheersmaatregelen, en voor de uitvoering van het decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid van 21 november 2003, meer bepaald het principe `vervuiler betaalt' als vermeld in artikel 54, § 3, van het decreet, wordt opgericht, hierna het Fonds te noemen. |
| 2 | Het Fonds is een begrotingsfonds zoals vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof. | 2 | Het Fonds is een begrotingsfonds zoals vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof. |
| 3 | § 2. Het Fonds wordt gespijsd met de middelen die in uitvoering van een overeenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en derden worden betaald voor contractonderzoek dat door de administratie Gezondheidszorg wordt uitgevoerd, door de verkoop van publicaties en door de inkomsten in uitvoering van het protocolakkoord bedoeld in § 1. | 3 | § 2. Het Fonds wordt gespijsd met de middelen die in uitvoering van een overeenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en derden worden betaald voor contractonderzoek dat door de administratie Gezondheidszorg wordt uitgevoerd, door de verkoop van publicaties en door de inkomsten in uitvoering van het protocolakkoord bedoeld in § 1. |
| 12 | § 2/8. Het Fonds wordt, conform artikel 54, § 3, van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid, gespijsd met een partim van bestaande milieugerelateerde heffingen of belastingen die door burgers worden betaald na het akkoord van de Vlaamse Regering of met middelen van bedrijven die medeverantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van fysische of chemische factoren die schadelijk zijn voor de gezondheid en dit in uitvoering van een overeenkomst die een bedrijf in kwestie daarover met de Vlaamse Gemeenschap heeft gesloten. | 12 | § 2/8. Het Fonds wordt, conform artikel 54, § 3, van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid, gespijsd met een partim van bestaande milieugerelateerde heffingen of belastingen die door burgers worden betaald na het akkoord van de Vlaamse Regering of met middelen van bedrijven die medeverantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van fysische of chemische factoren die schadelijk zijn voor de gezondheid en dit in uitvoering van een overeenkomst die een bedrijf in kwestie daarover met de Vlaamse Gemeenschap heeft gesloten. |
| 13 | § 2/8. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald. | 13 | § 2/8. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald. |
| 14 | § 2/9. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald. | ||
| 15 | § 2/10. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald. | ||
| 14 | § 3. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Gezondheidszorg aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting, voorzover deze uitgaven verband houden met onderzoek dat door derden wordt betaald, betrekking hebben op het centraal beheer van het informatiesysteem, op de kosten gegenereerd door de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de Federale Overheid en de Overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en het aanhangsel bij het protocolakkoord van 20 maart 2003, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad of op het preventief gezondheidsbeleid. | 16 | § 3. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Gezondheidszorg aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting, voorzover deze uitgaven verband houden met onderzoek dat door derden wordt betaald, betrekking hebben op het centraal beheer van het informatiesysteem, op de kosten gegenereerd door de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de Federale Overheid en de Overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en het aanhangsel bij het protocolakkoord van 20 maart 2003, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad of op het preventief gezondheidsbeleid. |
| 15 | § 3/1. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Zorg en Gezondheid aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting voor zover deze uitgaven verband houden met de uitvoering van Europese overeenkomsten. | 17 | § 3/1. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Zorg en Gezondheid aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting voor zover deze uitgaven verband houden met de uitvoering van Europese overeenkomsten. |
| 23 | § 3/8. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de oprichting van een netwerk voor de bewaking van de in de mens gemeten blootstelling of voor de bewaking van de effecten van fysische en chemische factoren op de bevolking, om maatregelen te kunnen nemen voor de bescherming van de volksgezondheid. | 25 | § 3/8. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de oprichting van een netwerk voor de bewaking van de in de mens gemeten blootstelling of voor de bewaking van de effecten van fysische en chemische factoren op de bevolking, om maatregelen te kunnen nemen voor de bescherming van de volksgezondheid. |
| 24 | § 3/8. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid. | 26 | § 3/8. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van de overeenkomst (1 januari 2018 - 31 december 2020) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid. |
| 27 | § 3/9. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid. | ||
| 28 | § 3/10. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid. | ||
| 25 | § 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds. | 29 | § 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds. |
| 1 | Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : | 1 | Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : |
| 2 | 1° dienst: | ||
| 2 | 1° dienst : een dienst neuropsychiatrie voor kinderen, zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd; | 3 | a) dienst neuropsychiatrie voor kinderen, zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd; |
| 4 | b) door de Vlaamse Regering bepaalde categorie van diensten of voorzieningen waarvan de werking veroorzaakt dat de jongeren die er verblijven niet naar een school kunnen gaan; | ||
| 3 | 2° ouders : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite een jongere onder hun bewaring hebben. In het geval de jongere meerderjarig is, wordt onder dit begrip de meerderjarige verstaan; | 5 | 2° ouders : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite een jongere onder hun bewaring hebben. In het geval de jongere meerderjarig is, wordt onder dit begrip de meerderjarige verstaan; |
| 4 | 3° pedagogisch personeelslid : personeelslid van een dienst dat instaat voor het verstrekken van onderwijs. | 6 | 3° pedagogisch personeelslid : personeelslid van een dienst dat instaat voor het verstrekken van onderwijs; |
| 7 | 4° plaats: plaats die of bed dat aanleiding geeft tot een verblijf overdag in de dienst, vermeld in punt 1°. |
| 1 | De subsidie-enveloppes worden vastgesteld door het aantal bedden voor dag- en nachthospitalisatie en plaatsen voor daghospitalisatie te vermenigvuldigen met een door de Vlaamse Regering bepaald bedrag. Voor het begrotingsjaar 2002 is het bedrag vastgelegd op 3.000 euro. | 1 | De subsidie-enveloppes worden vastgesteld door het aantal plaatsen te vermenigvuldigen met een door de Vlaamse Regering bepaald bedrag. Voor het begrotingsjaar 2002 is het bedrag vastgelegd op 3.000 euro. |
| 1 | § 1. De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en, in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in de delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, worden gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex. | 1 | § 1. De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en, in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in de delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, worden gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex. |
| 2 | Die bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,04 (basis 2013 = 100). | 2 | Die bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,04 (basis 2013 = 100). |
| 3 | De koppeling aan de afgevlakte gezondheidsindex uit het eerste lid wordt beëindigd vanaf 1 januari 2020. | ||
| 4 | De bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, en in voorkomend geval, de inkomensgrenzen, vermeld in delen 1 en 3 van boek 2 en deel 2 van boek 5, die ingevolge de koppeling uit het eerste lid en de toepassing van het tweede lid, werden bekomen op 31 december 2019, worden vanaf 1 januari 2020 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 2 %. | ||
| 5 | In afwijking van het voorgaande lid start de jaarlijkse verhoging met een index van 2 %, zoals opgenomen in het vorige lid, voor het bedrag voor het derde jongste kind en oudere kinderen, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, en het bedrag van de leeftijdsbijslagen, vermeld in artikel 212, § 1 en § 2, en artikel 213, zoals die voor deze bedragen ingevolge de koppeling uit het eerste lid werden bekomen op 31 december 2019, vanaf 1 september 2025. | ||
| 3 | § 2. Als ingevolge de toepassing van paragraaf 1 de bedragen van de toelagen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het uit te betalen bedrag vastgesteld zonder rekening te houden met het gedeelte van een cent als dat minder dan 0,5 cent bedraagt. Als het gedeelte 0,5 cent of meer bedraagt, wordt het voor een cent gerekend. | 6 | § 2. Als ingevolge de toepassing van paragraaf 1 de bedragen van de toelagen eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het uit te betalen bedrag vastgesteld zonder rekening te houden met het gedeelte van een cent als dat minder dan 0,5 cent bedraagt. Als het gedeelte 0,5 cent of meer bedraagt, wordt het voor een cent gerekend. |
| 4 | De afronding op een cent naar boven of naar beneden wordt gedaan op het totaal uit te betalen bedrag voor het rechtgevende kind, het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling. | 7 | De afronding op een cent naar boven of naar beneden wordt gedaan op het totaal uit te betalen bedrag voor het rechtgevende kind, het rechthebbende kind of de rechthebbende leerling. |
| 5 | § 3. De bedragen en de inkomensgrenzen van de selectieve participatietoeslagen worden geïndexeerd zoals de bedragen, vermeld in artikel 46 van het decreet van 8 juni 2007. De bedragen en inkomensgrenzen die in de artikelen 43, 46, 47 en 48 van dit decreet zijn opgenomen, zijn deze voor het schooljaar 2019-2020. | 8 | § 3. De bedragen en de inkomensgrenzen van de selectieve participatietoeslagen worden geïndexeerd zoals de bedragen, vermeld in artikel 46 van het decreet van 8 juni 2007. De bedragen en inkomensgrenzen die in de artikelen 43, 46, 47 en 48 van dit decreet zijn opgenomen, zijn deze voor het schooljaar 2019-2020. |
| 6 | § 4. De bedragen bepaald door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 103, § 2, worden, met toepassing van paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 2, tweede lid, gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex. | 9 | § 4. De bedragen bepaald door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 103, § 2, worden, met toepassing van paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 2, tweede lid, gekoppeld aan de indexmechanismen uit het eerste lid, rekening houdend met de toepassing van het derde lid van de eerste paragraaf, en het vierde lid van de eerste paragraaf. |
| 1 | Zonder afbreuk te doen aan het huidige decreet, zijn van overeenkomstige toepassing op de provincie- en gemeentebelastingen: | ||
| 1 | Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het huidige decreet, zijn de bepalingen van titel VII, hoofdstukken 1, 3, 4, 6 tot en met 9bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en artikelen 126 tot en met 175 van het uitvoeringsbesluit van dat wetboek van toepassing op de provincie- en gemeentebelastingen, voor zover ze niet specifiek de belastingen op de inkomsten betreffen. | 2 | 1° de bepalingen van titel VII, hoofdstuk 1, 3, 4, 6, 7 en 8, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, voor zover deze niet specifiek de belastingen op de inkomsten betreffen; |
| 3 | 2° het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen van 13 april 2019, met uitzondering van artikel 43 tot en met 48. |