Tot wijziging van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en het decreet van 9 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen #633
De instructies van dit stuk toegepast op de wet zoals die gold op 27 feb 2026. De officiële tekst blijft het document van het Parlement.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (plaats van invoeging niet gevonden). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | Elke gemeente berekent voor haar grondgebied de gezamenlijke oppervlakte van de onbebouwde bouwgronden en kavels die in eigendom zijn van Vlaamse besturen, met uitzondering van de gronden die voldoen aan een of meer van de bijzondere karakteristieken, vermeld in artikel 5.107, 1°. | 1 | Elke gemeente berekent voor haar grondgebied de gezamenlijke oppervlakte van de onbebouwde bouwgronden en kavels die in eigendom zijn van Vlaamse besturen, met uitzondering van de gronden die voldoen aan een of meer van de bijzondere karakteristieken, vermeld in artikel 5.107, 1°. |
| 2 | De gemeentelijke berekening van de gezamenlijke oppervlakte, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk op 31 oktober 2026. De resultaten van die berekening gelden tot en met 31 december 2042. | 2 | De gemeentelijke berekening van de gezamenlijke oppervlakte, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk op 31 oktober 2026. De resultaten van die berekening gelden tot en met 31 december 2042. |
| 3 | Overeenkomstig haar regiefunctie, vermeld in artikel 2.2, waakt de gemeen-te erover dat de Vlaamse besturen geconcerteerde acties ondernemen opdat de gezamenlijke oppervlakte, vermeld in het eerste lid, aangewend wordt om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, te behalen. De gemeenteraad stelt hiertoe een actieprogramma vast. | 3 | Overeenkomstig haar regiefunctie, vermeld in artikel 2.2, waakt de gemeente erover dat de Vlaamse besturen geconcerteerde acties ondernemen opdat de gezamenlijke oppervlakte, vermeld in het eerste lid, aangewend wordt om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, te behalen. De gemeenteraad stelt hiertoe een actieprogramma vast. |
| 4 | Een gemeente die kennelijk onvoldoende inspanningen levert om het bin-dend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, te bereiken als vermeld in artikel 2.23, §3, eerste lid, is ertoe gehouden om ten minste 25 procent van de gezamenlijke oppervlakte van de onbebouwde bouwgronden en kavels die in eigendom zijn van Vlaamse besturen, vermeld in het eerste lid, aan te wenden voor de verwezenlijking van sociale huurwoningen. De gronden die eigendom zijn van Vlabinvest apb worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van dat minimale aandeel. | 4 | Een gemeente die kennelijk onvoldoende inspanningen levert om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, te bereiken als vermeld in artikel 2.23, §3, eerste lid, is ertoe gehouden om ten minste 25 procent van de gezamenlijke oppervlakte van de onbebouwde bouwgronden en kavels die in eigendom zijn van Vlaamse besturen, vermeld in het eerste lid, aan te wenden voor de verwezenlijking van sociale huurwoningen. De gronden die eigendom zijn van Vlabinvest apb worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van dat minimale aandeel. |
| 5 | Aan de verplichting, vermeld in het derde lid, is voldaan als het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, in een gemeente wordt behaald in de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2042. | 5 | Aan de verplichting, vermeld in het derde lid, is voldaan als het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, in een gemeente wordt behaald in de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2042. |
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden in het genoemde deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | §1. In de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2042 wordt het bestaande sociaal woonaanbod, zoals dat blijkt uit de nulmeting, vermeld in artikel 2.26, §1, eerste lid, uitgebreid met 50.000 sociale huurwoningen. | 1 | §1. In de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2042 wordt het bestaande sociaal woonaanbod, zoals dat blijkt uit de nulmeting, vermeld in artikel 2.26, §1, eerste lid, uitgebreid met 50.000 sociale huurwoningen. |
| 2 | De initiatiefnemers, vermeld in artikel 4.13, verwezenlijken het gewestelijk objectief, vermeld in het eerste lid, met de investeringen voor de sociale huisvesting, vermeld in artikel 2.21, eerste lid. | 2 | De initiatiefnemers, vermeld in artikel 4.13, verwezenlijken het gewestelijk objectief, vermeld in het eerste lid, met de investeringen voor de sociale huisvesting, vermeld in artikel 2.21, eerste lid. |
| 3 | Het gewestelijk groeipad, vermeld in de bijlage die bij deze codex is ge-voegd, bepaalt het ritme van de programmatie van het aantal sociale huurwo-ningen, vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering bepaalt het groeipad per gemeente. | 3 | Het gewestelijk groeipad, vermeld in de bijlage die bij deze codex is gevoegd, bepaalt het ritme van de programmatie van het aantal sociale huurwoningen, vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering bepaalt het groeipad per gemeente. |
| 4 | De Vlaamse Regering verdeelt 45.000 sociale huurwoningen van het gewes-telijk objectief, vermeld in het eerste lid, over de gemeenten. Om hiertoe te komen, houdt de verdeling rekening met de volgende elementen: | 4 | De Vlaamse Regering verdeelt 45.000 sociale huurwoningen van het gewestelijk objectief, vermeld in het eerste lid, over de gemeenten. Om hiertoe te komen, houdt de verdeling rekening met de volgende elementen: |
| 5 | 1° op basis van de prognoses over het aantal huishoudens per gemeente per jaar blijft het aandeel sociale huurwoningen per gemeente minstens op peil; | 5 | 1° op basis van de prognoses over het aantal huishoudens per gemeente per jaar blijft het aandeel sociale huurwoningen per gemeente minstens op peil; |
| 6 | 2° in voorkomend geval, de specifieke inhaalbeweging, vermeld in artikel 2.32; | 6 | 2° in voorkomend geval, de specifieke inhaalbeweging, vermeld in artikel 2.32; |
| 8 | 4° in voorkomend geval, de afwijking, vermeld in artikel 2.31, §2, derde lid; | 8 | 4° in voorkomend geval, de afwijking, vermeld in artikel 2.31, §2, derde lid; |
| 9 | 5° het aandeel huurders op de private huurmarkt in de gemeente, die voldoen aan de inkomensvoorwaarde, vermeld in artikel 6.8, §1, eerste lid, 2°. | 9 | 5° het aandeel huurders op de private huurmarkt in de gemeente, die voldoen aan de inkomensvoorwaarde, vermeld in artikel 6.8, §1, eerste lid, 2°. |
| 10 | Het aandeel sociale huurwoningen per gemeente, vermeld in het vierde lid, 1°, wordt berekend door de som van het aantal sociale huurwoningen bij de nulmeting, vermeld in artikel 2.26, en het niet-gerealiseerde deel van het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen van de gemeente, vermeld in artikel 2.32, §1, eerste lid, te delen door het aantal huishoudens in die gemeente op 1 januari 2026. Zolang er geen definitieve gegevens over het aantal huishoudens op 1 januari 2026 bekend zijn, houdt de Vlaamse Regering rekening met de meest recente prognoses op die datum. | 10 | Het aandeel sociale huurwoningen per gemeente, vermeld in het vierde lid, 1°, wordt berekend door de som van het aantal sociale huurwoningen bij de nulmeting, vermeld in artikel 2.26, en het niet-gerealiseerde deel van het gemeentelijk objectief voor sociale huurwoningen van de gemeente, vermeld in artikel 2.32, §1, eerste lid, te delen door het aantal huishoudens in die gemeente op 1 januari 2026. |
| 11 | Zolang er geen definitieve gegevens over het aantal huishoudens op 1 januari 2026 bekend zijn, houdt de Vlaamse Regering rekening met de meest recente prognoses op die datum. | ||
| 11 | De Vlaamse Regering werkt het groeipad, vermeld in het derde lid, en de verdeling, vermeld in het vierde lid, bij in de tweede helft van 2029, 2034 en 2039, rekening houdend met de meest recente gegevens die op dat moment beschikbaar zijn: | 12 | De Vlaamse Regering werkt het groeipad, vermeld in het derde lid, en de verdeling, vermeld in het vierde lid, bij in de tweede helft van 2029, 2034 en 2039, rekening houdend met de meest recente gegevens die op dat moment beschikbaar zijn: |
| 12 | 1° het aandeel huishoudens op de private huurmarkt die voldoen aan de inkomensvoorwaarde, vermeld in artikel 6.8, §1, eerste lid, 2°, per gemeen-te; | 13 | 1° het aandeel huishoudens op de private huurmarkt die voldoen aan de inkomensvoorwaarde, vermeld in artikel 6.8, §1, eerste lid, 2°, per gemeente; |
| 13 | 2° prognoses over de evolutie van het aantal huishoudens per gemeente; | 14 | 2° prognoses over de evolutie van het aantal huishoudens per gemeente; |
| 14 | 3° de beschikbare middelen binnen de Vlaamse begroting. | 15 | 3° de beschikbare middelen binnen de Vlaamse begroting. |
| 20 | b) is het aantal van de sociale huurwoningen dat nog niet gerealiseerd is of opgenomen is in de kortetermijnplanning conform punt a), minstens opgenomen in de meerjarenplanning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; | 21 | b) is het aantal van de sociale huurwoningen dat nog niet gerealiseerd is of opgenomen is in de kortetermijnplanning conform punt a), minstens opgenomen in de meerjarenplanning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; |
| 21 | 3° op 31 december 2033: | 22 | 3° op 31 december 2033: |
| 22 | a) zijn alle sociale huurwoningen, bepaald voor de jaren 2026 tot en met 2030 van het gemeentelijk objectief, vermeld in artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd of minstens opgenomen in de kortetermijnplan-ning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; | 23 | a) zijn alle sociale huurwoningen, bepaald voor de jaren 2026 tot en met 2030 van het gemeentelijk objectief, vermeld in artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd of minstens opgenomen in de kortetermijnplanning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; |
| 23 | b) is minstens de helft van de sociale huurwoningen, bepaald voor de jaren 2031 tot en met 2036 van het gemeentelijk objectief, vermeld in artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd of minstens opgenomen in de meerjarenplanning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; | 24 | b) is minstens de helft van de sociale huurwoningen, bepaald voor de jaren 2031 tot en met 2036 van het gemeentelijk objectief, vermeld in artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd of minstens opgenomen in de meerjarenplanning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; |
| 24 | 4° op 31 december 2036: | 25 | 4° op 31 december 2036: |
| 25 | a) zijn alle sociale huurwoningen, bepaald voor de jaren 2026 tot en met 2030 van het gemeentelijk objectief, vermeld in artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd of minstens opgenomen in de kortetermijnplan-ning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; | 26 | a) zijn alle sociale huurwoningen, bepaald voor de jaren 2026 tot en met 2030 van het gemeentelijk objectief, vermeld in artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd of minstens opgenomen in de kortetermijnplanning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; |
| 26 | b) is minstens de helft van de sociale huurwoningen, bepaald voor de jaren 2031 tot en met 2036 van het gemeentelijk objectief, vermeld in punt artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd of minstens opgenomen in de kortetermijnplanning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; | 27 | b) is minstens de helft van de sociale huurwoningen, bepaald voor de jaren 2031 tot en met 2036 van het gemeentelijk objectief, vermeld in punt artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd of minstens opgenomen in de kortetermijnplanning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; |
| 27 | c) is het aantal van de sociale huurwoningen dat nog niet gerealiseerd is of opgenomen is in de kortetermijnplanning conform punt b), minstens op-genomen in de meerjarenplanning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; | 28 | c) is het aantal van de sociale huurwoningen dat nog niet gerealiseerd is of opgenomen is in de kortetermijnplanning conform punt b), minstens opgenomen in de meerjarenplanning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; |
| 28 | 5° op 31 december 2039: | 29 | 5° op 31 december 2039: |
| 29 | a) zijn alle sociale huurwoningen, bepaald voor de jaren 2026 tot en met 2036 van het gemeentelijk objectief, vermeld in artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd of minstens opgenomen in de kortetermijnplan-ning, vermeld in artikel 2.22, §2; | 30 | a) zijn alle sociale huurwoningen, bepaald voor de jaren 2026 tot en met 2036 van het gemeentelijk objectief, vermeld in artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd of minstens opgenomen in de kortetermijnplanning, vermeld in artikel 2.22, §2; |
| 30 | b) is minstens de helft van de sociale huurwoningen, bepaald voor de jaren 2037 tot en met 2042 van het gemeentelijk objectief, vermeld in artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd of minstens opgenomen op de meerjarenplanning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; | 31 | b) is minstens de helft van de sociale huurwoningen, bepaald voor de jaren 2037 tot en met 2042 van het gemeentelijk objectief, vermeld in artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd of minstens opgenomen op de meerjarenplanning, vermeld in artikel 2.22, §2, eerste lid; |
| 31 | 6° op 31 december 2042 zijn alle gemeentelijke objectieven, vermeld in artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd. | 32 | 6° op 31 december 2042 zijn alle gemeentelijke objectieven, vermeld in artikel 2.31, §2, en §3, eerste lid, gerealiseerd. |
| 32 | De sociale huurwoningen opgenomen in de meerjarenplanning, vermeld in het eerste lid, zijn voorafgaandelijk opgenomen in de langetermijnplanning. | 33 | De sociale huurwoningen opgenomen in de meerjarenplanning, vermeld in het eerste lid, zijn voorafgaandelijk opgenomen in de langetermijnplanning. |
| 33 | De Vlaamse Regering bepaalt de methodologie en de criteria om de voort-gangstoets uit te voeren. | 34 | De Vlaamse Regering bepaalt de methodologie en de criteria om de voortgangstoets uit te voeren. |
| 34 | §3. Een gemeente die kennelijk onvoldoende inspanningen levert om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, tijdig te bereiken, betaalt, per sociale huurwoning die niet is verwezenlijkt, een bijdrage aan het Vlaamse Gewest, die hoogstens gelijk is aan de tegemoetkoming in de huurprijs voor woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden, vermeld in artikel 5.74, vermenig-vuldigd met twaalf. | 35 | §3. Een gemeente die kennelijk onvoldoende inspanningen levert om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, tijdig te bereiken, betaalt, per sociale huurwoning die niet is verwezenlijkt, een bijdrage aan het Vlaamse Gewest, die hoogstens gelijk is aan de tegemoetkoming in de huurprijs voor woonbehoeftige gezinnen en alleenstaanden, vermeld in artikel 5.74, vermenigvuldigd met twaalf. |
| 35 | De Vlaamse Regering bepaalt wat er wordt verstaan onder: kennelijk onvol-doende inspanningen leveren om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, te bereiken. | 36 | De Vlaamse Regering bepaalt wat er wordt verstaan onder: kennelijk onvoldoende inspanningen leveren om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, te bereiken. |
| 36 | De Vlaamse Regering stelt de modaliteiten vast van de betaling van de bijdrage aan het Vlaamse Gewest, vermeld in het eerste lid. | 37 | De Vlaamse Regering stelt de modaliteiten vast van de betaling van de bijdrage aan het Vlaamse Gewest, vermeld in het eerste lid. |
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden in het genoemde deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (tekst niet eenduidig gevonden in het genoemde deel). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.