Bij de begroting 2023 #1466
De instructies van dit stuk toegepast op de wet zoals die gold op 28 okt 2022. De officiële tekst blijft het document van het Parlement.
| 1 | Het budget voor de kortlopende subsidies vertegenwoordigt een bepaald minimumpercentage ten opzichte van het totale jaarlijkse kunstenbudget voor de subsidiëring van de instrumenten, vermeld in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 4, afdeling 2. | 1 | Met uitsluiting van de toepassing van artikel 55 vertegenwoordigt het jaarlijkse budget voor de kortlopende subsidies een bepaald minimumpercentage ten opzichte van het totale jaarlijkse kunstenbudget voor de subsidiëring van de instrumenten, vermeld in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 4, afdeling 2. |
| 2 | Als het totale jaarlijkse kunstenbudget, vermeld in het eerste lid, tijdens de beleidsperiode wijzigt in het kader van het algemeen begrotingsbeleid of door een bijstelling omdat een organisatie de voorwaarden waaronder een werkingssubsidie werd toegekend niet naleeft, kan het budget voor de kortlopende subsidies, in afwijking van het eerste lid, in functie van deze wijziging evolueren. | ||
| 2 | De Vlaamse Regering bepaalt het minimumpercentage, vermeld in het eerste lid. | 3 | De Vlaamse Regering bepaalt het minimumpercentage, vermeld in het eerste lid. |
| 1 | § 1. Er wordt een vermindering verleend van : | 1 | § 1. Er wordt een vermindering verleend van : |
| 2 | 1° 25 % van de onroerende voorheffing voor de woning waar de belastingplichtige volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn hoofdverblijfplaats heeft, als het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 745 euro; | 2 | 1° 25 % van de onroerende voorheffing voor de woning waar de belastingplichtige volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn hoofdverblijfplaats heeft, als het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 745 euro; |
| 3 | 2° de onroerende voorheffing berekend volgens de volgende tabel voor de kinderen die in aanmerking komen voor de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 5, §1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, voor de woning die op 1 januari van het aanslagjaar wordt betrokken door een gezin met ten minste twee kinderen die daar volgens het bevolkingsregister hun woonplaats hebben en die in aanmerking komen voor gezinsbijslag. Daarbij wordt een gehandicapt kind voor twee gerekend. | 3 | 2° de onroerende voorheffing voor de kinderen die in aanmerking komen voor de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 5, §1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, voor de woning die op 1 januari van het aanslagjaar wordt betrokken door een gezin met ten minste twee kinderen die daar volgens het bevolkingsregister hun woonplaats hebben en die in aanmerking komen voor gezinsbijslag. De vermindering bedraagt per kind 8 euro. Daarbij wordt een gehandicapt kind voor twee gerekend. |
| 4 | Het voormelde bedrag van 8 euro is gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk en wordt jaarlijks aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2022. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van de coëfficiënt wordt het bedrag afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendste al of niet vijf bereikt; | ||
| 4 | "aantal kinderen dat in aanmerking komt | 5 | "aantal kinderen dat in aanmerking komt |
| 5 | totaalbedrag van de vermindering in euro | 6 | totaalbedrag van de vermindering in euro |
| 24 | Eenheden boven het tiende geven recht op een verhoging van de vermindering met 8,58 euro. De totale bedragen, vermeld in de tabel, en het bedrag van de voormelde verhoging van de vermindering met 8,58 euro worden jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. Die aanpassing gebeurt op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten, te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 1996. Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond door weglating van de centgedeelten na de tweede decimaal; | 25 | Eenheden boven het tiende geven recht op een verhoging van de vermindering met 8,58 euro. De totale bedragen, vermeld in de tabel, en het bedrag van de voormelde verhoging van de vermindering met 8,58 euro worden jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. Die aanpassing gebeurt op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten, te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 1996. Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond door weglating van de centgedeelten na de tweede decimaal; |
| 25 | 3° de onroerende voorheffing per gehandicapte persoon, met uitsluiting van de gehandicapte kinderen, vermeld in punt 2°, voor de woning waar de gehandicapte persoon volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft. Deze vermindering wordt berekend alsof het een gehandicapt kind betreft. | 26 | 3° de onroerende voorheffing per gehandicapte persoon, met uitsluiting van de gehandicapte kinderen, vermeld in punt 2°, voor de woning waar de gehandicapte persoon volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft. Deze vermindering wordt berekend alsof het een gehandicapt kind betreft. |
| 27 | §1/1. De vermindering, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt in geval van ouders die niet samenleven proportioneel toegekend, afhankelijk van de periode waarin die ouder het kind of de kinderen huisvest, als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld: | ||
| 28 | 1° een van beide ouders dient uiterlijk op 31 maart van het aanslagjaar een aanvraag in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie; | ||
| 29 | 2° de ouder waarbij het kind of de kinderen volgens het bevolkingsregister niet zijn of hun woonplaats hebben, zorgt voor de huisvesting in een woning die in het Vlaamse Gewest ligt waarin die ouder op 1 januari van het aanslagjaar volgens het bevolkingsregister zijn woonplaats heeft; | ||
| 30 | 3° de gedeeltelijke huisvesting wordt op een van de volgende wijzen aangetoond: | ||
| 31 | a) op grond van een overeenkomst die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar geregistreerd of door een rechter gehomologeerd is; | ||
| 32 | b) op grond van een rechterlijke beslissing die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar is uitgesproken; | ||
| 33 | c) op grond van een overeenkomst die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar tot stand is gekomen ten gevolge van een vrijwillige gezinsbemiddeling door een bemiddelaar die erkend is door de commissie, vermeld in artikel 1727 van het Gerechtelijk Wetboek; | ||
| 34 | d) op grond van een overeenkomst die de beide ouders uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar hebben ondertekend. | ||
| 35 | De vermindering, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt proportioneel verdeeld tussen de woning, vermeld in paragraaf 1, 2°, en de woning, vermeld in het eerste lid, 2°. | ||
| 36 | Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse Administratie geen andersluidende kennisgeving ontvangt en de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 2°, en paragraaf 1/1, zijn vervuld, is de aanvraag die ingediend is voor een aanslagjaar, geldig voor de volgende aanslagjaren. | ||
| 37 | Als het bedrag, vermeld in paragraaf 1, 2°, overeenkomstig het eerste lid proportioneel wordt toegekend, worden de proportioneel verdeelde bedragen afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt. | ||
| 26 | § 2. Er wordt een vermindering verleend van : | 38 | § 2. Er wordt een vermindering verleend van : |
| 27 | 1° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E60; | 39 | 1° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E60; |
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | De definitie van lichte vrachtauto, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 2°, a) en b), wordt op de voertuigen die na 31 december 2022 voor de eerste keer ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid toegepast zoals de voormelde definitie van toepassing was vóór 1 januari 2023, als voldaan is aan de volgende voorwaarden: | ||
| 2 | 1° het voertuig is voor 1 januari 2023 besteld; | ||
| 3 | 2° een kopie van de bestelbon is aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 februari 2023, samen met een formulier, dat de voormelde entiteit te beschikking stelt, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige en dat minstens al de volgende gegevens bevat: | ||
| 4 | a) het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op de naam van wie het voertuig ingeschreven is of zal worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid; | ||
| 5 | b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon op de naam van wie het voertuig ingeschreven is of zal worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. |
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (het te vervangen deel niet gevonden). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | De Vlaamse Regering kan een of meer advies- of beleidsparticipatieraden oprichten met het oog op de bevordering van de deskundigheid, vermeld in artikel 6, § 1, 4°, met betrekking tot de voorwaarden, vermeld in artikel 6, § 2. De Vlaamse Regering regelt de erkenning, opdracht, samenstelling en werkingvan die advies- en beleidsparticipatieraden. | 1 | De Vlaamse Regering kan een of meer advies- of beleidsparticipatieraden oprichten met het oog op de bevordering van de deskundigheid, vermeld in artikel 6, § 1, 4°, met betrekking tot de voorwaarden, vermeld in artikel 6, § 2. De Vlaamse Regering regelt de erkenning, opdracht, samenstelling, werking, subsidiëring, het toezicht en de sanctionering van die advies- en beleidsparticipatieraden. |
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (het deel om aan te vullen niet gevonden). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | De belasting op de afgifte van de jachtverloven en de jachtvergunningen wordt vanaf het jachtseizoen 1992-1993 als volgt vastgesteld: | 1 | § 1. De belasting op de afgifte van de jachtverloven en de jachtvergunningen wordt vanaf het jachtseizoen 1992-1993 als volgt vastgesteld: |
| 2 | 1. voor het jachtverlof dat elke dag van het jachtseizoen geldig is: [150 euro (verv. decr. 21 december 2001, art. 35, I: 1 januari 2002)]; | 2 | 1° voor het jachtverlof dat elke dag van het jachtseizoen geldig is: 175 euro; |
| 3 | 2. voor het jachtverlof dat elke zondag van het jachtseizoen geldig is: [105 euro (verv. decr. 21 december 2001, art. 35, I: 1 januari 2002)]; | ||
| 4 | 3. voor de jachtvergunning die vijf vooraf bepaalde dagen in het jachtseizoen geldig is: [40 euro (verv. decr. 21 december 2001, art. 35, I: 1 januari 2002)]; | ||
| 3 | 2° voor het jachtverlof dat elke zondag van het jachtseizoen geldig is: 120 euro; 3° voor de jachtvergunning die vijf vooraf bepaalde dagen in het jachtseizoen geldig is: 45 euro. | ||
| 4 | § 2. Het in paragraaf 1 vermelde bedrag wordt in de maand juli van het jaar 2023 en vervolgens in de daaropvolgende jaren in de maand juli jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex. |
| 1 | § 1. De Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen [of één van haar dochtermaatschappijen (ing. decr. 22 december 1993, art. 63, I: 21 juli 1992)] en de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij kunnen worden gemachtigd leningen aan te gaan met gewestwaarborg met het oog op de oprichting, in gemeen overleg, van een naamloze vennootschap die wordt belast met de tenuitvoerlegging van het urgentieplan voor de sociale huisvesting, inzonderheid de financiering ervan, en waarvan de opdrachten nader worden omschreven in § 3. | ||
| 2 | Met het oog op de financiering van haar opdrachten, kan de naamloze vennootschap ertoe worden gemachtigd leningen aan te gaan met gewestwaarborg. | ||
| 3 | De Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen en de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij dienen gezamenlijk steeds direct of indirect te beschikken over tenminste de helft plus één van de aandelen in het kapitaal van de vennootschap, alsmede over meer dan vijftig procent van de stemmen en mandaten in de bestuursorganen en in de algemene vergadering. | ||
| 4 | § 2. Voor de realisatie van het urgentieplan wordt bij voorkeur een beroep gedaan op de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, de door haar erkende vennootschappen, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de vereniging van die centra, en desgevallend het Vlaams Woningfonds. | ||
| 5 | § 3. Aan de in § 1 bedoelde vennootschap kunnen, op te nemen in een tussen de Vlaamse regering, de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de naamloze vennootschap te sluiten overeenkomst, inzonderheid de volgende opdrachten worden toevertrouwd: | ||
| 6 | 1° de financiering van het kopen en bouwen en het kopen en doen bouwen van sociale woningen of daarmee gelijkgestelde woningen, en middelgrote woningen, met inbegrip van de eventuele verwerving van onroerende goederen of zakelijke rechten daartoe vereist en van het uitvoeren en doen uitvoeren van alle werken en handelingen die daarmee verband houden, en met prioriteit voor inbreidings- en stadsvernieuwingsprojecten; | ||
| 7 | 2° de financiering van en het doen uitvoeren van sanerings- en renovatiewerken aan sociale woningen of daarmee gelijkgestelde woningen, en middelgrote woningen, met inbegrip van de eventuele verwerving van onroerende goederen of zakelijke rechten daartoe vereist en van het uitvoeren en doen uitvoeren van alle werken en handelingen die daarmee verband houden; | ||
| 8 | 3° de financiering van en het doen uitvoeren, van andere werken die kaderen in de door de Vlaamse regering nader te omschrijven doelstellingen van het urgentieplan, onder meer infrastructuurwerken, het bouwrijp maken van percelen, het oprichten van gemeenschapsvoorzieningen en wijkcentra, met inbegrip van het uitvoeren en doen uitvoeren van alle handelingen die daarmee verband houden; | ||
| 9 | 4° desgevallend tegen een in de overeenkomst vast te stellen beheersvergoeding, de toekenning, na voorafgaande machtiging van de Vlaamse regering, geval per geval, en de betaalbaarstelling van de tussenkomsten bedoeld in § 6, onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten bepaald door de Vlaamse regering (ing. decr. 18 december 1992, art. 32, I: 21 juli 1992) | ||
| 10 | § 4. De sociale woningen of daarmee gelijkgestelde woningen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een financiering door de in § 1 bedoelde vennootschap door middel van de in § 1 bedoelde middelen, of die op initiatief van de vennootschap zelf werden aangekocht, gebouwd, gerenoveerd of gesaneerd door middel van de in § 1 bedoelde middelen, dienen, voor zover voornoemde middelen minstens gedurende een door de Vlaamse regering vast te stellen termijn worden gemobiliseerd, woningen te betreffen die: | ||
| 11 | 1° hetzij eigendom zijn van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, de door haar erkende vennootschappen, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten, het Vlaams Woningsfonds (ing. decr. 18 december 1992, art. 33, I: 21 juli 1992), de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de verenigingen van die centra en bestemd zijn om als sociale of daarmee gelijkgestelde woning verhuurd te worden aan particulieren; | ||
| 12 | 2° hetzij aan voornoemde publiekrechtelijke besturen of maatschappijen ter beschikking gesteld worden met het oog op verhuring of onderverhuring als sociale of daarmee gelijkgestelde woning aan particulieren. In dit geval dienen deze publiekrechtelijke besturen of maatschappijen de betrokken woningen binnen een door de Vlaamse regering vast te stellen termijn in eigendom te kunnen verwerven. | ||
| 13 | De Vlaamse regering stelt de maximale termijnen vast gedurende dewelke de in § 1 bedoelde middelen van de in § 1 bedoelde vennootschap kunnen worden gemobiliseerd voor verrichtingen die betrekking hebben op middelgrote woningen. | ||
| 14 | § 5. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen die van toepassing zijn op de activiteiten van de in § 1 bedoelde vennootschap, alsmede de huurregelingen voor de in § 4 bedoelde particulieren. | ||
| 15 | § 6. De Vlaamse regering kan aan de in § 4 bedoelde particulieren een huursubsidie toekennen. | ||
| 16 | De Vlaamse regering kan eveneens tussenkomen in de financieringslast als gevolg van de in de §§ 3 en 4 bedoelde verrichtingen. | ||
| 17 | (Zie: B.V.R. 23 juli 1992, B.S., 17 oktober 1992) | ||
| 18 | De Vlaamse regering kan de bepalingen van deze paragraaf tevens van toepassing verklaren indien een sociale huisvestingsmaatschappij voor de in de §§ 3 en 4 bedoelde verrichtingen een financiering bekomt bij de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij. [ (ing. decr. 8 juli 1997, art. 10, I: 1 juli 1997) ] |
We konden deze wijziging niet met zekerheid op de huidige tekst toepassen (geen huidige tekst). Na de merge toont de Codex de nieuwe tekst.
| 1 | Werkzaamheden waarvoor reeds andere subsidies of tegemoetkomingen zijn toegekend, komen niet in aanmerking voor financiële steun in het kader van dit decreet, behoudens de subsidies die in mindering worden gebracht van het door het Vernieuwingsfonds te dragen aandeel. | 1 | Werkzaamheden waarvoor reeds andere subsidies of tegemoetkomingen zijn toegekend, komen niet in aanmerking voor financiële steun in het kader van dit decreet, behoudens de subsidies die in mindering worden gebracht van het door het BRV-fonds, vermeld in artikel 1.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening te dragen aandeel. |