Decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft aanpassingen aan het nieuw Burgerlijk Wetboek
15 artikels gewijzigd
| 30 | 20° successierecht : de belasting die onder de benaming `het successierecht van rijksinwoners' wordt geheven overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex; | 30 | 20° successierecht : de belasting die onder de benaming `het successierecht van rijksinwoners' wordt geheven overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex; |
| 31 | 21° vennootschappen : een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijkheid bezit en een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard. Lichamen met rechtspersoonlijkheid die naar Belgisch recht zijn opgericht en die voor de toepassing van de inkomstenbelastingen worden geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten, worden niet als vennootschappen aangemerkt; | 31 | 21° vennootschappen : een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijkheid bezit en een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard. Lichamen met rechtspersoonlijkheid die naar Belgisch recht zijn opgericht en die voor de toepassing van de inkomstenbelastingen worden geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten, worden niet als vennootschappen aangemerkt; |
| 32 | 22° verdeelrecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen overeenkomstig artikel 745quater en artikel 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 10, van deze codex; | 32 | 22° verdeelrecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen overeenkomstig artikel 4.61 en 4.62 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 10, van deze codex; |
| 33 | 23° verkeersbelasting : de belastingen die geheven worden overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 2, van deze codex; | 33 | 23° verkeersbelasting : de belastingen die geheven worden overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 2, van deze codex; |
| 34 | 24° verkooprecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de overdrachten onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 9, van deze codex; | 34 | 24° verkooprecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de overdrachten onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 9, van deze codex; |
| 81 | c) de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste één jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren. Artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, artikel 2.7.4.2.2 en artikel 2.8.6.0.3 zijn echter alleen van toepassing voor de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste drie jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn als het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater of de schenker, aansluitend op de bedoelde periode van één of drie jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een inschrijving in het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding; | 81 | c) de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste één jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren. Artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, artikel 2.7.4.2.2 en artikel 2.8.6.0.3 zijn echter alleen van toepassing voor de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste drie jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn als het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater of de schenker, aansluitend op de bedoelde periode van één of drie jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een inschrijving in het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding; |
| 82 | 5° verkrijging in rechte lijn : | 82 | 5° verkrijging in rechte lijn : |
| 83 | a) een verkrijging tussen personen die de ene van de andere afstammen, overeenkomstig artikel 736 van het Burgerlijk Wetboek, of tussen personen die ingevolge volle adoptie overeenkomstig artikel 356-1 van het Burgerlijk Wetboek een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen hebben; | 83 | a) een verkrijging tussen personen die de ene van de andere afstammen, overeenkomstig artikel 4.11, §1, van het Burgerlijk Wetboek, of tussen personen die ingevolge volle adoptie overeenkomstig artikel 356-1 van het Burgerlijk Wetboek een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen hebben; |
| 84 | b) een verkrijging tussen een persoon en het kind van zijn partner, ongeacht of de verkrijging plaatsvindt voor of na het overlijden van de partner. Als de verkrijging plaatsvindt na het overlijden van de partner, moet die laatste zijn hoedanigheid van partner ten aanzien van de eerst vermelde persoon nog hebben op de datum van zijn overlijden; | 84 | b) een verkrijging tussen een persoon en het kind van zijn partner, ongeacht of de verkrijging plaatsvindt voor of na het overlijden van de partner. Als de verkrijging plaatsvindt na het overlijden van de partner, moet die laatste zijn hoedanigheid van partner ten aanzien van de eerst vermelde persoon nog hebben op de datum van zijn overlijden; |
| 85 | c) een verkrijging tussen personen tussen wie een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan. Er is sprake van een zorgrelatie als iemand vóór de leeftijd van eenentwintig jaar gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon, of van de andere persoon en zijn partner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder; | 85 | c) een verkrijging tussen personen tussen wie een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan. Er is sprake van een zorgrelatie als iemand vóór de leeftijd van eenentwintig jaar gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon, of van de andere persoon en zijn partner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder; |
| 1 | De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. | 1 | De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. |
| 2 | Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel. | 2 | Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform het derde lid van het voormelde artikel. |
| 1 | Voor de heffing van de erfbelasting, alsook van de belastingverhoging wegens het gebrek aan aangifte of het verzuim bepaalde goederen aan te geven, is het bestaan van een roerend of onroerend goed, tot bewijs van het tegendeel, voldoende vastgesteld bij de akten van eigendom die ten bate van de erflater of op zijn verzoek zijn verleden. | 1 | Voor de heffing van de erfbelasting, alsook van de belastingverhoging wegens het gebrek aan aangifte of het verzuim bepaalde goederen aan te geven, is het bestaan van een roerend of onroerend goed, tot bewijs van het tegendeel, voldoende vastgesteld bij de akten van eigendom die ten bate van de erflater of op zijn verzoek zijn verleden. |
| 2 | Voor de roerende goederen, vermeld in artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek, bestaat het wettelijk vermoeden, vermeld in het eerste lid, alleen op voorwaarde dat de akten niet sinds meer dan drie jaar vóór het overlijden bestaan. Als dat wel het geval is, kan het bestaan van die akten door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie alleen ingeroepen worden als een element van vermoeden als vermeld in artikel 3.17.0.0.1. | 2 | Voor lichamelijke roerende goederen, contant geld en effecten aan toonder bestaat het wettelijk vermoeden, vermeld in het eerste lid, alleen op voorwaarde dat de akten niet sinds meer dan drie jaar vóór het overlijden bestaan. Als dat wel het geval is, kan het bestaan van die akten door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie alleen ingeroepen worden als een element van vermoeden als vermeld in artikel 3.17.0.0.1. |
| 1 | Als de verkrijger binnen zes maanden na het overlijden van de erflater sterft, wordt voor de berekening van de erfbelasting op de nalatenschap van die laatste geen rekening gehouden met hetgeen de verkrijger in vruchtgebruik als levenslange of periodieke rente of als pensioen heeft verkregen. | 1 | Als de verkrijger binnen zes maanden na het overlijden van de erflater sterft, wordt voor de berekening van de erfbelasting op de nalatenschap van die laatste geen rekening gehouden met hetgeen de verkrijger in vruchtgebruik of als levenslange of periodieke rente of als pensioen heeft verkregen. |
| 3 | 1° in het voordeel van erfgenamen die hij bij uiterste wilsbeschikking of bij contractuele beschikking uit zijn nalatenschap heeft gesloten; | 3 | 1° in het voordeel van erfgenamen die hij bij uiterste wilsbeschikking of bij contractuele beschikking uit zijn nalatenschap heeft gesloten; |
| 4 | 2° in het voordeel van erfgenamen, legatarissen of begiftigden die de nalatenschap ofwel de uiterste wilsbeschikking of de contractuele beschikking die in hun voordeel was gemaakt, hebben verworpen. | 4 | 2° in het voordeel van erfgenamen, legatarissen of begiftigden die de nalatenschap ofwel de uiterste wilsbeschikking of de contractuele beschikking die in hun voordeel was gemaakt, hebben verworpen. |
| 5 | De personen, vermeld in artikel 911, laatste lid, en artikel 1100 van het Burgerlijk Wetboek, worden als tussenpersonen beschouwd. | 5 | De personen, vermeld in artikel 4.144, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, worden als tussenpersonen beschouwd. |
| 6 | De schulden, vermeld in het eerste lid, worden wel aanvaard als passief van de nalatenschap : | 6 | De schulden, vermeld in het eerste lid, worden wel aanvaard als passief van de nalatenschap : |
| 7 | 1° als het bewijs van de echtheid ervan door de aangevers wordt aangevoerd; | 7 | 1° als het bewijs van de echtheid ervan door de aangevers wordt aangevoerd; |
| 2 | 1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen; | 2 | 1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen; |
| 3 | 2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen; | 3 | 2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen; |
| 4 | 3° omzetting als vermeld in artikel 745quater en artikel 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is. | 4 | 3° omzetting als vermeld in artikel 4.61 en 4.62 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is. |
| 1 | Het aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving van een nalatenschap ontheft de erfgenamen niet van de in deze codex voorgeschreven verplichtingen inzake de erfbelasting. | 1 | Het aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving van een nalatenschap ontheft de erfgenamen niet van de in deze codex voorgeschreven verplichtingen inzake de erfbelasting. |
| 2 | De beheerder die voor de vereffening van de nalatenschap aangesteld is overeenkomstig artikel 803bis, artikel 804 en artikel 810bis van het Burgerlijk Wetboek, is ook tot die verplichtingen gehouden. | 2 | De beheerder die voor de vereffening van de nalatenschap aangesteld is overeenkomstig artikel 4.54, §1 en §2, en artikel 4.57 van het Burgerlijk Wetboek, is ook tot die verplichtingen gehouden. |
| 3 | 2° in geval van overlijden of bij afwezigheid van een persoon die geen rijksinwoner is : door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van onroerende goederen die overeenkomstig artikel 5, § 2, 4°, tweede streepje, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn. | 3 | 2° in geval van overlijden of bij afwezigheid van een persoon die geen rijksinwoner is : door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van onroerende goederen die overeenkomstig artikel 5, § 2, 4°, tweede streepje, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn. |
| 4 | In afwijking van het eerste lid, 1°, zijn, in geval van stilzitten van de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden, de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of de bijzondere legatarissen en begiftigden ertoe gehouden, op verzoek van het bevoegde personeelslid, de aangifte in te dienen voor datgene wat hen betreft, binnen een termijn van een maand vanaf de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum van het verzoek. | 4 | In afwijking van het eerste lid, 1°, zijn, in geval van stilzitten van de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden, de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of de bijzondere legatarissen en begiftigden ertoe gehouden, op verzoek van het bevoegde personeelslid, de aangifte in te dienen voor datgene wat hen betreft, binnen een termijn van een maand vanaf de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum van het verzoek. |
| 5 | § 2. De termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste en derde lid, is vier maanden vanaf de datum van het overlijden, als zich dat in het rijk heeft voorgedaan. De termijn bedraagt vijf maanden als het overlijden in een ander land binnen de Europese Economische Ruimte plaatsvond, en zes maanden als de persoon overleden is buiten de Europese Economische Ruimte. | 5 | § 2. De termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, is vier maanden vanaf de datum van het overlijden, als zich dat in het rijk heeft voorgedaan. De termijn bedraagt vijf maanden als het overlijden in een ander land binnen de Europese Economische Ruimte plaatsvond, en zes maanden als de persoon overleden is buiten de Europese Economische Ruimte. |
| 6 | In geval van gerechtelijke verklaring van overlijden beginnen de termijnen, vermeld in het eerste lid, pas te lopen zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. | 6 | In geval van gerechtelijke verklaring van overlijden beginnen de termijnen, vermeld in het eerste lid, pas te lopen zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. |
| 7 | In afwijking van het eerste lid is de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, ingeval van verval van de nalatenschap aan de Staat overeenkomstig artikel 768 van het Burgerlijk Wetboek, vier maanden vanaf de inbezitstelling, vermeld in artikel 770 van hetzelfde wetboek. | 7 | In afwijking van het eerste lid is de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, ingeval van verval van de nalatenschap aan de Staat overeenkomstig artikel 4.32 van het Burgerlijk Wetboek, vier maanden vanaf de inbezitstelling, vermeld in artikel 4.33, tweede lid van hetzelfde wetboek. |
| 8 | In afwijking van het eerste lid is de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, in geval van een onbeheerde nalatenschap als vermeld in artikel 811 van het Burgerlijk Wetboek, vier maanden vanaf de aanstelling van de curator, vermeld in artikel 813 van het Burgerlijk Wetboek. | 8 | In afwijking van het eerste lid is de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, in geval van een onbeheerde nalatenschap als vermeld in artikel 4.58, §1, van het Burgerlijk Wetboek, vier maanden vanaf de aanstelling van de curator, vermeld in artikel 4.58, §2, van het Burgerlijk Wetboek. |
| 35 | m) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.6, § 1; | 35 | m) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.6, § 1; |
| 36 | n) het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2 van deze codex, als het cultuurgoed in zijn geheel deel uitmaakt van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en zijn overlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en een van zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden; | 36 | n) het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2 van deze codex, als het cultuurgoed in zijn geheel deel uitmaakt van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en zijn overlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en een van zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden; |
| 37 | 15° in voorkomend geval de erfovereenkomst, vermeld in artikel 1100/7 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van die notariële erfovereenkomst bij de aangifte gevoegd; | 37 | 15° in voorkomend geval de erfovereenkomst die is opgesteld conform artikel 4.254 tot en met 4.259 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van die notariële erfovereenkomst bij de aangifte gevoegd; |
| 38 | 16° in voorkomend geval de verkrijgingen van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van de akte van schenking bij de aangifte gevoegd. In geval van verzaking aan het vruchtgebruik op een ander tijdstip wordt het stuk gevoegd waaruit die verzaking blijkt; | 38 | 16° in voorkomend geval de verkrijgingen van vruchtgebruik met toepassing van artikel 4.18 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van de akte van schenking bij de aangifte gevoegd. In geval van verzaking aan het vruchtgebruik op een ander tijdstip wordt het stuk gevoegd waaruit die verzaking blijkt; |
| 39 | 17° in voorkomend geval welke schenkingen, levensverzekeringen en legaten aan inbreng of inkorting zijn onderworpen en in bevestigend geval op welke wijze de inbreng of inkorting gebeurt. | 39 | 17° in voorkomend geval welke schenkingen, levensverzekeringen en legaten aan inbreng of inkorting zijn onderworpen en in bevestigend geval op welke wijze de inbreng of inkorting gebeurt. |
| 40 | Als het successierecht verschuldigd is, bevat de aangifte bovendien de uitdrukkelijke vermelding van het adres en de datum en duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de erflater of de afwezige gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden of aan het tijdstip waarop het laatste bericht van de afwezige werd ontvangen. | 40 | Als het successierecht verschuldigd is, bevat de aangifte bovendien de uitdrukkelijke vermelding van het adres en de datum en duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de erflater of de afwezige gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden of aan het tijdstip waarop het laatste bericht van de afwezige werd ontvangen. |
| 1 | § 1. De bepalingen van boek III, titel III, hoofdstuk V, afdeling IV, van het Burgerlijk Wetboek zijn inzake de belastingen, vermeld in deze codex, niet van toepassing. | 1 | § 1. De bepalingen van artikel 5.182 en boek 5, titel 3, ondertitel 8, hoofdstuk 4, van het Burgerlijk Wetboek zijn inzake de belastingen, vermeld in deze codex, niet van toepassing. |
| 2 | § 2. Elke som die aan een persoon moet worden teruggegeven of betaald, hetzij in het kader van de toepassing van deze codex, hetzij krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan naar keuze en zonder formaliteit door het bevoegde personeelslid worden aangewend ter betaling van de door hem verschuldigde bedragen bij de toepassing van deze codex of ter voldoening van de niet-fiscale schuldvorderingen waarvan de inning en invordering, door of krachtens een bepaling met kracht van wet door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden verzekerd. | 2 | § 2. Elke som die aan een persoon moet worden teruggegeven of betaald, hetzij in het kader van de toepassing van deze codex, hetzij krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan naar keuze en zonder formaliteit door het bevoegde personeelslid worden aangewend ter betaling van de door hem verschuldigde bedragen bij de toepassing van deze codex of ter voldoening van de niet-fiscale schuldvorderingen waarvan de inning en invordering, door of krachtens een bepaling met kracht van wet door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden verzekerd. |
| 3 | Het eerste lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure. | 3 | Het eerste lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure. |
| 1 | De inschrijvingen, effecten op naam of aan toonder, sommen, waarden, gesloten koffers, omslagen en colli's, vermeld in artikel 96 tot en met 99 van het federale Wetboek van Successierechten, mogen niet het voorwerp uitmaken van een conversie, een overdracht, een teruggave of een betaling, als ze geheel of gedeeltelijk toekomen aan een erfgenaam, legataris, begiftigde of andere rechthebbende die buiten de Europese Economische Ruimte woont, voordat de bij artikel 3.10.5.5.1 opgelegde waarborg is gesteld. | 1 | De inschrijvingen, effecten op naam of aan toonder, sommen, waarden, gesloten koffers, omslagen en colli's, vermeld in artikel 96 tot en met 99 van het federale Wetboek van Successierechten, mogen niet het voorwerp uitmaken van een conversie, een overdracht, een teruggave of een betaling, als ze geheel of gedeeltelijk toekomen aan een erfgenaam, legataris, begiftigde of andere rechthebbende die buiten de Europese Economische Ruimte woont, voordat de bij artikel 3.10.5.5.1 opgelegde waarborg is gesteld. |
| 2 | Als in de gevallen, vermeld in artikel 101 van het federale Wetboek van Successierechten, onder de rechthebbenden een of meer personen zijn die buiten de Europese Economische Ruimte wonen, mag de verhuurder van de brandkast of de notaris die de door het voormelde artikel voorgeschreven lijst of inventaris heeft opgemaakt, de inbezitneming door de rechthebbenden van de in de kast liggende zaken niet toestaan voordat de door artikel 3.10.5.5.1 opgelegde waarborg is gesteld. | 2 | Als in de gevallen, vermeld in artikel 101 van het federale Wetboek van Successierechten, onder de rechthebbenden een of meer personen zijn die buiten de Europese Economische Ruimte wonen, mag de verhuurder van de brandkast of de notaris die de door het voormelde artikel voorgeschreven lijst of inventaris heeft opgemaakt, de inbezitneming door de rechthebbenden van de in de kast liggende zaken niet toestaan voordat de door artikel 3.10.5.5.1 opgelegde waarborg is gesteld. |
| 3 | In afwijking van het eerste lid en voor de waarborg, opgelegd door artikel 3.10.5.5.1, is gesteld, mag de schuldenaar van deposito's op een gemeenschappelijke of onverdeelde zicht- of spaarrekening waarvan de erflater of de langstlevende echtgenoot houder of medehouder is of waarvan de langstlevende wettelijk samenwonende medehouder is, overeenkomstig de bij artikel 1240ter van het Burgerlijk Wetboek bepaalde nadere regels een bedrag ter beschikking stellen dat de helft van de beschikbare creditsaldi noch 5000 euro overschrijdt. | 3 | In afwijking van het eerste lid en voor de waarborg, opgelegd door artikel 3.10.5.5.1, is gesteld, mag de schuldenaar van deposito's op een gemeenschappelijke of onverdeelde zicht- of spaarrekening waarvan de erflater of de langstlevende echtgenoot houder of medehouder is of waarvan de langstlevende wettelijk samenwonende medehouder is, overeenkomstig de bij artikel 4.65 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde nadere regels een bedrag ter beschikking stellen dat de helft van de beschikbare creditsaldi noch 5000 euro overschrijdt. |
| 4 | Het bedrag, vermeld in het derde lid, wordt uitbetaald onverminderd de betaling van de bevoorrechte kosten, vermeld in artikel 19 en artikel 20 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. | 4 | Het bedrag, vermeld in het derde lid, wordt uitbetaald onverminderd de betaling van de bevoorrechte kosten, vermeld in artikel 19 en artikel 20 van de Hypotheekwet van 16 december 1851. |
| 1 | Vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag die volgt op de verzending van het bericht, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, wordt door het bevoegde personeelslid aan de notaris kennisgegeven van het bedrag van de belastingen en toebehoren die aanleiding kunnen geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van het Vlaamse Gewest op de goederen die het voorwerp van de akte zijn, op een van de volgende wijzen : | 1 | Vóór het verstrijken van de tiende werkdag die volgt op de verzending van het bericht, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, wordt door het bevoegde personeelslid aan de notaris kennisgegeven van het bedrag van de belastingen en toebehoren die aanleiding kunnen geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van het Vlaamse Gewest op de goederen die het voorwerp van de akte zijn, op een van de volgende wijzen : |
| 2 | 1° door gebruikmaking van informaticatechnieken; | 2 | 1° door gebruikmaking van informaticatechnieken; |
| 3 | 2° met een aangetekende brief met ontvangstmelding. | 3 | 2° met een aangetekende brief met ontvangstmelding. |
| 1 | § 1. Als de akte, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, verleden is, geldt de kennisgeving, vermeld in artikel 3.12.1.0.2, als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, en als verzet tegen de prijs als vermeld in artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek, in de gevallen waarin de notaris gehouden is de bedragen en waarden conform artikel 1639 tot en met 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen. | 1 | § 1. Als de akte, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, verleden is, geldt de kennisgeving, vermeld in artikel 3.12.1.0.2, als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, en als verzet tegen de prijs als vermeld in artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek, in de gevallen waarin de notaris gehouden is de bedragen en waarden conform artikel 1639 tot en met 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen. |
| 2 | Met behoud van de rechten van derden is de notaris ertoe gehouden, als de akte, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, verleden is, behalve in geval van de toepassing van artikel 1639 tot en met 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie te betalen voor het bedrag van de belastingen en toebehoren die hem ter uitvoering van artikel 3.12.1.0.2 ter kennis zijn gebracht en in zoverre deze belastingen en toebehoren niet betwist worden. | 2 | Met behoud van de rechten van derden is de notaris ertoe gehouden, als de akte, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, verleden is, behalve in geval van de toepassing van artikel 1639 tot en met 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de zevende werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie te betalen voor het bedrag van de belastingen en toebehoren die hem ter uitvoering van artikel 3.12.1.0.2 ter kennis zijn gebracht en in zoverre deze belastingen en toebehoren niet betwist worden. |
| 3 | Als de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal van de sommen, verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, moet de notaris daarenboven, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, inlichtingen daarover verstrekken aan : | 3 | Als de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal van de sommen, verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, moet de notaris daarenboven, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, inlichtingen daarover verstrekken aan : |
| 4 | 1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden; | 4 | 1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden; |
| 6 | De datum van de inlichting is, naargelang het geval, de datum van ontvangstmelding, meegedeeld door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, of de datum van ontvangstmelding van de aangetekende brief. | 6 | De datum van de inlichting is, naargelang het geval, de datum van ontvangstmelding, meegedeeld door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, of de datum van ontvangstmelding van de aangetekende brief. |
| 7 | § 2. Als dezelfde inlichting achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, zal de inlichting, opgesteld conform paragraaf 1, derde lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de inlichting, opgesteld conform paragraaf 1, derde lid, 1°. | 7 | § 2. Als dezelfde inlichting achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, zal de inlichting, opgesteld conform paragraaf 1, derde lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de inlichting, opgesteld conform paragraaf 1, derde lid, 1°. |
| 8 | § 3. Met behoud van de rechten van derden kan de overschrijving of de inschrijving van de akte niet tegen het Vlaamse Gewest ingeroepen worden als de inschrijving van de wettelijke hypotheek plaatsvindt binnen acht werkdagen na de datum van de inlichting, vermeld in paragraaf 1, vierde lid. | 8 | § 3. Met behoud van de rechten van derden kan de overschrijving of de inschrijving van de akte niet tegen het Vlaamse Gewest ingeroepen worden als de inschrijving van de wettelijke hypotheek plaatsvindt binnen zeven werkdagen na de datum van de inlichting, vermeld in paragraaf 1, vierde lid. |
| 9 | Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor pas na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, derde lid, beslag wordt gelegd of verzet wordt aangetekend, zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belastingen en toebehoren, die ter uitvoering van artikel 3.12.1.0.2 ter kennis zijn gegeven. | 9 | Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor pas na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, derde lid, beslag wordt gelegd of verzet wordt aangetekend, zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belastingen en toebehoren, die ter uitvoering van artikel 3.12.1.0.2 ter kennis zijn gegeven. |
| 1 | Openbare ambtenaren of ministeriële officieren, belast met de openbare verkoping van roerende goederen waarvan de waarde ten minste 250 euro bedraagt, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen en toebehoren die de eigenaar op het ogenblik van de verkoping schuldig is, als ze niet ten minste acht werkdagen vooraf de volgende instanties of personen verwittigen op de volgende wijze : | 1 | Openbare ambtenaren of ministeriële officieren, belast met de openbare verkoping van roerende goederen waarvan de waarde ten minste 2500 euro bedraagt, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen en toebehoren die de eigenaar op het ogenblik van de verkoping schuldig is, als ze niet ten minste zeven werkdagen vooraf de volgende instanties of personen verwittigen op de volgende wijze : |
| 2 | 1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden; | 2 | 1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden; |
| 3 | 2° het bevoegde personeelslid van de woonplaats of van de hoofdinrichting van de eigenaar met een aangetekende brief met ontvangstmelding als het bericht niet meegedeeld kan worden op de wijze, vermeld in 1°. | 3 | 2° het bevoegde personeelslid van de woonplaats of van de hoofdinrichting van de eigenaar met een aangetekende brief met ontvangstmelding als het bericht niet meegedeeld kan worden op de wijze, vermeld in 1°. |
| 4 | Als de kennisgeving heeft plaatsgevonden conform het eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van die kennisgeving verstaan, de datum van ontvangstmelding die de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat heeft meegedeeld. | 4 | Als de kennisgeving heeft plaatsgevonden conform het eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van die kennisgeving verstaan, de datum van ontvangstmelding die de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat heeft meegedeeld. |
| 5 | Als dezelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal de kennisgeving conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 1°. | 5 | Als dezelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal de kennisgeving conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 1°. |
| 6 | Met behoud van de rechten van derden en behalve in geval van de toepassing van artikel 1627 tot en met 1638 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de openbare ambtenaren of ministeriële officieren gehouden de bedragen en waarden die ze onder zich houden, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op de verkoping, te betalen aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ten bedrage van de belastingen en toebehoren die de openbare ambtenaar of de ministeriële officier ter uitvoering van het eerste lid ter kennis zijn gebracht en in zoverre deze belastingen en toebehoren niet betwist worden. | 6 | Met behoud van de rechten van derden en behalve in geval van de toepassing van artikel 1627 tot en met 1638 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de openbare ambtenaren of ministeriële officieren gehouden de bedragen en waarden die ze onder zich houden, uiterlijk de zevende werkdag die volgt op de verkoping, te betalen aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ten bedrage van de belastingen en toebehoren die de openbare ambtenaar of de ministeriële officier ter uitvoering van het eerste lid ter kennis zijn gebracht en in zoverre deze belastingen en toebehoren niet betwist worden. |