Decreet betreffende het duaal leren in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4
Staatsblad 21 december 2018 NUMAC 2018015401
11 artikels gewijzigd
| 1 | § 1. Onverminderd het reglementair voorziene lesurenpakket dat wordt toegekend, wordt aan elke door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instelling voor buitengewoon secundair onderwijs die de opleiding tuinbouwarbeiderorganiseert of die binnen het studiegebied land- en tuinbouw ten minste een van de structuuronderdelen landbouw, tuinbouw, landbouwtechnieken, tuinbouwtechnieken en paardrijden en -verzorgen organiseert, een specifiek aantal lesuren toegekend. | 1 | § 1. Onverminderd het reglementair voorziene lesurenpakket dat wordt toegekend, wordt aan elke door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde instelling voor buitengewoon secundair onderwijs die de opleiding tuinbouwarbeider, de opleiding medewerker groen- en tuinbeheer duaal en de opleiding assistent plantaardige productie duaal organiseert of die binnen het studiegebied land- en tuinbouw ten minste een van de structuuronderdelen landbouw, tuinbouw, landbouwtechnieken, tuinbouwtechnieken en paardrijden en -verzorgen organiseert, een specifiek aantal lesuren toegekend. |
| 2 | Dat specifieke aantal lesuren, dat respectievelijk overeenstemt met één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met praktische vakken in de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 of één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met beroepsgerichte vorming in opleidingsvorm 3 moet de instelling toestaan : | 2 | Dat specifieke aantal lesuren, dat respectievelijk overeenstemt met één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met praktische vakken in de tweede en derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 of één voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met beroepsgerichte vorming in opleidingsvorm 3 moet de instelling toestaan : |
| 3 | 1° de culturen, de serres en de veestapel die van de instelling afhangen, uit te baten en te onderhouden; | 3 | 1° de culturen, de serres en de veestapel die van de instelling afhangen, uit te baten en te onderhouden; |
| 4 | 2° tijdens de praktijklessen aan de leerlingen van het studiegebied land- en tuinbouw illustratieve demonstraties te geven die rekening houden met de technische en technologische ontwikkelingen in de sector. | 4 | 2° tijdens de praktijklessen aan de leerlingen van het studiegebied land- en tuinbouw illustratieve demonstraties te geven die rekening houden met de technische en technologische ontwikkelingen in de sector. |
| 5 | § 2. Voor de toepassing van dit artikel worden alle administratieve groepen uit de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de integratiefase van de opleiding tuinbouwarbeidervan opleidingsvorm 3 en alle structuuronderdelen van het studiegebied land- en tuinbouw van opleidingsvorm 4, dat zich over de tweede en derde graad van het technisch en beroepssecundair onderwijs uitstrekt, in aanmerking genomen, met uitzondering van die structuuronderdelen waarvan de wekelijkse lessentabel geen praktijkvakken bevat. | 5 | § 2. Voor de toepassing van dit artikel worden alle administratieve groepen uit de opleidingsfase, de kwalificatiefase en de integratiefase van de opleiding tuinbouwarbeider, de opleiding medewerker groen- en tuinbeheer duaal en de opleiding assistent plantaardige productie duaal van opleidingsvorm 3 en alle structuuronderdelen van het studiegebied land- en tuinbouw van opleidingsvorm 4, dat zich over de tweede en derde graad van het technisch en beroepssecundair onderwijs uitstrekt, in aanmerking genomen, met uitzondering van die structuuronderdelen waarvan de wekelijkse lessentabel geen praktijkvakken bevat. |
| 2 | 1° de observatiefase duurt één volledig schooljaar. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding, kan hier door middel van een gemotiveerde beslissing voor individuele leerlingen van afwijken; | 2 | 1° de observatiefase duurt één volledig schooljaar. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding, kan hier door middel van een gemotiveerde beslissing voor individuele leerlingen van afwijken; |
| 3 | 2° de opleidingsfase omvat ten minste twee schooljaren. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleidingg, bepaalt voor iedere leerling de duur van deze fase; | 3 | 2° de opleidingsfase omvat ten minste twee schooljaren. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleidingg, bepaalt voor iedere leerling de duur van deze fase; |
| 4 | 3° de kwalificatiefase omvat ten minste twee schooljaren. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding, bepaalt voor iedere leerling de duur van deze fase en kan voor individuele leerlingen het traject ook verkorten naar één schooljaar. Op het einde van deze kwalificatiefase is er voor de leerlingen die toegelaten worden door de klassenraad een kwalificatieproef voor de kwalificatiecommissie. Er kunnen bijkomende opleidingen binnen eenzelfde samenhangend geheel van opleidingen worden georganiseerd voor dezelfde leerling, indien deze reeds een studiebekrachtiging van een opleiding behaald heeft en de klassenraad de leerling toelaat tot bijkomende opleidingen; | 4 | 3° de kwalificatiefase omvat ten minste twee schooljaren. De klassenraad, in samenspraak met het centrum voor leerlingenbegeleiding, bepaalt voor iedere leerling de duur van deze fase en kan voor individuele leerlingen het traject ook verkorten naar één schooljaar. Op het einde van deze kwalificatiefase is er voor de leerlingen die toegelaten worden door de klassenraad een kwalificatieproef voor de kwalificatiecommissie. Er kunnen bijkomende opleidingen binnen hetzelfde studiedomein worden georganiseerd voor dezelfde leerling, indien deze reeds een studiebekrachtiging van een opleiding behaald heeft en de klassenraad de leerling toelaat tot bijkomende opleidingen; |
| 5 | 4° de facultatieve integratiefase omvat één volledig schooljaar, in de vorm van een alternerende beroepsopleiding, bestaande uit 1200 uur vorming op school en werkervaring in een bedrijf. De vorming op school bestaat uit minimum 400 uur algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. De werkervaring bestaat uit minimum 700 uur werkervaring in een regulier bedrijf, onder de vorm van leerlingenstage. Er kan geen tweede schooljaar alternerende beroepsopleiding worden georganiseerd voor één leerling. Deze facultatieve integratiefase van één schooljaar kan bij wijze van uitzondering door de klassenraad wel verlengd worden tot een tweede schooljaar. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze verlenging mogelijk is. | 5 | 4° de facultatieve integratiefase omvat één volledig schooljaar, in de vorm van een alternerende beroepsopleiding, bestaande uit 1200 uur vorming op school en werkervaring in een bedrijf. De vorming op school bestaat uit minimum 400 uur algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming. De werkervaring bestaat uit minimum 700 uur werkervaring in een regulier bedrijf, onder de vorm van leerlingenstage. Er kan geen tweede schooljaar alternerende beroepsopleiding worden georganiseerd voor één leerling. Deze facultatieve integratiefase van één schooljaar kan bij wijze van uitzondering door de klassenraad wel verlengd worden tot een tweede schooljaar. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze verlenging mogelijk is. |
| 6 | § 2. In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage. | 6 | § 2. In deze opleidingsvorm kan tijdens het schooljaar in het laatste jaar van de opleidingsfase en in de kwalificatiefase gedurende een beperkt aantal dagen een leerlingenstage worden ingericht, die in groep en onder voortdurende begeleiding van de leraar plaatsvindt. In de kwalificatiefase is tijdens het schooljaar gedurende een beperkt aantal dagen leerlingenstage verplicht, waarbij elke leerling-stagiair afzonderlijk op stage gaat. Uitzonderlijk kunnen de leerlingenstages die in de kwalificatiefase plaatsvinden georganiseerd worden tijdens de vakanties. De werkervaring in de integratiefase wordt organisatorisch gelijkgesteld met een leerlingenstage. |
| 7 | § 3. Op het einde van de opleidingsfase kan de leerling een studieadvies krijgen van de klassenraad. Op het einde van de kwalificatiefase en op het einde van de integratiefase moet de leerling een studiebekrachtiging van de klassenraad ontvangen. Bij wijze van uitzondering kan de klassenraad in de integratiefase ook een leerling voor het einde van het schooljaar een studiebekrachtiging geven, indien deze leerling tewerkgesteld is en voorafgaand aan deze tewerkstelling 900 uur vorming heeft gevolgd, waarvan minimaal 300 uur schoolse vorming en minimaal 525 uur werkervaring, onder de vorm van leerlingenstage. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de bekrachtiging van de studie door de klassenraad en de modellen van de studiebewijzen. | 7 | § 3. Op het einde van de opleidingsfase kan de leerling een studieadvies krijgen van de klassenraad. Op het einde van de kwalificatiefase en op het einde van de integratiefase moet de leerling een studiebekrachtiging van de klassenraad ontvangen. Bij wijze van uitzondering kan de klassenraad in de integratiefase ook een leerling voor het einde van het schooljaar een studiebekrachtiging geven, indien deze leerling tewerkgesteld is en voorafgaand aan deze tewerkstelling 900 uur vorming heeft gevolgd, waarvan minimaal 300 uur schoolse vorming en minimaal 525 uur werkervaring, onder de vorm van leerlingenstage. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de bekrachtiging van de studie door de klassenraad en de modellen van de studiebewijzen. |
| 8 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels inzake de organisatie en inhoud van opleidingsvorm 3, de mogelijke opleidingen en samenhangende gehelen van opleidingen die kunnen worden georganiseerd in opleidingsvorm 3 en hun opleidingsprofielen, de verdere bevoegdheden van de klassenraad en de samenstelling en de bevoegdheden van de kwalificatiecommissie. | 8 | § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels inzake de organisatie en inhoud van opleidingsvorm 3 en de mogelijke opleidingen die kunnen worden georganiseerd in opleidingsvorm 3 en hun opleidingsprofielen, de verdere bevoegdheden van de klassenraad en de samenstelling en de bevoegdheden van de kwalificatiecommissie. |
| 9 | § 5. In afwijking van paragraaf 1, 4°, en paragraaf 2 en 3, wordt in duaal leren op het niveau van de integratiefase van opleidingsvorm 3 de werkervaring in een regulier bedrijf georganiseerd onder de vorm van een arbeidsdeelname in een regulier bedrijf als vermeld in artikel 357/2. | ||
| 1 | De programmatie van een aanloopstructuuronderdeel in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, volgt uit de programmatie van een duaal structuuronderdeel. Bij de programmatie van het duale structuuronderdeel, vermeld in artikel 357/9, kan een aanbieder van de aanloopfase ook de bijbehorende aanloopstructuuronderdelen programmeren. | 1 | De programmatie van een aanloopstructuuronderdeel volgt uit de programmatie van een duaal structuuronderdeel. Bij de programmatie van het duale structuuronderdeel, vermeld in artikel 357/9, kan een aanbieder van de aanloopfase ook de bijbehorende aanloopstructuuronderdelen programmeren. |
| 1 | Duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4 worden als voltijds buitengewoon secundair onderwijs beschouwd. |
| 1 | Een aanbieder duaal leren kan een duaal structuuronderdeel opstarten tot en met de eerste lesdag van oktober. |
| 1 | Bij de toepassing van artikel 281 worden duale structuuronderdelen niet in aanmerking genomen. |
| 1 | Artikel 357/9 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. | ||
| 2 | Artikel 357/10 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. | ||
| 3 | Artikel 357/11 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat ook de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 293, § 2, en artikel 294, van toepassing zijn. | ||
| 4 | Artikel 357/12 tot en met 357/14 zijn ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. | ||
| 5 | Artikel 357/15 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dien verstande dat de woorden "algemene vorming" voor opleidingsvorm 3 als de woorden "de algemene en sociale vorming" worden gelezen. | ||
| 6 | Artikel 357/16 en 357/17 zijn ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. | ||
| 7 | Artikel 357/18 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat voor opleidingsvorm 3 moet worden aangevuld dat het behalen van de eindstudiebekrachtiging op het einde van de kwalificatiefase of de integratiefase niet tot gevolg mag hebben dat een leerling vóór het jaar waarin hij de leeftijd van achttien jaar bereikt, zijn opleiding of deelname aan het leerplichtonderwijs beëindigt. | ||
| 8 | Artikel 357/19 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, als de aanpassingen de werkplekcomponent betreffen. |
| 1 | Artikel 357/20 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. | ||
| 2 | Artikel 357/21 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat de leerling door de trajectbegeleider ondersteund moet worden bij onder andere het intakegesprek, de voorbereiding of de opvolging ervan en dat de mentor aanwezig is bij het intakegesprek. | ||
| 3 | Artikel 357/22 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat wat de duur betreft, de opleiding in opleidingsvorm 3 minstens 32 opleidingsuren omvat. | ||
| 4 | Artikel 357/23 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. | ||
| 5 | Artikel 357/24 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4, met dit verschil dat het opleidingsplan wordt opgenomen in het handelingsplan. |
| 1 | De duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4 volgen voor de berekening van de financiering of subsidiëring van de personeelsleden de bepalingen die gelden voor de niet-duale structuuronderdelen in die opleidingsvormen. Daarbij wordt voor de berekening van het onderwijskundig personeel in opleidingsvorm 3 rekening gehouden met het minimale en het maximale aantal lesuren per week, vermeld in artikel 333, en het aantal lesuren dat voor de berekening in de integratiefase is vastgelegd op 38. | ||
| 2 | De duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4 volgen voor de berekening van de financiering en de subsidiëring van de werking de bepalingen die gelden voor de niet-duale structuuronderdelen in die opleidingsvormen. |
| 1 | Met behoud van de aanwendingsmogelijkheden van het pakket lesuren en uren, zoals bepaald in of krachtens deze codex, gelden de volgende specifieke en deels afwijkende bepalingen voor duale structuuronderdelen: | ||
| 2 | 1° een aantal lesuren en uren worden aangewend als uren die geen lesuren zijn in de vorm van trajectbegeleiding en aangeduid worden als "trajectbegeleiding duaal". De Vlaamse Regering kan voor de voormelde aanwending een minimum bepalen dat kan variëren naargelang van het structuuronderdeel of de groep van structuuronderdelen; | ||
| 3 | 2° lesuren en uren kunnen in alle duale structuuronderdelen worden aangewend voor voordrachtgevers. De Vlaamse Regering bepaalt voor de voormelde aanwending een maximum dat kan variëren naargelang van het structuuronderdeel of de groep van structuuronderdelen; | ||
| 4 | 3° onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kunnen lesuren en uren door een aanbieder aan een andere aanbieder, voor de lesuren ook van een ander net, worden overgedragen voor de organisatie van een deel van duale structuuronderdelen. Bij de overdracht van een school voor buitengewoon secundair onderwijs aan een centrum voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen worden de desbetreffende lesuren en uren omgezet in een krediet volgens parameters die de Vlaamse Regering vastlegt. Die parameters worden toegepast als een centrum voor de vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen uren uitbesteedt aan een school voor buitengewoon secundair onderwijs; | ||
| 5 | 4° onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kunnen lesuren door een aanbieder aan een centrum voor volwassenenonderwijs, ook van een ander net, worden overdragen voor de organisatie van een deel van de duale structuuronderdelen. |
| 1 | Artikel 357/30 is ook van toepassing op de duale structuuronderdelen van het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 3 en 4. |