§ flandrepo

Tot wijziging van meerdere decreten over het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, wat betreft de studietoelagen in het hoger onderwijs en de kinderdagverblijven en voor- en nabewaking in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad #759

Gemerged Vlaamse Regering voegde 2 artikels samen in decreet-2007-06-08 · 23 maart 2026 Alle checks geslaagd
Amendementen
21 april 2026 · 3 blz.
759/2 Officiële PDF
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks; de aanvaarde amendementen zitten in de volgende tekst van het voorstel. Hieronder de tekst uit de PDF.
Zie de documentenfiche op vlaamsparlement.be ingediend op 20 april 2026 (2025-2026) Amendementen op het ontwerp van decreet tot wijziging van meerdere decreten over het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, wat betreft de studietoelagen in het hoger onderwijs en de kinderdagverblijven en voor- en nabewaking in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad AMENDEMENT NR. 1 voorgesteld door Kim Buyst Artikel 3 Het getal ‘54’ telkens vervangen door het getal ‘45’. VERANTWOORDING De voorgestelde verhoging van het minimumaantal studiepunten van 27 naar 54 betekent een heel ingrijpende verstrenging, waarbij de toegang tot studietoelagen in de praktijk wordt beperkt tot studenten die een vrijwel voltijds traject opnemen. Dat staat op gespannen voet met de realiteit van het hedendaagse hoger onderwijs, waarin een aanzienlijke groep studenten zijn studies combineert met werk, zorg of andere engagementen. Een minimumgrens van 45 studiepunten biedt een meer evenwichtige benadering, die zowel rekening houdt met de doelstelling van de decreetgever als met de diversiteit aan studietrajecten. Enerzijds blijft met 45 studiepunten duidelijk aansluiting bestaan bij een substantiële studie-inzet. Studenten nemen daarmee nog altijd driekwart van een voltijds studieprogramma op, wat voldoende is om studievoortgang en engagement te stimuleren. De koppeling tussen de studietoelagen en een reële studiebelasting blijft dus behouden, en de doelstelling van een doelmatige aanwending van publieke middelen wordt niet ondergraven. Anderzijds vermijdt die grens dat de studietoelage exclusief wordt voorbehouden aan studenten die een bijna volledig voltijds traject volgen. De voorgestelde drempel van 54 studiepunten komt neer op 90 procent van een standaardstudieprogramma en houdt onvoldoende rekening met de realiteit dat een aanzienlijke groep studenten hun traject om legitieme redenen spreidt in de tijd. Hoewel de keuze voor 54 studiepunten in de memorie van toelichting wordt verantwoord door te verwijzen naar de definitie van een voltijds studiejaar (54 tot 66 studiepunten), betreft dat geen dwingende norm maar een beleidsmatige keuze. Ook een lagere drempel kan perfect verzoend worden met de doelstellingen van studievoortgang en efficiënt gebruik van publieke middelen, zonder de toegankelijkheid van het hoger onderwijs disproportioneel te beperken. Hoewel het ontwerp voorziet in uitzonderingscategorieën, kunnen die niet verhelpen dat de algemene norm zelf heel hoog wordt gelegd. Dergelijke uitzonderingsregimes veronderstellen immers dat studenten hun situatie moeten aantonen via bijkomende procedures en attesten, wat drempels creëert en de toegang tot studietoelagen minder vanzelfsprekend maakt. Bovendien dekken zij niet noodzakelijk alle situaties waarin studenten bewust of noodgedwongen een minder zwaar studieprogramma opnemen. Een hoge algemene drempel, gecombineerd met uitzonderingen, leidt tot een systeem waarin flexibiliteit niet structureel wordt erkend, maar slechts uitzonderlijk en onder voorwaarden wordt toegestaan. Dat staat haaks op de doelstelling om studietrajecten maximaal af te stemmen op de diverse realiteit van studenten. De keuze voor 45 studiepunten sluit bovendien beter aan bij de beleidslijn van flexibilisering en trajectmaatwerk die de voorbije jaren in het hoger onderwijs werd ontwikkeld. Het systeem van studiepunten en individuele trajecten werd net ingevoerd om maatwerk mogelijk te maken. Een te strikte koppeling van studietoelagen aan een vrijwel voltijds traject dreigt die flexibiliteit uit te hollen. Daarnaast moet worden vermeden dat een te hoge minimumgrens contraproductieve effecten heeft. Studenten kunnen zich genoodzaakt zien om meer studiepunten op te nemen dan pedagogisch verantwoord is, wat het risico op falen en uitval verhoogt. Dat staat haaks op de doelstelling om studievoortgang te bevorderen. Ten slotte biedt een tussenliggende norm zoals 45 studiepunten een proportioneel alternatief dat beter bestand is tegen kritiek over gelijke onderwijskansen. Strengere normen treffen immers in de praktijk vaker studenten uit minder bevoorrechte milieus, waardoor de toegankelijkheid van het hoger onderwijs onder druk komt te staan. Een minimumgrens van 45 studiepunten vormt een evenwicht tussen het stimuleren van studie-inzet en het waarborgen van toegankelijkheid, flexibiliteit en sociale rechtvaardigheid. ◼ AMENDEMENT NR. 2 voorgesteld door Kim Buyst Artikel 16 De zinsnede ‘2026-2027’ telkens vervangen door de zinsnede ‘2027-2028’. VERANTWOORDING De in het ontwerp van decreet bepaalde verstrenging van de voorwaarden voor studietoelagen – met name de invoering van een leeftijdsgrens en de verhoging van het minimumaantal op te nemen studiepunten tot 54 – heeft een aanzienlijke impact op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Hoewel die maatregelen hoofdzakelijk budgettair gemotiveerd zijn, blijkt uit de memorie van toelichting dat de concrete impact op bepaalde groepen studenten niet nauwkeurig kan worden ingeschat. Daarbij komt dat de hervorming van de studietoelagen wordt losgekoppeld van het bredere beleid voor studievoortgang en studierendement. Daardoor zullen de strengere voorwaarden – zoals de verplichting om minstens 54 studiepunten op te nemen – sneller van toepassing zijn op beursstudenten dan op nietbeursstudenten. Dat creëert een ongelijke behandeling tussen studenten, waarbij net de meest kwetsbare groep eerst met strengere normen wordt geconfronteerd. Hoewel het ontwerp voorziet in uitzonderingsmechanismen (onder meer voor werkstudenten, mantelzorgers en studenten met bijzondere statuten), dreigt dat in de praktijk te leiden tot een complex geheel van attesten, procedures en beoordelingsmechanismen. Dat verhoogt niet alleen de administratieve last voor de hogeronderwijsinstellingen, maar vormt ook een bijkomende drempel voor studenten in een kwetsbare positie. Bovendien moet die maatregel worden bekeken in samenhang met recente hervormingen voor studievoortgang. Met het …
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd