§ flandrepo

Tot wijziging van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid en het decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut, wat betreft de gedeeltelijke omzetting van de Europese richtlijnen met betrekking tot organen voor gelijke behandeling en loontransparantie #748

Gemerged Vlaamse Regering voegde 21 artikels samen in decreet-2008-07-10-1017082decreet-2022-10-28 · 17 maart 2026 Alle checks geslaagd
Amendementen
23 april 2026 · 3 blz.
748/2 Officiële PDF
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks; de aanvaarde amendementen zitten in de volgende tekst van het voorstel. Hieronder de tekst uit de PDF.
Zie de documentenfiche op vlaamsparlement.be ingediend op 21 april 2026 (2025-2026) Amendementen op het ontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansenen gelijkebehandelingsbeleid en het decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut, wat betreft de gedeeltelijke omzetting van de Europese richtlijnen met betrekking tot organen voor gelijke behandeling en loontransparantie AMENDEMENT NR. 1 voorgesteld door Fourat Ben Chikha Artikel 8 Een punt 3° toevoegen, dat luidt als volgt: “3° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: “Een door de verweerder ingestelde vordering in rechte die er kennelijk toe strekt de behandeling van een klacht door het Vlaams Mensenrechteninstituut te verhinderen, kan niet leiden tot de onontvankelijkheid of de schorsing van de behandeling van die klacht.”.”. VERANTWOORDING Het voorliggende ontwerp van decreet bepaalt dat een klacht bij het Vlaams Mensenrechteninstituut (VMRI) onontvankelijk kan worden verklaard of dat de behandeling ervan moet worden geschorst wanneer over dezelfde zaak een vordering in rechte aanhangig is. Deze regeling heeft als doel parallelle procedures te vermijden en de coherentie van de rechtsbedeling te waarborgen. Hoewel dit uitgangspunt op zichzelf legitiem is, houdt het in zijn huidige vorm een reëel risico in op strategisch of oneigenlijk gebruik door de verweerder. In het bijzonder bestaat het gevaar dat een verweerder louter door het instellen van een gerechtelijke vordering de behandeling van een klacht door het VMRI kan blokkeren, ongeacht de inhoud, ernst of opportuniteit van die vordering. Dit risico werd ook gesignaleerd in verschillende adviezen bij het ontwerp van decreet. Dit amendement wil dat risico expliciet ondervangen door decretaal vast te leggen dat een door de verweerder ingestelde vordering die kennelijk tot doel heeft de behandeling door het VMRI te verhinderen, niet tot onontvankelijkheid of schorsing kan leiden. De beoordeling van het kennelijk karakter laat ruimte voor een concrete en zorgvuldige afweging, zonder afbreuk te doen aan het algemene principe dat parallelle procedures in de regel moeten worden vermeden. Op die manier wordt het laagdrempelige, onafhankelijke en buitengerechtelijke karakter van het VMRI beschermd en wordt verhinderd dat de toegang tot dit mechanisme eenzijdig kan worden gefrustreerd door processtrategieën van de vermeende discriminerende partij. Het amendement versterkt aldus de effectieve rechtsbescherming van klagers en waarborgt dat het VMRI zijn decretale opdracht kan blijven vervullen zoals door de decreetgever bedoeld. ◼ AMENDEMENT NR. 2 voorgesteld door Fourat Ben Chikha Artikel 13/1 (nieuw) Een artikel 13/1 invoegen, dat luidt als volgt: “Art. 13/1. Aan artikel 40 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt: “§4. De Vlaamse Regering waarborgt dat het Vlaams Mensenrechteninstituut beschikt over toereikende personele, financiële en technische middelen om de hem bij of krachtens dit decreet en het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid toegewezen opdrachten op een effectieve, onafhankelijke en tijdige wijze uit te oefenen.”.”. VERANTWOORDING Met het voorliggende ontwerp van decreet worden aan het VMRI nieuwe en deels verplichte opdrachten toegekend, onder meer in het kader van de verplichte adviesverlening over regelgeving en beleidsnota’s, de mogelijkheid om als ‘amicus curiae’ op te treden en bijkomende taken die voortvloeien uit de gedeeltelijke omzetting van Europese richtlijnen inzake organen voor gelijke behandeling en loontransparantie. Het gaat daarbij niet om facultatieve bevoegdheden, maar om structurele taken die rechtstreeks voortvloeien uit Europees recht en die het VMRI geacht wordt effectief, onafhankelijk en tijdig uit te oefenen. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet wordt de bijkomende werklast geraamd op 0,3 voltijdsequivalenten (vte’s), te compenseren binnen de bestaande middelen van het instituut. Die raming heeft echter geen juridische waarde, aangezien zij niet decretaal wordt verankerd. Bovendien hebben het VMRI zelf en verschillende adviesinstanties erop gewezen dat deze inschatting de reële structurele werklast onderschat. Het risico bestaat dan ook dat het takenpakket van het VMRI inhoudelijk wordt uitgebreid zonder dat er een duidelijke norm bestaat die het noodzakelijke evenwicht tussen opdrachten en middelen bewaakt. Dit amendement beoogt daarom geen vastlegging van een concreet aantal voltijdsequivalenten of een voorafname op begrotingsbeslissingen, maar wel de invoering van een duidelijke decretale waarborg inzake middelen. Door expliciet te bepalen dat de Vlaamse Regering moet verzekeren dat het VMRI beschikt over toereikende personele, financiële en technische middelen, wordt een juridisch toetsingskader gecreëerd dat de effectiviteit en onafhankelijkheid van het instituut ondersteunt. Deze benadering sluit nauw aan bij de Europese richtlijnen 2024/1499 en 2024/1500, die vereisen dat organen voor gelijke behandeling over adequate middelen beschikken om hun taken daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. De voorgestelde bepaling versterkt aldus de materiële omzetting van deze richtlijnen en verhindert dat de uitvoering van het decreet louter afhankelijk wordt van tijdelijke beleidskeuzes of onderliggende begrotingsramingen. Tegelijk respecteert zij de begrotingsbevoegdheid van de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement, aangezien geen automatisch recht op bijkomende middelen wordt gecreëerd, maar wel een decretale verplichting om taken en middelen in samenhang te beoordelen. ◼ AMENDEMENT NR. 3 voorgesteld door Fourat Ben Chikha Artikel 22 Een tweede lid toevoegen, dat luidt als volgt: “Binnen een termijn van twaalf maanden na de inwerkingtreding van het decreet evalueert de Vlaamse Regering, in overleg met het Vlaams …
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd