§ flandrepo

Decreet over de weginfrastructuur en het wegenbeleid en de waterinfrastructuur en het waterbeleid

Vlaamse Regering #1986 Staatsblad 26 april 2024 NUMAC 2024003984
19 artikels gewijzigd
+3 −0 decreet-2013-05-03/art. 2
1In dit decreet wordt verstaan onder :1In dit decreet wordt verstaan onder :
21° algemeen reglement op de politie van het wegverkeer : het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg en de daaruit volgende toepassingsbesluiten;21° algemeen reglement op de politie van het wegverkeer : het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg en de daaruit volgende toepassingsbesluiten;
31°/1 emissiearm voertuig: een zwaar bedrijfsvoertuig dat geen emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig is, vermeld in artikel 3, punt 12, van verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van CO2­emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad;
41°/2 emissievrij voertuig: een emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig als vermeld in artikel 3, punt 11, van verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad;
51°/3 milieuvriendelijk uitzonderlijk vervoer: het vervoer van deelbare ladingen verricht met een emissievrij of emissiearm voertuig of een combinatie van voertuigen getrokken door een emissievrij of emissiearm voertuig waarvan de afmetingen, de eigen massa, de massa onder de assen of de massa in beladen toestand, door zijn constructie of samenstelling, de maxima overschrijden die zijn bepaald in het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en in het technisch reglement;
32° onderneming : natuurlijke persoon of rechtspersoon die overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de overtreder;62° onderneming : natuurlijke persoon of rechtspersoon die overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de overtreder;
43° overtreder : natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inbreuk pleegt op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan;73° overtreder : natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inbreuk pleegt op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
+6 −0 decreet-2013-05-03/art. 13/7 nieuw
1Het milieuvriendelijk uitzonderlijk vervoer is alleen mogelijk in het kader van een door de Vlaamse Regering opgezet pilootproject en onder de volgende voorwaarden:
21° de voertuigen of combinaties van voertuigen voldoen aan de volgende voorwaarden:
3a) de lengte van de sleep bedraagt niet meer dan 22 meter;
4b) de hoogte van het voertuig bedraagt niet meer dan 4,30 meter;
5c) de voertuigen en de combinaties van voertuigen voldoen, op het vlak van massa’s, aan de bepalingen van het technisch reglement;
62° er wordt, in de vergunningsaanvraag, aangetoond dat het laadvolume van het voertuig of de sleep niet hoger is dan het laadvolume van een vergelijkbaar klassiek aangedreven voertuig of een vergelijkbare klassiek aangedreven combinatie.
+6 −0 decreet-2013-05-03/art. 13/8 nieuw
1De Vlaamse Regering bepaalt de volgende aspecten van het pilootproject, vermeld in artikel 13/7:
21° de start­ en einddatum;
32° de toegelaten voertuigen of voertuigcombinaties;
43° de technische voorwaarden van de voertuigen en combinaties van voertuigen;
54° de aard van de lading die vervoerd mag worden.
6De Vlaamse Regering kan het maximum aantal vergunningen bepalen dat in het kader van het pilootproject kan worden uitgereikt.
+2 −0 decreet-2013-05-03/art. 13/9 nieuw
1De Vlaamse Regering kan in het kader van het pilootproject, vermeld in artikel 13/7, het milieuvriendelijk uitzonderlijk vervoer beperken tot de trajecten of gebieden die ze bepaalt.
2De Vlaamse Regering kan in het kader van het pilootproject, vermeld in artikel 13/7, het milieuvriendelijk uitzonderlijk vervoer verbieden op bepaalde tijdstippen, plaatsen of in bepaalde omstandigheden, of het onderwerpen aan bepaalde voorwaarden.
+4 −0 decreet-2013-05-03/art. 13/10 nieuw
1Met het oog op het uitreiken van een vergunning in het kader van het pilootproject, vermeld in artikel 13/7, bepaalt de Vlaamse Regering de volgende elementen:
21° de inhoud van de vergunning. De vergunning vermeldt minstens de maatregelen om schade aan de verkeersinfrastructuur te voorkomen en om het milieuvriendelijk uitzonderlijk vervoer veilig te laten verlopen;
32° de procedure voor de aanvraag en de afgifte van de vergunning.
4De Vlaamse Regering kan voor het uitreiken van de vergunning, vermeld in het eerste lid, en het gebruik van de verkeersinfrastructuur voor milieuvriendelijk uitzonderlijk vervoer een vergoeding bepalen.
+1 −0 decreet-2013-05-03/art. 13/11 nieuw
1In het kader van het pilootproject, vermeld in artikel 13/7, kan de Vlaamse Regering bepalen dat de dienst van de Vlaamse administratie die ze aanwijst op de hoogte gebracht wordt van het tijdstip en de gevolgde reisweg en de voertuigen van het milieuvriendelijk uitzonderlijk vervoer. De Vlaamse Regering bepaalt in dat geval ook de wijze waarop dat gebeurt en de eventuele uitzonderingen.
+1 −0 decreet-2013-05-03/art. 13/12 nieuw
1Het pilootproject, vermeld in artikel 13/7, wordt geëvalueerd. De Vlaamse Regering bepaalt de frequentie van evaluatie en de procedure voor de evaluatie van het project.
+1 −1 decreet-2013-05-03/art. 17
1§ 1. Voor inbreuken op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen wegeninspecteurs-controleurs en de Vlaamse Regering in graad van beroep een administratieve geldboete opleggen overeenkomstig de hierna bepaalde regels.1§ 1. Voor inbreuken op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen wegeninspecteurs-controleurs en de Vlaamse Regering in graad van beroep een administratieve geldboete opleggen overeenkomstig de hierna bepaalde regels.
2§ 2. Het tarief van de administratieve geldboete is gelijk aan de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen.2§ 2. Het tarief van de administratieve geldboete is gelijk aan de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen.
3In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering, voor specifieke inbreuken, het tarief van de administratieve geldboete bepalen op een bedrag dat hoger ligt dan de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen, zonder evenwel de maximumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen, te overschrijden.3In afwijking van het eerste lid is het tarief van de administratieve geldboete voor de inbreuken die de Vlaamse Regering bepaalt, gelijk aan een bedrag dat de Vlaamse Regering bepaalt, verhoogd met de opdeciemen. Het voormelde bedrag ligt hoger dan de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, en is hoogstens gelijk is aan de maximumgeldboete, vermeld in artikel 14.
4Als een overtreder binnen de positieve referentieperiode opnieuw een inbreuk op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan pleegt, kan de administratieve geldboete bepaald worden op het dubbel van de administratieve geldboete, vermeld in het eerste of het tweede lid.4Als een overtreder binnen de positieve referentieperiode opnieuw een inbreuk op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan pleegt, kan de administratieve geldboete bepaald worden op het dubbel van de administratieve geldboete, vermeld in het eerste of het tweede lid.
5In het derde lid wordt verstaan onder positieve referentieperiode : de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop een definitieve administratieve geldboete of een definitieve strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een inbreuk op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan.5In het derde lid wordt verstaan onder positieve referentieperiode : de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop een definitieve administratieve geldboete of een definitieve strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een inbreuk op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan.
+5 −3 decreet-2022-01-21/art. 80
1De volgende categorieën van vaartuigen zijn van de betaling van scheepvaartrechten of andere retributies als vermeld in artikel 79 vrijgesteld:1§1. De volgende categorieën van vaartuigen zijn van de betaling van scheepvaartrechten of andere retributies als vermeld in artikel 79 vrijgesteld:
21° vaartuigen die bestemd zijn voor openbaar personenvervoer te water, zoals veren waarmee door of in opdracht van een overheid veerdiensten worden aangeboden;21° vaartuigen die bestemd zijn voor openbaar personenvervoer te water, zoals veren waarmee door of in opdracht van een overheid veerdiensten worden aangeboden;
32° schepen die zich voor de vervulling van openbare diensten door of in opdracht van een overheid verplaatsen;32° schepen die zich voor de vervulling van openbare diensten door of in opdracht van een overheid verplaatsen;
54° ijsbrekers, wanneer zij worden ingezet om ijsvorming te bestrijden;54° ijsbrekers, wanneer zij worden ingezet om ijsvorming te bestrijden;
65° schepen die bij vloed of wanneer het nodig is het water geheel of gedeeltelijk af te laten worden verhaald naar plaatsen waar ze de vrije loop van het water niet kunnen hinderen, en die later, wanneer de oorzaak van verplaatsing opgehouden heeft, naar hun eerste ligplaats terugkeren;65° schepen die bij vloed of wanneer het nodig is het water geheel of gedeeltelijk af te laten worden verhaald naar plaatsen waar ze de vrije loop van het water niet kunnen hinderen, en die later, wanneer de oorzaak van verplaatsing opgehouden heeft, naar hun eerste ligplaats terugkeren;
76° schepen gebruikt voor de uitvoering van werkzaamheden van onderhoud of verbetering der waterwegen door of in opdracht van de waterwegbeheerder, of voor vervoer verband houdende met deze werkzaamheden, voor zover die schepen zich met het oog op de uitvoering van de opdracht verplaatsen.76° schepen gebruikt voor de uitvoering van werkzaamheden van onderhoud of verbetering der waterwegen door of in opdracht van de waterwegbeheerder, of voor vervoer verband houdende met deze werkzaamheden, voor zover die schepen zich met het oog op de uitvoering van de opdracht verplaatsen;
87° bijboten terwijl ze worden ingezet voor het aan en van boord brengen van personen en goederen, en bij redding, berging en werkzaamheden.
8Met uitzondering van de categorieën van vaartuigen, vermeld in punt 1° en 3° van het eerste lid, moet een schip dat in een van de hierboven vermelde uitzonderingsgevallen verkeert, zich bij het binnenvaren in het bevoegdheidsgebied van een waterwegbeheerder of bij de afvaart binnen het bevoegdheidsgebied melden bij de waterwegbeheerder, die het kosteloos een vaarvergunning verleent.9Met uitzondering van de categorieën van vaartuigen, vermeld in het eerste lid, 1°, 3° en 7°, moet een schip dat in een van de hierboven vermelde uitzonderingsgevallen verkeert, zich bij het binnenvaren in het bevoegdheidsgebied van een waterwegbeheerder of bij de afvaart binnen het bevoegdheidsgebied melden bij de waterwegbeheerder, die het kosteloos een vaarvergunning verleent.
10§2. Woonvaartuigen die beschikken over een geldige vergunning of concessie om een ligplaats in te nemen, als ze zich op hun ligplaats bevinden, of als ze gesleept worden naar een andere locatie, zijn vrijgesteld van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 79, om een waterwegenvergunning te verkrijgen.
+2 −0 decreet-2022-01-21/art. 133
32° de organisator van een activiteit of evenement als vermeld in artikel 29 die niet beschikt over een toelating van de beheerder van het jaagpad;32° de organisator van een activiteit of evenement als vermeld in artikel 29 die niet beschikt over een toelating van de beheerder van het jaagpad;
43° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 34;43° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 34;
53°/1 degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 39;
63°/2 degene die zich schuldig maakt aan de miskenning van een tijdelijk verbod of een tijdelijke beperking als vermeld in artikel 41.
54° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 46;74° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 46;
65° de eigenaar of de exploitant van een schip dat de binnenwateren bevaart zonder aan de krachtens artikel 47 opgelegde verplichting te hebben voldaan;85° de eigenaar of de exploitant van een schip dat de binnenwateren bevaart zonder aan de krachtens artikel 47 opgelegde verplichting te hebben voldaan;
+1 −1 decreet-2022-01-21/art. 198
1In afwijking van artikel 196, treden artikel 42, 166 en 167 in werking op 1 januari 2024.1In afwijking van artikel 196, treden artikel 42, 166 en 167 in werking op 1 januari 2026.
+1 −1 decreet-2019-05-03-1031839/art. 11
1Voor zover de aard en de uitgebreidheid van de bevoegdheden van de havenkapiteinsdienst dat vereisen, kan het havenbedrijf havenluitenants aanwerven of benoemen. De havenluitenants werken onder het gezag van een havenkapitein. Ze staan de havenkapitein bij in al zijn ambtsplichten. Ze brengen over alle vastgestelde misdrijven verslag uit bij de havenkapitein, die proces-verbaal opmaakt.1Voor zover de aard en de uitgebreidheid van de bevoegdheden van de havenkapiteinsdienst dat vereisen, kan het havenbedrijf havenluitenants aanwerven of benoemen. De havenluitenants werken onder het gezag van een havenkapitein. Ze staan de havenkapitein bij in al zijn ambtsplichten. Ze brengen over alle vastgestelde inbreuken verslag uit bij de havenkapitein, die proces-verbaal opmaakt.
+7 −1 decreet-2019-05-03-1031839/art. 14
1De processen-verbaal die de leden van de havenkapiteinsdienst, vermeld in artikel 10, 12 en 13, hebben opgemaakt, worden op de havenkapiteinsdienst geregistreerd en ter beschikking gesteld van de procureur des Konings. De processen-verbaal gelden tot bewijs van het tegendeel.1De processen-verbaal die de leden van de havenkapiteinsdienst, vermeld in artikel 10, 12 en 13, hebben opgemaakt, worden op de havenkapiteinsdienst geregistreerd en ter beschikking gesteld van de procureur des Konings. De processen-verbaal gelden tot bewijs van het tegendeel.
2De vaststellingen, gesteund op materiële bewijsmiddelen die door onbemande, automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, hebben bewijskracht zolang het tegendeel niet bewezen is, als het gaat om overtredingen van dit decreet. Als een overtreding werd vastgesteld door onbemande, automatisch werkende toestellen, wordt er melding van gemaakt in het proces-verbaal.
2De vaststellingen die de havenkapiteins, haveninspecteurs of havenagenten hebben gedaan met beeldmateriaal als vermeld in artikel 18, §1, derde en vierde lid, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel als de voormelde vaststellingen het voorwerp uitmaken van een proces-verbaal dat de volgende gegevens bevat:
31° bij mobiele camera’s, die in voorkomend geval intelligent zijn, de identiteit van het personeelslid dat het beeldmateriaal heeft gemaakt of de instructie daarvoor heeft gegeven;
42° de dag, de datum, het uur waarop en de exacte beschrijving van de plaats waar het beeldmateriaal is gemaakt;
53° de identificatie van het technische hulpmiddel waarmee het beeldmateriaal is gemaakt;
64° een beschrijving van wat op dat beeldmateriaal te zien is, en ook het verband met de vastgestelde inbreuk;
75° een afdruk van het beeldmateriaal of, als dat onmogelijk is, een kopie ervan op een drager als bijlage bij het proces-verbaal, en ook een volledige opgave van alle nodige technische specificaties om de kopie van dat beeldmateriaal te kunnen bekijken;
86° als er verschillende afdrukken of dragers zijn, een nummering van die afdrukken of die dragers, die ook moet voorkomen in de ermee overeenstemmende beschrijving, in het proces­verbaal, van wat op het beeldmateriaal is te zien.
+1 −1 decreet-2019-05-03-1031839/art. 16
1De bepalingen van boek I van het Strafwetboek zijn zonder uitzondering toepasselijk op de misdrijven, vermeld in artikel 15.1De bepalingen van boek I van het Strafwetboek zijn zonder uitzondering toepasselijk op de inbreuken, vermeld in artikel 15.
+1 −1 decreet-2019-05-03-1031839/art. 17
2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die onmiddellijke inning, waaronder het bedrag voor onmiddellijke inning van de geldboete, in verhouding tot de aard, de omvang en de ernst van de inbreuk. Het bedrag voor onmiddellijke inning van de geldboete voor een individuele inbreuk bedraagt maximaal 1000 euro. De Vlaamse Regering bepaalt ook het maximumbedrag dat in het kader van een onmiddellijke inning kan worden betaald in geval van de eendaadse of meerdaadse samenloop van inbreuken.2De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die onmiddellijke inning, waaronder het bedrag voor onmiddellijke inning van de geldboete, in verhouding tot de aard, de omvang en de ernst van de inbreuk. Het bedrag voor onmiddellijke inning van de geldboete voor een individuele inbreuk bedraagt maximaal 1000 euro. De Vlaamse Regering bepaalt ook het maximumbedrag dat in het kader van een onmiddellijke inning kan worden betaald in geval van de eendaadse of meerdaadse samenloop van inbreuken.
3De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen de overtreder die geldboete moet betalen en de wijze waarop die betaling kan gebeuren.3De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen de overtreder die geldboete moet betalen en de wijze waarop die betaling kan gebeuren.
4§ 2. Voor zover het gaat om een inbreuk als vermeld in artikel 15, § 1, 3° en 4°, of als vermeld in artikel 15, § 2, 3°, of voor zover het gaat om een inbreuk of een samenloop van inbreuken waarvoor geen onmiddellijke inning van de geldboete met toepassing van paragraaf 1 kan worden voorgesteld, kan de havenkapitein het bedrag van de geldboete bepalen . Die geldboete mag niet meer bedragen dan het maximumbedrag van de geldboete, vermeld in artikel 15, § 1, 3° en 4°, en § 2, 3°, verhoogd met de opdeciemen, en moet in verhouding staan tot de aard, de omvang en de ernst van de inbreuk. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen de overtreder de geldboete uiterlijk moet betalen en de wijze waarop die betaling kan gebeuren. De betalingstermijn die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld, bedraagt ten minste vijftien dagen en ten hoogste drie maanden.4§ 2. Voor zover het gaat om een inbreuk als vermeld in artikel 15, § 1, 3° en 4°, of als vermeld in artikel 15, § 2, 3°, of voor zover het gaat om een inbreuk of een samenloop van inbreuken waarvoor geen onmiddellijke inning van de geldboete met toepassing van paragraaf 1 kan worden voorgesteld, kan de havenkapitein het bedrag van de geldboete bepalen en voor de betaling ervan een minnelijke schikking voorstellen. Die geldboete mag niet meer bedragen dan het maximumbedrag van de geldboete, vermeld in artikel 15, § 1, 3° en 4°, en § 2, 3°, verhoogd met de opdeciemen, en moet in verhouding staan tot de aard, de omvang en de ernst van de inbreuk. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen de overtreder de geldboete uiterlijk moet betalen en de wijze waarop die betaling kan gebeuren. De betalingstermijn die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld, bedraagt ten minste vijftien dagen en ten hoogste drie maanden.
5§ 3. Indien de overtreder met inachtneming van de bepalingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, overgaat tot de betaling van de daarin vermelde som, heeft die betaling verval van strafvordering tot gevolg, behalve indien het openbaar ministerie binnen drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de betaling, de overtreder op de hoogte brengt van zijn voornemen om een andere straf te vorderen dan de geldboete die de havenkapitein, de haveninspecteur of de havenagent heeft opgelegd en onverminderd het recht dat de benadeelde partij heeft om voor het strafgerecht de vergoeding van de veroorzaakte schade te eisen.5§ 3. Indien de overtreder met inachtneming van de bepalingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, overgaat tot de betaling van de daarin vermelde som, heeft die betaling verval van strafvordering tot gevolg, behalve indien het openbaar ministerie binnen drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de betaling, de overtreder op de hoogte brengt van zijn voornemen om een andere straf te vorderen dan de geldboete die de havenkapitein, de haveninspecteur of de havenagent heeft opgelegd en onverminderd het recht dat de benadeelde partij heeft om voor het strafgerecht de vergoeding van de veroorzaakte schade te eisen.
6Het recht om aan de overtreder de betaling van een geldboete voor te stellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen, kan niet worden uitgeoefend als de zaak reeds bij de rechtbank aanhangig is gemaakt of als de onderzoeksrechter het instellen van een onderzoek heeft gevorderd.6Het recht om aan de overtreder de betaling van een geldboete voor te stellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen, kan niet worden uitgeoefend als de zaak reeds bij de rechtbank aanhangig is gemaakt of als de onderzoeksrechter het instellen van een onderzoek heeft gevorderd.
+3 −1 decreet-2019-05-03-1031839/art. 18
1§ 1. De havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten mogen op elk moment een vervoermiddel en/of lading, alsook plaatsen in publieke en private gebouwen die zich binnen het havengebied bevinden, betreden, onderzoeken en verzegelen, op voorwaarde dat die plaatsen geen woning uitmaken in de zin van artikel 15 van de Grondwet en de bepalingen van het internationaal zeerecht worden nageleefd. Ze mogen daarbij het benodigde materiaal meenemen en in beslag nemen. Ze mogen hierbij geen afbreuk doen aan de uitoefening van overheidsdiensten, noch aan de vereisten inzake inbeslagname van domeingoederen.1§ 1. De havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten mogen op elk moment een vervoermiddel en/of lading, alsook plaatsen in publieke en private gebouwen die zich binnen het havengebied bevinden, betreden, onderzoeken en verzegelen, op voorwaarde dat die plaatsen geen woning uitmaken in de zin van artikel 15 van de Grondwet en de bepalingen van het internationaal zeerecht worden nageleefd. Ze mogen daarbij het benodigde materiaal meenemen en in beslag nemen. Ze mogen hierbij geen afbreuk doen aan de uitoefening van overheidsdiensten, noch aan de vereisten inzake inbeslagname van domeingoederen.
2Zonder afbreuk te doen aan de regelgeving tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer kunnen de havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten vaststellingen doen met audiovisuele middelen.2De havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten kunnen vaststellingen doen met detectieapparatuur, met inbegrip van radar en marifoon.
3Voor het toezicht op en de handhaving van de reglementen van bijzondere administratieve politie inzake de in artikel 4 vermelde aangelegenheden, kunnen de havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten vaststellingen doen met beeldmateriaal van vaste en mobiele camera’s, die in voorkomend geval intelligent zijn, ongeacht de drager daarvan.
4De havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten kunnen beeldmateriaal gebruiken dat is gemaakt door een derde partij op instructie van de havenkapiteinsdienst, of ander beeldmateriaal van derden gebruiken, als die personen dat beeldmateriaal rechtmatig hebben gemaakt of verkregen.
3Bij de uitoefening van hun rechten, vermeld in deze paragraaf, mogen de havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten zich laten bijstaan door personen die ze daartoe op grond van hun deskundigheid hebben aangewezen.5Bij de uitoefening van hun rechten, vermeld in deze paragraaf, mogen de havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten zich laten bijstaan door personen die ze daartoe op grond van hun deskundigheid hebben aangewezen.
4De havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten mogen zich alle nodige inlichtingen en documenten doen verstrekken, en kunnen inzage vorderen van alle noodzakelijke documenten, stukken, titels en andere informatiedragers. Ze mogen zich die informatiedragers laten voorleggen op de plaats die ze zelf aanwijzen. Ze mogen van de documenten en informatiedragers een afschrift vragen of nemen, of die tegen ontvangstbewijs bij zich houden of meenemen voor de periode die vereist is om hun taken uit te voeren. Ze kunnen de identiteit van personen controleren, hen verhoren en alle nuttige vaststellingen doen.6De havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten mogen zich alle nodige inlichtingen en documenten doen verstrekken, en kunnen inzage vorderen van alle noodzakelijke documenten, stukken, titels en andere informatiedragers. Ze mogen zich die informatiedragers laten voorleggen op de plaats die ze zelf aanwijzen. Ze mogen van de documenten en informatiedragers een afschrift vragen of nemen, of die tegen ontvangstbewijs bij zich houden of meenemen voor de periode die vereist is om hun taken uit te voeren. Ze kunnen de identiteit van personen controleren, hen verhoren en alle nuttige vaststellingen doen.
+11 −0 decreet-2019-05-03-1031839/art. 18/1 nieuw
1Het beeldmateriaal dat verzameld wordt met vaste en mobiele camera’s, die in voorkomend geval intelligent zijn, kan geregistreerd en bewaard worden voor een duur van niet meer dan twaalf maanden vanaf het moment van opname.
2Het beeldmateriaal, vermeld in het eerste lid, kan alleen langer dan de termijn, vermeld in het eerste lid, bewaard en gebruikt worden om vastgestelde inbreuken of schadeverwekkende daden te bewijzen of om de daders ervan te identificeren. In dat geval kunnen de beelden maximaal vijf jaar bewaard worden, tenzij de camerabeelden een onderdeel zijn van een gerechtelijke procedure, in welk geval de camerabeelden uitzonderlijk langer bewaard mogen worden tot op het moment dat er geen enkel gewoon of buitengewoon rechtsmiddel meer open staat tegen de definitieve beslissing in het kader van die gerechtelijke procedure.
3De toegang tot het beeldmateriaal, vermeld in het eerste lid, is beperkt tot:
41° de personeelsleden van de havenkapiteinsdienst op voorwaarde dat dit operationeel gemotiveerd is;
52° de personeelsleden met specifieke taken in het kader van de verwerking van de door de camera’s verkregen gegevens;
63° de personen, diensten of entiteiten die op basis van bijzondere wetgeving toegang hebben tot de camerabeelden.
7De toegang tot deze gegevens is beveiligd.
8Het beeldmateriaal, vermeld in het eerste lid, kan na anonimisering worden gebruikt voor didactische en pedagogische doeleinden in het kader van opleiding.
9De camera’s, vermeld in het eerste lid, leveren geen beelden op die de intimiteit van een persoon schenden, of beelden die gericht zijn op het inwinnen van informatie over de filosofische, religieuze, politieke, syndicale gezindheid, etnische of sociale origine, het seksuele leven of de gezondheidstoestand.
10De personen die toegang hebben tot het beeldmateriaal, vermeld in het eerste lid, hebben een geheimhoudingsverplichting voor de persoonsgegevens die die beelden opleveren.
11Bij incidenten of vermoeden van gevaar voor de openbare veiligheid of voor het milieu kan het beeldmateriaal, vermeld in het eerste lid, realtime of achteraf gedeeld worden met brandweerdiensten, civiele bescherming en andere veiligheidsdiensten.
+16 −0 decreet-2019-05-03-1031839/art. 18/2 nieuw
1§1. Met het oog op de uitoefening van hun taken, vermeld in dit decreet, verwerken de personeelsleden van de havenkapiteinsdienst persoonsgegevens.
2De gegevens, vermeld in het eerste lid, zijn in het bijzonder gegevens over de identiteit, het adres, de contactgegevens, vaar- en voertuiggegevens en afbeeldingen van overtreders, van mogelijke overtreders of, in de gevallen, vermeld in artikel 17, §7 of §8, van veronderstelde overtreders, van personen die burgerrechtelijk aansprakelijk kunnen worden geacht voor een inbreuk, van getuigen en van andere personen die bij de feiten zijn betrokken.
3§2. De havenkapiteinsdienst stelt een register op waarin de volgende gegevens worden bewaard:
41° een kopie van het proces­verbaal;
52° in voorkomend geval, de stukken over de verzending van een afschrift van het proces­verbaal aan de overtreder, of, in de gevallen, vermeld in artikel 17, §7 of §8, de veronderstelde overtreder;
63° het voorstel tot betaling van een geldboete, vermeld in artikel 17, §1 of §2;
74° in voorkomend geval, alle beschikbare stukken over de borgstelling, vermeld in artikel 17, §4;
85° als de volgende gegevens bekend zijn, de identiteit en het adres van de woonplaats of de maatschappelijke zetel van de overtreder of, in de gevallen, vermeld in artikel 17, §7 of §8, de veronderstelde overtreder;
96° in voorkomend geval en als de volgende gegevens bekend zijn, de identiteit en het adres van de woonplaats of de maatschappelijke zetel van iedere persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk geacht wordt voor een inbreuk;
107° de kwalificatie van de vastgestelde inbreuken of inbreuken.
11Het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de gegevens, vermeld in het eerste lid, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdracht.
12§3. Voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in dit artikel, is het betrokken havenbedrijf de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van
1327 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
14De verwerking van de gegevens, vermeld in dit artikel, is noodzakelijk voor de vervulling van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de betrokken havenkapiteinsdienst is opgedragen. Meer bepaald worden de persoonsgegevens verzameld en verwerkt met het oog op de handhaving van havenpolitieverordeningen en havenverkeersverordeningen in de havengebieden.
15Met behoud van paragraaf 2, tweede lid, hebben de personeelsleden van de havenkapiteinsdienst alleen toegang tot de verwerkte persoonsgegevens bij de uitoefening van hun taken, vermeld in dit decreet.
16De persoonsgegevens, vermeld in dit artikel, worden tien jaar bijgehouden na het einde van de inbreuk of, als geen inbreuk is vastgesteld, vijf jaar na het einde van het onderzoek.
+9 −0 decreet-2019-05-03-1031839/art. 18/3 nieuw
1Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de personeelsleden van de havenkapiteinsdienst beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het negende lid.
2De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de havenkapiteinsdienst, en op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden bedraagt in voorkomend geval niet meer dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
3De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
4Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
5De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke beslissing van de verwerkingsverantwoordelijke tot weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de havenkapiteinsdienst zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
6De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
7De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd, en houdt die informatie ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
8Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval opnieuw toegepast, conform artikel 12 van de voormelde verordening.
9Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid bevat, is verzonden naar het Openbaar Ministerie en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mogen de personeelsleden van de havenkapiteinsdienst op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voor- komend geval de onderzoeksrechter aan de betrokken personeelsleden van de havenkapiteinsdienst heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd