Artikel III.39
§1. Vanaf het begrotingsjaar 2014 ontvangen de hogescholen een uitkering van 7.616.782,04 euro als aanvullende onderzoeksmiddelen voor de academisch gerichte kunstopleidingen in de Schools of Arts. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de volgende bedragen:
begrotingsjaar
bedrag (uitgedrukt in miljoen euro)
2014
2,18
2015
3,16
2016
4,13
2017
5,11
2018
6,41
2019
7,71
2020
9,01
2021
9,01
2022
10,31
2023
11,61
vanaf 2024
12,93
Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in het tweede lid, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen vermeld in de artikelen III.37, §3, 1°, en III.38, §2, 1°, en de bedragen vermeld in het tweede lid als 1 geheel beschouwd.
§2. De bedragen, vermeld in paragraaf 1, worden onder de hogescholen verdeeld naar rato van het aantal opgenomen studiepunten en het aantal uitgereikte diploma’s in de academisch gerichte kunstopleidingen.
Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in de academisch gerichte kunstopleidingen in een hogeschool wordt voor het begrotingsjaar t het gemiddelde aantal studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een academische initiële bachelor- of masteropleiding binnen een School of Arts.
Voor de vaststelling van het aantal uitgereikte diploma’s in de academisch gerichte kunstopleidingen in een hogeschool wordt voor het begrotingsjaar t het gemiddelde aantal uitgereikte diploma’s in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 in een academische initiële bachelor- of masteropleiding binnen een School of Arts.
Zowel het aantal opgenomen studiepunten als het aantal uitgereikte diploma’s wordt voor 50% meegerekend.
§3. Vanaf het begrotingsjaar 2014 ontvangen de universiteiten een uitkering van 23.514.788,22 euro als aanvullende onderzoeksmiddelen voor de academisch gerichte hogeschoolopleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd zijn in de universiteiten. Dat bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de volgende bedragen (uitgedrukt in miljoen euro):
begrotingsjaar
bedrag (uitgedrukt in miljoen euro)
2014
12,82
2015
18,64
2016
21,61
2017
27,43
2018
32,73
2019
38,23
2020
43,53
2021
43,53
2022
48,83
2023
54,33
2024
58,01
vanaf 2025
60,67
Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in het tweede lid, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen vermeld in de artikelen III.37, §3, 2°, en III.38, §2, 2°, en de bedragen vermeld in het tweede lid als 1 geheel beschouwd.
§4. De bedragen, vermeld in paragraaf 3, worden onder de universiteiten verdeeld naar rato van het aantal opgenomen studiepunten en het aantal uitgereikte diploma’s in de academisch gerichte opleidingen waarvan de onderwijsbevoegdheid met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen is van de hogescholen aan de universiteiten.
Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in een universiteit wordt voor het begrotingsjaar t het gemiddelde aantal studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een academische initiële bachelor- of masteropleiding waarvan de onderwijsbevoegdheid met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen is aan de desbetreffende universiteit.
Voor de vaststelling van het aantal uitgereikte diploma’s in een universiteit wordt voor het begrotingsjaar t het gemiddelde aantal uitgereikte diploma’s in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 in een academische initiële bachelor- of masteropleiding waarvan de onderwijsbevoegdheid met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen is aan de desbetreffende universiteit.
Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten en van het aantal uitgereikte diploma’s, vermeld in het tweede en derde lid, worden de opgenomen studiepunten en de uitgereikte diploma’s in de academische initiële bachelor- of masteropleidingen, waarvan de onderwijsbevoegdheid met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen is aan een universiteit, geacht behoord te hebben bij de ontvangende universiteit tijdens de relevante academiejaren, nodig voor de berekening van het vijfjarige gemiddelde.
Zowel het aantal opgenomen studiepunten als het aantal uitgereikte diploma’s wordt voor 50% meegerekend.
§5. In afwijking van paragraaf 2 en 4 kan vanaf het begrotingsjaar 2019 de jaarlijkse toename van de aanvullende onderzoeksmiddelen verdeeld worden op basis van outputindicatoren. De Vlaamse Regering stelt daarvoor een werkgroep samen die uiterlijk tegen 30 juni 2015 een voorstel uitwerkt. Op basis van dat voorstel legt de Vlaamse Regering tegen 1 januari 2016 de concrete verdelingswijze vast, alsook de lijst van outputindicatoren.
§6. De middelen, vermeld in dit artikel, worden met behoud van bestemming toegevoegd aan de werkingsuitkering.
§ 7. De bedragen van de aanvullende onderzoeksmiddelen, berekend overeenkomstig dit artikel, met uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 3 die vanaf 2015 toegevoegd worden, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.
§ 8. De bedragen van de aanvullende onderzoeksmiddelen, berekend overeenkomstig dit artikel, met uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 3 die vanaf 2015 toegevoegd worden, worden vanaf het begrotingsjaar 2016 bijkomend met 1% verminderd.