Tot wijziging van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat betreft de optimalisatie van de procedures #699
Gemerged Vlaamse Regering voegde 8 artikels samen in decreet-2014-04-04 · 19 maart 2021 Alle checks geslaagd
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks; de aanvaarde amendementen zitten in de volgende tekst van het voorstel. Hieronder de tekst uit de PDF.
verzendcode: FIN
Documenten in het dossier:
: Ontwerp van decreet
– Nr. 2: Amendementen
– Nr. 3: Verslag
– Nr. 4: Amendement
19 mei 2021 (2020-2021)
Amendementen
voorgesteld na indiening van het verslag
op het ontwerp van decreet
tot wijziging van het decreet van 4 april 2014
betreffende de organisatie en de rechtspleging
van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges,
wat betreft de optimalisatie van de procedures
ingediend op
— 1011 Brussel — 02 552 11 11 — www.vlaamsparlement.be
AMENDEMENT Nr. 7
voorgesteld door Adeline Blancquaert, Anke Van dermeersch,
Wim Verheyden en Chris Janssens
na indiening van het verslag
Artikel 4
In de bij punt 10° voorgestelde tekst van paragraaf 5, aan het eerste lid
de volgende zin toevoegen:
“De Vlaamse Regering werkt een regeling uit voor de unieke identificatie van de
rolrechtbetalingen.”.
VERANTWOORDING
De Raad van State oordeelde dat de ontworpen regeling inzake de betaling van de rolrechten in het
ontwerp van decreet geen excessieve last oplegt aan de procespartijen en bijgevolg geen afbreuk doet
aan de essentie van het recht op toegang tot de rechter.
De Raad van State stelt echter dat de nieuw ontworpen regeling evenwel tot gevolg heeft dat het
rolrecht door de verzoekende partij in beginsel moet worden betaald op het ogenblik dat er nog geen
rolnummer is toegekend aan de door haar ingestelde vordering. Dat kan tot praktische problemen
aanleiding geven, met name om de door een partij gedane storting te identificeren.
De Raad van State beveelt dan ook aan om hiervoor in het ontwerp van decreet in een regeling te
voorzien. Vermits het evenwel niet om een essentieel element gaat van de regeling van het rolrecht,
dat een belasting is, zou dit volgens de Raad van State echter ook aan de Vlaamse Regering kunnen
worden overgelaten.
Het komt dan ook gepast voor om in de nieuw ontworpen regeling voor de betaling van de rolrechten
minstens een bepaling op te nemen waarmee de Vlaamse Regering gelast wordt een praktische regeling
omtrent de identificatie van de rolrechtbetalingen uit te werken.
AMENDEMENT Nr. 8
voorgesteld door Adeline Blancquaert, Anke Van dermeersch,
Wim Verheyden en Chris Janssens
na indiening van het verslag
Artikel 5
In de bij punt 2° voorgestelde tekst van paragraaf 4, aan het eerste lid de
volgende zin toevoegen:
“De Vlaamse Regering werkt een regeling uit voor de unieke identificatie van de
rolrechtbetalingen.”.
VERANTWOORDING
Zie verantwoording bij amendement nr. 7.
AMENDEMENT Nr. 9
voorgesteld door Adeline Blancquaert, Anke Van dermeersch,
Wim Verheyden, Filip Dewinter en Chris Janssens
na indiening van het verslag
Artikel 6
Dit artikel vervangen door wat volgt:
“Art. 6. In artikel 35 van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij decreet van 9
december 2016, wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
“Zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om de schending aan te voeren van
regels die de openbare orde aanbelangen, kan de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel in elk van de volgende gevallen geen aanleiding geven tot
een vernietiging:
1° als de partij die de schending aanvoert, niet wordt benadeeld door de
ingeroepen onwettigheid;
2° als de ingeroepen onwettigheid kennelijk niet strekt tot bescherming van de
belangen van degene die zich daarop beroept;
3° als de partij kennelijk verzuimd heeft de ingeroepen onwettigheid aan te
voeren op het nuttige ogenblik waarop het kon worden aangevoerd tijdens de
bestuurlijke procedure.”.”.
VERANTWOORDING
De invoering van de nieuwe relativiteitseis, zoals bepaald in artikel 6 van dit ontwerp van decreet, heeft
volgens de indieners van het ontwerp een dubbel doel:
1° het aan banden leggen van tergende en roekeloze procedures die bij de Vlaamse bestuursrechtcolleges
louter en alleen worden ingeleid om administratieve beslissingsprocedures van de overheid te
vertragen;
2° het verder terugdringen van de doorlooptijden van de geschilprocedures voor de Vlaamse
bestuursrechtcolleges.
De huidige formulering van deze nieuwe relativiteitseis staat deze doelstellingen echter in de weg.
Vooreerst dreigt de tweede zin van deze nieuwe relativiteitseis in punt 1° van artikel 6 – i.c. “1° (…)
De omstandigheid dat de aangevoerde schending een onwettigheid uitmaakt die mogelijk aanleiding
kan geven tot vernietiging, maakt op zich niet dat de partij benadeeld wordt door de ingeroepen
onwettigheid.” – niet alleen de rechten van een benadeelde persoon en diens toegang tot de
bestuursrechter op onevenredige wijze in te perken. Deze zin zal ook met zekerheid aanleiding geven
tot oeverloze preliminaire discussies over de al dan niet ontvankelijkheid van de geschilprocedure, wat
juist tot een enorme vertraging van de doorlooptijden zal leiden.
Bovendien is het aantonen van een “persoonlijk belang” en “nadeel” dat vereist is voor het instellen van
een geschilprocedure bij een Vlaams bestuursrechtcollege nooit een zwart-witverhaal.
In bepaalde administratieve dossiers, die bij een oppervlakkige benadering als een louter lokale
aangelegenheid zouden worden beschouwd, kunnen bepaalde rechtzoekenden toch een gerechtvaardigd
rechtstreeks en persoonlijk belang hebben dat het lokale belang overstijgt, en waarbij er wel degelijk
sprake kan zijn van nadeel.
Denk hierbij alleen al maar aan de omgevingsvergunningen voor de bouw en/of exploitatie van
grootschalige industriële complexen, megashoppingcentra, gebedsoorden enzovoort, waarbij de kans
met een met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bestaat dat deze in een later stadium zelfs
nog verder zullen uitbreiden, en waardoor er niet alleen een lokale negatieve impact voor de directe
omwonenden dreigt, maar ook bovenlokale bevolkingsbelangen kunnen geschaad worden, en dit zowel
met onmiddellijke ingang als pas op middellange en lange termijn.
De begrippen “persoonlijk belang” en “nadeel” dienen dan ook zowel ten aanzien van natuurlijke als van
rechtspersonen steeds in de meest ruime zin geïnterpreteerd te worden.
Nu de huidige formulering van artikel 6 …