Artikel 17
§ 1. Voor inbreuken op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen wegeninspecteurs-controleurs en de Vlaamse Regering in graad van beroep een administratieve geldboete opleggen overeenkomstig de hierna bepaalde regels.
§ 2. Het tarief van de administratieve geldboete is gelijk aan de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen.
In afwijking van het eerste lid is het tarief van de administratieve geldboete voor de inbreuken die de Vlaamse Regering bepaalt, gelijk aan een bedrag dat de Vlaamse Regering bepaalt, verhoogd met de opdeciemen. Het voormelde bedrag ligt hoger dan de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, en is hoogstens gelijk is aan de maximumgeldboete, vermeld in artikel 14.
Als een overtreder binnen de positieve referentieperiode opnieuw een inbreuk op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan pleegt, kan de administratieve geldboete bepaald worden op het dubbel van de administratieve geldboete, vermeld in het eerste of het tweede lid.
In het derde lid wordt verstaan onder positieve referentieperiode : de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop een definitieve administratieve geldboete of een definitieve strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een inbreuk op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan.
Als er verzachtende omstandigheden zijn, kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse Regering een administratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen opleggen.
§ 3. Als de administratieve geldboete niet onmiddellijk werd geïnd, brengen de wegeninspecteurs binnen de vijfendertig dagen na de vaststelling van de inbreuk, de procureur des Konings en de wegeninspecteur-controleur op de hoogte van de door hen vastgestelde inbreuken en, in voorkomend geval, van de consignaties, vermeld in paragraaf 6.
De procureur des Konings beschikt vervolgens over een vervaltermijn van zestig dagen om zijn voornemen om al dan niet strafvervolging in te stellen mee te delen aan de wegeninspecteur-controleur. De termijn gaat in de derde werkdag na verzending van de kennisgeving bedoeld in het vorige lid.
Als de procureur des Konings tijdig beslist om strafvervolging in te stellen, vervalt de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen.
Als de procureur des Konings beslist om geen strafvervolging in te stellen, kan een administratieve geldboete worden opgelegd.
Als de procureur des Konings zijn beslissing niet tijdig meedeelt, vervalt de mogelijkheid om strafvervolging in te stellen en kan een administratieve geldboete worden opgelegd.
§ 4. De andere bevoegde personen dan de personen, vermeld in paragraaf 3, brengen de procureur des Konings op de hoogte van de door hen vastgestelde inbreuken en, in voorkomend geval, van de onmiddellijke inningen of consignaties, vermeld in paragraaf 6.
Als de procureur des Konings beslist om geen strafvervolging in te stellen, brengt hij de wegeninspecteur-controleur daarvan op de hoogte. De wegeninspecteur-controleur kan vervolgens een administratieve geldboete opleggen.
§ 5. De onderneming is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete, opgelegd aan haar organen en aan de personen voor wie ze overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is.
§ 6. De bevoegde personen, vermeld in paragraaf 3 en 4, kunnen de administratieve geldboete onmiddellijk innen als de overtreder daarmee instemt.
De onmiddellijke inning doet de strafvordering vervallen. De sommen komen ten bate van het Vlaamse Gewest.
Als de overtreder en de onderneming geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België hebben en niet instemmen met een onmiddellijke inning van de administratieve geldboete, wordt de administratieve geldboete door de bevoegde personen, vermeld in de paragrafen 3 en 4, verplicht geïnd en in consignatie gegeven.
De consignatie doet de strafvordering niet vervallen.
De nadere regels voor de onmiddellijke inning en de consignatie van de administratieve geldboete worden vastgesteld door de Vlaamse Regering.
§ 7. Als de overtreder en de onderneming geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België hebben, wordt het door de overtreder bestuurde voertuig op zijn kosten en risico ingehouden tot het bedrag, vermeld in paragraaf 6, derde lid, in consignatie gegeven is en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn.
Als het bedrag, vermeld in paragraaf 6, derde lid, binnen een termijn van vier werkdagen vanaf de vaststelling van de overtreding, niet in consignatie gegeven is, mag de inbeslagneming van het voertuig bevolen worden door het Openbaar Ministerie.
Een bericht van inbeslagneming wordt binnen twee werkdagen naar de overtreder en, in voorkomend geval, naar de onderneming, alsook naar de eigenaar van het voertuig gestuurd.
Het risico en de kosten voor het voertuig blijven tijdens de duur van het beslag ten laste van de overtreder of, in voorkomend geval, van de onderneming.
Het beslag wordt opgeheven nadat het bewijs geleverd is dat het bedrag, vermeld in paragraaf 6, derde lid, in consignatie gegeven is en de eventuele bewaringskosten van het voertuig zijn betaald.